Bijlage 6. Mer-beoordelingsbesluit Park Polderstaete
Tekst van het document
M.e.r.-beoordelingsbesluit Park Polderstaete - Plasweg 20/20a 1
Aanleiding
In verband met de voorgenomen ontwikkeling hebben wij beoordeeld of een milieueffectrapportage (MER) moet worden opgesteld in het kader van het vaststellen van een plan bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening. De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van 10 woningen en de sloop van een glastuinbouwbedrijf. Op grond van de aanmeldnotitie m.e.r. beoordelen wij of, voorafgaand aan de besluitvorming het plan, een milieueffectrapport moet worden opgesteld.
2
Besluit
Wij besluiten, gelet op de overwegingen die zijn opgenomen in dit besluit, dat bij de voorbereiding van het plan voor hierboven genoemde ontwikkeling geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. De toelichting van het plan (NL.IMRO.0627.BPplasweg20a-0301) maakt onderdeel uit van dit besluit.
3
Rechtsmiddelen
Op grond van artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht is deze beoordeling een voorbereidingsbesluit waarop geen bezwaar en beroep mogelijk is, tenzij aangetoond kan worden dat dit besluit belanghebbende rechtstreeks treft. In de bestemmingsplanprocedure kan door eenieder zienswijzen over het ontwerpbestemmingsplan naar voren worden gebracht. De zienswijzen kunnen ook betrekking hebben op dit voorbereidingsbesluit.
4
Procedure
De voorbereiding van het m.e.r.-beoordelingsbesluit heeft plaatsgevonden overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. De aanmeldnotitie en de daarbij gevoegde bescheiden voldoen aan de eisen die het Besluit milieueffectrapportage daaraan stelt.
5
Overwegingen
De volgende inhoudelijke overwegingen liggen aan dit besluit ten grondslag: 5.1 Toetsingskader De aangevraagde activiteit komt niet voor in onderdeel C van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Hierdoor is geen directe plicht om een milieueffectrapport op te stellen. De aangevraagde activiteit komt wel voor in onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapport, namelijk onder D9. In kolom 2 van D9 is de m.e.r-beoordelingsdrempel opgenomen: In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een functiewijziging met een oppervlakte van 125 hectare of meer van water, natuur, recreatie of landbouw, of 2°. vestiging van een glastuinbouwgebied of bloembollenteeltgebied van 50 hectare of meer. De aangevraagde activiteit komt ook voor in onderdeel D 11.2 van de bijlage van het Besluit Milieueffectrapport. In kolom 2 van D11.2 is de m.e.r-beoordelingsdrempel opgenomen: In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op:
1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Op grond van het Besluit milieueffectrapportage moet het bevoegd gezag, ook voor activiteiten die beneden de m.e.r-beoordelingsdrempel liggen, bepalen of de activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft en of al dan niet een MER opgesteld dient te worden. Dit dient te gebeuren aan de hand van de criteria genoemd in bijlage III bij de EG-richtlijn milieueffectbeoordeling (2011/92/EU en 2014/52/EU). Deze criteria omvatten: - de kenmerken van het project (onder andere omvang en cumulatie); - de locatie van het project (de kenmerken van het plangebied in relatie met kwetsbaarheid omgeving); - soort en kenmerken van het potentiële effect (mogelijke effecten van de activiteit, onder andere bereik, waarschijnlijkheid en omkeerbaarheid). Als uitgangspunt geldt dat alleen een MER hoeft te worden opgesteld, indien het bevoegd gezag van oordeel is dat dit noodzakelijk is vanwege belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben. 5.1.1 De kenmerken van het project De omvang van het project De sloop van een glastuinbouwbedrijf en de realisatie van 10 nieuwe woningen, en omzetting van één bestaande bedrijfswoning naar burgerwoning.
Daarnaast wordt een recreatieterrein van ca 2 ha aangelegd. Dit is onderdeel van in de eindsituatie 40 ha recreatieterrein. De cumulatie met andere projecten Niet van toepassing Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen Bij de bouw van woningen wordt voornamelijk gebruik gemaakt van de natuurlijke hulpbronnen hout, grond en baksteen. Deze hulpbronnen zijn niet schaars en kunnen gemakkelijk worden aangewend. Verontreiniging en hinder Bij de realisatie van woningen wordt bouwafval geproduceerd (o.a. beton, staal, hout, verf etc.). Dit afval is eenmalig. Er is dus geen sprake van een continue productie van afval als gevolg van dit woningbouwproject. Het bouwafval wordt hergebruikt daar waar mogelijk. Het overige afval wordt afgevoerd naar de daarvoor bestemde milieudepots (bijvoorbeeld Milieustraat). Hinder wordt ondervangen door voldoende afstand te houden van nabijgelegen milieubelastende activiteiten. Risico van ongevallen Er is geen sprake van een risicovolle inrichting. 5.1.2 De plaats van het project Het bestaande grondgebruik Een glastuinbouwbedrijf met bijbehorende opstallen. Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratieve vermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied Geen bijzondere rijkdom.
Het opname vermogen van het natuurlijke milieu met aandacht voor wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, HA/ Richtlijnengebied, gebieden waar milieunormen worden overschreden, gebieden met hoge bevolkingsdichtheid, landschappelijk historische cultureel of archeologische gebieden van belang.
Het plangebied is niet van archeologisch belang. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied, 'Broekvelden - Vettenbroek & Polder Stein', bevindt zich op een afstand van circa 8 km ten oosten van het plangebied. Het Natura2000 gebied 'Nieuwkoopse Plassen en de Haeck' ligt op een afstand van circa 11,3 kilometer. De nieuwe woningen liggen niet binnen de invloedssfeer van deze Natura 2000gebieden voor wat betreft stikstofdepositie.
5.1.3 Kenmerken van het potentiële effect Bereik van het effect (Geografisch en grootte getroffen bevolking) Er zijn geen aanzienlijke effecten op de bevolking. Gelet op de tijdelijkheid van de bouwfase kan blijvende negatieve milieueffecten worden uitgesloten. Tevens zal vanwege de kleinschaligheid ook geen sprake zijn van significante negatieve milieueffecten, zoals geluid- en stofoverlast, ten tijde van de werkzaamheden. Grensoverschrijdend karakter Niet van toepassing Orde van grootte en complexiteit effect Niet van toepassing Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect De woningen worden voor onbepaalde tijd gerealiseerd. De bouwfase is tijdelijk. 5.2 Conclusie Gelet op bovenstaande overwegingen kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Het opstellen van een milieueffectrapport is daarom niet nodig. Burgemeester en wethouders van de gemeente Waddinxveen, de secretaris
de burgemeester
mevr. J. M. van Vugt
dhr. E. J. Nieuwenhuis