Bijlage 3 Sporthal de Gouwehal Ruimtelijke onderbouwing Bijlagen
Tekst van het document
ruimtelijke onderbouwing Sporthal de Gouwehal ontwerp 21-06-2022
ruimtelijke onderbouwing Bijlagen
Sporthal de Gouwehal ontwerp 21-06-2022
ruimtelijke onderbouwing Sporthal de Gouwehal
Inhoudsopgave
Bijlagen Bijlage 1
Watertoets
Bijlage 2
Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 3
Luchtkwaliteitsonderzoek
1
Code: 20210706-40-
Datum: 2021-07-06 Geachte heer/mevrouw, U heeft, via www.dewatertoets.nl, een watertoets uitgevoerd voor een plan binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Op basis van de door u verstrekte gegevens concluderen wij dat er waterstaatkundige belangen zijn. Deze belangen zijn zodanig van aard en omvang dat overleg met het hoogheemraadschap gewenst is. Wij verzoeken u het (voor)ontwerp-bestemmingsplan aan het hoogheemraadschap toe te zenden en ons in de gelegenheid te stellen hierop te reageren. Vooruitlopend hierop verzoek ik u het plan te voorzien van een uitgebreide waterparagraaf waarin u ingaat op de huidige waterhuishoudkundige situatie en wat de gevolgen zijn van de voorgenomen ontwikkelingen. Voor het maken van de waterparagraaf kunt u gebruik maken van de bijgevoegde uitgangspuntennotitie met daarin per categorie, de waterstaatkundige uitgangspunten van het hoogheemraadschap verwoord. Hoogachtend, Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard Maasboulevard 123 3063 GK Rotterdam Telefoon: 010 45 37 335 E-mail: info@hhsk.nl
Uitgangspuntennotitie Sportaccomodatie Sniepweg Sniepweg tussen 13E en 13F Waddinxveen
Deze uitgangspuntennotitie bevat de waterhuishoudkundige streefbeelden, strategieen en randvoorwaarden van hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard en dient als hulpmiddel voor de eerste aanzet van een waterparagraaf. De relevante randvoorwaarden voor het plan Sportaccomodatie Sniepweg zijn gerangschikt onder 7 streefbeelden ingedeeld op basis van de drie waterthema's: Veiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit. Van streefbeeld naar randvoorwaarde vindt u de strategie, die erop gericht is het streefbeeld te verwezenlijken. U krijgt op deze manier een goed overzicht van de randvoorwaarden en kan eveneens herleiden waarop deze gebaseerd zijn. Deze dienen als goed uitgangspunt voor gesprek. De strategie en randvoorwaarden worden alleen vermeld als dit voor het plan relevant is. Waterveiligheid In het Nationaal Waterplan is de meerlaagsveiligheid of veiligheidsketen geintroduceerd. Dit houdt in dat de waterveiligheid op drie manieren moet worden geborgd, te weten: ● voorkomen van een overstroming ● beperken van de gevolgen van een overstroming ● het bestrijden van calamiteiten en rampen Het voorkomen van overstromingen richt zich op de waterkeringen. De waterkeringen op orde te brengen en te houden het primaire doel. Het is de taak van het hoogheem-raadschap om de waterkeringen veilig en robuust te houden.
Daarbij constant zoekend naar de balans tussen de belangen en wensen van omgeving en wat het beheer en veiligheidsvraagstuk vereist van een waterkering. Ook gericht op klimatologische ontwikkelingen in de komende decennia.
Behalve door het verkleinen van de overstromingskans (versterken van waterkeringen) kan het overstromingsrisico worden verkleind door de gevolgen van een overstroming te beperken. Het beperken van de gevolgen van een overstroming heeft betrekking op de inrichting van een gebied. Wanneer onverhoopt toch een overstroming plaatsvindt, moet de schade zo klein mogelijk zijn. Met de juiste inrichtingsmaatregelen kan de schade door een overstroming zo veel mogelijk worden beperkt. Hierbij kan worden gedacht aan: ● het positioneren van gebruiksintensieve bebouwing (o.a. ziekenhuizen en scholen) in minst onveilige delen/hoger gelegen delen van het gebied ● vloerniveau boven inundatiepeil, geen kelders/souterrains of inrichting met niet gevoelige objecten; ● functies toegestaan in benedenverdieping ● terpen, verhoogde delen ● aanbrengen van vluchtwegen en calamiteiten routes Watersystemen/Waterkwantiteit Het uitgangspunt voor het watersysteem is het faciliteren van de ruimtelijke functies en belangen in het gebied. Over het algemeen functioneert het watersysteem het best met grote, robuuste eenheden. Het streven is daarbij om bij ontwikkelingen zo groot mogelijk aaneengesloten peilgebieden te creëeren en te behouden en lokale afwijkende peilen zoveel mogelijk op te heffen. De te handhaven waterpeilen zijn vastgelegd in onze peilbesluiten.
Het waterpeil wordt gehandhaafd door peilregulerende kunstwerken, zoals gemalen en stuwen en mag niet zonder goedkeuring van het hoogheemraadschap worden aangepast.
De hoofdwatergangen vormen de hoofdinfrastructuur van het watersysteem. De primaire functie van de hoofdwatergangen is de aan- en afvoer van water. De functie van ander oppervlaktewater is vooral waterberging en heeft in principe de status 'overig water'. Hoofdwatergangen zijn over het algemeen ruim zodat ze voldoende doorstroomprofiel hebben. Het systeem moet robuust genoeg zijn om hevige neerslag binnen het peilgebied te kunnen opvangen alvorens af te wentelen op naburig gebied. Voor de oevers langs open water wordt gestreefd naar een onderhoudsvriendelijke inrichting (inclusief bereikbaarheid). Voor hoofdwatergangen geldt standaard een zgh. Keurzone van tenminste vijf meter aan weerszijden van de watergang. Uitgangspunt is dat ontwikkelingen geen negatief hebben op de waterhuishouding van de omgeving. Landelijk is dit waterbeleid opgenomen in het Waterbeheer 21e eeuw - WB21 (vasthouden, bergen en dan pas afvoeren van water) en in het NBW (actueel). Dit houdt in dat waterafvoer uit het gebied niet mag toenemen en het probleem dus niet wordt afgewenteld op andere gebieden. De compensatie van negatieve effecten van een ruimtelijke ontwikkeling bestaat uit verschillende aspecten. Er worden 3 typen compensatie onderscheiden: ● 1. aanvullen van het te dempen wateroppervlak ● 2. compensatie voor het aanbrengen van extra verharding in een gebied ● 3.
realiseren van extra waterberging om de wateropgave in het gebied te verminderen
Het landelijk waterbeleid schrijft voor dat ontwikkelingen waterneutraal moeten worden gerealiseerd. Dit betekent dat de versnelde afvoer van water door de verhardingstoename moet worden gecompenseerd. In de regel moet daarom aanvullende waterberging in de vorm van oppervlaktewater worden gegraven. In bepaalde gevallen kan de benodigde aanvullende waterberging ook met alternatieve waterberging worden opgelost. De benodigde aanvullende waterberging wordt door het hoogheemraadschap berekent volgens de landelijke norm (NBW afspraken). De norm verschilt per gebiedsfunctie (woongebied, bedrijfsterrein of glastuinbouwgebied) en is mede gebaseerd op de actuele klimaatontwikkelingen en de daaraan gelieerde wateropgave in het gebied. De benodigde aanvullende waterberging wordt berekend als volume en doorgaans omgerekend in een wateroppervlak of percentage. Voor 'toename van verharding bij ruimtelijke ontwikkelingen' heeft Schieland en de Krimpenerwaard beleid vastgesteld. Dit beleid kunt u hiervinden. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten: ● compenserende waterberging wordt in beginsel gerealiseerd door het graven van open water; ● compensatie vindt in beginsel plaats binnen de grenzen van het plangebied; ● wanneer compensatie in het plangebied niet mogelijk is, dan wordt de compensatie in ieder geval gerealiseerd in hetzelfde peilgebied.
● wanneer er geen mogelijkheid is om compenserende waterberging te realiseren binnen het plangebied of het peilgebied kan in overleg met het hoogheemraadschap een andere positie worden bepaald. Tevens zijn onder restricties bepaalde vormen van alternatieve waterberging bespreekbaar. Voor het beleid t.a.v. "alternatieve vormen van waterberging" klik hier . ● waterberging wordt gerealiseerdvóór uitvoering van het plan. ● het aanbrengen van >500 m2 verharding is vergunningplichtig op grond van de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard De berging wordt niet later gerealiseerd dan de uitvoering van de rest van het plan. Daarbij: ● Hoofdwaterstructuur met de bestemming "water" opnemen op de verbeelding. In bepaalde gevallen volstaat een aanduiding binnen een andere bestemming ook. ● In toelichting en bij voorkeur in regels opnemen dat op grond van de Keur onderhoudsstroken langs de hoofdwatergangen moeten worden vrijgehouden. Indien de ligging van de onderhoudsstroken exact bekend is, is het gewenst deze ook op de verbeelding op te nemen. ● Vastleggen van belangrijke peilregulerende kunstwerken op verbeelding en in de regels. De voorwaarden in de regels moeten een goede bedrijfsvoering niet hinderen. Wateraanvulling opnemen in toelichting en indien belangrijk ook in regels. Bij minder belangrijke plannen kan ook worden verwezen naar de watervergunning.
Informatie: ● Waterbeheerplan 2010-2015 (WBP 2010-2015) ● Peilbesluiten (peilbesluiten) ● Leggers van de watergangen (leggers watersystemen) Watersystemen/onderhoud en inrichting Voor water is ruimte nodig. Ons advies is ruime watergangen met flauwe oevers aan te leggen. Om een gezond watersysteem te ontwikkelen moet water beschikken over voldoende licht en lucht. Onder gezond water verstaan we voldoen aan GEP (waterlichamen) en voldoen aan STOWA klasse 3 (overig water). Bomen, hoge bebouwing, bebouwing boven water en steigers en vlonders geven schaduw en bladval. Bladval heeft een negatief effect op de waterkwaliteit door voedselrijkdom en baggeraanwas. Schaduwwerking over grote wateroppervlakken leidt eerder tot dood water. Probeer overkluizingen, bomen en bebouwing langs het water bij nieuwe ontwikkelingen te voorkomen. Wanneer andere belangen of ontwikkelingen dergelijke bouwwerken of beplanten verlangen, beperk het dan tot een zo klein mogelijk oppervlak en kies een gunstige locatie rekening houdend met de zonnestand en overheersende windrichtingen. Ook wanneer het oppervlaktewater betreft dat niet in het plangebied is gelegen. Zorg voor goede zichtbaarheid op het water of voor een goede afscheiding in gebieden waar veel kinderen verblijven, bijv. in kinderrijke gebieden of bij scholen/opvang.
In het beheergebied van Schieland en de Krimpenerwaard komen op veel plaatsen slappe bodems voor met een geringe bodemstabiliteit. Dit komt doordat er een fragiel evenwicht bestaat tussen het gewicht van het grondpakket dat aan de oppervlakte ligt en de druk van het diepe grondwater. Hierdoor kan de waterbodem plaatselijk loslaten en omhoog worden gedrukt. Dit fenomeen doet zich met name voor bij grote wateroppervlakken. Per gebied moet aan de hand van de aspecten ecologie, waterhuishouding en technische mogelijkheden (BBT) en financieren een afweging worden gemaakt welke methode of techniek van grond-verbetering het beste is.
Watersystemen/waterkwaliteit en ecologie Het bereiken van een goede (ecologische) waterkwaliteit is om meerdere redenen een belangrijke opgave. Enerzijds volgt dit vanuit Europese wet- en regelgeving. De Europese Kaderrichtlijn Water stelt dat de huidige en toekomstige waterlichamen in 2015 moeten voldoen aan het Goed Ecologisch Potentieel (GEP: ecologisch doel specifiek voor belangrijke delen van het watersysteem) in 2015. Daarnaast hanteert het hoogheem-raadschap het algemene beleid dat de waterkwaliteit in alle overige wateren moet voldoen aan 'STOWA klasse III'. Anderzijds is vanuit het perspectief en ambitieniveau van het toekomstige wonen, werken en recreëren een goede water- en ecologische kwaliteit gewenst. Voor de nieuw in te richten gebieden betekent dit dat we meteen streven naar een stabiel, helder en waterplantenrijk waterecosysteem. De manier waarop het watersysteem wordt ingericht, is hiervoor in belangrijke mate bepalend. Behalve de inrichting, zijn ook de gebiedseigenschappen bepalend voor welke water- en ecologische kwaliteit er kan worden behaald. Een geschikte methode om per gebied passende en haalbare doelen en maatregelen af te leiden is de methodiek van de waterkwaliteitsbeelden.
Daarbij wordt per watertype of deelgebied op grond van de huidige kwaliteit en gebiedseigenschappen afgeleid welke kwaliteit haalbaar is en welke maatregelen er zijn om het meest effectief de gewenste doelen te halen.
De inrichting van het watersysteem in een nieuwe plan mag niet leiden tot ecologische knelpunten. De inrichting van het watersysteem moet zodanig worden uitgevoerd dat zo veel mogelijk bestaande knelpunten worden weggenomen geen nieuwe knelpunten ontstaan. Aandachtspunten zijn de aanwezigheid van voldoende diep water voor de overwintering van vis of eenvoudig bereikbaar voor vis en verbindingen langs watergangen voor de migratie van andere fauna. Denk hierbij aan bijvoorbeeld ecologische duikers/ faunapassages (met droge rand voor amfibieën en kleine zoogdieren), vispasseerbare kunstwerken en flauwe (natuurvriendelijke) oevers. Het hoogheemraadschap stimuleert de aanleg van natuurvriendelijke oevers. Onder natuurvriendelijke oevers (nvo's) verstaan we flauwe oevers die deels in het water en deels op het droge talud liggen en die gunstig zijn voor planten en dieren. Wanneer een dergelijke oever goed wordt aangelegd en onderhouden, ontstaat gevarieerde plantengroei waar (water)dieren kunnen schuilen, verblijven en zich voortplanten. Hoe een nvo het best kan worden ontworpen hangt van verschillende factoren af. In het algemeen geldt dat ruime en flauwe onderwateroevers het meest gunstig zijn. Wanneer de ruimte ontbreekt, kunnen ook andere profielen worden toegepast met onderwaterbeschoeiing, plasdraszones en minder flauwe oevers. Zie bijlage voor voorbeeldprofielen van nvo.
Belangrijke aandachtspunten voor nvo's zijn: ● Welk waterkwaliteitsbeeld wordt nagestreefd? ● Is de locatie geschikt voor een nvo rekening houdend met ruimtegebruik, bereikbaarheid, bodemgesteldheid, zonnestand, schaduwwerking, bomen, etc? ● Is de nvo goed bereikbaar voor onderhoud? ● Maak afspraken over (de verantwoordelijkheid voor) het onderhoud? ● Welk beheerregime is noodzakelijk om de nvo gezond en aantrekkelijk te houden? ● Heeft HHSK in het peilgebied een opgave om nvo aan te leggen (KRW)? Het hoogheemraadschap denkt graag mee over de inrichting van een natuurvriendelijke oever. Voor meer informatie vindt u hier het programma van eisen.
Uitgangspunt is dat vervuiling van het watersysteem (en het milieu) moet worden voorkomen. Bij ontwikkelingen moeten geen nieuwe vervuilingsbronnen worden geïntroduceerd. Uitlogende metalen, PAK's, bepaalde coatings en andere stoffen kunnen leiden tot belasting van het oppervlakte- en grondwater. Wanneer afstromend water (licht) verontreinigd is, moet het afstromend worden gezuiverd met behulp van zuiveringsvoorzieningen. In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe schoon houden, scheiden, zuiveren (3-traps-strategie waterkwaliteit). Verontreinigingen worden in beginsel voorkomen, vervolgens worden deze aangepakt bij de bron.
Het verdient de voorkeur bij de inrichting van nieuwe terreinen preventieve maatregelen te nemen die onkruidbestrijding m.b.v. chemische bestrijdingsmiddelen zoveel mogelijk voorkomen. Lozingen in oppervlaktewater van hemelwater die als gevolg van uitlogende materialen verwerkt in bouwwerken (bijv. zinken of koperen daken) verontreinigd zijn geraakt zijn vergunningplichtig. Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen op straatverharding is ongewenst en mag volgens wettelijke gebruiksvoorschriften uitsluitend volgens de DOB-methode (Duurzaam OnkruidBeheer) worden toegepast.
Riolering Waterkwaliteit heeft een duidelijk relatie met de riolering. Overstorten hebben in delen van de stedelijke gebieden grote invloed
op de waterkwaliteit. Overstorten vanuit gemengde stelsels zijn niet toegestaan. Bij gescheiden rioolstelsels moet rekening worden gehouden met de materiaalkeuze voor dakbedekking en hemelwaterafvoeren (geen uitlogende materialen). Bij straatinrichting moet voor milieuvriendelijke, zoveel mogelijk waterdoorlatende, materialen worden gekozen. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt in de waterparagraaf beschreven hoe in de nieuwe ontwikkeling het afvalwater en hemelwater geregeld is. De nadere uitwerking hiervan is in het ontwerp van het rioolstelsel van de nieuwe ontwikkeling opgenomen. Dit ontwerp wordt opgesteld in samenspraak met de gemeente en het hoogheemraadschap en maakt na goedkeuring onderdeel uit van het Gemeentelijk RioleringsPlan (GRP). In het rioolontwerp moet het volgende meegenomen worden: ● 1. Bij nieuwe ontwikkelingen en in nieuw in te richten gebieden geeft het hoogheemraadschap de voorkeur aan een (verbeterd) gescheiden stelsel. Dit om te voorkomen dat er geen schoon hemelwater naar de zuivering wordt afgevoerd. ● 2. Capaciteit hoofdtransportleiding en zuivering. Wanneer het aanbod van afvalwater toeneemt doordat nieuwe woningen of bedrijven worden gebouwd, kan het betekenen dat de capaciteit van het rioolstelsel, de rioolgemalen of de zuivering moet worden uitgebreid. Deze uitbreidingen zijn vaak kostbaar en kosten tijd om voor te bereiden.
Het is belangrijk dat de afdeling AWK overzicht heeft van de geplande ontwikkelingen zodat hier tijdig rekening mee kan worden gehouden. ● 3. De benodigde waterberging ● 4. De overstorten van het rioolstelsel op het oppervlaktewater. ● 5. De toename van het verharde oppervlak ● 6. De zuiveringsvoorziening(en) Ruimtelijke relevantie De hoofdtransportleidingen, hoofdrioolgemalen en zuiveringen moeten planologisch worden beschermd in de ruimtelijke plannen. Genoemde objecten moeten op de verbeelding en in de regels van het bestemmingsplan worden opgenomen met een eigen (dubbel)bestemming. Houdt daarbij rekening met de geur- en geluidscontour rondom zuiveringen en rioolgemalen. Nieuwe functies nabij zuiveringen en gemalen kunnen een goede bedrijfsvoering in de weg staan en dat moet worden voorkomen. Aandachtspunten met betrekking tot riolering moeten worden beschreven in de waterparagraaf. Denk aan het type rioolstelsel, principes van duurzaam bouwen en het opstellen van een rioleringsplan.
Grondwater en ontwatering Bij de inrichting van een gebied moet voldoende drooglegging worden toegepast om wateroverlast in de toekomst te voorkomen. Drooglegging is het verschil tussen het oppervlaktewaterpeil en het maaiveldniveau. Dit moet niet worden verward met de ontwateringdiepte, het verschil tussen het freatische grondwaterniveau en het maaiveldniveau. De ontwateringsdiepte is doorgaans kleiner dan de drooglegging door de opbolling van grondwater in de ondergrond.
De bodemgesteldheid, mogelijke waterpeilstijging, gewenste functies en omgeving bepalen voor een belangrijk deel de passende drooglegging voor een gebied. Het blijft maatwerk per gebied. In veengebieden als de Krimpenerwaard is de drooglegging veel kleiner dan in Schielandse delen. In stedelijke gebieden van Schieland wordt vaak de volgende drooglegging geadviseerd: ● vloerpeil bebouwing: 1,3 m drooglegging ● hoofdwegen: 1,0 m drooglegging ● overige wegen: 0,7 m drooglegging Verontreining van het grondwatersysteem moet worden voorkomen. Let op dat er maatregelen worden getroffen bij grondwateronttrekkingen bij bodemverontreinigingen. Drainage moet zoveel mogelijk direct lozen op het oppervlaktewater (eventueel via de hemelwaterafvoer bij een gescheiden stelsel). Voorkom aansluitingen van drainage op de riolering (DWA en hemelwaterafvoer verbeterd gescheiden stelsel). Grondwater is in principe schoon en zorg voor verdunning van het afvalwater en heeft daarmee een negatief effect op het rendement van de zuiveringen. Verticale drainages worden zoveel mogelijk voorkomen.
Verdroging Verdroging van gebieden moet worden tegengegaan. Verdroging wordt onder andere veroorzaakt door de afname van de infiltratie van water. Stedelijke gebieden zijn sterk verhard waardoor water minder makkelijk kan infiltreren naar het grondwater. Het toepassen van waterdoorlatende verhardingen of het vergroten van het wateroppervlak en onverharde terreinen zijn goede maatregelen om verdroging tegen te gaan. Ook (grote) grondwateronttrekkingen (landbouw, glastuinbouw) leiden tot verdroging. Voorkom nieuwe bronnen van verdroging
en verminder de negatieve effecten van bestaande. Overleg met de provincie (grondwaterbeheerder van grote onttrekkingen).|
Ruimtelijke doorwerking ● Neem in de toelichting een passende droogleggingsnorm voor de verschillende functies op. ● Neem in de toelichting op als het gebied gevoelig is voor (grond)wateroverlast, bodemdaling of verdroging en beschrijf de consequenties. Leg specifieke bestaande belangen vast op de verbeelding en in de regels. Bijvoorbeeld een ringsloot of hoogwatervoorziening om een (oude) boerderij. Licht de bescherming van bestaande belangen toe in de toelichting. © Digitale Watertoets www.dewatertoets.nl Dit document is gegenereerd via de website www.dewatertoets.nl. Het document mag alleen worden gebruikt ten behoeve van het plan, dat in dit document is omschreven. De informatie in dit document is houdbaar tot maximaal 1 jaar, gerekend vanaf de genoemde datum in dit document.
VERKENNEND BODEMONDERZOEK SNIEPWEG 13 TE WADDINXVEEN
Rapportage verkennend bodemonderzoek Sniepweg 13 te Waddinxveen Opdrachtgever
BügelHajema Amersfoort Postbus 2153 3800 CD Amersfoort
Contactpersoon
Mevrouw T. Casimir
Rapportnummer
13487.001
Versienummer
D1
Status
Eindrapportage
Datum
24 september 2021
Vestiging
Zuid-Holland Max Euwelaan 21-29 3062 MA Rotterdam 088 – 500 1600 rotterdam@econsultancy.nl
Opsteller
De heer dr. Y. Boswinkel
Paraaf Kwaliteitscontrole
De heer M. Zandvliet, MSc
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van de Vereniging Kwaliteitsborging Bodembeheer (VKB). De VKB is een vereniging van bodemadviesen -onderzoeksbureaus en heeft als doel kwaliteitsborging en continue verbetering van de dienstverlening van haar leden op het gebied van bodembeheer. Het VKB keurmerk geeft opdrachtgevers de zekerheid dat het uitvoerend bureau werkt conform de eisen die de VKB aan haar leden stelt op het gebied van competenties en integriteit van medewerkers en het toepassen van vigerende normen en onderzoeksprotocollen. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit bodemonderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een bodemonderzoek wordt in zijn algemeenheid echter uitgevoerd door het steekproefsgewijs bemonsteren van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een bodemonderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Daarnaast betreft het bodemonderzoek een momentopname.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde bodemonderzoek neemt.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
AFBAKENING ONDERZOEKSLOCATIE ................................................................................... 1
3
MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK BODEM ................................................................. 2 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9
Geraadpleegde bronnen ................................................................................................... 2 Historisch en huidig gebruik onderzoekslocatie ............................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Calamiteiten ...................................................................................................................... 3 Uitgevoerd(e) bodemonderzoek(en) op de onderzoekslocatie ........................................ 3 Aangrenzende terreindelen/percelen ............................................................................... 3 Terreininspectie ................................................................................................................ 3 Informatie lokale of regionale achtergrondgehalten ......................................................... 4 Bodemopbouw en geohydrologie ..................................................................................... 4
4
CONCLUSIES MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK BODEM (ONDERZOEKSOPZET) 4
5
VELDWERK ................................................................................................................................ 5 5.1 5.2
5.3
6
LABORATORIUMONDERZOEK ................................................................................................ 6 6.1 6.2 6.3
7
Algemeen.......................................................................................................................... 5 Grondonderzoek ............................................................................................................... 5 5.2.1 Uitvoering veldwerk ............................................................................................ 5 5.2.2 Zintuiglijke waarnemingen .................................................................................. 5 Grondwateronderzoek ...................................................................................................... 6 5.3.1 Uitvoering veldwerk ............................................................................................ 6 5.3.2 Bemonstering ..................................................................................................... 6
Uitvoering analyses .......................................................................................................... 6 Toetsingskader ................................................................................................................. 7 Resultaten grond- en grondwatermonsters ...................................................................... 8
SAMENVATTING, CONCLUSIES EN ADVIES .......................................................................... 9
BIJLAGEN: 1. 2a. 2b. 3. 4a. 4b. 5.
- Topografische ligging van de locatie - Locatieschets - Foto's onderzoekslocatie - Boorprofielen - Analysecertificaten - Getoetste analyseresultaten Circulaire bodemsanering - Toetsingskader Circulaire bodemsanering 13487.001
1
INLEIDING
BügelHajema Amersfoort heeft aan Econsultancy opdracht verleend voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek op de locatie Sniepweg 13 te Waddinxveen. Het bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanwijziging. Het verkennend bodemonderzoek heeft tot doel met een relatief geringe onderzoeksinspanning vast te stellen of op de onderzoekslocatie een grond- en/of grondwaterverontreiniging aanwezig is, teneinde te bepalen of er milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de bestemmingsplanwijziging van de onderzoekslocatie. Het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is verricht conform de NEN 5725:2017 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek". Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740+A1:2016 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond". Het veldwerk en de bemonstering zijn uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek", protocollen 2001 en 2002 en de daarin gestelde eisen. De analyseresultaten zijn getoetst aan het toetsingskader uit de Circulaire bodemsanering en aan de achtergrondwaarden voor grond uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage B, tabel 1).
Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor de protocollen 2001 en 2002 van de BRL SIKB 2000. In dat kader verklaart Econsultancy geen eigenaar van de onderzoekslocatie te zijn of te worden.
2
AFBAKENING ONDERZOEKSLOCATIE
Het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem omvat de onderzoekslocatie en direct hieraan grenzende terreindelen binnen een afstand van 25 meter. De onderzoekslocatie (± 1.800 m²) is gelegen aan de Sniepweg 13 te Waddinxveen (zie bijlage 1). De onderzoekslocatie is kadastraal bekend gemeente Waddinxveen, sectie C, nummers 1823 en 5633 (ged.). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 5,3 m -NAP en zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 104.000, Y = 450.570.
R 13487.001 versie D1
Pagina 1 van 9
3
MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK BODEM
3.1
Geraadpleegde bronnen
Voorafgaand aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden is een milieuhygiënisch vooronderzoek bodem uitgevoerd op basis van de NEN 5725. In tabel 1 zijn de in het kader van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem geraadpleegde bronnen weergegeven. Van de locatie en de directe omgeving zijn uit verschillende informatiebronnen gegevens verzameld over het historische, huidige en toekomstige gebruik, eventuele calamiteiten, eventueel eerder uitgevoerde bodemonderzoeken, de bodemopbouw en geohydrologie, verhardingen, kabels en leidingen. Tabel 1.
Geraadpleegde bronnen Onderdeel
Bron
Historisch, huidig en toekomstig gebruik
Opdrachtgever (contactpersoon mevrouw T. Casimir), d.d. 18 augustus 2021 Contactpersoon de heer R. de Rooij, d.d. 23 juli 2021
Bouw-/milieudossier, ondergrondse tanks, calamiteiten, eerder uitgevoerd bodemonderzoek
Omgevingsdienst Midden-Holland (online Atlas Omgevingsdienst Midden-Holland), d.d. 23 juli 2021
Locatiegegevens van internet: - historisch topografisch kaartmateriaal - basisregistratie grootschalige topografie - kadastrale gegevens - hoogtekaart - luchtfoto's - Google streetview - provinciale bodeminformatie - bodemopbouw - geo(hydro)logie - kabels en leidingen
www.topotijdreis.nl www.pdok.nl www.kadaster.nl www.ahn.nl webservices.gbo-provincies.nl/lufo/services/wms maps.google.nl www.bodemloket.nl maps.bodemdata.nl www.dinoloket.nl www.kadaster.nl/klic-wion
Terreininspectie
Uitgevoerd door Econsultancy, d.d. 13 augustus 2021
3.2
Historisch en huidig gebruik onderzoekslocatie
Uit historisch kaartmateriaal uit de periode 1900 - 1981 blijkt, dat de onderzoekslocatie in deze periode in gebruik was als weiland. Rond 1981 is op de locatie een sportpark gerealiseerd. Hierbij zijn enkele sloten gedempt. Het sportpark bestond uit een zwembad, enkele sportvelden en bijbehorende gebouwen. Eén van deze gebouwen lijkt op de huidige onderzoekslocatie te hebben gestaan. Vanaf circa 2011 lijkt het huidige sportveld op de onderzoekslocatie te zijn aangelegd. Sindsdien hebben er geen veranderingen meer plaats gevonden op de locatie. Direct rond de onderzoekslocatie is gras aanwezig met daaromheen bestrating met klinkers en tegels. Voor zover bij de opdrachtgever en de Omgevingsdienst Midden-Holland bekend, heeft er op de onderzoekslocatie nimmer opslag van oliehoudende producten in ondergrondse of bovengrondse tanks plaatsgevonden. Er zijn geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. In bijlage 2a is de huidige situatie op een locatieschets weergegeven. Bijlage 2b bevat enkele foto's van de onderzoekslocatie.
R 13487.001 versie D1
Pagina 2 van 9
3.3
Toekomstige situatie
De initiatiefnemer is voornemens een nieuwe sportaccommodatie te realiseren. 3.4
Calamiteiten
Voor zover bij de opdrachtgever bekend hebben zich op de onderzoekslocatie in het verleden geen calamiteiten met een bodembedreigend karakter voorgedaan. Ook uit informatie van de Omgevingsdienst Midden-Holland blijkt niet, dat er zich in het verleden bodembedreigende calamiteiten hebben voorgedaan. 3.5
Uitgevoerd(e) bodemonderzoek(en) op de onderzoekslocatie
Op de onderzoekslocatie zijn, voor zover bekend, geen bodemonderzoeken uitgevoerd. 3.6
Aangrenzende terreindelen/percelen
In paragraaf 3.1 zijn de geraadpleegde informatiebronnen voor de omliggende terreindelen en aangrenzende percelen binnen 25 meter van de onderzoekslocatie opgenomen. Het bodemgebruik van de omliggende terreindelen is als volgt:
aan de noordoostzijde bevindt zich een klinkerweg met daarachter een tenniscentrum; aan de zuidoostzijde bevindt zich bestrating (tegels) met daarachter een sportveld; aan de zuidwestzijde bevindt zich bestrating (tegels) met daarachter een clubgebouw; aan de noordwestzijde bevindt zich bestrating (klinkers) met daarachter een zwembad.
Ten zuidoosten van de onderzoekslocatie, ter plaatse van het sportveld, is in 1989 door milieudienst Midden-Holland een indicatief bodemonderzoek uitgevoerd (rapportnummer 89.1091/WL, d.d. juni 1989). Ter plaatse van dit sportveld, lag destijds een sintelveld. Het doel van het onderzoek was na te gaan of de opgebrachte verharding van invloed is geweest op de bodemkwaliteit. Hierbij is aangetoond dat de verhardingslaag sterk is verontreinigd met zware metalen, maar dat deze verontreinigingen immobiel waren. Zodoende is de onderliggende bodem niet verontreinigd. Zodoende was er dan ook geen aanleiding voor nader onderzoek. Uit de verzamelde informatie blijkt, dat er vanuit de omliggende percelen geen grensoverschrijdende verontreinigingen zijn te verwachten. 3.7
Terreininspectie
Voorafgaand aan het bodemonderzoek is er een terreininspectie uitgevoerd. Deze is gericht op de identificatie van bronnen, die mogelijk hebben geleid of kunnen leiden tot een grond- en/of grondwaterverontreiniging. De tijdens de terreininspectie aangetroffen situatie komt overeen met de locatiegegevens, zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.2. Op de onderzoekslocatie zijn geen mogelijke bronnen voor een grond- en/of grondwaterverontreiniging aangetroffen. Op het maaiveld zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen.
R 13487.001 versie D1
Pagina 3 van 9
3.8
Informatie lokale of regionale achtergrondgehalten
De onderzoekslocatie is met betrekking tot de bovengrond gelegen binnen de bodemkwaliteitszone “landbouw/natuur (AW)” op de ontgravingskaart en de bodemkwaliteitszone “wonen” op de toepassingskaart, van het gebied waarvoor de regio Midden-Holland en Zoetermeer gezamenlijk een “Nota bodembeheer Midden-Holland en Zoetermeer 2016-2021” hebben opgesteld. Met betrekking tot de ondergrond is de onderzoekslocatie gelegen binnen de bodemkwaliteitszone “landbouw/natuur (AW) ” op de ontgravingskaart en binnen de bodemkwaliteitszone “wonen” op de toepassingskaart. 3.9
Bodemopbouw en geohydrologie
De originele bodem bestaat volgens de bodemkaart van Nederland uit een tochteerdgrond, die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit zwavel. De afzettingen, waarin deze bodem is ontstaan, behoren geologisch gezien tot Formatie van Naaldwijk. De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt ± 6,0 m -NAP, waardoor het grondwater zich op ± 0,7 m -mv zou bevinden. Het water van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de isohypsenkaart van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO in oostelijke richting. De onderzoekslocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied.
4
CONCLUSIES MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK BODEM (ONDERZOEKSOPZET)
Uit het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem blijkt, dat er geen sprake is van bodembelasting, anders dan een regionale of landelijke diffuse achtergrondbelasting in de grond en het grondwater. Op de locatie worden geen verontreinigende stoffen verwacht in gehalten boven de landelijk of regionaal geldende achtergrondwaarde voor grond en/of de streefwaarde voor grondwater. Dit geldt zowel voor natuurlijke achtergrondgehalten als voor "antropogene" achtergrondgehalten, waarvan de oorzaak niet eenduidig is aan te wijzen. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht, niet lijnvormig" (ONV-NL). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. Wel dient ter plaatse van de gedempte sloot (zintuiglijk) in de ondergrond te worden onderzocht of deze demping heeft plaatsgevonden met gebiedseigen grond. Vanwege het aantreffen van bijmengingen in de bovengrond is besloten om op te schalen en een extra analyse met de zintuiglijk verontreinigde grond in te zetten. Indien bij het ontgraven of saneren sprake is van afvoer van de grond naar elders, is het voor de toepassing elders of de acceptatie bij een grondbank, verwerker of stortplaats noodzakelijk om onderzoek te doen naar PFAS.
Op aangeven van de opdrachtgever maakt PFAS geen deel uit van onderhavig onderzoek.
R 13487.001 versie D1
Pagina 4 van 9
5
VELDWERK
5.1
Algemeen
Tijdens het opstellen van het boorplan is rekening gehouden met de doelstellingen en de richtlijnen, die geformuleerd zijn in de inleiding. Daarnaast is rekening gehouden met de gegevens voortvloeiend uit het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem en de ligging van kabels en leidingen. Bijlage 2a bevat de locatieschets met daarop aangegeven de situering van de boorpunten en de peilbuis. In bijlage 3 zijn de boorprofielen opgenomen. 5.2
Grondonderzoek
5.2.1
Uitvoering veldwerk
Het veldwerk is op 24 augustus 2021 uitgevoerd onder kwaliteitsverantwoordelijkheid van de heer T.N.A. Willems. Deze medewerker van bedrijf Econsultancy met certificaatnummer EC-SIK-20263 staat geregistreerd als ervaren veldwerker voor het protocol 2001 van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek". In het totaal zijn er met behulp van een edelmanboor 13 boringen geplaatst; 9 boringen tot 0,5 m -mv, 1 boring tot 1,0 m -mv, 2 boringen tot 2,0 m -mv en 1 boring tot 3,25 m -mv. Deze diepe boring is afgewerkt als peilbuis, teneinde de milieuhygiënische kwaliteit van het grondwater te kunnen bepalen. Van het opgeboorde materiaal is een boorbeschrijving conform de NEN 5104 gemaakt en zijn er grondmonsters genomen over trajecten van ten hoogste 0,5 m, waarbij bodemlagen met verontreinigingskenmerken of een afwijkende textuur separaat bemonsterd zijn. 5.2.2
Zintuiglijke waarnemingen
De bovengrond bestaat voornamelijk uit matig siltig, matig fijn zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus. De ondergrond bestaat voornamelijk uit matig tot sterk siltige klei. De bovengrond is plaatselijk zwak baksteen-, beton- en/of kolengruishoudend. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Ook ter plaatse van de gedempte sloot (boring 03) zijn in de bodem géén zintuiglijke verontreinigingen waargenomen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen puin(resten) of andere asbestverdachte materialen aangetroffen. Tabel 2 geeft een overzicht van de zintuiglijk waargenomen verontreinigingen, die in het opgeboorde materiaal zijn aangetroffen. Tabel 2.
Zintuiglijk waargenomen verontreinigingen
Boornummer
Einddiepte boring (m -mv)
Traject (m -mv)
02
1,0
0,0-0,5
zwak baksteen- en kolengruishoudend
06
3,25
0,5-0,7
zwak beton- en baksteenhoudend
08
0,5
0,0-0,5
zwak betonhoudend
R 13487.001 versie D1
Waargenomen verontreinigingen
Pagina 5 van 9
5.3
Grondwateronderzoek
5.3.1
Uitvoering veldwerk
Centraal op de onderzoekslocatie is een peilbuis (filterstelling 2,25-3,25 m -mv) geplaatst. De filterstelling is bepaald op basis van de grondwaterstand, zoals deze tijdens de veldwerkzaamheden op 24 augustus 2021 is ingeschat. 5.3.2
Bemonstering
De grondwaterbemonstering is op 2 september uitgevoerd door de heer S.L. Luk. Deze medewerker van bedrijf Econsultancy met certificaatnummer EC-SIK-20263 staat geregistreerd als ervaren veldwerker voor het protocol 2002 van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek". De bemonstering is uitgevoerd conform de NEN 5744:2011. Tabel 3 geeft een overzicht van de peilbuisgegevens en de resultaten van de veldmetingen. Tabel 3.
Overzicht gegevens peilbuis en veldmetingen grondwater
Peilbuisnummer
Situering peilbuis
Filterstelling (m -mv)
Grondwaterstand (m -mv)
Elektrisch Geleidingsvermogen (µS/cm)
Troebelheid (NTU)
Zuurgraad (pH)
06
centraal op onderzoekslocatie
2,25-3,25
0,75
2.210
236
6,8
6 6.1
LABORATORIUMONDERZOEK Uitvoering analyses
Alle grond- en grondwatermonsters zijn aangeboden aan een laboratorium dat is erkend door de Raad voor Accreditatie en AS3000-geaccrediteerd is voor milieuhygiënisch bodemonderzoek. De grondmengmonsters en het grondwatermonsters zijn geanalyseerd op de volgende pakketten: -
standaardpakket grond: droge stof, lutum en organische stof, metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), polychloorbifenylen (PCB), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en minerale olie;
-
standaardpakket grondwater: metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), vluchtige aromaten (BTEX), styreen, naftaleen, gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOX) en minerale olie.
Tabel 4 geeft een overzicht van de samenstelling van de grondmengmonsters en de analysepakketten.
R 13487.001 versie D1
Pagina 6 van 9
Tabel 4.
Overzicht van de samenstelling van de grondmengmonsters en de analysepakketten
Grondmengmonster
6.2
Traject (m -mv)
Analysepakket
Bijzonderheden
MM01
02 (0,0-0,5), 06 (0,5-0,7)
standaardpakket
bovengrond (zwak baksteen-, beton- en kolengruishoudend)
MM02
08 (0,0-0,5)
standaardpakket
bovengrond (zwak betonhoudend)
MM03
01 (0,0-0,5), 03 (0,0-0,5), 05 (0,0-0,5), 09 (0,0-0,5), 11 (0,0-0,5)
standaardpakket
bovengrond (zintuiglijk schoon)
MM04
03 (0,7-1,0), 06 (1,0-1,5), 06 (1,5-2,0), 10 (1,5-2,0)
standaardpakket
ondergrond (zintuiglijk schoon)
Toetsingskader
De analyseresultaten zijn getoetst aan het toetsingskader uit de Circulaire bodemsanering en aan de achtergrondwaarden voor grond uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage B, tabel 1). Dit toetsingskader voor de beoordeling van de gehalten en/of concentraties van verontreinigingen is gegeven in de toetsingstabel en bevat voor grond en grondwater elk drie te onderscheiden waarden met de verschillende niveaus: -
achtergrondwaarde: deze waarde ("AW") geeft de gehalten aan zoals die op dit moment voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen;
-
streefwaarde: deze waarde ("S") geeft het milieukwaliteitsniveau aan voor grondwater, waarbij als nadelig te waarderen effecten verwaarloosbaar worden geacht;
-
tussenwaarde: deze waarde ("T") is de helft van de som van de achtergrondwaarde (of in het geval van grondwater de streefwaarde) en de interventiewaarde. De tussenwaarde is de concentratiegrens waarboven in beginsel nader onderzoek moet worden uitgevoerd, omdat het vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bestaat;
-
interventiewaarde: deze waarde ("I") geeft het niveau voor verontreinigingen in grond en grondwater aan waarboven ernstige vermindering of dreigende vermindering optreedt van de functionele eigenschappen, die de bodem heeft voor mens, plant of dier. Bij gehalten en/of concentraties boven de interventiewaarde is er sprake van een sterke verontreiniging. Bij overschrijding van de interventiewaarde wordt vaak een nader onderzoek uitgevoerd om de ernst van de verontreiniging en de spoedeisendheid van de sanering te bepalen. Wanneer het boven de tussenwaarde of interventiewaarde gelegen gehalte een natuurlijke oorsprong heeft, is uitvoering van vervolgonderzoek meestal niet noodzakelijk.
R 13487.001 versie D1
Pagina 7 van 9
In bijlage 5 is de toetsingstabel opgenomen uit de eerder genoemde circulaires. Deze bijlage bevat de achtergrondwaarden en de interventiewaarden voor een standaardbodem (10% organische stof en 25% lutum). De gemeten gehalten zijn door middel van een BoToVa-toetsing, met behulp van de door het laboratorium bepaalde waarden voor het organische stof- en lutumgehalte, omgerekend naar gehalten in een standaardbodem en vervolgens getoetst. De gebruikte analysetechnieken zijn weergegeven op de certificaten in bijlage 4a. Om de mate van verontreiniging aan te geven wordt de volgende terminologie gebruikt: Grond: - niet verontreinigd: - licht verontreinigd: - matig verontreinigd: - sterk verontreinigd:
gehalte < achtergrondwaarde en/of detectielimiet; gehalte > achtergrondwaarde en < tussenwaarde; gehalte > tussenwaarde < interventiewaarde; gehalte > interventiewaarde.
Grondwater: - niet verontreinigd: - licht verontreinigd: - matig verontreinigd: - sterk verontreinigd:
concentratie < streefwaarde en/of detectielimiet; concentratie > streefwaarde en < tussenwaarde; concentratie > tussenwaarde < interventiewaarde; concentratie > interventiewaarde.
6.3
Resultaten grond- en grondwatermonsters
Tabel 5 geeft een overzicht van de parameters in de grond die de geldende toetsingskaders overschrijden. Tabel 5.
Overschrijdingen toetsingskaders grond
Grond(meng)monster
Traject (m -mv)
Gehalte > AW
Gehalte > T
Gehalte > I
(licht verontreinigd)
(matig verontreinigd)
(sterk verontreinigd)
MM01
02 (0,0-0,5), 06 (0,5-0,7)
PAK
-
-
MM02
08 (0,0-0,5)
lood, zink
-
-
MM03
01 (0,0-0,5), 03 (0,0-0,5), 05 (0,0-0,5), 09 (0,0-0,5), 11 (0,0-0,5)
lood, zink
-
-
MM04
03 (0,7-1,0), 06 (1,0-1,5), 06 (1,5-2,0), 10 (1,5-2,0)
-
-
-
Tabel 6 geeft een overzicht van de parameters in het grondwater die het geldende toetsingskader overschrijden. Tabel 6.
Overschrijdingen toetsingskader grondwater
Grondwatermonster 06-1-1
Situering peilbuis centraal op onderzoekslocatie
Concentratie > S
Concentratie > T
Concentratie > I
(licht verontreinigd)
(matig verontreinigd)
(sterk verontreinigd)
barium
-
-
Bijlage 4a bevat de door het laboratorium aangeleverde analysecertificaten. Bijlage 4b bevat de getoetste analyseresultaten aan de Circulaire bodemsanering.
R 13487.001 versie D1
Pagina 8 van 9
7
SAMENVATTING, CONCLUSIES EN ADVIES
BügelHajema Amersfoort heeft aan Econsultancy opdracht verleend voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek op de locatie Sniepweg 13 te Waddinxveen. Het bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanwijziging. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht, niet lijnvormig" (ONV). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. De bovengrond bestaat voornamelijk uit matig siltig, matig fijn zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus. De ondergrond bestaat voornamelijk uit matig tot sterk siltige klei. De bovengrond is plaatselijk zwak baksteen-, beton- en/of kolengruishoudend. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Ook ter plaatse van de gedempte sloot (boring 03) zijn in de bodem géén zintuiglijke verontreinigingen waargenomen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen puin(resten) of andere asbestverdachte materialen aangetroffen. Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten.
De bovengrond is licht verontreinigd met lood, zink en lokaal met PAK. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Conclusie en advies De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht, niet lijnvormig" kan worden beschouwd wordt, op basis van de lichte verontreinigingen, verworpen. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging van de onderzoekslocatie. Asbest Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. Econsultancy acht een onderzoek asbest in bodem/puin conform de NEN 5707/5897 dan ook niet noodzakelijk. Algemeen Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie (d.d. 2 juli 2020) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing.
Econsultancy Rotterdam, 24 september 2021 R 13487.001 versie D1
Pagina 9 van 9
Bijlage 1
Topografische ligging van de locatie
Schaal 1:25.000 Deze kaart is noordgericht
Bijlage 2b Foto's onderzoekslocatie
Foto 1.
Foto 2.
Bijlage 2b Foto's onderzoekslocatie
Foto 3.
Foto 4.
Bijlage 3a Boorprofielen
Pagina 1 van 2
Profielen boringen
01
Boring: Datum veldwerk:
0
0
gras
Datum veldwerk:
1 50
24-8-2021 0
0
Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, zwak kleihoudend, grijsbruin, Edelmanboor
50
02
Boring:
24-8-2021
1 50
50 2
80
3 100
03
Boring: Datum veldwerk:
0
gras
Datum veldwerk:
1 50
Klei, sterk siltig, donkergrijs, Edelmanboor
0
gras Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, zwak kleihoudend, grijsbruin, Edelmanboor
1 50
50 2
Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, grijsbruin, Edelmanboor
100
24-8-2021
0
Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, zwak kleihoudend, grijsbruin, Edelmanboor
Klei, sterk zandig, matig humeus, zwak grindig, zwak baksteenhoudend, zwak kolengruishoudend, neutraalbruin, Edelmanboor
04
Boring:
24-8-2021
0
gras
70
3 100
100
Klei, sterk siltig, matig humeus, donkergrijs, Edelmanboor Klei, matig siltig, zwak schelphoudend, neutraalgrijs, Edelmanboor
4 150 5 200
200
05
Boring: Datum veldwerk:
0
0
gras
Datum veldwerk:
50
24-8-2021 0
0
Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, zwak kleihoudend, grijsbruin, Edelmanboor
1 50
06
Boring:
24-8-2021
gras Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, zwak kleihoudend, grijsbruin, Edelmanboor
1 50
50 2 3 4 100
70 80 100
Klei, zwak zandig, zwak humeus, zwak betonhoudend, zwak baksteenhoudend, donkergrijs, Edelmanboor Zand, matig fijn, matig siltig, lichtgrijs, Edelmanboor
5
Klei, sterk siltig, matig humeus, donkergrijs, Edelmanboor
150
Klei, matig siltig, zwak schelphoudend, neutraalgrijs, Edelmanboor
6 200
250
300 325
Projectcode: 13487.001 Getekend volgens NEN 5104
Pagina 2 van 2
Profielen boringen
07
Boring: Datum veldwerk:
0
0 1
50
Datum veldwerk:
0
gras
Datum veldwerk:
1 50
gras Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, zwak betonhoudend, zwak kleihoudend, grijsbruin, Edelmanboor
1 50
10 24-8-2021 0
0
Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, zwak kleihoudend, grijsbruin, Edelmanboor
50
0
0
Boring:
24-8-2021
0
24-8-2021
50
09
Boring: Datum veldwerk:
gras Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, zwak kleihoudend, grijsbruin, Edelmanboor
50
08
Boring:
24-8-2021
gras Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, zwak kleihoudend, grijsbruin, Edelmanboor
1 50
50
Klei, sterk siltig, matig humeus, donkergrijs, Edelmanboor
2 100
100
Klei, matig siltig, zwak schelphoudend, neutraalgrijs, Edelmanboor
3 150 4 200
200
11
Boring: Datum veldwerk:
0
0 1
50
Datum veldwerk:
24-8-2021 0
0
Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, zwak kleihoudend, grijsbruin, Edelmanboor
1 50
gras
50
13
Boring: Datum veldwerk:
gras Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, zwak kleihoudend, grijsbruin, Edelmanboor
50
12
Boring:
24-8-2021
24-8-2021 0
0
Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, zwak kleihoudend, grijsbruin, Edelmanboor
1 50
gras
50
Projectcode: 13487.001 Getekend volgens NEN 5104
Bijlage 4a Analysecertificaten
Econsultancy T.a.v. Yannick Boswinkel Max Euwelaan 21-29 3062 MA ROTTERDAM NETHERLANDS
Analysecertificaat Datum: 22-Sep-2021
Hierbij ontvangt u de resultaten van het navolgende laboratoriumonderzoek. Certificaatnummer/Versie Uw project/verslagnummer Uw projectnaam Uw ordernummer Monster(s) ontvangen
2021148370/1 13487.001
24-Aug-2021
Dit certificaat mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. De analyse resultaten hebben alleen betrekking op het beproefde object. De grondmonsters worden tot 4 weken na datum ontvangst bewaard en watermonsters tot 2 weken na datum ontvangst. Zonder tegenbericht worden de monsters nadien afgevoerd. Indien de monsters langer bewaard dienen te blijven verzoeken wij U dit exemplaar uiterlijk 1 werkdag voor afloop van de standaardbewaarperiode ondertekend aan ons te retourneren. Voor de kosten van het langer bewaren van monsters verwijzen wij naar de prijslijst.
Bewaren tot: Datum:
Naam:
Handtekening:
Wij vertrouwen erop uw opdracht hiermee naar verwachting te hebben uitgevoerd, mocht U naar aanleiding van dit analysecertificaat nog vragen hebben verzoeken wij U contact op te nemen met de afdeling Verkoop en Advies.
Met vriendelijke groet, Eurofins Analytico B.V.
Ing. A. Veldhuizen Technical Manager
Eurofins Analytico B.V. Gildeweg 42-46 3771 NB Barneveld P.O. Box 459 3770 AL Barneveld NL
BNP Paribas S.A. 227 9245 25 Tel. +31 (0)34 242 63 00 IBAN: NL71BNPA0227924525 Fax +31 (0)34 242 63 99 E-mail info-env@eurofins.nl BIC: BNPANL2A KvK/CoC No. 09088623 Site www.eurofins.nl BTW/VAT No. NL 8043.14.883.B01
Eurofins Analytico B.V. is ISO 14001: 2015 gecertificeerd door TÜV en erkend door het Vlaamse Gewest (OVAM en Dep. Omgeving), het Brusselse Gewest (BIM), het Waalse Gewest (DGRNE-OWD) en door de overheid van Luxemburg (MEV).
Analysecertificaat Uw project/verslagnummer Uw projectnaam Uw ordernummer Uw monsternemer
13487.001
Certificaatnummer/Versie Startdatum analyse Datum einde analyse Rapportagedatum Bijlage Pagina
Tom Willems
1
2
3
4
Uitgevoerd
Uitgevoerd
Uitgevoerd
Uitgevoerd
80.4
85.9
86.6
4.8
1.9
2.7
Eenheid
Analyse
2021148370/1 14-Sep-2021 22-Sep-2021 22-Sep-2021/16:17 A,B,C,D 1/2
Voorbehandeling
Cryogeen malen Bodemkundige analyses
S
Droge stof
S
Droge stof
S
Organische stof
% (m/m) ds
Gloeirest
% (m/m) ds
94
98
97
93
Korrelgrootte < 2 µm (Lutum)
% (m/m) ds
11.7
3.5
6.2
28.3
S
% (m/m) % (m/m)
56.9 5.0
Metalen
S
Barium (Ba)
mg/kg ds
38
<20
<20
29
S
Cadmium (Cd)
mg/kg ds
0.36
0.24
0.22
<0.20
S
Kobalt (Co)
mg/kg ds
6.8
3.8
3.3
8.1
S
Koper (Cu)
mg/kg ds
11
15
9.9
9.6
S
Kwik (Hg)
mg/kg ds
0.11
0.069
<0.050
<0.050
S
Molybdeen (Mo)
mg/kg ds
<1.5
<1.5
<1.5
<1.5
S
Nikkel (Ni)
mg/kg ds
15
7.3
7.6
21
S
Lood (Pb)
mg/kg ds
31
67
43
16
S
Zink (Zn)
mg/kg ds
75
110
80
48
Minerale olie (C10-C12)
mg/kg ds
<3.0
<3.0
<3.0
<3.0
Minerale olie (C12-C16)
mg/kg ds
<5.0
<5.0
<5.0
<5.0
Minerale olie (C16-C21)
mg/kg ds
11
<5.0
<5.0
<5.0
Minerale olie (C21-C30)
mg/kg ds
22
<11
<11
<11
Minerale olie (C30-C35)
mg/kg ds
9.9
<5.0
<5.0
<5.0
Minerale olie (C35-C40)
mg/kg ds
<6.0
<6.0
<6.0
<6.0
Minerale olie totaal (C10-C40)
mg/kg ds
46
<35
<35
<35
Minerale olie
S
Zie bijl.
Chromatogram olie (GC) Polychloorbifenylen, PCB
S
PCB 28
mg/kg ds
<0.0010
<0.0010
<0.0010
<0.0010
S
PCB 52
mg/kg ds
<0.0010
<0.0010
<0.0010
<0.0010
Nr. Uw monsteromschrijving
Opgegeven monstermatrix
Monster nr.
12274634
MM02 08 (0-50)
Grond (AS3000) Grond (AS3000)
3
MM03 01 (0-50) 03 (0-50) 05 (0-50) 09 (0-50) 11 (0-50)
Grond (AS3000)
12274636
4
MM04 03 (70-100) 06 (100-150) 06 (150-200) 10 (150-200)
Grond (AS3000)
12274637
1
MM01 02 (0-50) 06 (50-70)
2
12274635
Q: door RvA geaccrediteerde verrichting A: AP04 erkende en geaccrediteerde verrichting S: AS SIKB erkende en geaccrediteerde verrichting V: VLAREL erkende verrichting
Eurofins Analytico B.V.
Gildeweg 42-46 3771 NB Barneveld P.O. Box 459 3770 AL Barneveld NL
W: Waals Gewest erkende verrichting
Tel. +31 (0)34 242 63 00 Fax +31 (0)34 242 63 99 E-mail info-env@eurofins.nl Site www.eurofins.nl
Dit certificaat mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. BNP Paribas S.A. 227 9245 25 Eurofins Analytico B.V. is ISO 14001: 2015 gecertificeerd door TÜV IBAN: NL71BNPA0227924525 en erkend door het Vlaamse Gewest (OVAM en Dep. Omgeving), BIC: BNPANL2A het Brusselse Gewest (BIM), het Waalse Gewest (DGRNE-OWD) KvK/CoC No. 09088623 en door de overheid van Luxemburg (MEV). BTW/VAT No. NL 8043.14.883.B01
TESTEN RvA L010
Analysecertificaat Uw project/verslagnummer Uw projectnaam Uw ordernummer Uw monsternemer
S S
13487.001
Certificaatnummer/Versie Startdatum analyse Datum einde analyse Rapportagedatum Bijlage Pagina
Tom Willems
2021148370/1 14-Sep-2021 22-Sep-2021 22-Sep-2021/16:17 A,B,C,D 2/2
Analyse
Eenheid
1
2
3
4
PCB 101
mg/kg ds
<0.0010
<0.0010
<0.0010
<0.0010
PCB 118
mg/kg ds
<0.0010
<0.0010
<0.0010
<0.0010
<0.0010
<0.0010
<0.0010
<0.0010
<0.0010
<0.0010
PCB 138
mg/kg ds
0.0011
2)
S
PCB 153
mg/kg ds
0.0012
3)
S
PCB 180
mg/kg ds
<0.0010
<0.0010
PCB (som 7) (factor 0,7)
mg/kg ds
0.0058
0.0049
0.065
<0.050
<0.050
<0.050
S
S
<0.0010 1)
0.0049
<0.0010 1)
0.0049
1)
Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen, PAK
S
Naftaleen
mg/kg ds
S
Fenanthreen
mg/kg ds
3.6
<0.050
<0.050
<0.050
S
Anthraceen
mg/kg ds
0.48
<0.050
<0.050
<0.050
S
Fluorantheen
mg/kg ds
4.6
<0.050
0.074
<0.050
S
Benzo(a)anthraceen
mg/kg ds
1.7
<0.050
<0.050
<0.050
S
Chryseen
mg/kg ds
1.6
<0.050
<0.050
<0.050
S
Benzo(k)fluorantheen
mg/kg ds
0.77
<0.050
<0.050
<0.050
S
Benzo(a)pyreen
mg/kg ds
1.3
<0.050
<0.050
<0.050
S
Benzo(ghi)peryleen
mg/kg ds
0.94
<0.050
<0.050
<0.050
S
Indeno(123-cd)pyreen
mg/kg ds
1.1
<0.050
<0.050
<0.050
S
PAK VROM (10) (factor 0,7)
mg/kg ds
16
0.35
0.39
0.35
Nr. Uw monsteromschrijving
1)
1)
Opgegeven monstermatrix
Monster nr.
12274634
MM02 08 (0-50)
Grond (AS3000) Grond (AS3000)
3
MM03 01 (0-50) 03 (0-50) 05 (0-50) 09 (0-50) 11 (0-50)
Grond (AS3000)
12274636
4
MM04 03 (70-100) 06 (100-150) 06 (150-200) 10 (150-200)
Grond (AS3000)
12274637
1
MM01 02 (0-50) 06 (50-70)
2
Q: door RvA geaccrediteerde verrichting A: AP04 erkende en geaccrediteerde verrichting S: AS SIKB erkende en geaccrediteerde verrichting
12274635
Akkoord Pr.coörd.
V: VLAREL erkende verrichting
Eurofins Analytico B.V.
Gildeweg 42-46 3771 NB Barneveld P.O. Box 459 3770 AL Barneveld NL
W: Waals Gewest erkende verrichting
Tel. +31 (0)34 242 63 00 Fax +31 (0)34 242 63 99 E-mail info-env@eurofins.nl Site www.eurofins.nl
Dit certificaat mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. BNP Paribas S.A. 227 9245 25 Eurofins Analytico B.V. is ISO 14001: 2015 gecertificeerd door TÜV IBAN: NL71BNPA0227924525 en erkend door het Vlaamse Gewest (OVAM en Dep. Omgeving), BIC: BNPANL2A het Brusselse Gewest (BIM), het Waalse Gewest (DGRNE-OWD) KvK/CoC No. 09088623 en door de overheid van Luxemburg (MEV). BTW/VAT No. NL 8043.14.883.B01
VA
TESTEN RvA L010
Bijlage (A) met de opgegeven deelmonsterinformatie behorende bij het analysecertificaat. 2021148370/1 Pagina 1/1 Monster nr. Barcode
Uw monsteromschrijving Boornr
12274634
Van
Tot
Uw datum monstername
Monsteromsch./Monstername ID
MM01 02 (0-50) 06 (50-70)
0538928333
06
50
70
24-Aug-2021
2
0538929397
02
0
50
24-Aug-2021
1
50
24-Aug-2021
1
12274635 0538929406
MM02 08 (0-50) 08
12274636
0
MM03 01 (0-50) 03 (0-50) 05 (0-50) 09 (0-50) 11 (0 -50)
0538928340
03
0
50
24-Aug-2021
1
0538929384
01
0
50
24-Aug-2021
1
0538929393
05
0
50
24-Aug-2021
1
0538929403
09
0
50
24-Aug-2021
1
0538929394
11
0
50
24-Aug-2021
1
12274637
MM04 03 (70-100) 06 (100-150) 06 (150-200) 10 (150 -200)
0538928346
06
150
200
24-Aug-2021
6
0538928344
03
70
100
24-Aug-2021
3
0538928345
10
150
200
24-Aug-2021
4
0538929404
06
100
150
24-Aug-2021
5
Eurofins Analytico B.V.
Gildeweg 42-46 3771 NB Barneveld P.O. Box 459 3770 AL Barneveld NL
Tel. +31 (0)34 242 63 00 Fax +31 (0)34 242 63 99 E-mail info-env@eurofins.nl Site www.eurofins.nl
BNP Paribas S.A. 227 9245 25 IBAN: NL71BNPA0227924525 BIC: BNPANL2A KvK/CoC No. 09088623 BTW/VAT No. NL 8043.14.883.B01
Eurofins Analytico B.V. is ISO 14001: 2015 gecertificeerd door TÜV en erkend door het Vlaamse Gewest (OVAM en Dep. Omgeving), het Brusselse Gewest (BIM), het Waalse Gewest (DGRNE-OWD) en door de overheid van Luxemburg (MEV).
Bijlage (B) met opmerkingen behorende bij analysecertificaat 2021148370/1 Pagina 1/1 Opmerking 1)
De toetswaarde van de som is gelijk aan de sommatie van 0,7*RG Opmerking 2)
PCB 138 kan positief beïnvloed worden door PCB 163. Opmerking 3)
PCB 153 kan positief beïnvloed worden door PCB 132.
Eurofins Analytico B.V.
Gildeweg 42-46 3771 NB Barneveld P.O. Box 459 3770 AL Barneveld NL
Tel. +31 (0)34 242 63 00 Fax +31 (0)34 242 63 99 E-mail info-env@eurofins.nl Site www.eurofins.nl
BNP Paribas S.A. 227 9245 25 IBAN: NL71BNPA0227924525 BIC: BNPANL2A KvK/CoC No. 09088623 BTW/VAT No. NL 8043.14.883.B01
Eurofins Analytico B.V. is ISO 14001: 2015 gecertificeerd door TÜV en erkend door het Vlaamse Gewest (OVAM en Dep. Omgeving), het Brusselse Gewest (BIM), het Waalse Gewest (DGRNE-OWD) en door de overheid van Luxemburg (MEV).
.
Bijlage (C) met methodeverwijzingen behorende bij analysecertificaat 2021148370/1 Pagina 1/1 Analyse
Methode
Techniek
Methode referentie
W0106
Voorbehandeling
AS3000
Droge stof
W0104
Gravimetrie
pb 3010-2 en NEN-EN 15934
Droge Stof
W0104
Gravimetrie
pb 3010-2 en NEN-EN 15934
Organische stof (gloeiverlies)
W0109
Gravimetrie
pb 3010-3 en NEN 5754
Korrelgrootte < 2 µm (lutum)
W0171
Sedimentatie
pb 3010-4 en NEN 5753
Barium (Ba)
W0423
ICP-MS