Bijlage 1B04 Quickscan natuurtoets
Tekst van het document
Quickscan natuurtoets Prins Bernhardlaan 2 in Waddinxveen In opdracht van Oostelbos Van den Berg BV
Colofon Quickscan natuurtoets Prins Bernhardlaan 2 in Waddinxveen
Opdrachtgever Contactpersoon
Oostelbos Van den Berg BV Dhr. F. Bouter
Opdrachtnemer
Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel
Rapportnummer Auteur(s) Controle Publicatiedatum
2182 Ing. R. Top Dhr. S.J.J. Wamelink 09-03-2021
Foto voorblad
Plangebied (foto: R. Top)
Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl
Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................... 3 1
2
3
5
Inleiding en doel........................................................................................................... 4 1.1
Inleiding ................................................................................................................ 4
1.2
Doel ...................................................................................................................... 4
Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 5 2.1
Gegevens plangebied ........................................................................................... 5
2.2
Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 5
2.3
Beschrijving van het onderzoeksgebied ................................................................ 5
2.4
Geplande werkzaamheden ................................................................................... 5
Beschermde status plangebied .................................................................................... 7 3.1
Gebiedsbescherming ............................................................................................ 7
3.2
Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................... 7
3.3
Natura 2000 .......................................................................................................... 8
3.4
Houtopstanden ................................................................................................... 10
4.1
Methode ............................................................................................................. 12
4.2
Resultaten .......................................................................................................... 13
Wet natuurbescherming ............................................................................................. 18 5.1
6
Toetsing aan de Wet natuurbescherming ............................................................ 18
Conclusie ................................................................................................................... 22
Bijlagen ............................................................................................................................. 24 Bijlage 1 Impressie plangebied ......................................................................................... 25 Bijlage 2 Wettelijk kader .................................................................................................... 26 Bijlage 3 Beschermde plant- en diersoorten...................................................................... 34
Samenvatting Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de voorgenomen sloop en herbouw van de bebouwing aan de Prins Bernhardlaan 2 in Waddinxveen, aanvullend onderzoek naar gierzwaluw, huismus en vleermuizen (verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten) noodzakelijk is. Uit het aanvullende onderzoek zal blijken of er ontheffing en/of het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen noodzakelijk is. Nadere toetsing of vergunningsaanvraag voor beschermde NNN natuurgebieden is niet aan de orde, uitgezonderd uitvoering van een AERIUS-berekening. Deze AERIUSberekening is door Van Empel Inspecties en Advisering uitgevoerd (Voortoets Stikstofdepositie Prins Bernhardlaan 2 Waddinxveen, 26 februari 2021, rapportnummer: QUO-18135-C7D0Y4). Op basis van de met het rekenmodel AERIUS Calculator uitgevoerde AERIUS-berekening kan geconcludeerd worden dat de gewenste ontwikkeling in zowel de aanlegfase en de gebruiksfase niet leidt tot nadelige effecten van stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura 2000-gebied “Broekvelden, Vettenbroek en Polder Stein” en overige Natura-2000 gebieden. Conform de factsheet “Woningbouwplannen, stikstof en Natura 2000-gebieden” is er geen passende beoordeling noodzakelijk. Er is geen sprake van beschermde houtopstanden in het plangebied. Een kapmelding bij de provincie Zuid-Holland voor beschermde houtopstanden is niet aan de orde.
Daarnaast moeten de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal tussen 15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er dient te worden voorkomen dat broedvogels zich lokaal vestigen. Geadviseerd wordt om bij het realiseren van de nieuwe situatie rekening te houden met foerageergebieden van vleermuizen. Tevens moet tijdens de werkzaamheden rekening worden gehouden met de rugstreeppad en grondgebonden zoogdieren die verblijfplaatsen kunnen hebben in te verwijderen groenvoorzieningen. Dit zijn de uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van de voorgenomen plannen om de bebouwing aan de Prins Bernhardlaan 2 in Waddinxveen te slopen en een nieuw gebouw te realiseren. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor beschermde plant- en diersoorten. Daarom is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van Oostelbos Van den Berg BV. Het bureau deed literatuuronderzoek in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en veldonderzoek op de locatie.
Pagina 3
1
Inleiding en doel
1.1 Inleiding Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet, in het kader van de Wet natuurbescherming, aangetoond worden dat er geen sprake is van aantasting van beschermde natuurgebieden en beschermde plant- en diersoorten. Om in te schatten wat het effect van de plannen is op beschermde natuurgebieden en beschermde soorten wordt een quickscan natuurtoets uitgevoerd. Indien beschermde soorten verwacht worden is nader onderzoek vereist. Er zijn plannen om het verpleeghuis en verzorgingshuis Souburgh aan de Prins Berhardlaan 2 in Waddinxveen te vernieuwen, waarbij het bestaande pand wordt gesloopt ten behoeve van een nieuw pand. De heer Bouter van Oostelbos Van den Berg BV is betrokken bij deze plannen en heeft aan Staring Advies gevraagd om de quickscan natuurtoets uit te voeren.
1.2 Doel Het doel van de quickscan is om snel te inventariseren of door de geplande ontwikkelingen schade kan ontstaan aan populaties van beschermde soorten flora en/of fauna en hoe deze schade beperkt of gecompenseerd kan worden. Tijdens de uitvoering van het verkennende natuuronderzoek is het (potentieel) voorkomen van beschermde soorten planten en dieren op de locatie nagegaan. Op basis van dit onderzoek is bepaald of de geplande activiteiten leiden tot een negatief effect op beschermde natuurgebieden of plant- en diersoorten. Hierbij wordt ook bepaald of nadere toetsing of vergunningsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming aan de orde is.
Pagina 4
2 Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden 2.1 Gegevens plangebied Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:
Prins Bernhardlaan 2 (Souburgh Zorgpartners Midden-Nederland) Waddinxveen Waddinxveen Zuid-Holland
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied betreft een gebouw met globaal een L-vorm, grotendeels bestaande uit 3 bouwlagen. Het betreft een verpleeghuis en verzorgingshuis en is deels ingericht met gemeenschappelijke en ondersteunende ruimten en deels met appartementen. Direct grenzend aan het gebouw zijn verharding (parkeerplaats), gazons, tuinen en andere gebouwen aanwezig. Het gebouw met omliggend terrein is gelegen net buiten het centrum van Waddinxveen tussen parken, woonwijken en infrastructuur (zie figuur 1).
2.3 Beschrijving van het onderzoeksgebied Om het eventuele verstorend effect van de geplande ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied (externe werking) in te kunnen schatten is een groter gebied onderzocht dan het plangebied alleen. Het onderzoeksgebied wordt, naast het onderhavige terrein, bepaald door parken, woonwijken met onder andere flatgebouwen en rijtjeswoningen, kerken, winkels, infrastructuur (waaronder de spoorlijn Gouda – Alphen aan den Rijn) en oppervlakte water (waaronder de Gouwe en De Pette) (zie figuur 2).
2.4 Geplande werkzaamheden Men is voornemens om het huidige verpleeghuis en verzorgingshuis Souburgh te slopen ten behoeve van nieuwbouw. De nieuwbouw komt niet exact op dezelfde plaats als het huidige gebouw, maar de locaties van het oude en nieuwe gebouw overlappen grotendeels.
Pagina 5
Figuur 1. Ligging van het plangebied (rood), bron: Provincie Zuid-Holland (2020).
Figuur 2. Luchtfoto van het onderzoeksgebied (gele stippellijn) met daarbinnen het plangebied (rood). bron: Provincie Zuid-Holland (2020).
Pagina 6
3 Beschermde status plangebied 3.1 Gebiedsbescherming In Nederland bestaat het Natuurnetwerk Nederland. Dit is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In paragraaf 3.2 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De Wet natuurbescherming gaat over gebiedsbescherming en soortenbescherming. Wat betreft de gebiedsbescherming beschermt de Wet natuurbescherming Natura 2000gebieden. Dit is een Europees, samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. In paragraaf 3.3 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van Natura 2000-gebieden.
3.2 Natuurnetwerk Nederland 3.2.1 Conclusie Het plangebied ligt niet in het NNN. De kernkwaliteiten van het NNN worden niet aangetast. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden.
3.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur, EHS) bestaat uit alle bestaande natuur en een zoekgebied voor nog te realiseren nieuwe natuur. In het NNN geldt: in de basis hier geen nieuwe initiatieven. Er zijn enkele uitzonderingen mogelijk. Dat zijn ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor overtuigend gemotiveerd – geen alternatieven bestaan. Voor dergelijke uitzonderingen gelden specifieke spelregels die garanderen dat het NNN in stand blijft (het nee, tenzij principe). Dat betekent dat hier geen ruimte is voor nieuwe projecten die de aanwezige en potentiële natuurwaarden significant aantasten.
3.2.3 Plangebied Het plangebied ligt niet in het NNN en ligt buiten overige, op basis van het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid aangewezen, gebieden met natuurwaarde, zoals “Belangrijke weidevogelgebieden” (zie figuur 3). Rond Waddinxveen bevinden zich diverse groene structuren die zijn aangewezen als onderdeel van het NNN, maar in de omgeving van het plangebied zijn deze niet aanwezig. Doordat er geen werkzaamheden worden uitgevoerd binnen het Natuurnetwerk Nederland en doordat het NNN in de provincie Zuid-Holland geen externe werking kent, veroorzaken de plannen geen negatieve effecten op het oppervlakte of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland.
Pagina 7
Figuur 3. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland, bron: Provincie Zuid-Holland (2020).
3.3 Natura 2000 3.3.1 Conclusie Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats in een Natura 2000-gebied. Het plangebied ligt op 6,0 kilometer van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied “Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein”. De Natura 2000-gebieden “Nieuwkoopse Plassen & De Haeck” en “De Wilck”, liggen op respectievelijk 9,0 en 9,8 kilometer afstand van het plangebied. Overige Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 15 kilometer afstand. Omdat de feitelijke ingreep ruim buiten de Natura 2000-gebieden plaatsvindt, kan worden gesteld dat (directe) storingsfactoren als oppervlakteverlies, geluid, trilling, licht en optische verstoring niet aan de orde zijn. Negatieve effecten door stikstofdepositie zijn echter niet uit te sluiten voor het Natura 2000-gebied “Broekvelden, Vettenbroek en Polder Stein” en derhalve moet er een AERIUS berekening uitgevoerd worden om vast te stellen of een vergunningsaanvraag noodzakelijk is.
3.3.2 Natura 2000 De Europese Unie heeft een zeer gevarieerde en rijke natuur, die van grote biologische, esthetische en economische waarde is. Om deze natuur te behouden heeft de Europese Unie het initiatief genomen voor Natura 2000. Dit is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. De Wet natuurbescherming beschermt onder andere Natura
Pagina 8
2000-gebieden. Voor activiteiten die significante, negatieve effecten hebben op de kernkwaliteiten van een Natura 2000-gebied is een vergunning nodig.
3.3.3 Plangebied Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein” ligt op een afstand vanaf 6,0 kilometer vanaf het plangebied. (zie figuur 4). De Natura 2000-gebieden “Nieuwkoopse Plassen & De Haeck” en “De Wilck”, liggen op respectievelijk 9,0 en 9,8 kilometer afstand van het plangebied. Overige Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 15 kilometer afstand. Met inachtneming van de aard en de omvang van de activiteiten zijn directe en indirecte verstoringen zoals oppervlakteverlies, geluid, trilling, licht en optische verstoring niet te verwachten in relatie tot Natura 2000-gebieden, met uitzondering van stikstofdepositie. Negatieve effecten door stikstofdepositie zijn op voorhand niet uit te sluiten. Stikstofdepositie Al jaren is er in Natura 2000-gebieden een overschot aan stikstof (ammoniak en stikstofoxiden). In de nabijgelegen Natura 2000-gebieden “Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein” en “De Wilck” zijn echter geen stikstofgevoelige habitattypen aanwezig en is geen sprake van overbelasting door stikstofdepositie (bron: https://www.natura2000.nl/gebieden/zuid-holland). In het Natura 2000-gebied “Nieuwkoopse Plassen & De Haeck” is wel sprake van stikstofgevoelige habitattypen en overbelasting door stikstofdepositie.
In het plangebied wordt het bestaande gebouw gesloopt en vervangen voor een nieuw, moderner gebouw. Tijdens deze activiteiten worden naar verwachting werktuigen ingezet die stikstofuitstoot leveren. Gezien de schaal van deze activiteiten is ondanks de relatief grote afstand tot de Natura 2000-gebieden “Broekvelden, Vettenbroek en Polder Stein” en “Nieuwkoopse Plassen & De Haeck” niet uit te sluiten dat de stikstofdepositie tijdens de werkzaamheden een significant negatief effect heeft op dit gebied. Aangenomen wordt dat het vervangen van het gebouw niet leidt tot een hogere stikstofuitstoot in de gebruiksfase. Derhalve is alleen voor de werkzaamheden in de aanlegfase een verdere AERIUS-berekening noodzakelijk. Betreffende AERIUS-berekening is uitgevoerd door Van Empel Inspecties en Advisering (Voortoets Stikstofdepositie Prins Bernhardlaan 2 Waddinxveen, 26 februari 2021, rapportnummer: QUO-18135-C7D0Y4).
3.3.4 Conclusie AERIUS-berekening Uit de rekenresultaten blijkt dat de gewenste ontwikkeling in zowel de aanlegfase en de gebruiksfaseniet leid t tot nadelige effecten van stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden. In beide situaties bedraagt de stikstofdepositie 0,00 mol/ha/jr. Uit de rekenresultaten op de nieuw aan te wijzen Natura-2000 gebieden, Broekvelden, Vettebroek & Polder Stein, blijkt dat de stikstofdepositie op de meegenomen 5 rekenpunten (A t/m E) eveneens onder de drempelwaarde van 0,00 mol/ha/jaar blijft.
Pagina 9
Hiermee kan worden geconcludeerd dat de beoogde situatie in de aanlegfase en de gebruiksfase, geen significant nadelige gevolgen met betrekking tot het aspect verzuring op Natura-2000 gebieden veroorzaakt. Conform de factsheet “Woningbouwplannen, stikstof en Natura 2000-gebieden” is er geen passende beoordeling noodzakelijk.
Figuur 4. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van de Natura 2000-gebieden, bron: Provincie ZuidHolland (2020).
3.4 Houtopstanden 3.4.1 Conclusie Een kapmelding bij de provincie Zuid-Holland voor beschermde houtopstanden is niet aan de orde.
3.4.2 Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Als men voornemens is houtopstanden te kappen die onder de Wet natuurbescherming vallen dan moet een kapmelding bij de provincie Zuid-Holland worden ingediend. Er zijn enkele uitzonderingen waarbij een kapmelding niet is vereist.
Pagina 10
3.4.3 Plangebied Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Waddinxveen. Mogelijk is er sprake van de kap van enige solitaire bomen maar van beschermde houtopstanden (bos van minimaal 10 are en/of bomenrijen van minimaal 21 bomen) is geen sprake. Een kapmelding bij de provincie Zuid-Holland is dan ook niet aan de orde.
Pagina 11
4.1
Methode
Het verzamelen van gegevens heeft op twee manieren plaatsgevonden: via een literatuuronderzoek en er is gericht veldonderzoek uitgevoerd.
4.1.1 Literatuuronderzoek Ter ondersteuning van het veldonderzoek is de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Deze database geeft informatie over waarnemingen van beschermde en zeldzame planten en dieren in Nederland. In de NDFF zijn uitsluitend gevalideerde gegevens opgeslagen. De NDFF is de meest complete databank voor de actuele verspreiding van Nederlandse flora en fauna. In de NDFF staan meer dan 100 miljoen gegevens. De databank wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen. In de NDFF is voor het plangebied en de omgeving gezocht naar waarnemingen van beschermde soorten.
4.1.2 Veldonderzoek Het plangebied is door een ecoloog van Staring Advies onderzocht om een inschatting te kunnen maken van de mogelijk aanwezige beschermde soorten en incidentele waarnemingen te kunnen doen van beschermde flora en fauna (zie tabel 1).
Onderzoeker
Bezoekronde
Datum
Tijd
Weersomstandigheden
R. Top
1
29-09--2020
16.45 uur
Bewolkt, droog, 19°C, wind 2 Bft
Tabel 1. Veldonderzoek.
Pagina 12
4.2 Resultaten Deze paragraaf bespreekt de resultaten van het literatuuronderzoek en het veldonderzoek.
4.2.1 Literatuuronderzoek Flora De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied geen melding van het voorkomen van beschermde plantensoorten. Broedvogels De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van diverse beschermde vogelsoorten. Een deel van de waarnemingen betreft overvliegende vogels zonder binding met het gebied. Een deel van de vogelsoorten kan wel een territorium bezetten in, of in de directe omgeving van het plangebied, waarbij ze ook gebruik kunnen maken van het plangebied. Van de aangetroffen soorten buizerd, gierzwaluw, huismus, ransuil, slechtvalk en sperwer zijn de nesten jaarrond beschermd. Zoogdieren De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van een aantal beschermde zoogdiersoorten. Het betreft de volgende soorten: • •
Nationaal beschermde soorten: bosmuis, bunzing, egel, huisspitsmuis en vos1. Internationaal beschermde soorten (Habitatrichtlijn): gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis.
Amfibieën, reptielen en vissen De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van het voorkomen van een aantal beschermde amfibieënsoorten: • •
Nationaal beschermde soorten: bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Internationaal beschermde soorten (Habitatrichtlijn): rugstreeppad.
Ongewervelde dieren De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied geen melding van het voorkomen van beschermde ongewervelde diersoorten.
1 Deze soorten zijn in de provincie Zuid-Holland vrijgesteld van de verboden als bedoeld in artikel 3.10, eerste
lid, onderdelen a en b, bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Pagina 13
4.2.2 Veldonderzoek In deze paragraaf worden per soortgroep de resultaten van het veldonderzoek besproken. Flora De begroeiing in het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit aangelegde tuinen en regelmatig gemaaide gazons met enkele aangeplante bomen. Hier zijn onder anderen de volgende plantensoorten aangetroffen: akkerdistel, bastaardwederik sp., gewone es (opslag) gewone vlier, grote brandnetel, grote kaardenbol, grote weegbree, klimop, madelief, paardenbloem sp., paarse dovenetel, scherpe boterbloem, smalle weegbree en zilverschoon. Geen van de aangetroffen plantensoorten is beschermd of zeldzaam. De NDFF (zie paragraaf 4.2.1) maakt geen melding van het voorkomen van beschermde plantensoorten voor de omgeving van het plangebied. Beschermde plantensoorten worden in het plangebied ook niet verwacht. De samenstelling van de aangetroffen flora en vegetatie en de daarvan afgeleide inschatting van de voedselrijkdom, bodemgesteldheid en het ontbreken van geschikte groeiplaatsen bevestigen dit. Broedvogels Een volledige broedvogelkartering heeft niet plaatsgevonden. Tijdens het veldbezoek zijn in en rondom het plangebied de volgende vogelsoorten waargenomen: blauwe reiger, ekster, grauwe gans, grote bonte specht, houtduif, kauw, koolmees, meerkoet, merel, nijlgans, pimpelmees, waterhoen, wilde eend en witte kwikstaart.
Het te slopen gebouw is geschikt als broedlocatie voor algemene soorten als kauw, witte kwikstaart en de jaarrond beschermde gierzwaluw en huismus. De bomen en bosschages in het plangebied zijn geschikt als broedlocatie voor algemene soorten als ekster, houtduif, merel, koolmees, pimpelmees en tjiftjaf. Het plangebied kan tevens worden gebruikt als foerageergebied voor diverse vogelsoorten. Jaarrond beschermde nesten In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen vogelsoorten aangetroffen, waarvan de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd zijn. De NDFF vermeldt het voorkomen van de buizerd, gierzwaluw, huismus, ransuil, slechtvalk en sperwer voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1).
Pagina 14
Buizerd, ransuil en sperwer Tijdens het veldbezoek is geen van deze soorten waargenomen in het onderzoeksgebied. Ook zijn er geen sporen, zoals plukplaatsen, uitwerpselen, veren of prooiresten van deze soorten waargenomen. Uit de NDFF blijkt dat deze soorten regelmatig verspreid in de bebouwde kom van Waddinxveen worden waargenomen. Van de buizerd en sperwer betreffen de waarnemingen voornamelijk overvliegende en jagende exemplaren. Uit het plangebied zelf en de directe omgeving hiervan zijn geen broedlocaties of verblijfplaatsen van deze soorten bekend. De hier aanwezige bomen bieden naar alle waarschijnlijkheid te weinig rust en dekking om als nestlocatie voor deze soorten te fungeren. De aanwezige groenstructuren in het plangebied zijn eveneens niet geschikt als nestlocatie voor overige boombewonende soorten met jaarrond beschermde nesten, zoals boomvalk, havik en roek. Nesten of verblijfplaatsen van deze soorten worden dan ook niet in het plangebied verwacht. Overvliegende of jagende individuen kunnen incidenteel wel worden waargenomen in het plangebied. Huismus en gierzwaluw Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied en de directe omgeving geen huismussen en gierzwaluwen of gebruikssporen van deze soorten waargenomen.
Huismussen en gierzwaluwen zijn koloniebroeders die hun verblijfplaatsen doorgaans hebben in bebouwing, waar ze hun nesten bouwen onder dakpannen en in andere nauwe holtes. Het te slopen gebouw heeft een onoverzichtelijke bouwvorm met, met name in het zuidelijke deel, veel hoeken en verspringende muren. Het is goed mogelijk dat zich in of op deze muren en hoeken holtes of andere locaties bevinden die geschikte nestplaatsen kunnen bieden aan huismussen en gierzwaluwen. Voor huismussen is het van belang dat er zich op korte afstand van potentiele nestplaatsen dekking bevindt in de vorm van bijvoorbeeld groenblijvende planten. Deze is plaatselijk aanwezig in de vorm van klimop (aan de noordoostelijke zijde van het gebouw) en struiken in de tuinen (zuid- en oostzijde van het gebouw). De parkachtige omgeving en de tuinen rond het gebouw kunnen dienen als foerageergebied voor de huismus. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat de huismus en gierzwaluw nestlocaties hebben op het te slopen gebouw. Slechtvalk Slechtvalken maken zelf geen nesten. Nestkasten in hoge gebouwen, oude nesten van roofvogels en kraaien in open agrarisch gebied en hoogspanningsmasten worden door de slechtvalk als nestlocatie gebruikt. In Nederland broedt het merendeel in steden in speciale nestkasten die vaak bij kerktorens, kantoorgebouwen of zendmasten worden geplaatst (Bron: SOVON, 2018).
Uit de NDFF blijkt dat er in 2020 meerdere waarnemingen zijn gedaan van een slechtvalk op de hefbrug over de Gouwe, op circa 400 meter ten zuidoosten van het plangebied. Het is niet uitgesloten dat er sprake is van een broedpoging op deze locatie. De beoogde werkzaamheden hebben echter geen invloed op de fysieke gesteldheid van een eventueel nest. Van verlaagd broedsucces door optische verstoring, bijvoorbeeld geluid en/of trillingen, is geen sprake, gezien de afstand tot de nestlocatie. Het te slopen gebouw is niet geschikt als nestlocatie voor de slechtvalk.
Pagina 15
Overige vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn worden niet verwacht in het plangebied. Uit de NDFF zijn geen waarnemingen bekend van overige jaarrond beschermde vogelsoorten (zie paragraaf 4.2.1). Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn, op enkele molshopen na, geen grondgebonden zoogdieren of sporen hiervan aangetroffen in het plangebied. Waarschijnlijk wordt het plangebied wel gebruikt als leefgebied door enkele algemene soorten als egel en algemene (spits)muizen, wat ook wordt bevestigd door de NDFF (zie paragraaf 4.2.1). Voor deze en andere te verwachte soorten geldt in de provincie Zuid-Holland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Overige strikt beschermde grondgebonden zoogdieren worden niet verwacht. Het bronnenonderzoek bevestigt de afwezigheid van overige strikt beschermde grondgebonden zoogdieren voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Vleermuizen De NDFF maakt melding van het voorkomen van meerdere vleermuissoorten voor de omgeving van het plangebied: gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis (zie paragraaf 4.2.1). In het plangebied zelf zijn geen waarnemingen bekend van vleermuizen. Alle vleermuizen zijn strikt beschermd. Het te slopen gebouw is geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen door de aanwezigheid van openingen die toegang bieden tot mogelijke verblijfplaatsen.
Dit betreft openingen als open stootvoegen en daklijsten. Ook is er plaatselijk sprake van afbrokkelende voegen in gemetselde muren, waardoor openingen kunnen ontstaan die toegang bieden tot de spouw. Door de omvang en complexiteit van het gebouw kan ook een massawinterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis niet uitgesloten worden. Er zijn rond het plangebied enkele bomen met holten aanwezig, die geschikt kunnen zijn als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen, zoals de ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. De directe omgeving van het te slopen gebouw, bestaande uit parken en tuinen, is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Het plangebied zelf vormt geen essentieel foerageergebied, aangezien het gebouw zelf nauwelijks geschikt is als foerageergebied en de groene omgeving rond het gebouw slechts een klein onderdeel is van de groene omgeving. Het plangebied heeft naar alle waarschijnlijkheid ook geen functie als essentiële vliegroute, aangezien het nauwelijks lijnvormige structuren kent en er diverse meer geschikte vliegroutes zijn in de nabije omgeving. Het verwijderen van opgaand groen en het gebruik van extra licht, zoals lichtmasten, tijdens de aanlegfase en/of gebruiksfase kan wel negatieve gevolgen hebben voor de geschiktheid van het gebied als foerageergebied voor vleermuizen.
Noot In opdracht van Oostelbos Van den Berg BV zijn door Staring Advies in augustus en september 2020 reeds onderzoeken uitgevoerd naar massawinterverblijfplaatsen en paarverblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied.
Pagina 16
Amfibieën De NDFF meldt de aanwezigheid van de strikt beschermde rugstreeppad, alsmede de beschermde amfibieënsoorten bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Tijdens het veldbezoek is in het plangebied een gewone pad aangetroffen. In de directe omgeving van het plangebied zijn sloten en vijvers aanwezig en hier zijn voortplantingsplaatsen van de bovengenoemde soorten amfibieën te verwachten, met uitzondering van de rugstreeppad. Voor de vermelde amfibieënsoorten, met uitzondering van de rugstreeppad, geldt in de provincie ZuidHolland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Rugstreeppad Er zijn waarnemingen bekend van onder andere roepende rugstreeppadden uit het poldergebied net buiten de bebouwde kom van Waddinxveen, op circa 700 meter ten westen van het plangebied. Ook zijn er enkele waarnemingen van rugstreeppadden in de woonwijk die grenst aan dit poldergebied (bron: NDFF). Voor de voortplanting is de rugstreeppad afhankelijk van ondiepe wateren, die vrij snel opwarmen. Als landhabitat worden zandige, vergraafbare bodems gebruikt, vaak in pionierssituaties zonder of met lage begroeiing, zoals bij recente zandwinningen, industrieterreinen, duinen en in dynamische riviergebieden.
Ook in veenweidegebied kan de rugstreeppad voorkomen en leeft dan vaak in de buurt van dorpen, boerderijen en boomkwekerijen. (bron: RAVON). Geschikte voortplantingswateren zijn niet aangetroffen in en direct om het plangebied. Het plangebied bevindt zich op enige afstand van het bekende leefgebied en voldoet niet aan de eisen voor het landhabitat van de rugstreeppad. De rugstreeppad wordt derhalve niet in het plangebied verwacht. Het plangebied kan echter tijdens de werkzaamheden wel geschikt worden voor deze soort, wanneer er sprake is van een bouwterrein met bijvoorbeeld zand, steenhopen en waterplassen. Incidentele waarnemingen van rugstreeppadden die het gebied doorkruisen kunnen niet worden uitgesloten. Overige soortgroepen Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde reptielen, vissen of ongewervelde diersoorten aangetroffen. De NDFF maakt ook geen melding van het voorkomen van beschermde reptielen, vissen of ongewervelde dieren in het plangebied of de omgeving daarvan. Het plangebied is door het ontbreken van geschikte, natuurlijke vegetatie en aansluiting op bekende leefgebieden ongeschikt als leefgebied voor beschermde reptielen, vissen en ongewervelden.
Pagina 17
5
Wet natuurbescherming
5.1 Toetsing aan de Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •
Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren (zie bijlage 2). Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10). Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11). Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.
Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. De effecten op de flora en fauna en de wettelijke consequenties zijn ingeschat aan de hand van de geplande werkzaamheden en de relevante verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (zie bijlage 1).
5.1.1 Flora Beschermde planten zijn niet in het plangebied aangetroffen. Gezien het ontbreken van geschikte groeiplaatsen zijn beschermde plantensoorten niet te verwachten in het plangebied. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor deze soortgroep.
5.1.2 Broedvogels Alle aangetroffen en te verwachten vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Wet natuurbescherming. Ontheffing voor deze diergroep is niet mogelijk. Dit betekent dat het opzettelijk verstoren, verontrusten, doden en anderszins nadelig beïnvloeden van deze soortgroep niet is toegestaan. Voor vogels geldt dat deze tijdens de broedperiode het meest gevoelig zijn voor verstoring. De rest van het jaar zijn zij flexibeler en is de kans op nadelige effecten door de werkzaamheden voor de individuen aanzienlijk minder. In de bosschages en bomen in het plangebied worden broedvogels verwacht en daarom moet er buiten het broedseizoen gestart worden met de werkzaamheden. Als de werkzaamheden in volle gang zijn bij aanvang van het broedseizoen, is het verstoringeffect op (broed)vogels minimaal. Het broedseizoen ligt, afhankelijk van de weeromstandigheden en aanwezige soorten, ruwweg tussen 15 maart en 15 juli. Broedgevallen buiten deze periode
Pagina 18
zijn ook beschermd. Indien werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is dient tijdelijk voorkomen te worden dat broedvogels zich vestigen in het plangebied. Vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn Buizerd, ransuil en sperwer In het plangebied en de directe omgeving worden geen vaste rust- en verblijfplaatsen (nestlocaties) van boombewonende vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten verwacht, zoals de in de omgeving van het plangebied waargenomen buizerd, ransuil en sperwer. De geplande ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied is niet van invloed op vaste rust- en verblijfplaatsen of het functioneel leefgebied van deze soorten door de afstand tot mogelijke nestlocaties. Het plangebied is door het gebrek aan geschikte nestlocaties geen essentieel leefgebied voor boombewonende soorten met jaarrond beschermde nesten. Het uitvoeren van aanvullend onderzoek of het aanvragen van ontheffing niet noodzakelijk voor deze soorten. Gierzwaluw en huismus In het te slopen gebouw in het plangebied bevinden zich mogelijk geschikte nestlocaties voor deze gebouwbewonende soorten. Om vast te stellen of deze soorten daadwerkelijk broeden in het gebouw en een vergunningsaanvraag nodig is, is het uitvoeren van aanvullend onderzoek naar de gierzwaluw en huismus noodzakelijk.
Om uit te sluiten, dan wel aan te tonen dat de gierzwaluw een jaarrond beschermde verblijfplaats heeft in het plangebied, dienen 3 veldbezoeken uitgevoerd worden in de periode van 1 juni tot en met 15 juli tussen 2 uur voor zonsondergang tot zonsondergang (bron: Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, Netwerk Groene Bureaus en Kennisdocument Gierzwaluw, BIJ12). Om uit te sluiten, dan wel aan te tonen dat de huismus een jaarrond beschermde verblijfplaats heeft in het plangebied, dienen minstens 2 ochtendbezoeken uitgevoerd te worden in de periode 1 april – 20 juni (bron: Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, Netwerk Groene Bureaus en Kennisdocument Huismus, BIJ12). Slechtvalk In en direct rond het plangebied worden geen nestlocaties van de slechtvalk verwacht. Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing niet noodzakelijk.
5.1.3 Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn, uitgezonderd een enkele molshoop, binnen het plangebied geen beschermde zoogdiersoorten aangetroffen. Voor de te verwachten soorten, zoals egel en algemene muizensoorten, geldt in de provincie Zuid-Holland automatisch vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen. Strikt beschermde grondgebonden zoogdiersoorten worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet nodig voor deze soortgroep.
Pagina 19
5.1.4 Vleermuizen Om te bepalen of aanvullend onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk is, worden de resultaten van de quickscan getoetst aan de checklist van Het Protocol voor vleermuisinventarisaties van de Gegevensautoriteit Natuur en de Zoogdiervereniging VZZ. Hieronder zijn de relevante passages uit de checklist weergegeven: 1. Zijn er voor vleermuizen potentieel geschikte gebouwen die gesloopt of gerenoveerd worden? Ja → Nader onderzoek naar zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen is noodzakelijk. 2. Zijn er bomen met potentieel geschikte holten die gekapt of gesnoeid worden? Nee → Nader onderzoek naar zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen is niet noodzakelijk. 3. Worden er struiken, gewassen, bomen of andere elementen verwijderd of aangetast die deel uitmaken van een mogelijke route/verbinding of een essentieel foerageergebied? Nee → Nader onderzoek naar vliegroutes en (essentieel) foerageergebied is niet noodzakelijk. Nader onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen is noodzakelijk aangezien er door de geplande werkzaamheden mogelijk verblijfplaatsen verloren gaan. Het vleermuisprotocol adviseert om bij het vermoeden op kraam-, zomer-, paar- en massawinterverblijfplaatsen van de te verwachten soorten gericht vleermuisonderzoek uit te voeren middels 6 veldbezoeken.
Het gaat hierbij om 3 veldbezoeken in de periode 15 mei – 15 augustus, waarvan 2 avondbezoeken in de kraamperiode (15 mei - 15 juli) en ten minste 1 ochtendbezoek, en 3 avondbezoeken in de periode 1 augustus – 1 oktober, waarvan 2 nachtbezoeken tussen 00:00 en 02:00 uur in de periode 1 augustus – 10 september voor o.a. gericht onderzoek naar (massa)winterverblijfplaats van gewone dwergvleermuis. Het laatste onderdeel is reeds in 2020 uitgevoerd. Uit de resultaten van dit onderzoek is gebleken dat er geen (massa)winterverblijfplaats van gewone dwergvleermuis in het te slopen gebouw aanwezig is. De resultaten van dit onderzoek worden verder verwerkt in de rapportage van het vleermuisonderzoek. Deze wordt na afronding van het laatste veldbezoek opgesteld. Voor zover bekend zullen de bomen in het plangebied behouden blijven tijdens de geplande sloop en herbouw, maar indien er sprake is van snoei of kap van bomen is ook aanvullend onderzoek naar boombewonende vleermuizen noodzakelijk. Het verwijderen van opgaand groen en het plaatsen van (extra) kunstlicht kan een negatief effect hebben op de geschiktheid van het foerageergebied. Dit effect moet zo veel mogelijk
Pagina 20
beperkt worden door het opgaand groen waar mogelijk te sparen, en na afloop van de aanlegwerkzaamheden indien mogelijk groenstroken of perken met beplanting aan te leggen. Ook moet tijdens de aanleg- een gebruiksfase het gebruik van extra kunstlicht zo veel mogelijk beperkt worden, bijvoorbeeld door gebruik van “vleermuisvriendelijk” licht. Ook dient uitstaling van licht naar de groengebieden in en buiten het plangebied zoveel mogelijk te worden voorkomen.
5.1.5 Amfibieën Net buiten het plangebied zijn geschikte voortplantingswateren en geschikt landhabitat aanwezig, waardoor het voorkomen van algemene beschermde amfibieën, zoals bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander, te verwachten is. Voor deze soorten geldt in provincie Zuid-Holland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor overige amfibieën. Wel is er sprake van zorgplicht, wat inhoudt dat er tijdens de werkzaamheden zo veel mogelijk rekening moet worden gehouden met het voorkomen van dieren. Aanwezige individuen moeten voldoende gelegenheid hebben om te vluchten of worden verplaatst indien zij niet in staat zijn zelfstandig te vluchten. Bovengenoemde vrijstelling is niet van toepassing op de rugstreeppad, die ook in de omgeving van het plangebied voorkomt. Rugstreeppad Het plangebied is thans ongeschikt als leefgebied voor de rugstreeppad. Door de werkzaamheden kan wel een habitat ontstaan die geschikt is voor de rugstreeppad, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van braakliggend terrein met plassen. Aangezien er een populatie rugstreeppadden leeft op circa 700 meter van het plangebied, bestaat de kans dat het plangebied gekoloniseerd wordt door rugstreeppadden zodra er sprake is van geschikt leefgebied.
Indien dit gebeurt, is alsnog een ontheffingsaanvraag noodzakelijk. Beter is het om te voorkomen dat rugstreeppadden het gebied koloniseren. Het gebied kan bijvoorbeeld ontoegankelijk gemaakt worden voor amfibieën met behulp van een amfibieënscherm. Indien op deze wijze voorkomen kan worden dat rugstreeppadden het gebied koloniseren, is het uitvoeren van aanvullend onderzoek of het aanvragen van ontheffing niet noodzakelijk voor deze soort.
5.1.6 Overige soortgroepen Beschermde reptielen, vissen of ongewervelde diersoorten zijn niet in het plangebied aangetroffen. Uit de omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen van strikt beschermde reptielen, vissen of ongewervelden bekend. Het plangebied biedt geen geschikt leefgebied voor strikt beschermde dieren van deze soortgroepen. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.
Pagina 21
6
Conclusie
Aan de hand van de resultaten van de quickscan natuurtoets op de locatie “Prins Bernhardlaan 2 in Schiedam” kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Beschermde natuurgebieden Natuurnetwerk Nederland (NNN) De kernkwaliteiten van het NNN worden niet aangetast door de geplande ruimtelijke ontwikkeling. Verder toetsing of een vergunningsaanvraag zijn niet noodzakelijk. Natura 2000 Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats in of nabij een Natura 2000-gebied. Door de aard van de werkzaamheden en de relatief grote afstand tot Natura 2000-gebieden worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven van Natura 2000-gebieden door directe verstoringsfactoren verwacht. Ook significante negatieve effecten door indirecte verstoringsfactoren zijn op voorhand uit te sluiten, met uitzondering van stikstofdepositie. Uit de door Van Empel Inspecties en Advisering uitgevoerde AERIUS-berekening (Voortoets Stikstofdepositie Prins Bernhardlaan 2 Waddinxveen, 26 februari 2021, rapportnummer: QUO-18135-C7D0Y4) is geconcludeerd dat de beoogde situatie in de aanlegfase en de gebruiksfase, geen significant nadelige gevolgen met betrekking tot het aspect verzuring op Natura-2000 gebieden veroorzaakt. Conform de factsheet “Woningbouwplannen, stikstof en Natura 2000-gebieden” is er geen passende beoordeling noodzakelijk.
Houtopstanden Een kapmelding bij de provincie Zuid-Holland voor beschermde houtopstanden is niet aan de orde. Beschermde flora en fauna Aanvullend onderzoek is noodzakelijk voor de volgende soortgroep: • • •
Gierzwaluw Huismus Vleermuizen
Broedvogels Bij werkzaamheden en activiteiten dient altijd rekening te worden gehouden met broedvogels. Indien werkzaamheden en activiteiten plaatsvinden buiten het broedseizoen (15 maart – 15 juli) is de kans op conflicten met broedende vogels het kleinst. Bezette nesten mogen, ongeacht de tijd van het jaar, niet worden verstoord. Vleermuizen Ten behoeve van het aanwezige foerageergebied van vleermuizen, moet het opgaand groen zo veel mogelijk worden gespaard of teruggeplaatst na afloop van de
Pagina 22
werkzaamheden. Daarnaast moet bij het plaatsen van (extra) kunstlicht rekening worden gehouden met vleermuizen, bijvoorbeeld door de aard en richting van het licht hierop aan te passen. Rugstreeppad Om te voorkomen dat de rugstreeppad tijdens de werkzaamheden het plangebied koloniseert en dientengevolge een ontheffingsaanvraag noodzakelijk wordt, wordt geadviseerd een amfibieën werend scherm aan te brengen rond het plangebied. Zorgplicht Bij het verwijderen van begroeiing moet rekening worden gehouden met amfibieën en grondgebonden zoogdieren die hier kunnen verblijven. Aangetroffen dieren moeten kans hebben de werkzaamheden te ontvluchten of, indien dit niet mogelijk is, worden verplaatst naar geschikt gebied in de directe omgeving van het plangebied. Het verwijderen van opgaand groen gebeurt bij voorkeur in het actieve seizoen van amfibieën en grondgebonden zoogdieren en niet tijdens de winterrust (globaal van november tot maart, mede afhankelijk van weersomstandigheden).
Pagina 23
Bijlagen 1 2 3
Impressie plangebied Wettelijk kader Beschermde plant- en diersoorten
Pagina 24
Bijlage 1 Impressie plangebied
Pagina 25
Bijlage 2 Wettelijk kader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •
Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden); Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren; Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10); Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11); Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Toetsing van effecten van projecten op Natura 2000-gebieden blijft hetzelfde als nu. Beschermde natuurmonumenten Beschermde natuurmonumenten en bijbehorende doelen komen te vervallen. Hetzelfde geldt voor (nooit aangewezen) beschermde landschapsgezichten en beschermde leefomgevingen. De meeste natuurmonumenten vallen binnen het NNN areaal en zijn via dat beschermingsregime alsnog beschermd. Daarnaast kunnen gemeenten de natuurmonumenten via een bestemmingsplan als beschermde natuur aanwijzen. Provincies dienen gebieden aan te wijzen voor het NNN (voormalige EHS) en (evt. op verzoek) voor overige bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het rijk kan een gebied, niet zijnde een Natura 2000-gebied, als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen.
Soortbescherming Alle beschermde soorten worden aangewezen in de wet zelf (deels met verwijzing naar internationale regelgeving). Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Ongeveer 200 thans beschermde soorten (vooral vaatplanten en zeevissen) worden niet meer beschermd onder de Wet natuurbescherming (anders dan door algemene zorgplicht). De lijst met beschermde soorten is niet meer opgedeeld in tabellen, zoals in de huidige Flora- en faunawet. Zie bijlage 2 voor de nieuwe lijst met beschermde plant- en diersoorten.
Pagina 26
Totaal aantal beschermde soorten is slechts een fractie van ongeveer 35.000 soorten die in Nederland voorkomen. Groot aantal bedreigde (Rode lijst) soorten wordt niet passief beschermd (wel actieve bescherming vereist). Drie regimes voor beschermde soorten 1. Regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in EU (art. 3.1-3.4) 2. Regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5-3.9) 3. Regels ter bescherming van niet onder 2 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet (art. 3.10-3.11) Inhoud beschermingsregimes • •
•
Geen uniform verbodsstelsel, maar aparte verboden voor elk van de drie categorieën beschermde soorten. Verboden en uitzonderingen sluiten nauw aan bij Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (regime 1 en 2), maar ‘soepeler’ regime voor aanvullend beschermde soorten (regime 3). Meeste verboden nu alleen van toepassing op ‘opzettelijk’ handelen, maar dat dekt ook voorwaardelijk opzet (=willens en wetens aanmerkelijke kans aanvaarden dat gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten). Verschil met de huidige verboden zal in de praktijk dus waarschijnlijk gering zijn.
Alle in de Wet genoemde soorten zijn strikt beschermd. Voor de verbodsbepalingen is een ontheffing noodzakelijk. Dit geldt ook voor zeer algemene soorten waarvoor in het verleden automatisch de vrijstellingsregeling van kracht was bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter kunnen de provincies voor een aantal algemene soorten een vrijstellingslijst opstellen (op basis van Artikel 3.11). Dit betekent dat de beschermde soorten per provincie verschillen (zie bijlage 3). Met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen zijn de volgende verbodsbepalingen voor soorten het meest relevant.
Intrinsieke waarde natuur Artikel 1.10 Deze wet is gericht op: Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit.
Pagina 27
Algemene Zorgplicht Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.3 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.
Pagina 28
2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 en ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • • • • •
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;
c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. In een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over: a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden; b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en c. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.
Pagina 29
3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.8 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • •
•
•
in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;
Pagina 30
c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Beschermingsregime andere soorten Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b.
ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang.
Pagina 31
3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Artikel 3.11 1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de bij die regeling aan te wijzen verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel b of c niet van toepassing zijn ten aanzien van bij die regeling aan te wijzen soorten, op bij die regeling aan te wijzen categorieën van handelingen die na een voorafgaande melding aan gedeputeerde staten worden uitgevoerd om een reden, genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, of in artikel 3.10, tweede lid. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen waaraan een melding als bedoeld in het eerste lid moet voldoen.
Gedragscodes De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.2, zesde lid, 3.5, 3.6 tweede lid, of 3.10, en de krachtens artikel 3.11, eerste lid, geldende verplichting tot melding, zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik, of d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 2. Een gedragscode als bedoeld in het eerste lid wordt goedgekeurd, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. in de gedragscode worden handelingen beschreven die nodig zijn voor: • • •