CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Ruimtelijke Onderbouwing Akkeroord naast 3b

Besluitvormende raadsvergadering 22 januari 2025, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: Ontwerpverklaring van geen bedenkingen Akkeroord naast 3b28.832 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Ruimtelijke onderbouwing Akkeroord 3b Gemeente Waddinxveen Definitief

colofon

projectnaam Ruimtelijke onderbouwing Akkeroord 3b datum 10 juli 2024 projectnummer P05124 opdrachtgever particulier BRO projectleider TSc projectteam WvdH bron Kaft BRO

BRO Rhijnspoorplein 38 1018 TX Amsterdam T +31 (0)20 506 19 99 E info@bro.nl www.bro.nl

Inhoudsopgave 1

2

3

Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

3 3 3 3 3

Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie

4 4 4

Bijlage 1

Verkennend bodemonderzoek

Bijlage 2

Quickscan externe veiligheid

Beleidskader 3.1 Rijksbeleid

6 6

Bijlage 3

Externe veiligheid weg

3.1.1

Nationale omgevingsvisie

6

Bijlage 4

Stikstofberekening

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

6

3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

Bijlage 5

Notitie Rugstreeppak Akkeroord

Bijlage 6

Onderzoekverantwoording groepsrisico

Bijlage 7

Aanmeldnotitie m.e.r.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

3.2.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1

4

5

Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

Structuurvisie Waddinxveen 2030

Omgevingsaspecten 4.1 Verkeer en Parkeren 4.2 Bodem 4.3 Geluid 4.4 Bedrijven & milieuzonering 4.5 Archeologie 4.6 Externe veiligheid 4.7 Luchtkwaliteit 4.8 Ecologie 4.9 Water 4.10 Vormvrije m.e.r.- beoordeling

woensdag 10 juli 2024

6

21 21 21

5.2.1

Omgevingsdialoog

21

5.2.2

Ter visie legging

21

5.2.3

Beroep / hoger beroep

21

7 7 7

9 9

10 10 10 11 11 12 12 13 15 16 20

2

1 Inleiding Ruimtelijke onderbouwing Akkeroord 3b

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

De initiatiefnemer van voorliggend plan is eigenaar van het agrarische loon- en grondverzetbedrijf aan de Akkeroord 3B te Waddinxveen en het naast gelegen perceel. De initiatiefnemer is voornemens om op het lege perceel ten zuidoosten van eerdergenoemd bedrijfsperceel een bedrijfspand te bouwen als uitbreiding van het betreffende bedrijf. Op de locatie van het ruimtelijk initiatief rusten momenteel de bestemmingen ‘Agrarisch’, ‘Bedrijf’ en voor een deel is het perceel bestemd met de archeologische dubbelbestemming ‘Archeologie 2’. Het beoogde ruimtelijk initiatief is in strijd met de gebruiks- en bouwregels van het vigerende bestemmingsplan. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken, dient er van het bestemmingsplan afgeweken te worden.

1.2

Plangebied

Het plangebied ligt achterin de doodlopende straat de Akkeroord te Waddinxveen. Het plangebied wordt ingesloten door de bedrijfsbebouwing aan de Akkeroord 3b en het Moerkapellepad (fietspad) aan de zuidzijde. Op figuur 1.1 is de begrenzing van het besluitgebied aangegeven. Kadastraal staat de locatie bekend als Waddinxveen, sectie F, nummers 2363 en 2898.

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Op de beoogde locatie is het bestemmingsplan ‘Actualisatie bestemmingsplan Coenecoop’, zoals vastgesteld op 10 april 2013, vigerend. In dit bestemmingplan’ heeft de locatie de bestemming ‘Agrarisch’ toegewezen gekregen. Op basis van de bestemming

woensdag 10 juli 2024

‘Agrarisch is een bedrijfspand voor niet agrarische bedrijvigheid niet toegestaan. Ter plaatse van het bestaande loon- en grondverzetbedrijf is de bestemming ‘Bedrijf’ opgenomen. Binnen deze bestemming is het toegestaan bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen die staan vermeld in categorie 1 en 2 van de als bijlage opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten.

1.4

Leeswijzer

Voorliggende ruimtelijke onderbouwing is als volgt opgebouwd: in hoofdstuk 2 worden het gebiedsprofiel en het projectprofiel beschreven. Vervolgens komt in hoofdstuk 3 het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleidskader aan de orde. In hoofdstuk 4 komt de toetsing aan de milieu- en overige onderzoek aspecten aan bod. Hoofdstuk 5 beschrijft de economische en maatschappelijke haalbaarheid van het plan.

Omdat onderhavige ontwikkeling voorziet in de uitbreiding van reeds bestaand loon- en grondverzet, komt dit bedrijf in een hogere milieucategorie terecht, namelijk categorie 3.1. Hierdoor is het ruimtelijk initiatief ook in strijd met de bestemming ‘Bedrijf’. Er dient derhalve een juridisch-planologisch procedure te worden doorlopen om van het bestemmingsplan af te wijken. De te doorlopen procedure betreft de uitgebreide omgevingsvergunningsprocedure op basis van art. 2.12, lid 1 onder a, sub 3 wabo. De beoogde locatie bevindt zich voor een deel in een gebied wat is bestemd met ‘Waarde – Archeologie 2’. Het plan past voor wat betreft archeologie binnen de regels. De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft aangegeven dat er geen verder onderzoek nodig is (zie paragraaf 4.5).

Figuur 1.1 Begrenzing van het plangebied

Voor de uitgebreide omgevingsvergunningprocedure dient een ruimtelijke onderbouwing opgesteld te worden dat aan dient te tonen dat het ruimtelijk initiatief bijdraag aan een goede ruimtelijke ordening. In voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt getoetst aan het vigerende bestemmingsplan en wordt aangetoond dat het initiatief in overeenstemming met het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is.

3

2 Planbeschrijving Ruimtelijke onderbouwing Akkeroord 3b

2

Planbeschrijving

2.1

Huidige situatie

Het besluitgebied waarop voorliggende ruimtelijke onderbouwing van toepassing is, betreft een locatie in het zuiden van Waddinxveen. Het plangebied wordt begrensd door een bedrijfsperceel en percelen die bestemd zijn voor agrarisch doeleinden en ligt ten noorden van de rijksweg A12. De locatie van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is gelegen aan de Akkeroord. De Akkeroord is een rustige, doodlopende straat en wordt ontsloten via de Zuidelijke Rondweg, welke een ontsluitingsweg is van het bedrijventerrein Coenecoop. Het perceel waar de beoogde nieuwbouw moet plaatsvinden is braakliggend. Het terrein ten noorden van dit perceel het plangebied is bebouwd met bedrijfspanden. Kadastraal staat de locatie bekend als gemeente Waddinxveen, sectie F, nummers 2363 en 2898.

2.2

Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie zal de het perceel worden bebouwd met een bedrijfsgebouw, ten behoeve van stalling van machines en voertuig en de onderhoudswerkzaamheden daarvan. Deze bebouwing dient als uitbreiding van het reeds bestaande loon- en grondverzetsbedrijf aan de Akkeroord 3b. Het bedrijfsgebouw zal bestaan uit 1 bouwlaag met een kap. Het bedrijfsgebouw zal worden gebruikt voor stalling, werkplaats en kantoor. Het bedrijfsgebouw zal worden gerealiseerd met een BVO van circa 390 m². Het perceel biedt genoeg ruimte om te kunnen parkeren op eigen terrein.

woensdag 10 juli 2024

Figuur 2.1 Gevels planinitiatief

4

2 Planbeschrijving Ruimtelijke onderbouwing Akkeroord 3b

Figuur 2.2 Positionering nieuwe bedrijfsgebouw

woensdag 10 juli 2024

5

3 Beleidskader Ruimtelijke onderbouwing Akkeroord 3b

3

Beleidskader

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale omgevingsvisie

In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 juli 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld (2020). Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:  ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  duurzaam economisch groeipotentieel;  sterke en gezonde steden en regio’s;  toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes.

Welke zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven. De drie afwegingsprincipes

woensdag 10 juli 2024

zijn:  Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies.  Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal.  Afwentelen wordt voorkomen. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht, welke ‘nationale belangen’ genoemd worden. De NOVI richt zich op 21 nationale belangen. Deze worden geografisch weergegeven via de Nationale hoofdstructuur. De verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen. Hierdoor kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Het onderhavige plan omvat geen ontwikkelingen die in strijd zijn met de nationale belangen en waar de NOVI op van invloed is. Bovendien wordt de woning landschappelijk ingepast en heeft er een omgevingsdialoog plaatsgevonden zodat er een beter en meer geïntegreerde ontwikkeling ontstaat. Doorwerking plangebied Het onderhavige plan bevindt zich niet in de nationale hoofdstructuur en omvat geen ontwikkelingen van landsbelang. Het betreft de invulling van een bestaande bedrijfskavel op een bedrijventerrein ten behoeve van zes woon-werkkavels. Een nadere toetsing aan de NOVI kan daarom achterwege blijven. 3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In de NOVI wordt bepaald welke kaderstellende

uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee, tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking plangebied Zoals al in voorgaande paragraaf bij de NOVI is aangegeven, is er geen sprake van nationale belangen in het plangebied en voor de voorgestane ontwikkeling. Het Barro bevat daarom ook geen kaderstellende uitspraken voor het plangebied. 3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang, 12 woningen of meer, moet zijn.

6

3 Beleidskader Ruimtelijke onderbouwing Akkeroord 3b

Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Het initiatief voorziet in de realisatie van een nieuw bedrijfspand, ter uitbreiding van het reeds bestaande agrarisch loonen grondverzetbedrijf. Dit initiatief is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, lid 2 van het besluit ruimtelijke ordening. De Ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing op onderhavig initiatief.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn er operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van het beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en –plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit.

woensdag 10 juli 2024

De Omgevingsvisie omvat de volgende wettelijk verplichte plannen:  de provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro);  het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm);  het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww);  het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer;  de natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb). De ruimtelijke koers die men wil varen laat zich als volgt omschrijven: een sterk Zuid-Holland is een slim en schoon ZuidHolland. Er moet ruimte voor ontwikkeling zijn met waarborg kwaliteit. Daarbij zijn zes ambities benoemd: 1. naar een klimaatbestendige delta; 2. naar een nieuwe economie: the next level; 3. naar een levendige meerkernige metropool; 4. energievernieuwing; 5. best bereikbare provincie; 6. gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Daarbij streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Met het provinciaal omgevingsbeleid sluiten we aan op de maatschappelijke doelen van de omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit.

Omgevingskwaliteit is het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Het gaat het

hier om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Met het samenvoegen van al het bestaande beleid voor de fysieke leefomgeving heeft de provincie een eerste stap gezet richting een meer integrale sturing op omgevingskwaliteit. Doorwerking plangebied Het ruimtelijk initiatief is dermate kleinschalig dat het abstractieniveau van de Omgevingsvisie te hoog is. Met onderhavig ruimtelijk initiatief wordt voormalige landbouwgrond bebouwd om het agrarisch loon-en grondverzetbedrijf uit te kunnen breiden. 3.2.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland

Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben op 7 augustus 2021 de Zuid-Hollandse omgevingsverordeningen vastgesteld. Ruimtelijke kwaliteit Op grond van artikel 6.9 van de Omgevingsverordening (Ruimtelijke kwaliteit) kan een bestemmingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: 1. De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen). 2. Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:

7

3 Beleidskader Ruimtelijke onderbouwing Akkeroord 3b

a.

3.

zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaar; b. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid. Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de b staande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: a. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; b. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.

Toelichting Verordening ruimte op kwaliteitsbeleid Het kwaliteitsbeleid gaat uit van 'ja, mits': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en geldt in principe voor het grondgebied van de gehele provincie, dat wil zeggen zowel de groene ruimte als de bebouwde ruimte. De provincie hanteert hier het handelingskader ruimtelijke kwaliteit: een benadering die enerzijds onderscheid maakt in drie soorten ruimtelijke ontwikkelingen (nieuwe bebouwing of nieuw gebruik van grond of bebouwing) naar gelang hun impact op de omgeving en anderzijds de realisatie van bepaalde soorten ruimtelijke ontwikkelingen uitsluit in gebieden met een bepaalde beschermingscategorie. Dit betekent dat ruimtelijke ontwikkelingen moeten passen binnen de bestaande gebiedsidentiteit en dient te voldoen aan de relevante richtpunten van de Kwaliteitskaart. Als een ontwikkeling niet past bij de aard en/of de schaal van het gebied zijn ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig

woensdag 10 juli 2024

om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. Doorwerking plangebied Op de Kwaliteitskaart is het plangebied aangeduid als 'steden en dorpen'. Als richtpunten wordt onder andere het volgende aangehouden:  Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp.  Een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand.  Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd. Voor ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand geldt als richtlijn dat deze bijdragen aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). Er is sprake is van het toevoegen van één bedrijfsgebouw als uitbreiding van het reeds bestaande loon- en grondverzetsbedrijf aan de Akkeroord 3b. De richtpunten worden niet aangetast. Deze planontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit en qua aard en schaal bij wat er al staat langs de Akkeroord. Gesteld kan worden dat hier sprake is van 'inpassing', zodat aanvullende maatregelen op het vlak van ruimtelijke kwaliteit niet nodig zijn voor dit plan. Dit initiatief zijn hierbij niet in het geding van de provinciale belangen.

8

3 Beleidskader Ruimtelijke onderbouwing Akkeroord 3b

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie Waddinxveen 2030

De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 3 oktober 2012 de structuurvisie Waddinxveen 2030 "Positief en realistisch naar 2030" vastgesteld. De structuurvisie van 2006 is herzien, omdat in de periode tot 2006 en nu veel is veranderd. De huidige economische situatie en bijgestelde groeiprognoses hebben gevolgen voor bijvoorbeeld het beleid dat gericht is op de woningmarkt. Er is opnieuw gekeken naar de kansen en mogelijkheden die Waddinxveen heeft op het gebied van ruimtelijke ontwikkelingen. Het karakter van de structuurvisie is positief en realistisch. Concreet betekent dit dat de ambities haalbaar en uitvoerbaar zijn, maar dat de visie ook uitdaagt en perspectief biedt. De nieuwe structuurvisie moet zowel de gemeente als burgers, bedrijven en andere betrokken partijen inspireren om actief mee te werken en te bouwen aan de toekomst van Waddinxveen. Doorwerking plangebied De projectlocatie is gelegen aan de rand van het gebied dat wordt aangeduid bedrijvenlandschap en in de strook die is aangeduid als zijnde ‘overig groen’. Aan deze strook worden door de ligging tussen de A12 en het bedrijventerrein geen bijzonder (landschappelijk) waarden gehecht. In de structuurvisie zijn geen specifieke ambities omschreven voor dit gebied.

woensdag 10 juli 2024

Figuur 3.1 Uitsnede integrale kaart structuurvisie, globale project locatie rood omkadert

Er is sprake is van het toevoegen van één bedrijfsgebouw als uitbreiding van het reeds bestaande loon- en grondverzetsbedrijf aan de Akkeroord 3b. Deze planontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit en qua aard en schaal bij wat er al staat langs de Akkeroord. Gesteld kan worden dat hier sprake is van 'inpassing', waarmee aangesloten wordt op het bedrijventerrein aan de noord en oostzijde van het plangebied. Het plan is niet in strijd met de Structuurvisie Waddinxveen 2030.

9

4 Omgevingsaspecten Ruimtelijke onderbouwing Akkeroord 3b

4

Omgevingsaspecten

4.1

Verkeer en Parkeren

Verkeer Het ruimtelijk initiatief voorziet in het realiseren een bedrijfsgebouw van circa 390m2 aan de Akkeroord in de gemeente Waddinxveen. De toevoeging een bedrijfsgebouw heeft een effect op de verkeersgeneratie van het plangebied. De verkeersgeneratie voor het besluitgebied is berekend volgens de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren – Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Hierbij is uitgegaan van de stedelijkheidsgraad ‘sterk stedelijk’ met de ligging ‘buitengebied’. De gemeente Waddinxveen hanteert bij de parkeerkencijfers(normen) als uitgangspunt het midden van de bandbreedte. Op basis van deze normen zal het nieuwbouwplan 19 extra verkeersbewegingen per etmaal genereren voor een gemiddelde weekdag (zie onderstaande tabel).

Type

Omvang

Parkeerplaatsen per 100m2 bvo

Totale benodigde parkeerplaatsen

Bedrijf arbeidsextensief

505,31 m2

1,05

5,31

Totaal

Deze zullen worden opgevangen op eigen terrein zoals is weergegeven in het ontwerp in figuur 2.2. De kavels bieden daarmee voldoende ruimte voor het benodigde aantal parkeerplaatsen. Hiermee wordt er voldaan aan het parkeerbeleid. Het onderdeel ‘parkeren’ zorgt dan ook niet voor belemmeringen voor onderhavig plan. Conclusie Het aspect ‘verkeer en parkeren’ zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavig plan.

4.2 Type

Bedrijf arbeidsextensief Totaal

Omvang

390 m2

Verkeergeneratie per 100m2 bvo

Totale verkeersgeneratie

4,8

18,72

19

Gezien het geringe aantal verkeersbewegingen worden er geen belemmeringen verwacht voor wat betreft Verkeer. Parkeren Met onderhavig plan wordt een bedrijfspand van maximaal 390 m2 mogelijk gemaakt. De totale BVO (bedrijfspand en bestaande woning) bedraagt hiermee 505,31 m 2. De parkeerbehoefte komt daarmee uit hiermee 6 parkeerplaatsen, zoals in onderstaande tabel weergegeven.

woensdag 10 juli 2024

6

Bodem

Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Onderzoek Door het bureau Econsultancy is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Uit het onderzoek blijkt dat de bodem voornamelijk bestaat uit zwak humeuze, zwak zandige of zwak siltige klei. Op diepte van 0,3-0,5 m -mv worden zwak tot matig siltige zandlagen waargenomen. Zeer plaatselijk is geen zand aangetroffen. De bovengrond is zeer plaatselijk (boring 12) zwak beton houdend. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. De bovengrond is licht verontreinigd met kwik en/of zink. De ondergrond is niet verontreinigd. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en molybdeen. Op het aangrenzende perceel zijn in het verleden vergelijkbare concentraties molybdeen in het grondwater aangetroffen. Deze metaalverontreinigingen zijn hoogstwaarschijnlijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek. Er zijn geen milieu hygiënische belemmeringen voor de geplande nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Conclusie Het aspect ‘bodem’ zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavig plan.

10

4 Omgevingsaspecten Ruimtelijke onderbouwing Akkeroord 3b

4.3

Geluid

Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een ruimtelijke ontwikkeling een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:  de toevoeging van een nieuwe woning of andere;  geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;  de aanleg van een nieuwe weg;  de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het besluitgebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij een ruimtelijk project. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van:  wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen;  wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Onderzoek Onderhavige ontwikkeling voorziet in de uitbreiding van een loon- en grondafzetbedrijf. Bedrijfspanden zijn geen geluidsgevoelige functies. Daarom is er geen akoestisch onderzoek conform de Wgh noodzakelijk.

4.4

Bedrijven & milieuzonering

Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen

woensdag 10 juli 2024

voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype In de omgeving van het plangebied is in de huidige situatie, maar ook in de situatie na de beoogde bestemmingswijziging sprake van bedrijvigheid.

Het plangebied moet daarom worden aangemerkt als gelegen in het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Op basis van het vigerende bestemmingsplan ‘Actualisatie bestemmingsplan Coenecoop’ zijn de milieubelastende functies in de omgeving bepaald. Het bestemmingsplan staat bedrijvigheid tot en met milieucategorie 2 toe. Daarnaast staat het bestemmingsplan bedrijvigheid tot en met milieucategorie

4.2 toe op plaatsen waar daartoe een functieaanduiding is opgenomen. Onderzoek Invloed van het initiatief op de omgeving Met het initiatief wordt een nieuw bedrijfspand mogelijk gemaakt. Dit bedrijfsgebouw maakt onderdeel uit van het naastgelegen agrarisch loon- en grondverzetbedrijf. Hoewel het nieuwe bedrijfspand los gerealiseerd wordt van de bestaande situatie moet het wel gezien worden als één bedrijf. Door deze uitbreiding zal het bedrijf binnen een zwaardere milieucategorie vallen, omdat het bedrijf na de uitbreiding groter zal zijn dan 500 m2. Dit betreft milieucategorie 3.1. Voor een bedrijf uit categorie 3.1 geldt een richtafstand van 30 meter. In figuur 4.1 is een weergave opgenomen van de nieuwe bedrijfsloods en ook de huidige situatie van het bedrijf aan de Akkeroord 3b en naastgelegen woning. Op de locatie Akkeroord 3a is een bestaande bedrijfswoning aanwezig en op de Akkeroord 2 is een reguliere woning aanwezig. Dit zijn milieugevoelige functies. Het bestaande bedrijf aan de Akkeroord 3b heeft een milieucategorie van 2 (met richtafstand van 10 meter). De bestaande bedrijfswoning Akkeroord 3a ligt al binnen deze richtafstand. De woning Akkeroord 2 ligt buiten de richtafstand. Met de uitbreiding van de nieuwe loods veranderd de milieucategorie van het (totale) bedrijf naar 3.1 (met richtafstand van 30 meter) zoals eerder ook beschreven.

Tussen het bestemmingsvlak van het bedrijf Akkeroord 3b en het bouwvlak van de woning Akkeroord 2 ligt een afstand van 33 meter. Ook met de opschaling van de milieucategorie en richtafstand met de bedrijfsuitbreiding wordt dus voldaan aan de richtafstand. Het nieuwe bedrijfsgebouw wat met dit plan mogelijk wordt gemaakt ligt nog 63 meter verder van de woning Akkeroord 2, zoals te zien is in figuur 4.1 (en daarmee dus ongeveer op 100 meter van de woning Akkeroord 2). Met

11

4 Omgevingsaspecten Ruimtelijke onderbouwing Akkeroord 3b

de realisatie van het nieuwe bedrijfsgebouw zullen de bedrijfsactiviteiten op het bestaande bedrijfsperceel bij Akkeroord 3b niet wijzigen. Hier is nog steeds hetzelfde agrarisch loon- en grondverzetbedrijf aanwezig. Bij het nieuwe bedrijfsgebouw zal extra opslag plaatsvinden en er zal sprake zijn van wat werkverkeer. Deze locatie ligt op ruime afstand van de woning Akkeroord 2 en ook van de bedrijfswoning Akkeroord 3a. Wanneer het bedrijf als één geheel wordt gezien ligt de bedrijfswoning Akkeroord 3a net zoals in de huidige situatie nog steeds binnen de richtafstand. Aangezien er echter binnen een cirkel van 30 meter rondom deze bedrijfswoning geen wijzigingen plaatsvinden in de bedrijfsactiviteiten zal er ook geen extra milieuhinder ontstaan bij de woning ten opzichte van de huidige feitelijke en planologische situatie. De uitbreiding van het bedrijf in zuidelijke richting met een nieuw bedrijfsgebouw op circa 63 meter van de bedrijfswoning Akkeroord 3a leidt dus niet tot belemmeringen of verslechtering

van het woon- en leefklimaat bij de woning. Zoals eerder beschreven ligt de woning Akkeroord 2 geheel buiten de richtafstand in huidige en toekomstige situatie. Er is geen sprake van andere woningen in de omgeving. Geconcludeerd kan worden dat het plan geen invloed heeft op het woon- en leefklimaat bij omliggende woningen.

de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden.

Invloed van de omgeving op het initiatief Bedrijven worden niet aangemerkt als gevoelige functie. Het nieuwe bedrijfspand wordt gerealiseerd in een gebied met functiemenging waarin overwegend bedrijven voorkomen. De bedrijven die in de omgeving van het plangebied zijn gesitueerd bestaan (inzake het vigerend bestemmingsplan ‘Actualisatie bestemmingsplan Coenecoop’) uit categorie 1 tot 4.2 bedrijven. Daarom wordt niet verwacht dat dit belemmeringen zal opleveren voor onderhavig plan.

Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken.

Conclusie Het aspect ’bedrijven en milieuzonering’ vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

4.5

Archeologie

Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2021 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode tot inwerkingtreding van de Omgevingswet een overgangsregeling opgenomen. Figuur 4.1 Afstand bestemmingsvlak en bedrijfsgebouw t.o.v. woning Akkeroord 2

woensdag 10 juli 2024

De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in

Onderzoek Ter plaatse van het plangebied is in het vigerende bestemmingsplan deels een dubbelbestemming ter bescherming van archeologische waarden opgenomen. De omgevingsdienst Midden-Holland heeft aangegeven dat voor onderhavig plan op de locatie geen onderzoeksverplichting van toepassing is. De kans dat archeologische waarden in het geding raken, is zeer onwaarschijnlijk. Conclusie Het aspect ‘archeologie’ zorgt niet voor belemmering voor onderhavig plan.

4.6

Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum

12

4 Omgevingsaspecten Ruimtelijke onderbouwing Akkeroord 3b

te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico.

Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Onderzoek Door het onderzoeksbureau Kragten is een quickscan uitgevoerd naar de externe veiligheidsrisico’s die van toepassing

woensdag 10 juli 2024

zijn op de planlocatie. Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies uit deze quickscan.

over deze spoorlijn (toxisch scenario) zijn meegenomen in de verantwoording van het groepsrisico (zie verderop).

Transport over het water Het plangebied bevindt zich niet binnen een invloedsgebied van een waterweg of spoorweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde.

Buisleidingen Het plangebied bevindt zich niet binnen een 1% letaliteitsafstand of invloedsgebied van een buisleiding waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.

Transport over de weg De rijksweg A12 is gelegen op circa 80 meter afstand van de grens van het plangebied. Gelet op de afstand tussen plangebied en A12 reiken de PR 10-6-risicocontour en PAG niet tot over het plan. Aangezien het plangebied op een afstand van minder dan 200 meter van de weg is gelegen, dient de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico te worden berekend door middel van een RBMII-berekening. Daarnaast ligt op circa 95 meter de N454. Ook over deze weg vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Middels de vuistregels uit de HART is aangetoond dat de hoogte van het groepsrisico lager is dan 0,1 maal de oriënterende waarde. Een uitgebreide RBM II-berekening is derhalve niet noodzakelijk. Het plangebied ligt binnen het invloed gebied van beide wegen. De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg (plasbrand, toxisch en BLEVE-scenario) moeten worden meegenomen in een verantwoording van het groepsrisico (zie verderop). Transport over het spoor Op circa 1,35 km in zuidoostelijke richting is de spoorlijn Rotterdam Blijdorp – Gouda gelegen. Het plangebied is hiermee gelegen binnen het invloedsgebied van deze spoorlijn. De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen

Inrichtingen Het plangebied bevindt zich niet binnen een PR 10-6-risicocontour of een invloedsgebied van een risicovolle inrichting in de omgeving. De risico’s als gevolg van de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen vormen geen belemmeringen voor het plan. Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavig plan. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

4.7

Luchtkwaliteit

Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de

13

4 Omgevingsaspecten Ruimtelijke onderbouwing Akkeroord 3b

luchtkwaliteit. Een nieuw initiatief is niet relevant als aannemelijk kan worden gemaakt dat de luchtkwaliteit “niet in betekenende mate” aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM.

Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2μg/m3). Onderzoek Op grond van de categorieën van gevallen kan worden gemotiveerd dat luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. De wijziging is dermate kleinschalig ten opzichte van vergelijkbare ontwikkelingen die onder de NIBM vallen, onderhavig project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Volledigheidshalve is de verkeersgeneratie, zoals berekend in hoofdstuk 4.1, ingevoerd in de NIBM-tool (figuur 4.2). Geconcludeerd kan worden dat onderhavig initiatief niet in betekende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Echter dient wel nagegaan te worden of er ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Hiertoe worden de achtergrondwaarden van stikstof en fijnstof inzichtelijk gemaakt. Dit gebeurt aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). De achtergrondwaarden van de dichtstbijzijnde meetpunten zijn in navolgende tabel weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarden aan stikstof en fijnstof ruim onder de norm liggen. Er is dan ook sprake van een goed leef- en verblijfsklimaat in het kader van de luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect ‘luchtkwaliteit zorgt niet voor belemmering voor onderhavig plan.

Figuur 4.2 NIBM-tool

ID

No2 μg/m3

PM10 μg/m3

PM 10 overschrijdingsdagen

PM2.5 μg/m3

Jaar

24482458_15826210

16,5186

15,584

6

7,5182

2030

24482458_15826198

16,4224

14,5794

6

7,5171

2030

27364178_15710

22,1503

15,5874

6

7,8076

2030

27364178_15711

22,407

15,6024

6

7,8119

2030

40

40

35

25

Norm

Tabel 1 Luchtkwaliteit ter plaatse het plangebied (bron: Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit, RIVM)

woensdag 10 juli 2024

14

4 Omgevingsaspecten Ruimtelijke onderbouwing Akkeroord 3b

4.8

Ecologie

De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wnb heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitatten. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

woensdag 10 juli 2024

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden. 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000gebied zijn vergunningplichtig.

Soortenbescherming De Wnb onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wnb drie verschillende verbodsartikelen per categoriesoorten:  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10).

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.

Onderzoek Gebiedsbescherming Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’ bevindt zich op circa 6 kilometer ten oosten van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof.

Conform artikel 1.12 van de Wnb dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling

De ontwikkeling voorziet in de realisatie een bedrijfspand. Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUSberekening uitgevoerd. Deze berekening is opgenomen in de bijlagen. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Wat betreft overige externe effecten kan gezien de grote afstand tot Natura 2000-gebieden op

15

4 Omgevingsaspecten Ruimtelijke onderbouwing Akkeroord 3b

voorhand worden uitgesloten dat dergelijke effecten kunnen optreden.

Wnb, onderdeel soortenbescherming op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.

Houtopstanden Er gaan met het plan geen houtopstanden verloren.

Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht van de Wet natuurbescherming.

Rugstreepad In de omgeving van het plangebied zijn verspreidingsgegevens bekend van de (beschermde) rugstreeppad. Om negatieve effecten op deze soort op voorhand uit te sluiten is daarom een notitie opgesteld voor de rugstreeppad. Deze notitie is opgenomen in de bijlage, navolgend worden de belangrijkste conclusies weergeven.

Conclusie Het aspect ‘ecologie’ zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavig plan.

Soortenbescherming Het projectgebied maakt onderdeel uit van een stedelijk industriegebied. In beginsel is de omgeving gezien het industriële karakter niet geschikt als leefgebied voor beschermde soorten. Het perceel is momenteel braakliggend en ingericht als intensief bemaaid grasland. Door de inrichting en ligging van het perceel, kan in redelijkheid worden uitgesloten dat het geschikt is als leefgebied voor beschermde soorten. Aan de westelijke rand van het perceel zijn een aantal verschillende soorten bomen en struiken aanwezig. De bomen en het struikgewas vormen, in tegenstelling tot de rest van het perceel, mogelijk wél een geschikte habitat voor beschermde soorten, zoals algemene vogelsoorten en kleine zoogdieren. De betreffende bomen en bebossing blijven behouden. Eventueel leefgebied gaat dan ook niet verloren. De toekomstige functie als bedrijfslocatie betreft een licht industriële functie, waarbij vrijwel alle activiteiten in het bedrijfspand zullen plaatsvinden. Van de toekomstige functie op de omgeving in de vorm van potentiële verstoring e.d. is dan ook beperkt. Het verdient aanbeveling om uitschijnende verlichting richting de bebossing en bomen te vermijden. Bij de inrichting van de kavels is hiermee rekening gehouden, doordat de loodsen zich op het achterste terreindeel, nabij het groen bevinden. Op basis van het voorgaande kan een overtreding van de

woensdag 10 juli 2024

Binnen het plangebied is geen geschikt terrestrisch leefgebied aanwezig. Het plangebied bestaat nagenoeg volledig uit kort gemaaid grasland, waarbij verdere, hogere begroeiing ontbreekt. Dynamiek is niet aanwezig binnen het plangebied. Enkel op de taluds bij de sloten is een kruidenstrook aanwezig, welke in de huidige situatie behouden blijft. Makkelijk vergraafbaar zand ontbreekt tevens binnen het plangebied. Vanaf streetview en luchtfoto’s is te zien dat er tot 2022 vergraafbaar zand aanwezig was bij de zuidelijke ontsluiting. Dit vergraafbaar zand is daarna geëgaliseerd en belegd met rijplaten, waardoor het niet meer bereikbaar is voor rugstreeppad. Daarnaast ontbreken tevens geschikte voortplantingswateren binnen het plangebied. Binnen het plangebied is enkel oppervlaktewater aanwezig in de vorm van 2 sloten. Beide sloten bevinden zich niet meer in de pioniersfase, hebben begroeiing op de oevers en in het water en hebben een slechte waterkwaliteit. Doordat er rijplaten worden gebruikt onder de gestalde materialen en voertuigen, zijn er geen diepere putten of rijsporen aanwezig waard tijdens regenbuien geen geschikt voortplantingswater kan ontstaan. Door de aanwezigheid van rijplaten en het feit dat de sloten behouden blijven, kunnen ook negatieve effecten op eventuele verblijfplaatsen worden uitgesloten.

4.9

Water

Toelichtingskader Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een Watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de Watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken. Rijksbeleid Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid en is, voor wat betreft de ruimtelijke aspecten, een structuurvisie zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. In de Waterwet is vastgelegd dat het Rijk dit plan eens in de zes jaar actualiseert. Het NWP2 geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot duurzaam waterbeheer.

Het NWP2 richt zich op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van

16

4 Omgevingsaspecten Ruimtelijke onderbouwing Akkeroord 3b

de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. In het Nationaal Waterplan zijn de maatregelen benoemd die worden genomen om de verschillende doelen te bereiken. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal:  Nederland blijft de veiligste delta in de wereld.  Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater.  Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht.  Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement.  Nederlanders leven waterbewust. Het waterbeleid zoals geformuleerd in het NWP2 werkt door op provinciaal en regionaal niveau, om zo te komen tot gebiedsgericht beleid. Via het provinciaal en gemeentelijk waterbeleid en het beleid van de waterschappen dient het rijksbeleid zoals geformuleerd in het NWP door te werken tot op bestemmingsplanniveau. De watertoets, die is geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening, blijft een belangrijk instrument om de waterbeheerder vroegtijdig bij ruimtelijke (plan)processen te betrekken. Provinciaalbeleid Op provinciaal niveau heeft de provincie Zuid-Holland het beleid vertaald in het Regionaal waterplan Zuid-Holland 20162021. Dit plan bepaalt het waterbeleid. Het gaat om waterveiligheid, waterkwantiteit, waterkwaliteit en een robuust en veerkrachtig watersysteem. In de Omgevingsvisie is veel ruimtelijk waterbeleid geïntegreerd.

De visie omvat onder andere het wettelijk verplichte regionale waterplan als genoemd in artikel 4.4 van de Waterwet. Voor de provincie zijn naast de Waterwet (Omgevingswet in 2021) en de Drinkwaterwet ook andere kaders en plannen bepalend en richtinggevend voor het beleid ten aanzien van de drinkwatervoorziening.

woensdag 10 juli 2024

Provinciaal Waterplan 2010 - 2015 Een aantal onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 blijft ongewijzigd van kracht. Dit heeft betrekking op een onderdeel van waterveiligheid, water en natuur en vismigratie. In dit Plan staat uitgebreid beschreven hoe de provincie, samen met waterschappen en andere partners, een duurzame en klimaatbestendige delta zal realiseren en behouden, waar het veilig en aangenaam wonen, werken en recreeren is. In het Provinciaal Waterplan zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationale waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Zuid-Holland. Het Waterplan heeft vier hoofdopgaven: 1. Waarborgen waterveiligheid; 2. Zorgen voor mooi en schoon water; 3. Ontwikkelen duurzame zoetwatervoorziening; 4. Realiseren robuust en veerkrachtig watersysteem. In het plan zijn deze opgaven verder uitgewerkt in 19 thema's én voor drie gebieden, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit leidt tot een integrale visie op de ontwikkeling van de Zuid-Hollandse Delta, het Groene Hart en de Zuidvleugel van de Randstad. Gemeentelijkbeleid Het gemeentelijke beleid is vastgelegd in het Waterplan Boskoop en Waddinxveen (februari 2010).

Dit Waterplan is een gezamenlijk plan van de gemeenten Waddinxveen en Boskoop, het hoogheemraadschap van Rijnland en het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Deze partijen hebben het Waterplan opgesteld om knelpunten in het watersysteem aan te pakken en kansen op verbeteringen te benutten. Een opgave voor het Waterplan is te voorzien in de lokale implementatie van het nieuwe waterbeleid (Kaderrichtlijn Water, Nationaal Bestuursakkoord Water). Ook willen

de gemeenten en de hoogheemraadschappen met het Waterplan zorgen voor een optimale, gezamenlijke aanpak van de wateropgaven. De verwachting is dat hierdoor kostenefficiënter kan worden gewerkt. Het waterplan focust op de maatregelen in het bebouwde gebied. Het waterplan heeft tot doel een integrale visie op te stellen over alle aspecten van het water (met uitzondering van drinkwater en zwembaden) en het implementeren van duurzaam waterbeleid in het bebouwd gebied van beide gemeenten. Het waterplan resulteert uiteindelijk in een maatregelenpakket om te komen tot:  een veilig en robuust watersysteem;  het voorkomen van wateroverlast en watertekort;  een goede waterkwaliteit en een ecologisch gezond watersysteem;  het benutten van mogelijkheden voor beleving en recreatie;  het optimaliseren van beheer en onderhoud;  het optimaliseren van communicatie binnen en tussen partijen. Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het Waterbeheerplan HHSK 2016-2021, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, algemene regels bij de Keur, peilbesluiten, leggers en andere documenten (zie www.hhsk.nl/diensten/publicaties).

In deze documenten heeft HHSK de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard vastgelegd. HHSK streeft ernaar om samen met gemeenten als partners op te trekken. Er moet worden ingezet op intensief overleg

17

4 Omgevingsaspecten Ruimtelijke onderbouwing Akkeroord 3b

met gemeentebesturen voor het kunnen realiseren van projecten. De ruimtelijke ordening en de waterhuishouding moeten in onderlinge relatie worden ontwikkeld. Op basis van ervaring en deskundigheid adviseert HHSK over de mogelijkheden voor een duurzaam watersysteem. De laatste jaren is het inzicht gegroeid dat op een duurzamer wijze met het stedelijk waterbeheer dient te worden omgegaan, mede gezien de klimaatveranderingen. Aandachtspunten voor het duurzame stedelijk waterbeheer zijn het minimaliseren van wateroverlast, het realiseren van voldoende waterberging waarbij zoveel mogelijk een ecologische inrichting wordt nagestreefd, het verantwoord afkoppelen van verhard oppervlak en het voorkomen van diffuse verontreinigingen door toepassing van duurzame bouwmaterialen. De visie is uitgewerkt in een concreet maatregelenplan:  Het woongenot, de belevingswaarde en de recreatieve mogelijkheden op en in het water voor burgers nemen toe.  De waterkwaliteit voldoet tenminste aan de algemene milieukwaliteitseisen.  Het waterhuishoudkundig systeem kent goede aan- en afvoermogelijkheden, waarbij de doorspoelbaarheid en de mogelijkheid om onder normale omstandigheden het waterpeil binnen zekere marges te handhaven, voldoende worden gewaarborgd.  Het watersysteem is zo ingericht dat het de ontwikkeling van biologisch gezond water bevordert.

In zijn algemeenheid geldt dat voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem bij het Hoogheemraadschap vergunning dient te worden aangevraagd op grond van de Keur, tenzij voor de activiteit algemene regels van toepassing zijn.

woensdag 10 juli 2024

Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 De Verenigde Vergadering van het hoogheemraadschap heeft op 27 juni 2012 het Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 vastgesteld. Dit beleid heeft tot doel om ongewenste effecten van verhardingstoename op het watersysteem te voorkomen. Een belangrijk ongewenst effect van verhardingstoenamen is de versnelde afvoer van neerslag. Voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorwaarden beschreven om de te verwachten effecten op het watersysteem te compenseren. Toetsingscriteria Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: kleine, middelgrote en grote ruimtelijke ontwikkelingen. 1. Kleine plannen: Plannen met een verhardingstoename tot 500 m²; 2. Middelgrote plannen: Plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m² en kleiner dan 10 hectare bruto planoppervlak; 3. Grote plannen: Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak. Onderhavige ruimtelijke ontwikkeling zal in categorie 1 of categorie 2 vallen (klein tot middelgroot plan). Dit is afhankelijk van de totale verhardingstoename die het project met zich meebrengt. Watertoets en waterkwantiteit De benodigde aanvullende waterberging wordt door het Hoogheemraadschap berekend volgens de landelijke norm (NBW afspraken).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14905808/2