Beantwoording Technische vragen Commissie R + I 8 december 2021 DEEL II
Tekst van het document
Format Technische vragen Commissie R + I gemeente Waddinxveen 8 december 2021 DEEL II
Agendapunten: Agendapunt 7.: Beter Bereikbaar Gouwe Partij: CDA
Vraag (kort en bondig) Alle vragen gaan over bijlage 11 Regionaal fietsen Alphen-BoskoopWaddinxveen-Gouda
Antwoord
1) algemeen: Uit het document blijkt dat nog een aantal keuzes gemaakt moeten worden. Wie maakt die keuzes?
Uitgangspunt is dat keuzes zoveel mogelijk gezamenlijk voorbereid en gemaakt worden door de kernpartners.
2) is de conclusie juist dat figuur 3.6 niet te realiseren is?
Deze conclusie is juist.
3) Waarom i.p.v. de route met fietsbrug niet gekozen voor vrij liggend fietspad langs Coenecoop (langs o.a. Hooftman)
Dit is gedaan om de groenstrook aan Coenecoopzijde van de watergang niet aan te tasten.
4) Om vanuit de Kouwe Hoek over te steken naar Coenecoop moet raar overgestoken worden door fietsers. Neemt u dit mee bij de herinrichting?
Nee, dit onderdeel maakt nu geen onderdeel uit van de scope.
5) De keuze voor een fietsstraat maken van de Beatrixlaan vanaf het begin, zou het rechts afslaan van fietsers naar de Bernardlaan veiliger maken. Klopt dat?
Wel of geen fietsstraat van de Beatrixlaan maken verdient nog nadere afweging. Dit willen wij graag ook in relatie met de ontsluitingsmogelijkheden voor de Passage bezien. Wij stellen voor deze vraag hierbij ook mee te nemen.
6) Het Wilgenlaantje moet worden verbreed. Dit gaat ten koste van de wilgenbomen. Kunt de noodzaak (aantallen fietsers?) hiervan onderbouwen? 7) onderbouwing kosten. 1,27 miljoen. Kunt u in grove lijnen ons de onderbouwing daarvan doen toekomen?
Het Wilgenlaantje is nu te smal voor een fietspad van 4 meter breed. Qua aantallen gaat het om ongeveer 1.500 fietsers (jaartal 2012). Deze € 1,27 mln betreft een bijdrage van 50% voor het Waddinxveense deel van de doorfietsroute Alphen – Gouda (maatregel OVF1c). De overige 50% wordt opgebracht door de provincie. Opmerking: het is een globale indicatie van de kosten.
PCW
8) Welke externe partij gaat de bereikbaarheid, leefbaarheid rondom de Brugweg onderzoeken?
Dit is nog niet bekend. De aanbesteding loopt nog.
9) Wanneer kunnen wij de resultaten van dit onderzoek binnen de raad verwachten?
Naar verwachting eind 2022.
10) Waarom staat dit lokaal geïnitieerd onderzoek in de intentieovereenkomst Programma Beter Bereikbaar Gouwe artikel 3 maatregelenpakket?
Maatregel 24 (nieuwe ontsluiting Reeuwijk-Dorp) is ingebracht in het participatietraject van Beter Bereikbaar Gouwe. Dit is dan ook de aanleiding geweest om een oplossing voor de Brugweg e.o. mee te nemen in de intentieovereenkomst.
11) Welke mitigerende maatregelen gaat u treffen om de toenemende verkeersintensiteit op het Noordeinde tegen te gaan die voortkomen uit de W20 voorstellen binnen huidig BBG voorstel?
Dit is nog niet bekend. Dit wordt meegenomen in de verdere uitwerking.
12) Verwacht u voor Waddinxveen (buiten het fietspad) nog meer kosten voortkomend uit huidig voorstel BBG? En zijn die opgenomen in de begroting?
Dit is nog niet bekend.
Agendapunt 8.: RV.RB. Bestemmingsplan 't Suyt II Partij: CDA
Vraag (kort en bondig) Bijlage bij toelichting / Bodemonderzoek (aanvullend geraadpleegd via Atlas Bodeminformatie ODMH) 1) In 2004 is ter plaatse van een gedempte sloot (toegelicht in § 2.2. uit het rapport van Lexmond uit 2004) een aantal boringen (20 t/m 28) geplaatst. Merendeel van de boringen is te ondiep uitgevoerd (maximaal 0,5 m-mv). Daar waar boringen wel dieper zijn doorgezet (tot zeker onderzijde van de gedempte sloot), kan op basis van de boorstaten worden afgeleid dat ze waarschijnlijk niet ter plaatse van de gedempte sloot zijn uitgevoerd (bodemopbouw is vergelijkbaar met elders). In 2005 is door Lexmond aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van twee andere gedempte sloten elders in het plangebied. Hierbij zijn wel alle boringen dieper doorgezet (minimaal 2,0 m-mv). Uit de boorstaten kan afgeleid worden dat het merendeel van de boringen wel ter plaatse van de gedempte watergangen zijn uitgevoerd (vanaf 0,6 m-mv of dieper bijmenging met platenresten en plaatselijk een sliblaag aangetoond). Met de resultaten van dit aanvullend onderzoek is het voldoende aannemelijk
Antwoord
dat de noordelijke gedempte watergang in 2004 onvoldoende is onderzocht (boringen zijn waarschijnlijk verkeerd geplaatst). Unihorn stelt in haar rapport (pagina 158/539 van de bijlagen) dat er nog twee watergangen in het verleden gedempt zijn, waarvan de kwaliteit van het dempingsmateriaal niet is onderzocht. Daarmee liggen in het plangebied (ten minste) drie voormalige watergangen waarvan de kwaliteit van het toegepaste dempingsmateriaal onbekend is. a) Zijn deze inmiddels onderzocht en kunnen we dit rapport ontvangen? b) Zo nee, waarom niet? 2) In 2004 zijn 30 peilbuizen geplaatst voor het grondwateronderzoek, waarvan 12 stuks de monstername van het grondwater binnen enkele dagen na plaatsing is uitgevoerd (afwijking norm; argument oogsten is niet voldoende, kwestie van plannen). Vanwege sterk verhoogde concentraties aan nikkel in het grondwater bij 4 peilbuizen, is het grondwater -7 dagen na plaatsing cf. norm- opnieuw bemonsterd en geanalyseerd op uitsluitend metalen. Kortom, het grondwateronderzoek is bij 12 peilbuizen niet conform het daarvoor geldige normdocument uitgevoerd (te vroeg bemonsterd of analyse onvolledig stoffenpakket). Resultaten grondwater zijn daarom formeel indicatief. Bodemonderzoek voldoet daarmee niet aan de minimale onderzoeksinspanning cf.
het daarvoor geldende normdocument (https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wetregelgeving/bbk/vragen/kwalibo/faq/moeten-werkzaamheden/). a) Is het grondwateronderzoek inmiddels wel cf. NEN5740 uitgevoerd en kunnen we dit rapport ontvangen? b) Zo nee, waarom niet?
Bijlage bij toelichting / Bijlage 6 3) Unihorn heeft een oliefilm op het water in de sloot waargenomen (figuur 9 in het hoofddocument en foto 17a in bijlage A). Het is als een mogelijke verontreiniging aangemerkt. Doordat deze watergang onderdeel is van het plangebied, zal analytisch onderbouwd moeten worden of er al dan niet sprake is van een verontreiniging (zoals door Unihorn wordt vermoed). Dat de mogelijke verontreiniging niet ontstaan is binnen het plangebied, is in het kader van de herontwikkeling niet relevant. Ook zal hieruit duidelijk
1a: Er is geen aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. 1b: Dit is niet uitgevoerd omdat hier geen woonbestemmingen komen.
2a: Er geen aanvullend grondwater onderzoek uitgevoerd. 2b: Dit is niet uitgevoerd omdat in 2004 al werd beoordeeld dat aanvullend grondwater onderzoek niet noodzakelijk was. In onze regio komen vaker verhoogde concentraties aan zware metalen voor in het grondwater die door een natuurlijke oorzaak zijn ontstaan. Ook volgens het vingerende bodemsaneringsbeleid van de provincie Zuid-Holland BOBEL3 (zie conclusie onderzoek) is nader onderzoek niet noodzakelijk.
moeten worden of er al dan niet een saneringsplicht van toepassing is. a) Is er een waterbodemonderzoek cf. NEN5720 uitgevoerd en kunnen we dit rapport ontvangen? b) Zo nee, waarom niet? PCW
4) Raadsvoorstel Op blz. 2 staat: ‘Er zit weinig meerdaagse bouw in het plan’. Wat betekent dit concreet? Dat er bijvoorbeeld geen hoogbouw appartementencomplex in de noordoostelijke hoek mogelijk is?
5) Bijlage 1, Nota Zienswijzen Op blz. 3 staat dat in het gebied A2 de benodigde voorbelasting relatief groot is. Wat zijn de extra kosten voor de benodigde voorbelasting in dit gebied A2?
6) Toelichting 2 Op blz. 17 staat dat er wordt uitgegaan van Nul-op-de-meter woningen. Wat zijn de mogelijkheden om deze ambitie nog wat hoger te stellen en hier bijvoorbeeld energieleverende woningen van te maken?
7) Welke mogelijkheden zijn er om inwoners van Waddinxveen voorrang te geven om in dit project een woning te kunnen kopen of te huren?
3a: Er is geen waterbodemonderzoek uitgevoerd. 3b: Er wordt vanuit gegaan (zie plan) dat de aanwezige sloot gehandhaafd blijft. Onderzoek van de waterbodem is pas nodig als onderhoud aan de sloot nodig is. 4) Er is meerlaagse bouw (een appartementencomplex) mogelijk in het noordwesten van het plangebied ’t Suyt II. Er is hier een maximale gooten bouwhoogte van 13,5 meter opgenomen in het bestemmingsplan. Op deze plek is er een functieaanduiding ‘Gestapeld’ opgenomen waardoor het mogelijk is verschillende wooneenheden boven elkaar te realiseren. 5) Er is geen onderzoek gedaan naar de aanvullende kosten. Er is middels het onderzoeksrapport dat als bijlage 1 bij de nota zienswijzen is gevoegd aangetoond dat er meer maatregelen dan gebruikelijk nodig zijn om het gebied op de gewenste restzettingseis te brengen. Daarnaast spreekt het rapport over stabiliteitsrisico’s in dit gebied indien deze maatregelen worden uitgevoerd. De combinatie van de risico’s en de bovenmatige maatregelen hebben ervoor gezorgd dat is geadviseerd om dit gebied niet te bebouwen. Dit advies is overgenomen door het projectteam. 6) Vanuit het bestemmingsplan kunnen geen aanvullende eisen worden gesteld aan het energieverbruik van de woning, daarin geldt het Bouwbesluit. Privaatrechtelijk heeft de gemeente wel mogelijkheden om aanvullende eisen te stellen aan het energieverbruik van de woning.
Omdat duurzaamheid één van de speerpunten is van het plan zal de markt op meerdere manieren worden uitgedaagd om een zo duurzaam mogelijk plan te maken. Een voorbeeld hiervan is de aanbesteding voor de markpartij: hierbij is nul-op-de-meter is voor ’t Suyt II het basisuitgangspunt, maar kunnen partijen hoger scoren indien zij een hogere ambitie nastreven. 7) Dit is afhankelijk van de categorie woningen die gerealiseerd worden. De overheidsbemoeienis is op het gebied van het verdelen en toewijzen van woonruimte immers begrensd. Zo mag het ingrijpen van de overheid nooit zover gaan dat de werking van de woonruimtemarkt, het recht van een eigenaar om vrij over zijn/haar eigendom te beschikken en het recht van de burger om zich vrij te vestigen, wordt aangetast.
Op grond van de Huisvestingswet (Hw) in combinatie met het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) is het sturen op de verdeling van woonruimte van woningen alleen toegestaan met betrekking tot woningen die vallen in de categorieën: (i) sociale huurwoningen, (ii) middenhuurwoningen; (iii) goedkope koopwoningen Ten aanzien van de categorie woningen genoemd onder i geldt het bepaalde in de Huisvestingsverordening. De huisvestingsverordening bevat regels over de verdeling van sociale/goedkope huurwoningen. Voor deze categorie woningen is de Huisvestingsverordening (artikel 15) dan ook geregeld dat woningcorporaties een deel van de woningen kan toewijzen (met voorrang) aan woningzoekende die economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan de gemeente Waddinxveen. Ten aanzien van de categorie woningen genoemd onder ii en iii geldt dat het opleggen van een verplichting dat nieuwbouwwoningen met voorrang worden toegewezen aan een specifieke groep, zoals bijvoorbeeld inwoners van Waddinxveen, geregeld dient te worden in een zogenaamde doelgroepen verordening. In Waddinxveen is geen doelgroepenverordening vastgesteld. Hierdoor is het niet mogelijk om (bestuursrechtelijk) via het bestemmingsplan deze verplichting op te leggen. Er kan onderzocht worden of er privaatrechtelijk afspraken gemaakt kunnen worden met een ontwikkelaar.
Dit zou in het vervolg van het project onderzocht kunnen worden. Afspraken kunnen alleen op vrijwillige basis gemaakt worden. Dit staat los van het bestemmingsplan. 8) Is de middenhuurverordening van toepassing op dit project?
8) Er zal bij het opstellen van de eisen op basis waarvan marktpartijen zich kunnen inschrijven aangesloten worden op de Middenhuurverordening. Woonpartners wordt gevraagd de midden huur woningen te realiseren.
9) Waar is het ‘Tiny Forest’ opgenomen in dit plan?
9) Het tiny forest wordt in het oostelijk deel van het plangebied gerealiseerd. In de enkelbestemming ‘Groen’.
10) Waar komen de woningen speciaal voor ouderen in dit plan?
10) In het stedenbouwkundig plan is ruimte opgenomen voor een woonhof in het noorden van het gebied. Dit woonhof is geschikt om een
speciaal woonprogramma te realiseren, bijvoorbeeld woningen die geschikt zijn voor ouderen.
Agendapunt 9.: Bestemmingsplan 'Energy Hub' Partij: PCW
Vraag (kort en bondig) Raadsvoorstel 1. Welke mogelijkheden zijn er om in dit bestemmingsplan een substantieel aantal zonnepanelen op te laten nemen? Bijvoorbeeld als overkapping boven de parkeerplekken en op de lpg-installatie?
Antwoord 1) Er kunnen in het bestemmingsplan geen verplichtingen worden gesteld aan het realiseren van zonnepanelen. In het Bouwbesluit zijn energieprestatie eisen vastgelegd. Initiatiefnemers hebben de vrijheid om zelf te onderzoeken en besluiten hoe men aan de energieprestatie eisen kan voldoen. Er wordt tijdens de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen getoetst aan het Bouwbesluit. Privaatrechtelijk kunnen er wel afspraken gemaakt worden over zonnepanelen. In de overeenkomst zijn geen specifieke afspraken gemaakt over zonnepanelen.
Agendapunt 10.: Bodemkwaliteitskaart PFAS en aanvullende beleidsregels PFAS Partij: CDA
Vraag (kort en bondig) 1) Het gehele beheergebied van ODMH is gezoneerd. a) Heeft Witteveen+Bos in haar onderzoek ook gekeken naar mogelijke puntbronnen in het beheergebied?
b) Klopt het dat gebieden rondom eventueel aanwezige puntbronnen in het beheergebied niet tot uitsluitingen voor de bkk hebben geleid?
2) Het aantal uitgevoerde boringen zones A, B en C is niet evenredig met het oppervlaktes van de zones A, B en C. Ook de verdeling van de uitgevoerde boringen lijkt niet geheel ruimtelijk te zijn uitgevoerd. Welke afwegingen zijn gemaakt om tot deze onderzoeksopzet te komen?
Antwoord 1a) Ja, Bronlocaties zijn nagelopen vanuit het historisch bodembestand van de ODMH. Deze zijn geïnventariseerd. Deze informatie is vervolgens geanalyseerd en gecategoriseerd. Op basis van de inventarisatie is een kaart opgesteld met de ruimtelijke verdeling van de potentiële bronlocaties voor de uitstoot van PFAS (zie bijlage III van het onderzoek). b) Bij de keuze van de locatie van de monsterpunten is rekening gehouden met de puntbronnen. Vrijkomende grond in de buurt van de puntbronnen zal wel onderzocht moeten worden. Dit is regulier beleid vanuit de Nota Bodembeheer 2016-2021 2) Het onderzoek “Gebiedseigen bodemkwaliteit PFAS“ is opgesteld conform de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten (d.d. 3 september 2007), het Wijzigingsblad Richtlijn Bodemkwaliteitskaarten (d.d. 1 januari 2019)
en het meest recente Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS (d.d. 2 juli 2020). Het aantal boringen per zone is hierop afgestemd. Het minimum is 20 per zone. Behalve voldoen aan bovenstaand wettelijke kader zijn de andere afwegingen voor de boorlocaties: - Afstand van de potentiële bronlocaties van PFAS in de regio ODMH. - Ver van de weg. - Evenredig verdeling over de verschillende gemeenten, waarbij het grondoppervlak van de gemeenten is meegewogen. - Alleen in het buitengebied. - Iedere 0,5 m bemonsteren. - Verificatieboringen op dezelfde coördinaten als in voorgaand onderzoek. 3) ODMH heeft de afgelopen jaren een groot aantal bodemonderzoeksrapporten met PFAS-analyses ontvangen of laten uitvoeren. Ook zijn uit deze onderzoeksrapporten mogelijk puntbronnen in het beheergebied ontleend. a) Zijn deze gegevens betrokken bij het opstellen van de onderzoeksopzet van Witteveen+Bos (bijvoorbeeld bij de positionering boringen of duiden puntbronnen). b) Zo nee, waarom niet? c) Zijn de analyseresultaten van PFAS uit voorgaand bodemonderzoek binnen ODMH gebruikt om het resultaat van Witteveen+Bos te verifiëren? d) Zo nee, waarom niet?
4) Kunnen we het rapport van Witteveen+Bos ontvangen?
3a) Nee, uitgezonderd informatie over (mogelijke) puntbronnen. b) Twee eerder uitgevoerde onderzoeken zijn verworpen. In het onderzoek “Gebiedseigen bodemkwaliteit PFAS“ is dit uitgebreid toegelicht (paragraaf 3.5). Analyse van overige onderzoeken gaat voor dit beleid te veel tijd kosten. Bij de update van de Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart (planning tussen 2022-2025) worden wel PFAS onderzoeken betrokken. Vanwege de keuze om geen andere onderzoeken te betreken bij het PFAS beleid is het onderzoek afgestemd op de eerder genoemde richtlijnen (zie antwoord op vraag 2). c) Ja. Enkele resultaten van het onderzoek van Witteveen+Bos bleken sterk af te wijken van een eerder uitgevoerd onderzoek door het Expertisecentrum. Dit heeft geleid tot meer boringen ter verificatie. Het onderzoek van Witteveen+Bos is hiermee als betrouwbaar aangemerkt en het onderzoek van het Expertisecentrum is verworpen. In het onderzoek “Gebiedseigen bodemkwaliteit PFAS“ is dit uitgebreid toegelicht (paragraaf 3.5). d) N.v.t. 4) Dat kan. Het rapport is echter zo groot dat het niet kan worden meegestuurd. Als u het rapport wilt hebben, dan sturen we deze in een aparte wetransfer link toe.
5) Bovengrond zones A en B zijn beide gezoneerd als Wonen/Industrie. In de toelichting staat dat de gehaltes in zone A veel hoger zijn en spreiding veel groter is. Er gelden echter geen beperkingen voor het toepassen van bovengrond van zone A naar B (en visa versa), zolang dit geen landelijk gebied betreft. Waarom blijft dit onderscheid dan bestaan als dit geen praktische uitwerking heeft in de grondstromenmatrix?
5) Dit is bij de beschouwing van de resultaten ook ter sprake gekomen. Onderzocht is of de zones A en B samengevoegd kunnen worden tot één zone. Nader beschouwing liet echter zien dat in zone A veel hogere gehalten aanwezig zijn en ook dat de spreiding van de gehalten veel groter is. Ondanks de verschillen vallen beide zones wel in dezelfde categorie en daarom gelden er geen beperkingen. We voegen zones A en B echter niet samen, om in beeld te blijven houden dat er wel een verschil is tussen beide zones. De indeling in de drie zones doet recht aan de verspreiding van PFAS en dit willen we dan ook behouden.
6) Hoeveel keer zijn er de afgelopen drie jaar bodemtoepassingen op landbodem (voor het gehele beheergebied ODMH en specifiek voor Waddinxveen) ingediend (uitsplitst per kalenderjaar), waarbij als erkende milieuhygiënische verklaring: a) Een partijkeuringsrapport is overlegd; b) De bodemkwaliteitskaart is opgevoerd.
6a) Totaal aantal meldingen binnen het beheersgebied Midden-Holland per jaar: 2021: 546 2020: 739 2019: 694 Totaal aantal meldingen in Waddinxveen per jaar: 2021: 91 2020: 145 2019: 87 Toelichting: er wordt veel grond toegepast aan de Piet Stuurmanweg en Otto Matseweg b) Deze informatie is op dit moment niet beschikbaar. Bij de registratie van recente meldingen wordt wel een verwijzing naar de BKK gemaakt. Over een jaar hebben we wel een beeld van het gebruik van de BKK als kwaliteitsbewijs bij grondverzet. De ervaring van de ODMH is wel dat grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaart weinig plaatsvindt. Het zijn uitzonderingen. Zeker nu er ook naar PFAS gekeken moet worden.
7) Zijn er de afgelopen drie jaar bij toepassingen van grond of baggerspecie afstemming(en) nodig geweest met de waterschap(pen) daar waar de legger van de watergang geen duidelijkheid gaf en/of onduidelijk was en/of de toepassing al dan niet binnen de reikwijdte van een oppervlaktewaterlichaam viel (zie definitie art. 1.1 Wtw)?
7) Voor zover we kunnen nagaan heeft dit nooit plaatsgevonden. In droge oevergebieden (met name De Zaag, Krimpenerwaard) is wel eens verwarring geweest. Maar zover we kunnen nagaan nooit langs sloten/watergangen.
8) HHSK, HHvR en HDSR zijn bevoegd gezag Bbk voor de watergangen in het beheergebied van ODMH.
8a) Wij zijn hiervan niet op de hoogte. Uitgaande van een baggerfrequentie
a) Hebben de waterbeheerders hun watergangen ook gezoneerd en is de bodemkwaliteitskaart en deze aanvullende beleidsregels PFAS hierop afgestemd (of visa versa)? b) Zo nee, waarom niet? PCW
Wat is er indertijd uit het overleg met de provincie en ODMH gekomen mbt het gebruik van vervuilde grond bij de aanleg van de Moordrechtboog en welke acties zijn afgesproken?
van 1 keer in de paar jaar en een geldigheidperiode van een Waterbodemkwaliteitskaart lijkt een dergelijke kaart niet erg rendabel. b) De aanvullende beleidsregels PFAS hebben geen betrekking op de waterbodem. De regels zijn bedoeld voor grondverzet op landbodem Afgesproken is dat de Provincie samen met een adviesbureau vooronderzoek gaat doen. Dit vooronderzoek moet informatie opleveren over de exacte ligging van de verontreinigde grond. Deze is namelijk niet in de gehele Moordrechtboog toegepast. Na dit vooronderzoek wordt er een inschatting gemaakt van de te verwachte kosten voor bodemonderzoek en analyses en gaan we bekijken wat een reële verdeling van de kosten is tussen Provincie, gemeente Zuidplas en gemeente Waddinxveen. Het vooronderzoek is bijna afgerond. Zodra we meer weten over de resultaten en het vervolg, zullen we de resultaten terugkoppelen naar de raad.