Archeologisch onderzoek Middelburgseweg 5 Waddinxveen 050220.pdf
Tekst van het document
Archeologisch bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase
Middelburgseweg 5, Waddinxveen Gemeente Waddinxveen IDDS Archeologie rapport 2378
Colofon Projectnummer OM-nummer In opdracht van Auteur Redactie Versie Status
61801119 4766068100 Studio Ron van Leent D.F.A.M. van den Biggelaar S. Moerman 1.2 concept
Autorisatie S. Moerman
Senior KNA Prospector
05-02-2020
Goedkeuring N. Broeke
Gemeente Waddinxveen
© IDDS Archeologie Noordwijk, februari 2020 ISSN 2212-9650 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever
IDDS Archeologie rapport 2378 Versie 1.2 (concept)
SAMENVATTING: In opdracht van Studio Ron van Leent heeft IDDS Archeologie in januari 2020 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, uitgevoerd aan de Middelburgseweg 5 in Waddinxveen, gemeente Waddinxveen. De noodzaak tot het archeologisch onderzoek komt voort uit het bestemmingsplan. De doelstelling van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en zo nodig aanvullen van de gespecificeerde verwachting. Tijdens het onderzoek zijn er geen archeologische indicatoren en/of relevante archeologische niveaus aangetroffen. Door de lage verwachting voor het aantreffen van archeologische resten adviseert IDDS Archeologie om het plangebied, voor wat betreft het aspect archeologie, vrij te geven voor de voorgenomen civieltechnische werkzaamheden.
IDDS Archeologie rapport 2378 Versie 1.2 (concept)
INHOUDSOPGAVE: ADMINISTRATIEVE GEGEVENS VAN HET PLANGEBIED ................................................................. 4 1. INLEIDING ....................................................................................................................................... 5 1.1. Onderzoekskader ......................................................................................................................... 5 1.2. Doel- en vraagstellingen van het onderzoek ................................................................................ 5 1.3. Ligging van het plangebied ........................................................................................................... 6 2. BUREAUONDERZOEK ................................................................................................................... 7 2.1. Werkwijze ..................................................................................................................................... 7 2.2. Geologie, geomorfologie en bodem ............................................................................................. 7 2.3. Archeologische en ondergrondse bouwhistorische waarden ..................................................... 12 2.4. Historische situatie en mogelijke verstoringen ........................................................................... 15 2.5.
Huidig landgebruik ...................................................................................................................... 19 2.6. Gespecificeerd verwachtingsmodel ............................................................................................ 19 3. VELDONDERZOEK ....................................................................................................................... 21 3.1. Onderzoekshypothese en onderzoeksopzet .............................................................................. 21 3.2. Werkwijze ................................................................................................................................... 21 3.3. Resultaten ................................................................................................................................... 21 3.4. Interpretatie ................................................................................................................................. 22 4. CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ............................................................................................ 23 4.1. Aanbevelingen ............................................................................................................................
24 LITERATUUR EN KAARTEN ............................................................................................................... 25 LIJST VAN AFKORTINGEN EN BEGRIPPEN .................................................................................... 27 BIJLAGEN 1. Topografische kaart 2. Archis-informatie 3. Boorlocatiekaart 4. Boorbeschrijvingen 5. Periodentabel
IDDS Archeologie rapport 2378 Versie 1.2 (concept)
Administratieve gegevens van het plangebied Toponiem
Middelburgseweg 5
Onderzoekmeldingsnummer
4766068100
Plaats
Waddinxveen
Gemeente
Waddinxveen
Kadastrale aanduiding
Waddinxveen G2718
Provincie
Zuid-Holland
Coördinaten Centrum Hoekpunten
106.332/ 451.120 106.308/ 451.113 (ZW) 106.309/ 451.126 (NW) 106.348/ 451.127 (NO) 106.344/ 451.109 (ZO)
Oppervlakte plangebied
ca. 700 m2
Onderzoekskader
Omgevingsvergunning
Uitvoerder
IDDS Archeologie Contactpersoon: dhr. A.W.E. Wilbers Postbus 126 2200 AC Noordwijk (ZH) Tel: 071-4028586 E-mail: awilbers@idds.nl
Bevoegde overheid
Gemeente Waddinxveen Afdeling Ruimte Contactpersoon: mevr. N. Broeke Postbus 400 2740 AK Waddinxveen Tel: 0182-624727 E-mail: n.broeke@waddinxveen.nl
Adviseur van de bevoegde overheid
Omgevingsdienst Midden-Holland Contactpersoon: dhr. C. Thanos Postbus 45 2800 AA Gouda Tel: 088-5450363 E-mail: cthanos@odmh.nl
Beheer en plaats van documentatie
IDDS Archeologie, Noordwijk
Uitvoeringsdatum veldwerk
31-1-2020
4
IDDS Archeologie rapport 2378 Versie 1.2 (concept)
1.
Inleiding
1.1.
Onderzoekskader
In opdracht van Studio Ron van Leent heeft IDDS Archeologie in januari 2020 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, uitgevoerd aan de Middelburgseweg 5 in Waddinxveen, gemeente Waddinxveen. De aanleiding voor dit onderzoek is de sloop van de bestaande bebouwing binnen het plangebied en de vervanging door nieuwbouw. Die nieuwbouw betreft een woning met een kelder. De onderzijde van de kelder zal worden aangelegd op een diepte van 3,2 m -mv. Conform het bestemmingsplan “Parapluplan Archeologie en Parkeren” (vastgesteld 19-9-2018) bevindt het plangebied zich in een zone met dubbelbestemming Waarde – Archeologie 2. In die zone is archeologisch onderzoek noodzakelijk indien de bodemverstoring dieper reikt dan 0,3 m -mv en een oppervlakte beslaat van meer dan 100 m 2. De geplande werkzaamheden overschrijden deze vrijstellingsgrenzen. Hierdoor is dit archeologisch onderzoek nodig. 1.2.
Doel- en vraagstellingen van het onderzoek
De doelstelling van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Dit gebeurt aan de hand van bestaande bronnen over bekende en verwachte archeologische waarden binnen het plangebied. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en zo nodig aanvullen van de gespecificeerde verwachting. Daarnaast wordt inzicht verkregen in de vormeenheden van het landschap in het plangebied, voor zover deze vormeenheden van invloed kunnen zijn geweest op de bruikbaarheid van de locatie door de mens in het verleden. Op basis van de resultaten van het onderzoek kunnen kansarme zones van het plangebied worden uitgesloten en kansrijke zones worden geselecteerd voor behoud of voor vervolgonderzoek. Om deze doelstelling te kunnen realiseren, wordt op de volgende vragen een antwoord gegeven:
Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de locatie? Hoe is de bodemopbouw in het plangebied en in welke mate is deze nog als intact te beschouwen? Bevinden zich archeologisch relevante afzettingen in het plangebied? Zo ja, op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en het NAP? Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied en wordt deze bij het veldonderzoek bevestigd? Hoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, kunnen er toch archeologische indicatoren worden aangetroffen. Indien deze worden aangetroffen, dan gelden tevens de volgende vragen: wat is de verticale en horizontale ligging van de aangetroffen indicatoren, wat is de datering en wat is de invloed van deze vondsten op de archeologische verwachting van het plangebied? In hoeverre worden eventueel aanwezige archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen bodemverstorende werkzaamheden?
Het archeologisch bureauonderzoek en het inventariserend veldonderzoek zijn uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 (Centraal College van Deskundigen 2018) en het door de gemeente goedgekeurde Plan van Aanpak (PvA; Van den Biggelaar 2020). Voor de in dit rapport gebruikte geologische en archeologische tijdsaanduidingen wordt verwezen naar Bijlage 5. Afkortingen en enkele vaktermen worden achterin dit rapport uitgelegd (zie lijst van afkortingen en begrippen).
5
IDDS Archeologie rapport 2378 Versie 1.2 (concept)
1.3.
Ligging van het plangebied
De ligging van het (her) in te richten gebied, ofwel het plangebied, is weergegeven in Bijlage 1. Het plangebied ligt langs de Middelburgseweg in het uiterste oosten van de gemeente Waddinxveen. Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 700 m2 en een gemiddelde maaiveldhoogte van -1,5 m NAP. De exacte ligging en contouren van het plangebied zijn nader weergegeven in Bijlage 3 en Figuur 1. Om tot een gespecificeerde verwachting voor het plangebied te komen, is niet alleen gekeken naar bekende gegevens over het plangebied zelf maar ook naar de omgeving. Voor het totale onderzochte gebied, oftewel het onderzoeksgebied, is als begrenzing een straal van 250 m rondom het plangebied gekozen. Binnen die straal van 250 m bevinden zich voldoende eerdere archeologische onderzoeken om de archeologische verwachting voor het plangebied te kunnen opstellen.
Figuur 1: Het plangebied op een recente luchtfoto (bron: PDOK).
6
IDDS Archeologie rapport 2378 Versie 1.2 (concept)
2.
Bureauonderzoek
2.1.
Werkwijze
Tijdens het bureauonderzoek zijn gegevens verzameld over het onderzoeksgebied. Er is gekeken naar bekende archeologische en ondergrondse bouwhistorische waarden, uitgevoerde archeologische onderzoeken, de fysieke kenmerken van het oude en huidige landschap en naar informatie over bodemverstoringen. Er is gebruik gemaakt van de Cultuurhistorische kaart (Van den Ende et al., 2012), de waarden- en verwachtingenkaart (Van den Ende et al., 2012) en de archeologische beleidskaart van de gemeente Waddinxveen (Van den Ende et al., 2012; Thanos 2016) en van het Archeologisch Informatie Systeem (Archis3) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Aanvullende historische informatie is verkregen uit beschikbaar historisch kaartmateriaal, waaronder de historische kaart van het Hoogheemraadschap van Rijnland (Bodegraven – Reeuwijk, maker: F. Balthasars) uit 1615 (www.rijnland.net), het Minuutplan van begin 19e eeuw (www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl) en enkele historische topografische kaarten (www.topotijdreis.nl). Tevens is gekeken naar mogelijk militair erfgoed in het plangebied (www.landschapinnederland.nl/militaire-landschapskaart; www.ikme.nl). Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap is onder andere gebruik gemaakt van de bodemkaart en de geomorfologische kaart van Nederland (PDOK), en van boordata van DINOLoket (www.dinoloket.nl).
Daarnaast is gebruik gemaakt van het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN3; www.ahn.nl). Voor informatie omtrent bodemsaneringen en ontgrondingenvergunningen is het Bodemloket (www.bodemloket.nl) geraadpleegd. Om de ligging van kabels en leidingen in het plangebied te bepalen, is een KLIC-melding gedaan. Deze gegevens zijn aangevuld met informatie uit onderzoeksrapporten en achtergrondliteratuur (zie literatuurlijst). 2.2.
Geologie, geomorfologie en bodem
2.2.1. Ontstaansgeschiedenis landschap Het plangebied is gelegen in het westelijk veengebied (Berendsen 2005). Dit gebied is ontstaan in het Holoceen (vanaf 10.000 jaar geleden) onder invloed van de stijgende zeespiegel. Het veen behoort tot het Hollandveen Laagpakket dat deel uit maakt van de Formatie van Nieuwkoop (de Mulder et al. 2003). Door het veengebied liepen enkele veenstromen en riviertjes die regelmatig zandige en kleiige sedimenten afzetten op de oevers en in het achter de oevers liggende komgebied. Resten van deze stromen zijn soms nog in het landschap herkenbaar als verhogingen omdat het zand en de klei minder inklinken dan het omliggende veen. Deze elementen in het landschap worden rivierinversieruggen genoemd. De veenvorming duurde voort tot aan de Late Middeleeuwen. Tussen ongeveer 1000 en 1300 na Chr. werd het veengebied ontgonnen. Hierbij werden vanaf een ontginningsas, een weg of een vaart, langgerekte percelen aangelegd. Vanaf ongeveer 1400 na Chr. is het veen op veel plaatsen op grote schaal afgegraven of gebaggerd ten behoeve van de turfwinning (Berendsen 2005). Het plangebied bevindt zich in Polder Bloemendaal. Die polder is in 1331 ontgonnen, maar er is nooit veen afgegraven (Van Iterson et al. 2015). 2.2.2. Geomorfologie en geologie Volgens de geomorfologische kaart bevindt het plangebied zich in een ontgonnen veenvlakte (code: 1M81ykd) (Figuur 2).
Deze vlakte is ontstaan door het in cultuur brengen van het oorspronkelijke veenpakket. Ontginning en bijkomstige inklinking van de grond vond plaats vanaf de 13e eeuw. De ligging van het plangebied op een ontginningsas, zoals weergegeven in Figuur 8, wordt ondersteund door de hogere ligging van het maaiveld ten opzichte van de directe omgeving. Zo blijkt uit gegevens van het Actueel Hoogtebestand Nederland dat een deel van het plangebied zich bevindt in een zone die iets hoger ligt (ca. -1,5 m NAP) dan de omgeving (ca. -2,0 m NAP) (Figuur 3 en Figuur 4).
7
IDDS Archeologie rapport 2378 Versie 1.2 (concept)
Uit boring B31C0487 uit het Dinoloket (Figuur 5), op ongeveer 100 meter ten noorden van het plangebied blijkt dat de ondergrond bestaat uit een opeenstapeling van klei (Boxtel Formatie; BXWI), veen (Nieuwkoop Formatie, Basisveen Laag; NIBA), klei (Naaldwijk Formatie, Laagpakket van Wormer; NAWO), veen (Nieuwkoop Formatie, Laagpakket van Hollandveen; NIHO) en klei (Naaldwijk Formatie, Laagpakket van Walcheren; NAWA). De top van het kleipakket behorende tot de Boxtel Formatie bevindt zich op ca. 7,3 m -mv (ca. -8,8 m NAP), de top van het daarboven gelegen veen bevindt zich op 6,7 m -mv (ca. -8,2 m NAP). Dit veen is overdekt door klei waarvan de top zich bevindt op ca. 3,9 m -mv (ca. -5,4 m NAP). Boven deze klei ligt wederom veen. De top van dit veen bevindt zich op ca. 0,6 m -mv (ca. -2,1 m NAP). De bovenste 0,6 m van de ondergrond bestaat uit klei en hoewel het in Figuur 5 wordt gerekend tot het Laagpakket van Walcheren is het waarschijnlijker dat dit een zogenaamd toemaakdek is, aangebracht door de mens om het veen beter begaanbaar, bewerkbaar en bewoonbaar te maken.
Figuur 2: Uitsnede uit de geomorfologische kaart van Nederland (bron: PDOK). De ligging van het plangebied is weergegeven met de rode contour.
8
IDDS Archeologie rapport 2378 Versie 1.2 (concept)
Figuur 3: Uitsnede uit het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3) (www.ahn.nl). De ligging van het plangebied is weergegeven met de zwarte contour.
9
IDDS Archeologie rapport 2378 Versie 1.2 (concept)
Figuur 4: Uitsnede uit het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3) (www.ahn.nl) met een detailoverzicht van het plangebied (zwarte contour).
10
IDDS Archeologie rapport 2378 Versie 1.2 (concept)
Figuur 5: Lithologie en lithostratigrafie van boring B31C0487 (Bron: www.dinoloket.nl). Voor uitleg van de lithologie en lithostratigrafie zie paragraaf 3.1.2. 2.2.3. Bodem Conform de Bodemkaart van Nederland bevindt het westelijk deel van het plangebied zich in een zone met koopveengronden op bosveen (of eutroof broekveen) (kaartcode: ohVb), terwijl de oostelijke helft is gelegen vlierveengronden op (meestal niet-gerijpte) zavel of klei, beginnend ondieper dan 120 cm (kaartcode: Vk) (De Vries et al. 2003) (Figuur 6). Koopveengronden worden gekenmerkt door een bovengrond van venige klei (of keiig veen) die goed veraard is en een maximale dikte heeft van 0,5 m. Dergelijke gronden komen voor in het westelijke veengebied van Holland en Utrecht en zijn vanaf de Middeleeuwen ontgonnen. Indien een veengrond nog niet veraard is, maar wel stevig is geworden door ontwatering, wordt die een vlierveengrond genoemd (De Bakker 1966). Het westelijk veengebied heeft over het algemeen een grondwatertrap II. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op gemiddeld hoogste (GHG) en gemiddeld laagste grondwaterstandsdieptes (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping.
Grondwatertrap II duidt op gronden waarbij de GHG wordt aangetroffen op een diepte van maximaal 0,4 m -mv en de GLG op een diepte tussen de 0,5 en 0,8 m -mv (Stichting voor Bodemkartering 1976).
11
IDDS Archeologie rapport 2378 Versie 1.2 (concept)
Figuur 6: Uitsnede uit de Bodemkaart van Nederland (bron: PDOK). De ligging van het plangebied is weergegeven met de rode contour. 2.3.
Archeologische en ondergrondse bouwhistorische waarden
Binnen het plangebied zijn geen terreinen aanwezig die op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) als waardevol staan aangegeven. Ook zijn er geen waarnemingen en vondsten gemeld en geen eerdere onderzoeken uitgevoerd. In het plangebied zijn voor zover bekend geen ondergrondse bouwhistorische waarden aanwezig. De archeologische verwachting van het plangebied volgens de gemeentelijke verwachtingskaart is hoog (Figuur 7) (Van den Ende et al. 2012; Atlas Omgevingsdienst Midden-Holland). Deze hoge waardering is gebaseerd op de aanwezigheid van de 13e en 14e -eeuwse ontginningslinten (Van den Ende et al., 2012; zie ook Figuur 8). Conform de beleidskaart van de gemeente Waddinxveen bevindt het plangebied zich in een zone met archeologische waarde 2 (WA2). In die zone is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen die dieper reiken dan 0,3 m -mv en een oppervlakte hebben van meer dan 100 m2 (Van den Ende et al. 2012; Thanos 2016) (Figuur 9). Hoewel er binnen het plangebied geen eerder archeologisch onderzoek is uitgevoerd, zijn er binnen een straal van 250 meter wel onderzoeken uitgevoerd op hetzelfde ontginningslint als waar het plangebied op is gelegen (zie Bijlage 2). Zo is er ongeveer 75 meter ten zuiden van het plangebied in 2014 een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd (Archisnr. 2458507100, toponiem: Middelburgseweg 3).
Uit dat onderzoek blijkt dat de ondergrond bestaat uit afzettingen behorende bij het Laagpakket van Wormer, afgedekt met Hollandveen en een ophoog/ geroerd pakket. De top van de afzettingen behorende bij het Laagpakket van Wormer is aangetroffen op een diepte van 3,5 m -mv (-5,5 m NAP). De top van het daarboven gelegen veenpakket bevindt zich op een diepte die varieert van 0,5 tot 2,4 m -mv (ca. -2,6 tot -4,3 m NAP). Bovenop het veen bevindt zich een ophoog-/geroerd pakket met een dikte die varieert van 0,5
12
IDDS Archeologie rapport 2378 Versie 1.2 (concept)
tot 2,4 m. Op basis van het ontbreken van archeologische indicatoren in de boringen en aanwijzingen voor historische bebouwing op historisch kaartmateriaal van het plangebied, is geadviseerd geen verder archeologisch onderzoek uit te voeren (Huizer 2014). Op hetzelfde ontginningslint is ongeveer 250 meter ten noorden van het plangebied in 2017 een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd (Archisnr. 4021100100, toponiem: Middelburgseweg). Uit dat onderzoek blijkt dat de ondergrond tot de maximale boordiepte van 4,0 m mv deels bestaat uit zwak humeuze lichtgrijze klei met plantenresten en veenbandjes en deels uit veen. Die klei is geïnterpreteerd als komklei (maar het betreft waarschijnlijk afzettingen van het Laagpakket van Wormer). De top van die komklei is aangetroffen op een diepte van 3,65 m -mv (ca. -5,5 m NAP). De top van het veen, welke ook bovenop de komklei is aangetroffen, bevindt zich op een diepte die varieert van 0,4 tot 0,7 m -mv (ca. -2,2 tot -2,6 m NAP). Bovenop het veenpakket bevindt zich een pakket sterk humeus zeer fijn zand. Dat pakket zand is geïnterpreteerd als antropogeen pakket. Aangezien er geen archeologische indicatoren zijn aangetroffen en geen aanwijzingen zijn dat de aangetroffen landschappen gunstig waren voor bewoning is er geadviseerd geen verder archeologisch onderzoek uit te voeren (Wijnen 2017).
Figuur 7: Uitsnede uit de waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Waddinxveen (bron: Van den Ende et al., 2012). De ligging van het plangebied is weergegeven met de rode contour.
13
IDDS Archeologie rapport 2378 Versie 1.2 (concept)
Figuur 8: Uitsnede uit de Cultuurhistorische kaart van de gemeente Waddinxveen (bron: Van den Ende et al., 2012). De ligging van het plangebied is weergegeven met de rode contour.
14
IDDS Archeologie rapport 2378 Versie 1.2 (concept)
Figuur 9: Uitsnede uit de archeologische beleidskaart van de gemeente Waddinxveen (bron: Van den Ende et al., 2012; Thanos 2016). De ligging van het plangebied is weergegeven met de rode contour. 2.4.
Historische situatie en mogelijke verstoringen
Hoewel het plangebied conform de Cultuurhistorische kaart van Waddinxveen is gelegen op een 13 e – 14e eeuwse ontginningslint, betreft dat lint niet een primaire ontginningsas. Een ontginning verloopt loodrecht vanaf een primaire ontginningsas (bijvoorbeeld een oeverwal van een rivier). Op de plek waar twee ontginningen samenkomen vormt zich de zogenaamde achtergrens van een ontginning. Het plangebied bevindt zich op een dergelijke achtergrens (zie Figuur 10). Na ontginning gedurende de 13e – 14e eeuw vond bewoning in eerste instantie plaats langs de primaire ontginningsassen. Zo is op de Cultuurhistorische kaart van Waddinxveen te zien dat er molens, huizen en bruggen zijn aangetroffen op een ontginningsas (zie Figuur 10). Pas in de Nieuwe Tijd werd de achtergrens mogelijk bewoond. De oudst geraadpleegde kaart betreft de historische kaart van het Hoogheemraadschap van Rijnland (Bodegraven – Reeuwijk, maker: F. Balthasars) uit 1615 (bron: www.rijnland.net). Op basis van die kaart blijkt dat het plangebied was gelegen in een zone die niet bebouwd was. Het landgebruik binnen het plangebied is op basis van de kaart uit 1615 niet te bepalen. Wel blijkt uit die kaart dat het plangebied in 1615 al langs een weg lag (Figuur 11). Die weg betreft de voorganger van de huidige Middelburgseweg.
Het landgebruik binnen het plangebied wordt voor het eerst gedocumenteerd op het Minuutplan uit begin 19e eeuw. Zo blijkt uit de oorspronkelijk aanwijzende tafels behorende bij het Minuutplan van begin 19e eeuw dat het plangebied zich bevindt in een weiland. Net als in begin 17 e eeuw ligt er begin
15
IDDS Archeologie rapport 2378 Versie 1.2 (concept)
19e eeuw direct ten oosten van het plangebied een weg, welke de voorloper betreft van de huidige Middelburgseweg (Figuur 12). Deze weg is op de kaart voorzien van een arcering die duidt op een dijklichaam, wat betekent dat de weg duidelijk hoger lag dan het maaiveld in het plangebied. De situatie van begin 19e eeuw blijft bestaan tot in de tweede helft van de 20 ste eeuw. In de tweede helft van de 20ste eeuw wordt er bebouwing aangelegd binnen het plangebied. Zo worden er tussen 1965 en 1970 kassen gebouwd. Enkele jaren later, tussen 1980 en 1984, wordt de bebouwing uitgebreid in de vorm van woningen (Figuur 13). Bij de aanleg van de bebouwing en de kassen in de tweede helft van de 20ste eeuw is er in het westelijk deel van het plangebied een ondergrondse tank aangelegd met een drain richting de kassen (pers. comm. Dhr. Van Zoest; bewoner) (Figuur 14). De diepte waarop die tank zich bevindt is onbekend. Ook is onduidelijk waar en op welke diepte de drain zich bevindt. Eventuele verstoringen in het plangebied kunnen zijn veroorzaakt door de aanleg van de kas, de woning, de ondergrondse tank met drain en kabels en leidingen.
Figuur 10: Uitsnede uit de Cultuurhistorische kaart van de gemeente Waddinxveen (bron: Van den Ende et al., 2012). De ligging van het plangebied is weergegeven met de rode contour. De rode pijlen geven de vermoedelijke richting aan waarop de ontginning plaatsvond. Het plangebied is gelegen op een achtergrens, de plek waar twee ontginningsassen samenkomen.
16
IDDS Archeologie rapport 2378 Versie 1.2 (concept)
Figuur 11: Uitsnede uit de historische kaart van het Hoogheemraadschap van Rijnland (Bodegraven – Reeuwijk, maker: F. Balthasars) uit 1615 (bron: www.rijnland.net). De ligging van het plangebied is globaal weergegeven met de rode contour. De witte pijl geeft globaal de richting weer van het noorden.
17
IDDS Archeologie rapport 2378 Versie 1.2 (concept)
Figuur 12: Uitsnede uit het Minuutplan van begin 19e eeuw (bron: www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl). Het plangebied is weergegeven met de rode contour.
Figuur 13: Uitsnede uit de topografische kaarten van 1970 en 1984 (bron: www.topotijdreis.nl).
18
IDDS Archeologie rapport 2378 Versie 1.2 (concept)
Figuur 14: Overzicht van de ligging van het plangebied (rode contour), de zone met nieuwbouw (blauw contour) en de locatie van de ondergrondse tank met drain richting de kassen ten westen van het plangebied (groene contour). De ligging van de drain is onbekend. 2.4.1. Tweede Wereldoorlog Op basis van de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (www.ikme.nl) en de militaire landschapskaart (www.landschapinnederland.nl/militaire-landschapskaart.nl) geldt in het plangebied geen verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit de Tweede Wereldoorlog. 2.5.
Huidig landgebruik
Ten tijde van het veldonderzoek was het plangebied deels in gebruik als tuin en deels als woning (Figuur 1). 2.6.
Gespecificeerd verwachtingsmodel
Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied is gelegen op een ontgonnen veenvlakte. Onder het veen van die veenvlakte worden afzettingen verwacht die behoren tot het Laagpakket van Wormer. Dat Laagpakket is ontstaan in een Waddenzee-achtig landschap. Dat Waddenzee-achtige landschap was te nat voor bewoning en daardoor is er een zeer lage kans op het aantreffen van in situ archeologische resten in de afzettingen behorende tot het Laagpakket van Wormer. In de top van het veen dat het Laagpakket van Wormer afdekt, en het bovenliggende toemaakdek, is er een lage verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. Het plangebied is namelijk vermoedelijk gelegen in een zone dat de achtergrens vormde van twee ontginningsassen. Uit de Nieuwe Tijd worden ook geen archeologische resten verwacht aangezien er op basis van het beschikbare kaartmateriaal binnen het plangebied geen bebouwing is weergegeven vanaf begin 17 e eeuw tot tweede helft 20ste eeuw (wanneer de huidige woning wordt gebouwd). Indien er archeologische waarden aanwezig zijn in de top van het veen, dan zouden die kunnen worden verwacht op een diepte
19
IDDS Archeologie rapport 2378 Versie 1.2 (concept)
van ongeveer 0,4 tot 0,7 m -mv (ca. -2,1 tot -2,6 m NAP). Indien er in het toemaakdek archeologische sporen aanwezig zijn, dan kunnen die vanaf het maaiveld worden verwacht.
20
IDDS Archeologie rapport 2378 Versie 1.2 (concept)
3.
Veldonderzoek
3.1.
Onderzoekshypothese en onderzoeksopzet
Het doel van het Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase, is om de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting te toetsen en waar nodig aan te passen. Tijdens het veldonderzoek wordt vastgesteld waar de oorspronkelijke bodemopbouw intact is gebleven en waar niet. Daarnaast wordt inzicht verkregen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Kansarme zones worden uitgesloten en kansrijke zones worden geselecteerd voor de volgende fasen. Het veldonderzoek bestond uit een booronderzoek. 3.2.
Werkwijze
In het plangebied zijn 5 boringen gezet, waarvan 3 boringen met een diepte van 2,0 m en 2 met een diepte van 5,0 m beneden het maaiveld (bijlage 3 en 4). Deze boringen zijn verdeeld over het plangebied. Twee van die boringen zijn uitgevoerd binnen de zone waar de nieuwbouw is gepland (boringen 2 en 3). Die boringen zijn tot 5,0 m -mv gezet aangezien de geplande verstoringsdiepte binnen die zone tot ca. 3,5 m -mv zal zijn. De overige drie boringen zijn uitgevoerd in de rest van het plangebied. Die overige boringen zijn tot 2,0 m -mv gezet. Er is gebruik gemaakt van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm voor dat deel van de ondergrond dat zich boven de grondwaterspiegel bevindt. Voor het deel onder de grondwaterspiegel is gebruik gemaakt van een guts (doorsnede 3 cm). Het veldonderzoek is uitgevoerd door D.F.A.M. van den Biggelaar (KNA Prospector MA). De boringen zijn beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008) met behulp van een veldcomputer en het programma TerraIndex van I.T. Works. De locaties van de boringen (x- en y-waarden) zijn ingemeten vanuit de bebouwing. De hoogtes van de boringen (z-waarden) zijn bepaald aan de hand van het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN3; www.ahn.nl).
De opgeboorde monsters zijn door middel van verbrokkelen in het veld onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals aardewerk, baksteen, vuursteen, huttenleem en bot. 3.3.
Resultaten
3.3.1. Lithologie en geologie Op basis van de lithologie kan de ondergrond tot de maximale boordiepte van 5,0 m –mv worden verdeeld in drie verschillende pakketten. Het onderste pakket betreft kalkrijke lichtgrijze slappe klei. Enkele lagen zwak zandige klei komen voor. Ook bevat de bovenste 30 cm van het onderste pakket weinig riet. Alleen op boorlocatie 2 en 3 is de diepte bereikt van het onderste pakket. Op de andere boorlocaties is die lichtgrijze klei waarschijnlijk ook aanwezig, maar is niet geboord tot aan die klei. De top van het onderste pakket bevindt zich op een diepte van 4,0 m –mv (-5,5 tot -5,6 m NAP). Op basis van de lithologie is het onderste pakket geïnterpreteerd als behorende tot het Laagpakket van Wormer. Het middelste pakket betreft rietveen. Op boorlocaties 1 – 4 is de bovenste 0,2 tot 0,7 m van het veen amorf. De rest van het veen is zwak amorf. In boringen 2 en 3 zijn tussen een diepte van 1,0 en 2,0 m –mv enkele lagen hout aangetroffen. De top van het veenpakket bevindt zich op een diepte variërend van 0,5 tot 0,8 m –mv (-2,0 tot -2,8 m NAP). Op basis van de lithologie is het middelste pakket geïnterpreteerd als Hollandveen. Het bovenste pakket bestaat uit kalkloze bruine sterk zandige klei. Die klei is sterk humeus en gaat aan de onderzijde scherp over in het veenpakket.
Op basis van de lithologie en de scherpe overgang met het veen is het bovenste pakket geïnterpreteerd als toemaakdek.
21
IDDS Archeologie rapport 2378 Versie 1.2 (concept)
3.3.2. Bodemopbouw Binnen het plangebied bevindt zich een veengrond, afgedekt met een opgebracht dek sterk humeuze klei dat sterk zandig is (toemaakdek). De bodem in het plangebied kan op basis van de aanwezige veenbodem, afgedekt met een toemaakdek worden geclassificeerd als koopveengrond met een antropogeen dek. 3.3.3. Archeologische indicatoren Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen in de boringen. 3.4.
Interpretatie
Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek werd er in het plangebied een opeenvolging verwacht van afzettingen behorende tot het Laagpakket van Wormer, afgedekt met een veenpakket en aan de top een toemaakdek. Deze opeenvolging is bij het booronderzoek aangetroffen. Het Laagpakket van Wormer is gevormd in een landschap dat lijkt op de huidige Waddenzee. Dat landschap was te nat voor bewoning en daarom is er een lage verwachting voor het aantreffen van archeologische resten in het Laagpakket van Wormer. In het bovenliggende veenpakket is geen veraard veen aangetroffen, hetgeen een aanwijzing is dat het maaiveld uit de Middeleeuwen niet meer aanwezig is. Hierdoor is er een lage verwachting voor het aantreffen van in situ archeologische resten in de top van het veen. Het oorspronkelijk maaiveld uit de Middeleeuwen is waarschijnlijk vermengd geraakt met het toemaakdek aangezien het veengebied gedurende de Middeleeuwen werd opgehoogd met een laag zandige klei als toemaakdek om de top van het veen beter geschikt te maken voor landbouw. Ook zal het toemaakdek zijn aangebracht om het veenpakket op te hogen en daarmee boven de grondwaterstand te houden. Eventuele archeologische resten in het toemaakdek hebben geen archeologische waarde aangezien het toemaakdek bestaat uit materiaal dat van elders komt.
Daarentegen kunnen er wel in situ archeologische sporen aanwezig zijn in het toemaakdek. Die sporen zouden dan dateren uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Echter, op basis van het bureauonderzoek wordt er geen bewoning in het plangebied verwacht gedurende de periode vanaf ontginning (1331) tot de aanleg van de huidige bebouwing. Hierdoor heeft het toemaakdek een lage archeologische verwachting.
22
IDDS Archeologie rapport 2378 Versie 1.2 (concept)
4.
Conclusie en aanbevelingen
In opdracht van Studio Ron van Leent zijn in januari 2020 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, uitgevoerd in verband met de geplande (her)ontwikkeling van het plangebied aan de Middelburgseweg 5 in Waddinxveen, gemeente Waddinxveen. Ten behoeve van het onderzoek is een aantal vragen gesteld die als volgt beantwoord kunnen worden:
Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de locatie?
Het plangebied is gelegen in het westelijk veengebied. In de diepe ondergrond bevinden zich wadafzettingen die door veen worden afgedekt. Het veen wordt afgedekt door een toemaakdek.
Hoe is de bodemopbouw in het plangebied en in welke mate is deze nog als intact te beschouwen?
Binnen het plangebied bevindt zich een veengrond, afgedekt met een opgebracht dek sterk humeuze klei dat sterk zandig is (toemaakdek). De bodem in het plangebied kan op basis van de aanwezige veenbodem, afgedekt met een toemaakdek worden geclassificeerd als koopveengrond met een antropogeen dek.
Bevinden zich archeologisch relevante afzettingen in het plangebied? En zo ja, op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en het NAP?
Er bevinden zich twee potentiële archeologische niveaus in het plangebied. Het onderste niveau betreft de top van het veen. Echter, hoewel de top van het veen een potentieel archeologisch niveau betreft is er een lage verwachting voor het aantreffen van in situ archeologische resten aangezien er geen aanwijzingen zijn dat de bovenzijde van het ontgonnen veen nog aanwezig is. De top van dat niveau bevindt zich op een diepte variërend van 0,5 tot 0,8 m –mv (-2,0 tot -2,8 m NAP). Het bovenste niveau betreft het toemaakdek. Op basis van het bureauonderzoek geldt voor het toemaakdek vanaf het maaiveld een lage verwachting voor het aantreffen van archeologische sporen.
Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied en wordt deze bij het veldonderzoek bevestigd?
Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied is gelegen op een ontgonnen veenvlakte. Onder het veen van die veenvlakte worden afzettingen verwacht die behoren tot het Laagpakket van Wormer. Dat Laagpakket is ontstaan in een Waddenzee-achtig landschap. Dat Waddenzee-achtige landschap was te nat voor bewoning en daardoor is er een zeer lage kans op het aantreffen van in situ archeologische resten in de afzettingen behorende tot het Laagpakket van Wormer. In de top van het veen dat het Laagpakket van Wormer afdekt, en het bovenliggende toemaakdek, is er een lage verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. Het plangebied is namelijk vermoedelijk gelegen in een zone dat de achtergrens vormde van twee ontginningsassen. Uit de Nieuwe Tijd worden ook geen archeologische resten verwacht aangezien er op basis van het beschikbare kaartmateriaal binnen het plangebied geen bebouwing is weergegeven vanaf begin 17 e eeuw tot tweede helft 20ste eeuw (wanneer de huidige woning wordt gebouwd). Indien er archeologische waarden aanwezig zijn in de top van het veen, dan zouden die kunnen worden verwacht op een diepte van ongeveer 0,4 tot 0,7 m -mv (ca. -2,1 tot -2,6 m NAP). Indien er in het toemaakdek archeologische sporen aanwezig zijn, dan kunnen die vanaf het maaiveld worden verwacht.
De resultaten van het booronderzoek zijn in overeenkomst met de resultaten van het bureauonderzoek: Er is veen aangetroffen met daaronder afzettingen behorende tot het Laagpakket van Wormer. Het veen is bovendien afgedekt met een toemaakdek. Het booronderzoek bevestigd de lage verwachting voor het aantreffen van archeologische resten in de top van het veen aangezien er geen aanwijzingen zijn aangetroffen dat de bovenzijde van het ontgonnen veen nog aanwezig is.
Hoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, kunnen er toch archeologische indicatoren worden aangetroffen. Indien deze worden aangetroffen, dan gelden tevens de volgende
23
IDDS Archeologie rapport 2378 Versie 1.2 (concept)
vragen: wat is de verticale en horizontale ligging van de aangetroffen indicatoren, wat is de datering en wat is de invloed van deze vondsten op de archeologische verwachting van het plangebied? Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen in de boringen.
In hoeverre worden eventueel aanwezige archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen bodemverstorende werkzaamheden?
Aangezien er een lage verwachting is op het aantreffen van in situ archeologische resten in het plangebied tot de maximale boordiepte van 5,0 m –mv is er een zeer lage kans dat de voorgenomen bodemverstorende werkzaamheden een bedreiging vormen voor eventuele archeologische waarden. 4.1.
Aanbevelingen
Tijdens het onderzoek zijn er geen archeologische indicatoren en/of relevante archeologische niveaus aangetroffen. Door de lage verwachting voor het aantreffen van archeologische resten adviseert IDDS Archeologie om het plangebied, voor wat betreft het aspect archeologie, vrij te geven voor de voorgenomen civieltechnische werkzaamheden. Bovenstaand advies dient gecontroleerd en beoordeeld te worden door de bevoegde overheid, in dit geval de Gemeente Waddinxveen. Deze zal vervolgens een besluit nemen inzake de te volgen procedure. IDDS Archeologie wil meegeven dat voordat dit besluit genomen is, er niet begonnen kan worden met bodemverstorende activiteiten of activiteiten die voorbereiden op bodemverstoringen. Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het archeologisch onderzoek is erop gericht om de kans op het onverwacht aantreffen dan wel het ongezien vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen. Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kan echter, op basis van de onderzoeksresultaten, de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische waarden niet gegarandeerd worden.
Wij wijzen u er graag op dat indien archeologische waarden worden aangetroffen, deze conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet zo spoedig mogelijk bij de minister voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gemeld dienen te worden. Dit kan door het invullen van het vondstmeldingsformulier op de website van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (www.cultureelerfgoed.nl) of door contact op te nemen met de InfoDesk (info@cultureelerfgoed.nl).
24
IDDS Archeologie rapport 2378 Versie 1.2 (concept)
Literatuur en kaarten Bakker, H. de, 1966: De subgroepen van het systeem van bodemclassificatie voor Nederland. In: Boor en Spade: verspreide bijdragen tot de kennis van de bodem van Nederland, deel 15. Stichting voor Bodemkartering (Wageningen). Bakker, H. de / J. Schelling, 1989: Systeem voor bodemclassificatie voor Nederland, de hogere niveaus. Staring Centrum PUDOC, Wageningen Berendsen, H.J.A., 20053 (1997): Landschappelijk Nederland. De fysisch-geografische regio’s, Assen. Biggelaar, D.F.A.M. van den, 2020: Plan van aanpak. Middelburgseweg 5 in Waddinxveen, gemeente Waddinxveen, Noordwijk (Intern rapport, IDDS Archeologie). Centraal College van Deskundigen, 2018: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1, Gouda. Ende, H. van den, Hogenboom, F. & Verhoef, A.W., 2012. Toelichting op de archeologische waardenen verwachtingen en beleidskaart Waddinxveen. Hazenberg Archeologie AMZ Publicaties 2011-15. Huizer, J. 2014: Middelburgseweg 3, Waddinxveen: Een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek. ADC Rapport 3738. Iterson, R. van, G. Koese, J. Manshanden, P. Schevenhoven, P. Siepman & E. Tiemens, 2015: Canon van Rijnland dertig momentopnamen van duizend jaar waterstaatsgeschiedenis. Primavera Pers, Leiden. SIKB, 2008: Archeologische standaard boorbeschrijving, Archeologie Leidraad, Gouda.
Stichting voor Bodemkartering, 1976: Bodemkaart van Nederland, 1:50.000, blad 31 West Utrecht, Wageningen. Thanos, C., 2018. Actualisatie Omgevingsdienst Midden-Holland.
archeologische
beleidskaart
gemeente
van
Waddinxveen.
Vries, F. de / W.J.M. de Groot / T. Hoogland / J. Denneboom, 2003: De Bodemkaart van Nederland digitaal: Toelichting bij inhoud, actualiteit en methodiek en korte beschrijving van additionele informatie. Alterra-rapport 811 (Wageningen). Wijnen, J.J.A., 2017: Bureauonderzoek en IVO-Verkennend. Middelburgseweg te Waddinxveen, gemeente Waddinxveen (ZH). Laagland Archeologie Rapport 36.
Websites beeldbank.cultureelerfgoed.nl ikme.nl landschapinnl.nl/bronnen-en-kaarten/militaire-landschapskaart www.ahn.nl www.archieven.nl www.bodemloket.nl www.topotijdreis.nl www.rijnland.net www.pdok.nl
25
IDDS Archeologie rapport 2378 Versie 1.2 (concept)
26
IDDS Archeologie rapport 2378 Versie 1.2 (concept)
Lijst van afkortingen en begrippen Afkortingen AHN AMK AMZ Archis ASB AWN BP GHG GLG GPS indet KNA mv NAP PvA PvE RCE SIKB
Actueel Hoogtebestand Nederland Archeologische Monumenten Kaart Archeologische Monumentenzorg Archeologisch Informatie Systeem Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland Before Present (Present = 1950) Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand Gemiddeld Laagste Grondwaterstand Global Positioning System ondetermineerbaar Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie maaiveld (het landoppervlak) Normaal Amsterdams Peil Plan van Aanpak Programma van Eisen Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer
Verklarende woordenlijst 14C-datering (ook wel C14-datering) Bepaling van gehalte aan radioactieve koolstof 14C van organisch materiaal (hout, houtskool, veen, schelpen e.d.) waaruit de 14Couderdom kan worden afgeleid. Deze ouderdom wordt opgegeven in jaren vóór 1950 na Chr. (jaren BP) met daaraan toegevoegd de aan de meting verbonden mogelijke afwijking (standaarddeviatie) Allerød tijd Korte, relatief warme periode uit de laatste ijstijd (Weichselien), ca. 11.80011.000 jaar geleden antropogeen Ten gevolge van menselijk handelen (door mensen veroorzaakt/gemaakt) Archis-melding Elke melding bij het centraal informatiesysteem (Archis) artefact Alle door de mens vervaardigde of gebruikte voorwerpen bioturbatie Verstoring van de oorspronkelijke bodemstructuur en/of transport van materiaal door plantengroei en dierenactiviteiten Bølling tijd Korte, relatief warme periode uit de laatste ijstijd (Weichselien), ca. 13.50012.000 jaar geleden Boreaal Tijdvak, onderafdeling van het Holoceen, gekarakteriseerd door een gematigd en continentaal klimaat en een bebost landschap gedomineerd door loofbomen (datering ca. 6800-5500 voor Chr.) buitendijks Gronden die aan de rivierzijde van een dijk liggen.
In het buitendijkse gebied liggen de uiterwaarden castellum Romeins legerkamp conservering Mate waarin grondsporen, anorganische en organische archeologische resten bewaard zijn couperen Het maken van één of meer verticale doorsneden door een spoor of laag om de aard, diepte, vullingen, vorm en relaties met andere fenomenen vast te stellen crematie Begraving met gecremeerd menselijk bot crevasse Doorbraakgeul door een oeverwal dagzomen Aan de oppervlakte komen, zichtbaar worden van gesteenten (met inbegrip van zand, klei, etc.)
27
IDDS Archeologie rapport 2378 Versie 1.2 (concept)
dekzand
Dryas Edelmanboor Eemien eerdgrond eolisch estuarien estuarium fluviatiel fluvioglaciaal gaafheid Hollandveen Holoceen horizont humeus ijzeroer in situ inhumatie interstadiaal kom kreek kronkelwaard kwel kwelder laag leem Limes lithologie löss lutum meander meanderen oeverwal
Fijnzandige afzettingen die onder periglaciale omstandigheden voornamelijk door windwerking ontstaan zijn; de dekzanden van het Weichselien vormen in grote delen van Nederland een ‘dek’ (Formatie van Boxtel) Laatste gedeelte van de laatste ijstijd (Weichselien), ca. 20.000-10.000 jaar geleden Een handboor voor bodemonderzoek Interglaciaal tussen de voorlaatste en laatste ijstijd (Saalien en Weichselien), ca. 130.000-120.000 jaar geleden Grond met een humushoudende minerale bovengrond van meer dan 50 cm, ontstaan door invloed van de mens Door de wind gevormd, afgezet Afgezet in een estuarium Inham aan de kust waarin met name het getijde grote invloed uitoefent op het landschap, bijvoorbeeld de Westerschelde Door rivieren gevormd, afgezet Door smeltwater (afkomstig van gletsjers) afgezet Mate van (fysieke) verstoring van de bodem, zowel in verticale zin (diepte) als in horizontale zin (omvang) Holocene formatie, ontstaan vanaf 3500 voor Chr. Jongste geologisch tijdvak dat nog steeds voortduurt (vanaf de laatste ijstijd: ca.
8800 jaar voor Chr.) Kenmerkende laag binnen de bodemvorming Organische stoffen bevattend; bestaande uit resten van planten en dieren in de bodem IJzeroxidenhydraat, een ijzererts dat vooral in vlakke landstreken, in dalen en moerassige gebieden op geringe diepte voorkomt Achtergebleven op exact de plaats waar de laatste gebruiker het heeft gedeponeerd, weggegooid of verloren Begraving met niet gecremeerd menselijk bot Een warmere periode tijdens een ijstijd (glaciaal) Laag gebied waar na overstroming van een rivier vaak water blijft staan en klei kan bezinken Waterweg waarbij het water vanuit zee of rivier onder invloed van het getijde inen uitstroomt Deel van een stroomgebied omgeven – en grotendeels opgebouwd – door een meander Door hydrostatische druk aan het oppervlakte treden van grondwater zie schor Een vervolgbare grondeenheid die op archeologische of geologische gronden als eenheid wordt onderscheiden Grondsoort die wordt gekenmerkt door een samenstelling van meer dan 50% silt, minder dan 50% zand en minder dan 25% klei de noordgrens van het Romeinse rijk Wetenschap die zich bezighoudt met de beschrijving en het ontstaan van de sedimentaire gesteenten Door de wind gevormde afzetting van zeer fijnkorrelig materiaal waarvan het overgrote deel van de korrels (60-85%) kleiner is dan 0,063 mm Kleideeltjes kleiner dan 0,002 mm Min of meer regelmatige lusvormige rivierbocht
(van rivieren of beken) Zich bochtig door het landschap slingeren Langgerekte rug langs een rivier of kreek, ontstaan doordat bij het buiten de oevers treden van de stroom het grovere materiaal het eerst bezinkt
28
IDDS Archeologie rapport 2378 Versie 1.2 (concept)
OSL-datering
oxidatie plaggendek plangebied Pleistoceen
podzol pollenanalyse
prehistorie rivierduin Saalien schor silt slak slik spieker strandvlakte strandwal
stratigrafie stroomgordel stroomrug
stuwwal terras (rivier-) vaaggronden vicus vindplaats Weichselien zavel zeldzaamheid
Dateringsmethode waarmee op grond van energieverval kan worden bepaald wanneer een fragment kwarts (zand) voor het laatst heeft blootgestaan aan direct zonlicht Reactie met zuurstof (roesten/corrosie bij metalen; ‘verbranding’ bij veen) Verhoogd bouwland, ontstaan door ophoging ten gevolge van bemesting. Voor de bemesting werden plaggen of met zand vermengde potstalmest opgebracht Gebied waarbinnen de realisering van de planvorming het bodemarchief kan bedreigen Geologisch tijdperk dat ca. 2,3 miljoen jaar geleden begon. Gedurende deze periode waren er sterke klimaatswisselingen van gematigd warm tot zeer koud (de vier bekende ijstijden). Na de laatste ijstijd begon het Holoceen (ca. 8800 voor Chr.) Goed ontwikkelde bodem in gebieden met veel neerslag De bestudering van fossiele stuifmeelkorrels en sporen waardoor een beeld van de vegetatiegeschiedenis gevormd kan worden. Uit de vegetatiegeschiedenis kan het klimaat worden gereconstrueerd Dat deel van de geschiedenis waarvan geen geschreven bronnen bewaard zijn gebleven Door verstuiving uit een riviervlakte hierlangs ontstaan duin (in Nederland meestal Weichselien of Vroeg Holoceen van ouderdom) Voorlaatste ijstijd, waarin het landijs tot in Nederland doordrong en de stuwwallen werden gevormd, ca.
200.00-130.000 jaar geleden Zandgrond in een getijdenwater; staat alleen onder water bij zeer hoog tij, begroeid Zeer fijn sediment met grootte 0,002-0,063 mm Steenachtig afval van metaal- of aardewerkproductie Zandgrond in een getijdenwater; staat onder water bij vloed en valt droog bij eb, kwelder onbegroeid; wad Op palen geplaatst opslaghuisje Groot vlak zandig gebied tussen twee strandwallen Langs de kust gevormde langgerekte zandrug die uitsteekt boven het gemiddelde hoogwaterniveau; geeft in Nederland de oude ligging van de kustlijn weer Opeenvolging van lagen in de bodem Het geheel van rivieroeverwal-, rivierbedding- en kronkelwaard-afzettingen, al dan niet met restgeul(en) Oude riviergeul die zodanig is opgehoogd met zandige afzettingen dat de rivier een nieuwe loop heeft gekregen; blijft door inklinking van de komgebieden als een rug in het landschap liggen Door de druk van het landijs in het Saalien opgedrukte rug van scheefgestelde preglaciale sedimenten Door een rivier verlaten en daarna versneden dalbodem Minerale gronden zonder duidelijke podzol-B-horizont, zonder briklaag en zonder minerale eerdlaag Een burgerlijke nederzetting uit de Romeinse tijd met een stedelijk karakter maar zonder stadsrechten Ruimtelijk begrensd gebied waarbinnen zich archeologische informatie bevindt Geologische periode (laatste ijstijd, waarin het landijs Nederland niet bereikte), ca.
120.000-10.000 jaar geleden Grondsoort die tussen 8 en 25% lutum (kleideeltjes kleiner dan 0,002 mm) bevat Mate waarin een bepaald type monument schaars is (of is geworden) voor een periode of in een gebied
29
Bijlage 4: Boorbeschrijvingen
Pagina 1 / 2
0
Boring:
1
Boring:
2
Boring:
3
Datum:
31-1-2020
Datum:
31-1-2020
Datum:
31-1-2020
X:
106318,00
X:
106328,88
X:
106329,59
Y:
451114,28
Y:
451125,75
Y:
451117,02
Hoogte (m NAP):
-1,64
Hoogte (m NAP):
-1,62
Hoogte (m NAP):
-1,53
-164
gazon
0
-162
Klei, sterk zandig, sterk humeus, bruin, Bijna veen, scherp
50
-214
gazon
0
-153
Klei, sterk zandig, sterk humeus, bruin, Bijna veen, geleidelijk
50
-212
Veen, mineraalarm, geleidelijk
gazon Klei, sterk zandig, sterk humeus, bruin, Bijna veen, geleidelijk
50
-203
Veen, mineraalarm, bruin, geleidelijk, rietveen, matig amorf
Veen, mineraalarm, bruin, geleidelijk, rietveen, matig amorf
-243
100
-264
100 Veen, mineraalarm, bruin, rietveen, zwak amorf
Veen, mineraalarm, bruin, Enkele lagen met hout tusse 100 en 200, scherp, rietveen, zwak amorf
100
-282
Veen, mineraalarm, bruin, 180-200 hout, scherp, rietveen, zwak amorf 150
200
-364
150
150
200
200
250
250
300
300
350
350
400
-562
400
-553
Klei, slap, matig siltig, lichtgrijs, Top 30 cm riet 1, kalkrijk
450
500
Klei, matig siltig, lichtgrijs, 420-440 zwak zandig, kalkrijk
450
-662
500
-653
Projectcode: 61801119 getekend volgens NEN 5104
Pagina 2 / 2
0
Boring:
4
Boring:
5
Datum:
31-1-2020
Datum:
31-1-2020
X:
106333,28
X:
106341,17
Y:
451120,56
Y:
451120,62
Hoogte (m NAP):
-1,78
Hoogte (m NAP):
-1,98
-178
gazon
0
-198
Klei, sterk zandig, sterk humeus, bruin, Bijna veen, veraard veen?, geleidelijk
50
100
-228
gazon Klei, sterk zandig, sterk humeus, bruin, Bijna veen, scherp, kalkloos
50
-258
Klei, sterk zandig, sterk humeus, matig puinhoudend, bruin, Bijna veen, veraard veen?, scherp
-278
Veen, mineraalarm, bruin, geleidelijk, rietveen, matig amorf
-278
Veen, mineraalarm, bruin, rietveen, zwak amorf
100
Veen, mineraalarm, bruin, rietveen, zwak amorf
150
200
150
-378
200
-398
Projectcode: 61801119 getekend volgens NEN 5104
Legenda (conform NEN 5104) grind
klei
geur
Grind, siltig
Klei, zwak siltig
Grind, zwak zandig
Klei, matig siltig
geen geur zwakke geur matige geur sterke geur
Grind, matig zandig
Klei, sterk siltig
Grind, sterk zandig
Klei, uiterst siltig
Grind, uiterst zandig
Klei, zwak zandig
uiterste geur
olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig
Klei, sterk zandig
zand
uiterste olie-water reactie
p.i.d.-waarde >0
Zand, kleiïg
>1 >10 Zand, zwak siltig
>100
leem
>1000
Zand, matig siltig
Leem, zwak zandig
>10000
Zand, sterk siltig
Leem, sterk zandig
monsters geroerd monster
Zand, uiterst siltig
overige toevoegingen zwak humeus
ongeroerd monster volumering
veen Veen, mineraalarm
matig humeus
overig bijzonder bestanddeel
Veen, zwak kleiïg
sterk humeus
Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand
Veen, sterk kleiïg
zwak grindig
Veen, zwak zandig
matig grindig
Veen, sterk zandig
sterk grindig
Gemiddeld laagste grondwaterstand slib
water
Legenda afkortingen Archeologische Boorbeschrijving (conform ASB 2008) Percentages en Mediaan Klasse Zandmediaan Uiterst fijn 63-105 µm Zeer fijn 105-150 µm Matig fijn 150-210 µm Matig grof 210-300 µm Zeer grof 300-420 µm Uiterst grof 420-2000 µm Nieuwvormingen (1=spoor, 2=weinig, 3=veel) Afkorting Nieuwvormingen FEC IJzerconcreties FFC Fosfaatconcreties FOV Fosfaatvlekken MNC Mangaanconcreties ROV Roestvlekken VIV Vivianiet VKZ Verkiezeling ZAV Zandverkittingen Bodemkundige interpretaties Code Bodemkundige interpretaties BOD Bodem BOV Bouwvoor ESG Esgrond GLE Gleyhorizont HIN Humusinspoeling INH Inspoelingshorizont KAT Katteklei KBR Klei, brokkelig LOO Loodzand MOE Moedermateriaal OMG Omgewerkte grond OPG Opgebrachte grond OXR Oxidatie-reductiegrens POD Podzol RYP Gerijpt TKL Top kalkloos TRP Terpaarde UIT Uitspoelingshorizont VEN Vegetatieniveau VNG Gelaagd vegetatieniveau VRG Vergraven
Bodemhorizont Code Bodemhorizont BHA A-horizont BHAB BHAC BHAE BHB BHBC BHC BHE BHEB BHO BHR
AB-horizont AC-horizont AE-horizont B-horizont BH-horizont C-horizont E-horizont EB-horizont O-horizont R-horizont
Omschrijving Minerale bovengrond Overgangshorizont Overgangshorizont Overgangshorizont Inspoelingshorizont Overgangshorizont Uitgangsmateriaal Uitspoelingshorizont Overgangshorizont Strooisellaag Vast gesteente
Sedimentaire karakteristiek, laaggrens Afkorting Afmeting Klasse overgangszone BDI ≥ 3,0 - < 10,0 cm Basis diffuus BGE ≥ 0,3 - < 3,0 cm Basis geleidelijk BSE < 0,3 cm Basis scherp Kalkgehalte Code Kalkgehalte CA1 Kalkloos CA2 Kalkarm CA3 kalkrijk Archeologische indicatoren (1=spoor, 2=weinig, 3=veel) Code Omschrijving AWF Aardewerkfragmenten BST Baksteen GLS Glas HKB Houtskoolbrokken HKS Houtskoolspikkels MXX Metaal OXBO Onverbrand bot OXBV Verbrand bot SGK Gebroken kwarts SLA Slakken/sintels SVU Vuursteen SXX Natuursteen VKL Verbrande klei VSR Visresten
Bijlage 5: Periodentabel