a. TAM-omgevingsplan Triangel I3 Motivering AANGEPAST
Tekst van het document
6.1.2 Onderzoek In september 2008 is het moederplan 'bestemmingsplan 'Park Triangel' vastgesteld. Het moederplan voorzag via diverse uitwerkingsplannen in de ontwikkeling van woonwijk Triangel. In relatie tot dit moederplan is in december 2005 een Milieueffectrapportage opgesteld, waarmee de milieueffecten van het totale plan in beeld zijn gebracht. Deze wijziging omgevingsplan is uitgewerkt conform de principes van de uitwerkingsregels van het moederplan 'Park Triangel'. Daarmee heeft de beoogde ontwikkeling in het plangebied, te weten de realisatie van woningbouw, een school, kinderopvang en overige maatschappelijke voorzieningen, op zichzelf en/of in cumulatie met andere ontwikkelingen, niet zodanige nadelige milieugevolgen dat hiervoor een milieueffectrapportage zou moeten worden doorlopen. Het bevoegd gezag wordt verzocht een dergelijk besluit te nemen.
6.1.3 Conclusie Gelet op het vorenstaande is geen milieueffectrapportage nodig.
6.2 Geluid 6.2.1 Wet- en regelgeving Geluid is een belangrijk onderdeel binnen de fysieke leefomgeving. Veel functies hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of worden eraan blootgesteld. Daarom zijn er regels opgenomen met betrekking tot het beheersen van geluid. Dit gaat over geluidsuitstraling van wegen, spoorwegen, industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. In de bruidsschat van de Omgevingswet zijn direct werkende regels opgenomen. Dit zijn regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In 31/56 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.TAMOPTriangeli3-0401 -
de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); Geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS). De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl).
6.2.2 Onderzoek Binnen fase 1 van het deelgebied Park Vredenburgh (I3) is de realisatie van nieuwe woningen voorzien. Daarnaast is voorzien in een aantal maatschappelijke voorzieningen zoals een school, een huisarts-gezondheidscentrum en een kinderdagverblijf. In dit geval is onderzoek uitgevoerd ten gevolge van wegen. Geluid van spoorwegen en industrieterreinen zijn in dit geval, gelet op de afstand, niet relevant. Het 'Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Park Vredenburgh I3 te Waddinxveen, WSP Nederland B.V. documentnummer SLM027463.RAP-001, versie 2 d.d. 17 april 2025' is opgenomen in Bijlage 2 van deze motivering. Doel van voorliggend onderzoek is om de geluidbelasting van de relevante wegen te bepalen en te toetsen aan de instructieregels uit het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl), Aanvullingswet geluid Omgevingswet en het gemeentelijk geluidbeleid. Ter plaatse van het plangebied is in eerste instantie een vrij veld grid geplaatst. Tevens zijn enkele rekenpunten op de grens van de bestemming gemodelleerd. Geconcludeerd is dat de geluidbelasting zowel als gevolg van de rijksweg als van de gemeentewegen binnen (een gedeelte van) de ontwikkellocatie hoger is dan de standaardwaarde van respectievelijk 50 en 53 dB. De grenswaarde van respectievelijk 60 en 70 dB wordt echter nergens overschreden.
Uit de berekening is tevens gebleken dat de Tweede Bloksweg, de Vredenburghlaan en de Beijerincklaan akoestisch niet relevant zijn voor de ontwikkellocatie aangezien de voorkeursgrenswaarde (Wgh) als gevolg van deze wegen overal wordt gerespecteerd. Geconcludeerd is ook dat zowel bron- als overdrachtsmaatregelen in de voorliggende situatie stuiten op bezwaren van technische, vervoerskundige of landschappelijke aard of als onvoldoende doelmatig kunnen worden beoordeeld. Ontvangermaatregelen worden in ieder geval getroffen op basis van de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Bevoegd gezag is op basis van bovenstaande afweging bevoegd om meer geluid toe te staan dan de standaardwaarde. Het bevoegd gezag staat meer geluid dan de standaardwaarde toe. Dit is in de regels van dit plan vastgelegd in artikel 10.3.1 en 12.3.1. De afweging hiertoe is opgenomen in Bijlage 1 van de regels. Daar waar hogere waarden zijn toegestaan dient bij de omgevingsvergunning te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de binnenwaarde van 33 dB. In een klein deel van het onderzoekgebied, aan de noordzijde (zie figuur 4-13 van het onderzoek) zijn nadere voorwaarden van toepassing om daarmee aan het gemeentelijk geluidbeleid te voldoen. Dit is geborgd in artikel 16.3.7 en 16.3.8 van de regels.
32/56 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.TAMOPTriangeli3-0401 -
6.2.3 Conclusie Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, met inachtneming van het voorgaande.
6.3 Luchtkwaliteit 6.3.1 Wet- en regelgeving Als mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Daarbij wordt getoetst op zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Bij vergunningverlening wordt beoordeeld of een aanvraag effect heeft op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. Anderzijds wordt beoordeeld of de nieuwe functie wenselijk is ten aanzien van de luchtkwaliteit ter plaatse. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied.
Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Regeling NIBM Een toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging. In juridische termen heet dat: niet in bekende maten (NIBM). Bij NIBM is het van belang dat kan worden gesteld dat de 3%-grens (toename concentratie NO2 en PM1) niet zal worden overschreden.
Bij deze onderstaande gevallen is een luchtkwaliteitsonderzoek niet meer nodig, te weten: Woningbouw: <1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en <3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. In alle overige gevallen of combinaties van bovenstaande grenzen zal middels een berekening moeten worden aangetoond of de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden. Ook bevat het Besluit NIBM een anticumulatiebepaling, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de 33/56 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.TAMOPTriangeli3-0401 -
luchtkwaliteit.
6.3.2 Onderzoek Het plan voorziet in het realiseren van woningen en maatschappelijke voorzieningen in de vorm van een school, kinderopvang en (para)medische zorg. Voor de gehele stedenbouwkundige uitwerking van het plangebied I3 heeft verkeerskundig onderzoek plaatsgevonden en zijn de verkeersgeneraties bepaald. Uitgaande de genoemde verkeersgeneratie blijkt dat voor de verkeersgeneratie voor de totale ontwikkeling van de woningen en de maatschappelijk voorzieningen uit wordt gegaan van maximaal 1.653 voertuigbewegingen per weekdag (zie onderstaande tabel). Functie
Weekdag
Methode
Huisartsenpraktijk
6 x 25,5 = 153
Cf. Crow uitgangspunten (sterk stedelijk, rest bebouwde kom, gemiddelde) (6 behandelkamers)
Halen en brengen basisschool 356 x 2 = 712
Verkeersgeneratie ochtendspits x 2 (middagspits)
Medewerkers basisschool
2x parkeerbehoefte basisschool (excl. K&R)
13,5 x 2 = 27
Medewerkers kinderdagverblijf 420/100 x 31,2 = 131 Cf. CROW uitgangspunten (sterk stedelijk, rest bebouwde kom, gemiddelde) Koop, huis, twee-onder-een-kap
8,2 x 12 = 98,4
Cf. CROW uitgangspunten (sterk stedelijk, rest bebouwde kom, gemiddelde)
Koop, huis, tussen/hoek
7,5 x 51 = 382,5
Cf. CROW uitgangspunten (sterk stedelijk, rest bebouwde kom, gemiddelde)
Huur, appartement, sociale huur
3,3 x 45 = 148,5
Cf. CROW uitgangspunten (sterk stedelijk, rest bebouwde kom, gemiddelde)
Totaal
1.653
Het aandeel vrachtverkeer is zeer beperkt. Uitgaande deze gegevens is uitgegaan van een scenario zonder omrekenfactor van 1.653 extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) met 1% aandeel vrachtverkeer. In onderstaande figuur zijn de rekenresultaten vanuit de NIBM-tool weergegeven. Geconcludeerd kan worden dat bij 1.653 extra voertuigbewegingen geen nader onderzoek nodig is. Pas bij 2.750 extra voertuigbewegingen per dag is mogelijk sprake van een in betekende mate bijdrage. Dat betekent dat er geen sprake is van een in betekende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit.
34/56 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.TAMOPTriangeli3-0401 -
Figuur 6.1: NIBM-tool aantal voertuigbewegingen. Uitgaande de berekening blijkt dat de maximale bijdrage door extra verkeer voor NO2 0,71 µg/m3 is. Voor PM10 is dit slechts 0,15 µg/m3. Dit is ruim minder dan de grenswaarden waardoor de bijdrage niet in betekende mate toevoegt. Er is geen nader onderzoek nodig. Om inzicht te geven in de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) benaderd. Hieruit blijkt dat op alle meetpunten (Monitoringsronde 2023) in de omgeving de concentratie N02 en PM10 < 35 µg/m3 en de PM 2,5 < 20 µg/m3 is.
Figuur 6-1 PM10 concentratie nabij toegang deelgebied I3
35/56 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.TAMOPTriangeli3-0401 -
Figuur 6-2 PM 2,5 concentratie nabij toegang deelgebied i3
6.3.3 Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.4 Activiteiten en milieuzonering 6.4.1 Wet- en regelgeving De Omgevingswet, die vanaf 1 januari 2024 van kracht is, brengt een integrale benadering van ruimtelijke ordening en milieubeheer. Een belangrijk aspect hiervan is milieuzonering, waarbij bedrijven en milieubelastende activiteiten worden gescheiden van milieugevoelige functies zoals woningen en scholen. Ten aanzien van het onderdeel activiteiten en milieuzonering is het plan getoetst aan de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering 2009'.
6.4.2 Onderzoek Beoordelingskader De VNG-publicatie is een algemeen geaccepteerd instrument om onder andere na te gaan of het aannemelijk is dat hinder kan worden verwacht (voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar) in situaties waar woningen dicht bij bedrijven worden voorzien of andersom. De VNG-publicatie geeft richtafstanden per bedrijfscategorie. Het toetsingskader uit de VNG-publicatie bestaat in totaal uit 4 stappen. In stap 1 wordt een afweging gemaakt op basis van de in de publicatie opgenomen richtafstanden. Deze richtafstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Indien sprake is van het omgevingstype 'gemengd gebied' mogen de richtafstanden met één stap worden verlaagd. Als voorbeeld: een richtafstand van 50 meter voor een rustige woonwijk wordt voor het gemengd gebied verkleind tot 30 meter. Indien woningen en andere geluidgevoelige gebouwen op kleinere afstand zijn gelegen dan de richtafstanden, kan in stap 2, 3 of 4 gemotiveerd worden afgeweken van de richtafstanden. Richtafstanden inrichtingen (stap 1) De milieucategorieën en daarbij horende richtafstanden worden voor verschillende type bedrijven vermeld in hoofdstuk 1 (lijst 1) van de VNG-publicatie.
De richtafstanden gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven toelaat en anderzijds de uiterste situering 36/56 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.TAMOPTriangeli3-0401 -
van de gevel van een gevoelig gebouw dat volgens het plan mogelijk is. De richtafstanden die in de lijst zijn opgenomen gelden voor het gebiedstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Binnen Park Vredenburg (I3) worden naast woningen ook maatschappelijke voorzieningen in de vorm van een school, een huisarts - gezondheidscentrum en een kinderdagverblijf voorzien. Daarnaast is het deelgebied gelegen aan de Zuidelijke Rondweg, één van de drukkere ontsluitingswegen van Waddinxveen, die gezien kan worden als hoofdinfrastructuur. Om deze reden wordt er gesteld dat er in dit deelgebied sprake is van functiemenging die niet passend is in het profiel van een 'rustige woonwijk' en kan worden gerechtvaardigd dat de richtafstanden met één stap worden verkleind, zoals bedoeld in de VNG-publicatie. In onderstaande tabel worden de van toepassing zijnde richtafstanden, zijnde de richtafstanden voor het omgevingstype gemengd gebied, weergegeven.
Figuur 6-3 Richtafstanden gemengd gebied Activiteiten in de omgeving van het plangebied In de omgeving van het plangebied (Vredenburgh I3) bevinden zich de volgende bedrijfsmatige activiteiten: Wagro Op basis van het vastgestelde bestemmingsplan 'Tweede Bloksweg 54b-58, Waddinxveen' heeft het bedrijfsperceel deel de milieucategorie 3.2 en deels 4.2. Voor bedrijven in milieucategorie 4.2 dient rekening te worden gehouden met een afstand van minimaal 200 meter in gemengd gebied (300 meter in rustig buitengebied). De afstand van het bedrijfsperceel tot de woonbestemming in dit plan betreft ruim 400 meter. Hiermee wordt ruim voldaan aan de afstand. Gelet op de bedrijfsactiviteiten van de Wagro, speelt het aspect geur een belangrijke rol. De juridische uitgangssituatie van Wagro betreft: I.
Op 8 oktober 2015 heeft Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland een revisievergunning verleend aan de Wagro (de oude vergunde situatie). II. Op 18 september 2024 heeft de gemeenteraad van Waddinxveen het bestemmingsplan vastgesteld die de bouw van een (composterings-)hal mogelijk maakt. Dit besluit is nog niet onherroepelijk. III. Op 19 september 2024 heeft GS een besluit genomen op de aanvraag omgevingsvergunning van de Wagro om de bestaande buitencompostering onder te brengen in een hal (een zogeheten tunnelcompostering). Dit besluit is nog niet onherroepelijk. Bij het bouwen van geurgevoelige gebouwen (waaronder woningen en onderwijsfunctie) moet rekening worden gehouden met de geurcontouren van omliggende bedrijven. Toetsing Gelet op de juridische situatie omtrent het vastgestelde bestemmingsplan en verleende 37/56 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.TAMOPTriangeli3-0401 -
omgevingsvergunning, die nog niet onherroepelijk zijn, is de situatie getoetst aan de oude vergunde situatie (2015) én vervolgens aan de nieuwe vergunde/bestemde situatie. Oude vergunde situatie (2015) In de oude vergunde situatie is het aanvaardbaar geurhinderniveau vastgesteld. De grootste geurcontour betreft de 6 OUE/m3 de 99,9-percentiel. Bij het vaststellen van dit bestemmingsplan wordt rekening gehouden met deze oude vergunde geurcontour, aangezien de nieuwe vergunde/bestemde situatie nog niet onherroepelijk is. Er worden geen geurgevoelige gebouwen (waaronder woningen en onderwijsfunctie) toegevoegd binnen deze contour. Op de gronden binnen die contour is de functie Groen opgenomen. Nieuwe vergunde/bestemde situatie Bij de vaststelling van bestemmingsplan voor Wagro is het aanvaardbaar hinderniveau gesteld op een waarde van 0,5 OUE/m3 als 98-percentiel. Hierover het volgende: I.
De gemeente heeft geen geurbeleid en kan in iedere situatie de afweging maken wat acceptabel is, binnen de grenzen van het geurbeleid van de provincie. II. Voor het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau is gebruik gemaakt van het geurhinderbeleid van de Provincie Zuid-Holland (Geurhinderbeleid provincie Zuid-Holland Actualisatie 2019). III. Het afwegingsgebied voor het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau ligt op basis van dit beleid tussen de hindergrens (0,5 OUE/m3) en de ernstige hindergrens (5 OUE/m3 als 98-percentiel). IV. Het geurhinderniveau van de oude vergunde situatie valt binnen het afwegingsgebied. V. Bij een uitbreiding van de productiecapaciteit van een bestaande installatie van Wagro met meer dan 50% moet het aanvaardbaar hinderniveau opnieuw worden vastgesteld (§4.2.1 van het provinciaal geurbeleid). VI. Bij het (opnieuw) vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau wordt rekening gehouden met de best beschikbare technieken (BBT). VII. De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan die de bouw van een (composterings-)hal van Wagro mogelijk maakt, beoordeeld dat door toepassing van BBT een geurhinderniveau van 0,5 OUE/m3 als 98-percentiel mogelijk is. VIII. De gemeenteraad heeft dit niveau voor de nieuwe (toekomstige) situatie vastgesteld als het aanvaardbaar hinderniveau. IX.
In de nieuwe (toekomstige) situatie wordt ter plaatse van de nieuwe woningen voldaan aan het geurhinderniveau van 0,5 OUE/m3 als 98-percentiel door toepassing van BBT. X. Er is zicht op de nieuwe (toekomstige) situatie omdat de vergunning is verleend (en in werking is) en het bestemmingsplan is vastgesteld (en in werking is) voor de bouw van een (composterings-)hal. Geconcludeerd wordt dat op basis van zowel de oude vergunde als de nieuwe vergunde situatie van Wagro wordt voldaan aan het daarbij behorende aanvaardbaar hinderniveau bij de geurgevoelige gebouwen én daardoor geen sprake is van onevenredige aantasting van de belangen van nabijgelegen bedrijvigheid. Bedrijventerrein Coenecoop Op bedrijventerrein Coenecoop is de vestiging van bedrijven in milieucategorie 3.1, 3.2 en 4.1 mogelijk. Langs de rand van bedrijventerrein Coenecoop is ten hoogste milieucategorie 3.2 toegestaan. Dit betekent dat kan worden uitgegaan van een richtafstand van 50 meter. De afstand tussen dit bedrijventerrein en het plangebied is ca. 800 meter. Er is dus sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Windmolens Distripark Op het Distripark, ten zuidwesten van het plangebied staan 4 windmolens. Windmolens kunnen in de omgeving overlast veroorzaken zoals slagschaduw, geluid en gevaar. 38/56 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.TAMOPTriangeli3-0401 -
Ten aanzien van gevaar (externe veiligheid) wordt verwezen naar paragraaf 6.5.2 en Bijlage 3, waarin de PR-contour van de windmolens is weergegeven en ruim buiten de plangrens liggen. Daarnaast is in onderstaande afbeelding de geluidsbelasting van de windmolens op de omgeving weergegeven, waarmee duidelijk is dat het plangebied op ruime afstande van de aangegeven geluidsemissies ligt.
Figuur 6-4 Geluid windturbines Op basis van eerder uitgevoerd onderzoek voor een ander deelgebied van Park Triangel, namelijk G1 en 2, kan worden geconcludeerd dat voor het plangebied van voorliggend plan geen onevenredige hinder ontstaat van slagschaduw. Er is geen nader onderzoek noodzakelijk. Gelet op de afstand en de situering van de windmolens tot het plangebied wordt geen relevante invloed verwacht. Agrarische activiteiten Ten zuiden van het projectgebied zijn bestemmingsplannen 'Vredenburghzone deelgebied Tweede Bloksweg' en 'Vredenburghzone fase 3' in procedure waarmee agrarische bouwvlakken zijn wegbestemd en de agrarische gronden worden omgezet naar de functies wonen en recreatie. Het grondgebonden agrarisch bedrijf aan de Tweede Bloksweg 48A behoudt de agrarische bestemming. Hier is bedrijvigheid van maximaal milieucategorie 3.2 mogelijk. Dit betekent dat kan worden uitgegaan van een richtafstand van 50 meter. De afstand tussen dit bedrijf en het projectgebied is ca. 200 meter. Er is dus sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De afstand tot agrarisch gronden waar gebruik van gewasbeschermingsmiddelen juridisch-planologisch toegestaan zijn liggen op circa 180 meter afstand van het plangebied, rekening houdend met de bestemmingsplannen 'Vredenburghzone deelgebied Tweede Bloksweg' en 'Vredenburghzone fase 3'.
Op basis van jurisprudentie dient minimaal 50 meter 39/56 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.TAMOPTriangeli3-0401 -
(spuitzone) te worden aangehouden. Er is dus sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Geconcludeerd wordt dat bestaande inrichtingen op voldoende grote afstand tot het plangebied zijn gelegen. Daarnaast zijn er reeds bestaande woningen op een kortere afstand ten opzichte van bovengenoemde activiteiten gelegen. Als gevolg van deze inrichtingen wordt dus geen hinder verwacht en is daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Activiteiten binnen het plangebied De voorziene ligging van de maatschappelijke voorzieningen (school, gezondheidscentrum, kinderdagverblijf) binnen Park Vredenburgh (I3) is weergegeven in onderstaand figuur. Voor deze maatschappelijke functies zijn de richtafstanden opgenomen in bijgaande tabel.
Figuur 6-4 Richtafstanden maatschappelijke functies binnen Park Vredenburgh (I3)
6.4.3 Conclusie en advies Vanuit het aspect activiteiten en milieuzonering is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.5 Externe veiligheid 6.5.1 Wet- en regelgeving Activiteiten zoals het opslaan, produceren, gebruiken en vervoeren van gevaarlijke stoffen leveren risico's op voor de omgeving. Hierbij is het aspect omgevingsveiligheid van belang. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een BOPA. Plaatsgebonden risico (PR) Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl).
Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl) Groepsrisico (GR) 40/56 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.TAMOPTriangeli3-0401 -
Groepsrisico gaat uit van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben namelijk van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). In een omgevingsplan is het niet verplicht om aandachtsgebieden op te nemen. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn er voor onder andere brand, explosie en gifwolken. Afhankelijk van de type activiteit zijn er voor aandachtsgebieden in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze rekenkundig te bepalen op grond van bijlage VII van het Bkl. Aandachtsgebieden worden verder kenbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Op de Atlas van de Leefomgeving zijn kaarten opgenomen voor externe veiligheidsrisico's. Binnen aandachtgebieden kan spraken zijn van een voorschriftengebied. Als een initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art 4.90 t/m 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen (scholen, kinderopvang, verzorgingstehuizen enz.) geldt altijd een voorschriftsgebied en daarmee aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
De gemeente kan verder aanvullende eisen stellen los van het voorschriftengebied in de omgevingsvergunning. Denk daarbij aan vluchtroutes en bereikbaarheid door hulpdiensten. De berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
6.5.2 Onderzoek Het 'Onderzoek externe veiligheid Park Vredenburgh I3 te Waddinxveen, WSP Nederland B.V. 24 september 2024' is opgenomen in Bijlage 3. Geconcludeerd wordt dat de aandachtsgebieden (en PR-contouren) van de nabijgelegen activiteiten met gevaarlijke stoffen niet reiken tot het projectgebied. Ook hoogspanningslijnen liggen op voldoende afstand van het projectgebied. Bijgevolg vormen de risicobronnen in de omgeving geen belemmering voor de realisatie van de nieuwe woningen en maatschappelijke voorzieningen binnen het deelgebied Park Vredenburgh (I3) van het Park Triangel in Waddinxveen.
6.5.3 Conclusie Vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.6 Bodem 6.6.1 Wet- en regelgeving Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is (met uitzondering van situaties die onder het overgangsrecht vallen) de sectorale bodemregelingeving van de Wet bodembescherming vervallen en is bodem integraal onderdeel van de fysieke leefomgeving uit het nieuwe wettelijke stelsel. Ook op het gebied van het toetsen van de bodemkwaliteit in relatie tot planontwikkeling zijn er veranderingen doorgevoerd. Voorheen moest bij de besluitvorming er al zicht zijn op de (financiële) haalbaarheid van het plan. Omdat een bodemverontreiniging een flinke financiële impact kan hebben, werd in dat kader al bij de planvorming bodemonderzoek verricht om een reële inschatting te kunnen maken van de bodemkwaliteit en de eventueel te maken kosten om die bodemkwaliteit geschikt te maken. 41/56 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.TAMOPTriangeli3-0401 -
In het stelsel van de Omgevingswet wordt bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties vaak volstaan met het in het omgevingsplan beschrijven onder welke voorwaarden (regels) medewerking kan worden verleend aan het realiseren van de beoogde functie. Die regels richten zich onder andere op het te verrichten bodemonderzoek, de voor de beoogde ontwikkeling geschikt geachte bodemkwaliteit en de te treffen maatregelen indien die kwaliteit wordt overschreden. Daarmee is het moment van het feitelijk bodemonderzoek verschoven van het moment van planvorming naar het moment dat de functie concreet wordt gerealiseerd. Bovenstaande laat zich het beste illustreren aan de hand van het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Een bodemgevoelige locatie is een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan. Bij het toelaten van een bodemgevoelig gebouw worden in het omgevingsplan regels opgenomen onder welke voorwaarden het bodemgevoelige gebouw mag worden gerealiseerd. Deze regels hebben onder andere betrekking op het uitvoeren van bodemonderzoek. De uitvoering van het bodemonderzoek vindt pas plaats in het kader van de bouwvergunning (het moment waarop de functie concreet gerealiseerd gaat worden).
6.6.2 Onderzoek Deelgebied I3 maakt onderdeel uit van bestemmingsplan "Triangel, Bestemmingsplan artikel 10 Waddinxveen". Dit betreft een plan met een uitwerkingsverplichting. Uit artikel 6, lid 1 sub a en sub h van het betreffende bestemmingsplan blijkt dat aan het plangebied al de bestemming "wonen met bijbehorende erven en tuinen" en "maatschappelijke voorzieningen" zijn toegekend. Daaraan is op basis van artikel 6, lid 2 sub p de uitwerkingsregel verbonden dat "uit bodemonderzoek moet blijken dat de bodem geschikt is voor de ter plaatse beoogde functies". Het voorgenoemde bestemmingsplan is sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Noch in het betreffende bestemmingsplan, noch in het omgevingsplan van de gemeente Waddinxveen wordt gespecificeerd wanneer "de bodem geschikt is" voor "wonen met bijbehorende erven en tuinen" en/of "maatschappelijke voorzieningen". Voor de beoogde maatschappelijke voorzieningen is er sprake van het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Paragraaf 22.2.7.2 van het tijdelijk Omgevingsplan stelt regels omtrent onderzoek, de toelaatbare kwaliteit van de bodem en de te treffen maatregelen indien uit onderzoek blijkt dat die waarde wordt overschreden.
Samengevat betekent dit dat: Voor realisatie van het bouwwerk moet bodemonderzoek worden uitgevoerd volgens paragraaf 5.2.2. van het Besluit activiteiten leefomgeving. De resultaten van het onderzoek moeten worden getoetst aan de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem. Deze wordt overschreden indien voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie in meer dan 25 m³ bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit. Het volumecriterium van 25 m³ is niet van toepassing voor een verontreiniging met asbest. Wanneer de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem wordt overschreden dienen er sanerende of andere beschermende maatregelen te worden getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Bovenstaande regels hebben betrekking op het gebouw en het direct daaraan grenzende aaneengesloten terrein. Ter plaatse van de te realiseren maatschappelijke voorzieningen zijn de volgende onderzoeken uitgevoerd: Eindonderzoek afvalbrengstation Waddinxveen, Geofoxx milieu expertise documentnummer 20211561_a1RAP, d.d. maart 2022 Actualiserend historisch vooronderzoek Park Vredenburgh te Waddinxveen, WSP Nederland B.V. documentnummer SOM020988.RAP001, d.d. 16 juni 2022; 42/56 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.TAMOPTriangeli3-0401 -
Uit de onderzoeken wordt aanbevolen om voorafgaand aan de ontwikkeling van de locatie een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 en een verkennend asbestonderzoek conform de NEN 5897 uit te voeren ter plaatse van het voormalige afbrengstation, danwel tijdens het bouwrijpmaken dit met inachtneming van voorgenoemde uitgangspunten in zijn geheel te verwijderen. Op het overige deel van de locatie wordt geen aanvullend onderzoek aanbevolen. Dit is deels in 2013 in voldoende mate onderzocht en sinds 2013 hebben geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden. Naar oordeel van WSP Nederland B.V. kan, met inachtneming van vorenstaande, voldaan worden aan: De uitwerkingsregel uit "Triangel, bestemmingsplan artikel 10 Waddinxveen"; Het gestelde in paragraaf 22.2.7.2 van het omgevingsplan van de gemeente Waddinxveen.
6.6.3 Conclusie Gelet op het vorenstaande vormt het aspect 'Bodem' naar verwachting geen belemmering voor het beoogde project.
6.7 Archeologie en cultuurhistorie 6.7.1 Wet- en regelgeving Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd: archeologisch erfgoed betreft onvervangbaar onderdeel van ons cultureel erfgoed. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming van het behoud van het cultureel erfgoed een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is verder opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
6.7.2 Onderzoek Ter plekke van het plangebied is, uitgaande het parapluplan archeologie en parkeren, geen archeologische waarden opgenomen. Archeologie vormt daarmee naar verwachting geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Archeologisch onderzoek is niet nodig. Daarnaast zijn ter plaatse geen cultuurhistorich waardevolle elementen bekend.
6.7.3 Conclusie Vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
43/56 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.TAMOPTriangeli3-0401 -
6.8 Ecologie 6.8.1 Wettelijk kader De bescherming van de natuur is in Nederland was voorheen wettelijk vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Met de komst van de Omgevingswet in 2024 is deze regeling opgenomen in de Aanvulingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. De Omgevingswet voorziet in de bescherming van Europese Natura 2000-gebieden, nationale natuurgebieden (NatuurNetwerk Nederland; het NNN) en (beschermde) flora en fauna. De basis wordt gevormd door de zorgplicht, waarin gesteld wordt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorg houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor alle in het wild levende dieren en planten: Dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel; de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zo veel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Soortenbescherming In de Omgevingswet, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn, op basis van internationale afspraken, drie beschermingsregimes opgesteld voor strikt beschermde soorten.
Tabel: Op hoofdlijnen de verboden per beschermingsregime Voor de eerste twee beschermingsregimes sluiten deze nauw aan bij de verboden en uitzonderingen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Elk van de drie beschermingsregimes kent zijn eigen soortenlijsten met daarbij eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of vergunningsverlening. Het nalaten van de zorgplicht (voor alle in het wild levende dieren) is een overtreding van de Omgevingswet en kan gevolgen hebben. Specifieke zorgplicht 44/56 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.TAMOPTriangeli3-0401 -
In Nederland zijn een tal aan soorten die dreigen te verdwijnen of al zijn verdwenen, deze soorten zijn opgenomen in Rode Lijsten. Een deel van de bedreigde soorten zijn opgenomen in de beschermingsregimes van de Omgevingswet. Met de specifieke zorgplicht worden soorten die zijn aangemerkt als bedreigd (Rode lijst-soorten), maar geen bescherming kennen onder de beschermingsregimes, aanvullend beschermd onder de Omgevingswet. Voorafgaand aan een activiteit dient te worden nagegaan of de ontwikkeling leidt tot een significant negatief effect op de aanwezige bedreigde soorten (zoals het verwijderen van essentieel leefgebied). Als negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, dan zullen mitigerende maatregelen moeten worden genomen ten aanzien van de bedreigde soort. Gebiedsbescherming Binnen Europa zijn natuurgebieden aangewezen met een landelijk overstijgend ecologisch belang, dit zijn de Natura 2000-gebieden. Het is verboden om een project te realiseren dat significante gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Binnen de Omgevingswet is de bescherming van de Nederlandse Natura 2000-gebieden geregeld in afdeling 11.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Het doel van de wetgeving is het behouden van de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten, habitattypen en andere planten- en diersoorten en waar nodig deze te herstellen of stimuleren. Om te bepalen of een project vergunningplichtig is, moet dus in een voortoets worden bepaald of het project significante gevolgen kan hebben. Daarom wordt in eerste instantie bepaald of het project tot een toename van de stikstofdepositie kan leiden en zo ja, of significant negatieve effecten als gevolg van de berekende toename in één of meerdere Natura 2000-gebieden op voorhand kunnen worden uitgesloten of niet. Als er geen toename wordt berekend, of als significante gevolgen in deze voortoets op voorhand kunnen worden uitgesloten, dan vormt de Wet natuurbescherming vanuit het aspect stikstofdepositie geen belemmering voor het verlenen van de aangevraagde omgevingsvergunning.
6.8.2 Onderzoek Soortenbescherming Ten aanzien van de ontwikkeling zijn diverse onderzoeken uitgevoerd in het kader van soortenbescherming onder de Omgevingswet. Voor deelgebied i3 heeft in 2022 al een Quickscan plaatsgevonden (WSP Milieu B.V. 2022 Quickscan Ecologie, Park Vredenburg SLM02936.RAP001, versie 001) en een nadere inspectie naar de rugstreeppad (WSP Milieu B.V., Bevindingen Ecologische Inspectie 2022). De resultaten uit deze eerdere QuickScans wezen uit dat het plangebied mogelijk een functie vervult voor de rugstreeppad en algemene broedvogels. Tijdens de verdere ecologische inspectie naar de rugstreeppad in 2022 zijn deze echter niet aangetroffen. Het gebied is sinds deze tijd niet onderhevig geweest aan veranderingen waardoor geen veranderingen aan functionaliteiten van beschermde natuurwaarden hebben plaatsgevonden. Daarom is enkel een actualisatie vanuit het bronnenonderzoek door middel van de Nationale Databank Flora en Fauna gedaan. Op 26 juni 2024 heeft een veldbezoek plaatsgevonden waarna het oorspronkelijke rapport uit 2022 is geactualiseerd met nieuwe bevindingen aan de hand van de nieuwe inzichten en de Omgevingswet. In Bijlage 5 is de actualisatie van de quickscan opgenomen.
Deze Quickscan vormt de eerste fase in het kader van toetsing van plannen in de buitenruimte aan de Omgevingswet met betrekking tot flora & fauna activiteiten en Natura 2000-activiteiten. Conclusies Quickscan Rugstreeppad Binnen het plangebied zijn enkele geschikte oppervlaktewateren aanwezig die kunnen dienen 45/56 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.TAMOPTriangeli3-0401 -
als voortplantingsbiotoop in de vorm van tijdelijke poelen. De watergangen rondom het plangebied zijn minder geschikt wegens stroming en diepte. Ook bevindt zich potentieel landen winterhabitat binnen het perceel, hoewel dit maar gering in aantal is. Dit bestaat uit braakliggend 'bouwrijp' terrein. Hierdoor zou in potentie de rugstreeppad wel voor kunnen komen in of nabij het plangebied. De rugstreeppad is een pionierssoort die in staat is om snel nieuwe gebieden, als bouwterreinen, te koloniseren. Op basis van het onderzoek en eerdere onderzoeken/inspecties kan met grote zekerheid worden geconcludeerd dat het plangebied momenteel (nog) niet is gekoloniseerd door rugstreeppadden. Dit is in de toekomstsituatie echter niet meer uit te sluiten. Hierdoor zullen maatregelen moeten worden getroffen binnen het plangebied om potentiële kolonisatie te voorkomen, sinds het gebied op dit moment een aantrekkende werking kan hebben waardoor het in het volgend jaar alsnog gekoloniseerd kan worden. Maatregelen om kolonisatie te voorkomen: Alle ontstane ondiepe waterplassen, als bij rijsporen en gegraven laagtes, dempen in de periode van begin april tot eind juli; Heuvels van licht vergraafbare grondsoorten zoals zand dienen volledig afgedekt te worden of te worden afgevoerd in de periode begin april tot eind juli.
Indien deze maatregelen tijdig getroffen worden is geen nader onderzoek noodzakelijk en is geen sprake van een overtreding van verbodsbepalingen. Verdere conclusies en aanbevelingen uit het rapport zijn: Flora en fauna activiteit Vaatplanten, reptielen, ongewervelden, vleermuizen, amfibieën en jaarrond beschermde nesten Voor dit onderdeel zijn geen vervolgstappen noodzakelijk. Steenmarter Naar aanleiding van de resultaten van de quickscan is een nader advies opgesteld door Bureau Schiltwacht vof. Dit advies is opgenomen in Bijlage 6. De opsteller van het advies heeft de afgelopen jaren meerdere ecologische onderzoeken verricht in de gemeente. In afgelopen jaar ook in en nabij het plangebied. Op basis van de resultaten van die onderzoeken, andere waarnemening en feitelijk omstandigheden kan worden geconcludeerd dat de aanwezigheid van steenmarters in het plangebied uitgesloten kan worden en geen essentieel leefgebied of vaste verblijfplaats verloren gaat. Deze conclusie is door de OMDH beoordeeld (Bijlage 7). Geconcludeerd dat het onderdeel soortenbescherming met het voorgenoemd advies voldoende is onderbouwd en dat geen nader onderzoek benodigd is voor de steenmarter. Algemene broedvogels De werkzaamheden dienen buiten de broedperiode (15 maart t/m 15 augustus) uitgevoerd te worden.
Mocht dit niet mogelijk zijn, dient voorafgaand van de werkzaamheden de werklocatie vrijgegeven te worden door een ecoloog. Indien zich een broedvogel vestigt op de bouwlocatie, dient contact opgenomen te worden met een ecoloog om te bespreken hoe te handelen. Alle soorten Voor alle overige soorten, ongeacht bescherming via natuurwetgeving, geldt de zorgplicht waarbij eenieder voldoende zorg in acht neemt voor de in het wild levende dieren en planten en 46/56 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.TAMOPTriangeli3-0401 -
hun directe leefomgeving. Houtopstanden Indien kapwerkzaamheden plaatsvinden aan bomen
Gemeentelijke (omgevings-)vergunning nodig bij 1. Monumentale, waardevolle of gemeentelijke bomen 2. Bomen van minimaal 1,3 meter hoogte boven het maaiveld én een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 20 centimeter. Hierbij komt mogelijk een meldings-, herplant- en instandhoudingsplicht aan bod. Natura 2000 activiteit en provinciaal natuurbeleid (NNN) Het plangebied is geen onderdeel van een beschermd natuurgebied en ligt op geruime afstand (8 kilometer) van het dichtstbijzijnde N-2000-gebied de 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein'. In de QuickScan is het volgende geconcludeerd: Middels een AERIUS-berekening dient te worden nagegaan of er sprake is van een negatief effect op Natura 2000-gebieden zijn als gevolg van stikstofdepositie. Dit onderzoek wordt hierna besproken. Er is geen sprake van een effect op NNN. Onderzoek stikstofdepositie Voor de ontwikkelingen is een Onderzoek stikstofdepositie (WSP, 8 oktober 2025, Onderzoek stikstofdepositie SLM027463.NOT-005-v2). Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 8. Met behulp van AERIUS Calculator is in dit onderzoek berekend of het project al dan niet tot een toename van de stikstofdepositie kan leiden in één of meerdere Natura 2000-gebieden.
Het gebruik van de nieuwe woningen en de nieuwe school met kinderdagverblijf en enkele zorgvoorzieningen binnen het plan ‘Park Vredenburgh’, onderdeel van de woonwijk ‘Park Triangel’, gelegen aan de Zuidelijke Rondweg in Waddinxveen, leidt niet tot een berekende toename van de stikstofdepositie en dus niet tot significant negatieve effecten in nabijgelegen Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie. Voor de bouwfase is onderzocht hoeveel emissie op jaarbasis niet leidt tot een berekende toename van de stikstofdepositie op deze Natura 2000-gebieden. Uitgaande van de inzet van STAGE IV-materieel (i.c.m. elektrisch materieel) zijn per jaar ca. 3.750 draai-uren op de bouwplaats toegestaan en kunnen minstens 2.500 personenwagens en 1.250 vrachtwagens naar de bouwplaats komen zonder dat dit een depositietoename veroorzaakt. Op basis van onze ervaring in soortgelijke bouwprojecten wordt geconcludeerd dat dit plan technisch en economisch uitvoerbaar is binnen de hierboven opgegeven randvoorwaarden ten aanzien van de stikstofemissie. Significante gevolgen voor beschermde habitats en hieraan gekoppelde soorten als gevolg van stikstofdepositie zijn daarmee op voorhand uit te sluiten. Geconcludeerd wordt dat het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt voor de vaststelling van het TAM-omgevingsplan.
6.8.3 Conclusie en advies Vanuit het aspect ecologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.9 Verkeer en parkeren Ten aanzien van deelgebied I3 heeft verkeerskundig onderzoek plaatsgevonden naar parkeren en de verkeersafwikkeling van de wijk. Dit onderzoek is toegevoegd als Bijlage 9 bij de motivering. Hieronder worden de conclusies van dat rapport besproken. 47/56 - vastgesteld - NL.IMRO.0627.TAMOPTriangeli3-0401 -
6.9.1 Verkeer Bereikbaarheid Autoverkeer De auto kan in een lus door de buurt rijden. Op twee plaatsen wordt de Park Vredenburgh vanuit de Zuidelijke Rondweg ontsloten. Voor de school is een kiss and ride strook opgenomen, die ligt tussen een in- en uitritten van de buurt. De hoofdentree is twee-richtingverkeer, de 2e uitrit is ten behoeve van de kiss and ride functie alleen de wijk uit gericht. De hulpdiensten kunnen van alle straten gebruikmaken. De breedte van de straten is derhalve ook goed toegankelijk voor vuilniswagens en verhuisauto. Voor de woningen aan de groene driesprong zijn er op drie plaatsen opstelplekken, waarvan er één in de groenruimte is gelegen. Alle woningen zijn binnen 40 meter bereikbaar vanaf een opstelplek. Fietsers en voetgangers De Zuidelijke Rondweg is op één punt oversteekbaar voor voetgangers en fietsen. In verband met de verkeersveiligheid niet gecombineerd met een afslag voor de auto. De fietser maakt in de buurt gebruik van de rijweg, zoals gebruikelijk in een 30km/u zone. Het fietsparkeren bij de school is verdeeld voor kinderen en leraren. De kinderen kunnen door de driesprong vlak bij het plein parkeren, zo kruisen zij niet het autoverkeer. De leraren staan aan de buitenzijde van de rijbaan. Langs de rijbaan die rondom is gesitueerd ligt aan één zijde een trottoir, aan de binnenzijde.
In het hart van het plan leidt een padenstructuur door de groene driesprong en geeft ook toegang tot de voordeuren van de woningen. Het pad door de driepsrong takt aan op het hoofdpad van de Vredenburghzone, het recreatieve uitloopgebied ten zuiden van het plangebied. Een struinpad dat gelegen is in de zone van de hoofdwaterleiding maakt de verbinding naar de Tweede Bloksweg. Verkeersafwikkeling De input voor de verkeersafwikkeling is tweeledig. Enerzijds is gebruik gemaakt van de tweeuurs spitsintensiteiten van de rotonde voor het prognosejaar 2040. Hierin is rekening gehouden met een autonome verkeersgroei bijvoorbeeld door economische vooruitgang en met reeds vastgestelde ontwikkelingen in de omgeving. Op basis van deze verkeersintensiteiten is de kwaliteit van de verkeersafwikkeling op de maatgevende perioden gesimuleerd, te weten: de ochtendspits van 7.00 t/m 9.00 uur en de avondspits van 16.00 t/m 18.00 uur. Vervolgens is de verkeersgeneratie van beoogde planontwikkeling hier bij opgeteld. Dat is allereerst gebeurd voor de woningen en het gezondheidscentrum. Het verkeer van en naar deze bestemmingen verspreid zich namelijk over de gehele spits. Vervolgens is het is belangrijk dat de ‘hyperspits’ van de school hierin wordt meegenomen. Enkel in het ochtendspitsuur vindt deze verkeersgeneratie gelijktijdig plaats met de reguliere spitsperiode.
De kwaliteit van de verkeersafwikkeling is uit te drukken in verliestijden en wachtrijlengtes. De verkeersgeneratie van de beoogde woningen leidt tot 60 mvt/ochtendspitsuur en circa 30 mvt in het drukste halfuur. In dezelfde periode bedraagt de verkeersgeneratie van de huisartsenpraktijk circa 24 mvt/half uur. Inclusief halen en brengen genereert de basisschool 356 verkeersbewegingen in het drukste half uur, waarmee de totale verkeersgeneratie in de hyperspits tijdens het ochtendspitsuur circa 410 mvt/half uur bedraagt. In dezelfde periode bedraagt de verkeersgeneratie per fiets circa 284 (koppels) die aankomen, en de helft vertrekt in dezelfde periode ook weer. In het prognosejaar 2040 (modelscenario Hoog) blijkt dat de rotonde tussen de Beijerincklaan en Zuidelijke Randweg reeds in de autonome situatie onvoldoende capaciteit heeft om het verkeer in het maatgevende ochtend- en avondspitsuur voldoende af te wikkelen. Dit uit zich in een lange wachtrij en een te hoge verliestijd. In de planvariant wordt de rotonde vooral in het ochtendspitsuur verder belast, waardoor de wachtrijlengtes en verliestijden verder toenemen.
48/56 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.TAMOPTriangeli3-0401 -
Om de kwaliteit van de verkeersafwikkeling te verbeteren wordt geadviseerd nader onderzoek te doen naar het vergroten van de capaciteit van de rotonde, bijvoorbeeld in de vorm van een meerstrooksrotonde of het mogelijk ombouwen van de rotonde tot een met verkeerslichten geregeld kruispunt. Gelet op de feit dat de ronde al in de autonome situatie onvoldoende capactiteit heeft, is dit onderzoek al voorzien. Na dit onderzoek kunnen aanpassingen gedaan worden, waardoor vervolgens een voldoende doorstroming ontstaat op de rotonde.
6.9.2 Parkeren Het stedenbouwkundig programma brengt op basis van de CROW de volgende (ongewogen) parkeerbehoefte met zich mee.
Gelet op de menging van functies in het deelgebied zijn vervolgens de aanwezigheidspercentages van de CROW toegepast. Op basis van de aanwezigheidspercentages is de maximale (gewogen) parkeervraag 146 parkeerplaatsen. Dit cijfer is exclusief het halen en brengen van de kinderen naar en van school en de KDV. Echter blijkt uit de parkeerbalans op basis van aanwezigheidscijfers dat tijdens deze momenten ook voldoende capaciteit aanwezig is in het gebied. Totaal worden 212 parkeerplaatsen gerealiseerd. De oplossing van het parkeervraagstuk gaat uit van een informeel rustig, dorps woonmilieu. In heel Park Triangel is er daarom gekozen voor een profielen van de woonstraten waar slechtsaan één zijde wordt geparkeerd, in de daartoe aangegeven vakken langs de weg. Bewoners en bezoekers parkeren langs de straat of in één van de twee parkeerhoven. De twee-onder-één-kap-woningen hebben ieder twee parkeerplaatsen op eigen terrein. Voor de school is een kiss and ride strook aangelegd. Daarnaast wordt een tijdelijke parkeerveld gerealiseerd ter plaatse van fase 2. Wanneer ook fase 2 ontwikkeld wordt, zullen de aantallen parkeerplaatsen van het tijdelijke parkeerveld in het ontwerp van dat plandeel worden opgenomen.
49/56 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.TAMOPTriangeli3-0401 -
6.9.3 Conclusie Vanuit het aspect verkeer en parkeren is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.10
Duurzaamheid en gezondheid
6.10.1
Wet- en regelgeving
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Duurzaamheidthema's zoals energie- en waterbesparing, aandacht voor langzaam verkeer en groenvoorzieningen, zuinig grondstoffengebruik (circulariteit), efficiënt ruimtegebruik en duurzaam bouwen, zullen met name bij nieuwbouwplannen en herinrichting een belangrijke plaats toegekend krijgen. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) ziet onder andere toe op bepaalde kwaliteitseisen van nieuwbouw.
6.10.2
Onderzoek
In het openbaar gebied is bij elke plek een bijpassende groenvoorziening. Een belangrijk element in het ontwerp van de buurt is de groene driesprong, een autovrij gebied tussen de woningen en de maatschappelijke voorzieningen. Door het gebruik als wandel- en fietsverbinding en de indeling met gazonnen met bomen zorgt voor een ontmoetingsplek. Daarnaast is in het inrichtingsplan rekening gehouden met een bomenstructuur langs de wegen en in openbare ruimten. Deze groene inrichting met mogelijkheid voor ontmoeting en goede langzaam verkeerverbindingen zullen een positieve impact hebben op het gezondsaspect. De nieuwe bebouwing voldoet aan de recenste duurzaamheidseisen. Tevens zorgen de maatschappelijke voorzieningen voor veel woningen in de omgeving voor een beperking van reisafstand.
6.10.3
Conclusie
Vanuit het aspect duurzaamheid en gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
6.11
Trillingen
6.11.1
Wet- en regelgeving
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de 50/56 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.TAMOPTriangeli3-0401 -
Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven.
6.11.2
Onderzoek
In dit geval is geen sprake van een bron van trillingshinder in of nabij het plangebied.
6.11.3
Conclusie
Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.12
Kabels & leidingen
Binnen het plangebied is een belangrijke drinkwaterleiding (PE915mm) aanwezig, waarmee rekening dient te worden gehouden. Dergelijke belangrijke leidingen dienen beschermd te worden ten behoeve van de veiligstelling van de drinkwatervoorziening. De bescherming is gewaarborgd in artikel 18. Voor het overige zijn geen relevante kabels en leidingen aanwezig in het plangebied.
51/56 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.TAMOPTriangeli3-0401 -
Hoofdstuk 7 Juridische toelichting 7.1 Omgevingsplan Tijdelijk omgevingsplan Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet (1 januari 2024) worden de 'oude' bestemmingsplannen samen met de gedecentraliseerde rijksregels (de 'Bruidsschat') en gemeentelijke verordeningen van rechtswege onderdeel van het omgevingsplan. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het tijdelijk deel van het omgevingsplan en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan voor het gehele gemeentelijk grondgebied. Het omzetten van ruimtelijke regels van het tijdelijk deel naar het nieuwe deel van het omgevingsplan kan per locatie. Een gemeente bepaalt zelf hoe groot zo'n locatie is. Ze hoeft dus niet in 1 keer voor het hele grondgebied de regels om te zetten. Als een ruimtelijke regel voor een locatie vervalt in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, moeten alle ruimtelijke regels voor die locatie vervallen (artikel 22.6, lid 1, van de Omgevingswet). Het opnemen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan gebeurt met een wijzigingsbesluit van de gemeente. De regels in zo'n besluit moeten voldoen aan de eisen van de Omgevingswet. TAM-omgevingsplan Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de omgevingswet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket.
Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl terwijl de inhoudelijk juridische invulling voldoet aan de regels in de Omgevingswet. Deze werkwijze is toegepast voor dit TAM-omgevingsplan. De planregels van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van rechtswege worden met dit TAM-IMROomgevingsplan gewijzigd.
7.2 Hoofdstukindeling De volgende hoofdstukken zijn opgenomen: Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen De regeling start met een préambule. Deze geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan als onderdeel van en in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Daarnaast zijn de algemene regels opgenomen waaronder het toepassingsbereik, begripsbepalingen, wijze van meten, het algemeen gebruiksverbod, algemene bouwregels en algemene omgevingsplanactiviteiten. Hoofdstuk 2 Toegestane activiteiten en/of functies Bevat de planregels in verband met de bepalingen met betrekking tot de toegelaten gebruiksactiviteiten of functies, oftewel, waar mag je de locatie voor gebruiken. In dit geval zijn de functies Woongebied, Maatschappelijk en Verkeer opgenomen. Hoofdstuk 3 Ruimtelijke bouwactiviteiten Bevat de bepalingen met betrekking tot ruimtelijke bouwactiviteiten. De bouwregels geven een antwoord op de vraag wat op de locatie gebouwd mag worden met bijbehorende maatvoering. 52/56 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.TAMOPTriangeli3-0401 -
Hoofdstuk 4 Beperkte gebieden Gaat over aanwijzingen, beschermingszones en beperkingengebieden. Dat betreft in de deze situatie bepalingen voor de bescherming voor het gebied dat is aangewezen als belemmeringsstrook voor een waterleiding.
7.3 Werkingsgebieden Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, voet- en fietspaden, ontsluitingswegen en -paden, fietsenstallingen, parkeervoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, kunstwerken, speeltoestellen en -voorzieningen, nutsvoorzieningen, (ondergrondse) afvalinzameling, en objecten van beeldende kunst. Gebouwen zijn niet toegestaan. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden maximale bouwhoogtes. Woongebied De voor 'Woongebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen in de vorm van grondgebonden en gestapelde woningen, aan-huis-verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten en voorzieningen ten behoeve van het opwekken van energie. Totaal zijn binnen het Woongebied maximaal 108 woningen toegestaan, in de vorm van grondgebonden en gestapelde woningen. Gestapelde woningen zijn echter alleen toegestaan binnen de het aangeduide gebied 'gestapeld'. De maximale goot- en bouwhoogte van grondgebonden woningen is 7 meter en 12 meter. De maximale bouwhoogte van gestapelde woningen is 19 meter. Er mag alleen worden gebouwd indien wordt voldaan aan het beeldkwaliteitsplan, zoals opgenomen in bijlage 1 van de regels. Voor de beoogde stedebouwkundige accenten, veranda's en pergola's is een omgevingsvergunningsplicht opgenomen. Deze zaken zijn enkel toegestaan indien wordt voldaan aan de beoordelingsregels.