CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

2 Nota van beantwoording zienswijzen

Besluitvormende raadsvergadering 18 september 2024, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Tweede Bloksweg 54b - 58, Wagro7.564 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nota van beantwoording zienswijzen naar aanleiding van de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan ‘Tweede Bloksweg 54b-58, Waddinxveen’

Gemeente Waddinxveen Afdeling Ruimte Datum:20-08-2024

1

Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1 Aanleiding Dit bestemmingsplan is opgesteld om het oprichten van bedrijfshallen en de inname van afval/grondstromen mogelijk te maken. In een hal wordt onder gecontroleerde omstandigheden groen gecomposteerd. Daarnaast wordt tuinbouw gerelateerd afval, sloop- en bouwafval en houtachtige materialen in een hal verwerkt. Een totale inname van 764.500 ton aan afval en de verwerking daarvan is in dit bestemmingsplan vastgelegd. De totale inname aan afval/grondstromen verdubbelt ten opzichte van de huidige vergunde, maar niet planologisch geborgde situatie. Hierdoor kan de Wagro meer producten maken van de grondstromen die binnenkomen. Door de processen waar geur bij vrijkomt onder te brengen in een hal is geuroverlast in de toekomst onwaarschijnlijk. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan ‘Tweede Bloksweg 54b-58, Waddinxveen’ heeft met ingang van 27 december 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tevens is het ontwerpbestemmingsplan gedurende deze periode digitaal raadpleegbaar geweest op www.ruimtelijkeplannen.nl (tot en met 31 december 2023) en omgevingswet.overheid.nl (NL.IMRO.0627.BPtweedeblokswg54b-0301). Eenieder is daarbij in de gelegenheid gesteld om naar aanleiding van het ontwerpbestemmingsplan – mondeling of schriftelijk – een zienswijze in te dienen.

Gedurende de termijn van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan zijn zes (schriftelijke) zienswijzen ontvangen. 1.2 Ontvankelijkheid zienswijzen Ten aanzien van de ontvankelijkheid: De zienswijzen zijn binnen de termijn van tervisielegging ontvangen. Twee zienswijzen zijn aan de gemeenteraad gericht. De overige zienswijzen zijn per email ingediend in plaats van aan de gemeenteraad. Deze zijn overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.3 van de Algemene wet bestuursrecht doorgeleid naar de gemeenteraad. De zienswijzen zijn ontvankelijk. Ten aanzien van de inhoud: De ingekomen zienswijzen naar aanleiding van het ontwerpbestemmingsplan zijn samengevat en beantwoord in hoofdstuk 2. Per onderdeel van de zienswijze is aangegeven of deze al dan niet gegrond is en of het plan wordt gewijzigd. 1.3 Algemene Verordening Persoonsgegevens In deze Nota beantwoording zienswijzen zijn de NAW-gegevens (naam, adres, woonplaats) van bepaalde indieners van zienswijzen weggelaten. Dit weglaten, de ‘anonimiseringsverplichting’, vloeit voort uit de Algemene verordening persoonsgegevens (AVG). Daarin is bepaald dat NAW-gegevens van natuurlijke personen niet elektronisch beschikbaar mogen zijn. Dit geldt niet voor ondernemingen die behoren tot een rechtspersoon (bijvoorbeeld een B.V. of een v.o.f.) en voor personen die beroepsmatig betrokken zijn bij de procedure.

De NAW-gegevens van de indieners zijn wel bekend bij de gemeente. Wel valt uit de Nota beantwoording zienswijzen te herleiden op welke locatie de zienswijze betrekking heeft. Dit heeft er mee te maken dat de locatie benodigd 2

is voor een goede beantwoording van de zienswijze en het daarmee samenhangende af te wegen belang. 1.4 Overige wijzigingsvoorstellen In hoofdstuk 3 zijn de ambtshalve aanpassingen in het ontwerpbestemmingsplan beschreven die niet het gevolg zijn van ingediende zienswijzen.

3

Hoofdstuk 2

Beantwoording zienswijzen

Algemene inleiding Uit de verschillende zienswijzen komt naar voren dat zorgen bestaan over de vraag in hoeverre met een verdubbeling van de hoeveelheid te accepteren afvalstoffen toch een afname aan ervaren overlast, in het bijzonder geurhinder, zal worden gerealiseerd. In het verleden heeft de gemeenteraad het aanvaardbaar geacht dat in 98% werd voldaan aan 1,5 odourunits per kubieke meter lucht. Inmiddels acht de gemeenteraad – mede vanwege de klachten van omwonenden – dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig is als in 98% wordt voldaan aan 0,5 odourunits per kubieke meter. Dit kan enkel gerealiseerd worden als niet langer sprake is van composteren in de open lucht. De compostering dient dan ook inpandig plaats te vinden (in tunnels) met onderdruk en daarbij bewezen aanvullende technieken (gaswasser en biofilter met schoorsteen). Op die manier voldoet de uitstoot van geur aan de norm van 0,5 odourunits per kubieke meter bij 98%. In de aan het bestemmingsplan ten grondslag liggende omgevingsonderzoeken is uitgegaan van een grotere hoeveelheid te accepteren afvalstoffen die grotendeels inpandig zullen worden verwerkt. Door deze inpandige verwerking wordt een afname van milieueffecten gerealiseerd ten opzichte van de huidige planologisch toegestane situatie.

De gemeente heeft zich ervan vergewist dat de onderzoeken, die ten grondslag liggen aan dit bestemmingsplan, op de juiste wijze zijn uitgevoerd en dat de resultaten kloppen. De gemeenteraad acht dat daarmee sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, waarbij tevens een verbetering ten opzichte van de huidige toegestane situatie mogelijk wordt gemaakt. Hieronder worden de individuele zienswijzen besproken en voorzien van een reactie. Nr. Samenvatting zienswijze 1 a.

Zienswijze 1 Is er gekeken naar de uitstoot van de gassen bij het afgeven van de vergunningen (hoeveelheid en mogelijke stoffen die worden uitgestoot).

Reactie gemeente

Conclusie

Voorafgaand aan de terinzagelegging van het De zienswijze geeft geen aanleiding tot ontwerpbestemmingsplan heeft het college een aanpassing van het bestemmingsplan. m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen waarbij de milieueffecten van het bestemmingsplan in kaart zijn gebracht. In dit m.e.r.-beoordelingsbesluit is een vergelijking gemaakt van de huidige planologische situatie en de toekomstige planologische situatie. Daarvoor zijn onderzoeken opgesteld. In deze onderzoeken is gekeken naar de uitstoot van verschillende stoffen. De emissies zijn getoetst door de gemeente en voldoen ruim 4

b.

c.

d.

aan de gestelde toetsingsgrenzen. In deze onderzoeken is ook gekeken naar de effecten van de samenloop met andere door de gemeente vastgestelde ontwikkelingen in de omgeving. De omgevingsvergunning voor het in werking hebben van de inrichting wordt verleend door ODMH namens Gedeputeerde Staten van ZuidHolland. De emissieonderzoeken bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn hetzelfde als bij de toelichting van dit bestemmingsplan. Is er gekeken naar de milieueffecten voor het milieu en de Zie antwoord 1.a. De zienswijze geeft geen aanleiding tot mens? aanpassing van het bestemmingsplan. Is de gemeente er zich van bewust dat er al veel overlast De gemeente is zich bewust van de huidige is van de Wagro? overlast. Met voorliggend bestemmingsplan wordt het mogelijk gemaakt om de bedrijfsvoering ingrijpend te wijzigen en tevens het woon- en leefklimaat te verbeteren, waaronder het terugdringen van geuroverlast, zoals toegelicht in de algemene inleiding. Heeft de gemeente inspraak gehouden onder de De gemeente heeft Wagro gevraagd om bewoners? informatiebijeenkomsten te organiseren voor de omgeving, waaraan Wagro heeft voldaan door voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan diverse informatiebijeenkomsten te houden waaraan telkens 10 tot 12 personen hebben deelgenomen.

Ook tijdens en na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan heeft Wagro informatiebijeenkomsten georganiseerd. Naar onze mening is voorzien in voldoende participatiemogelijkheden bij de totstandkoming van het plan. Het participatieproces voldoet aan de verplichtingen die de wet daaraan stelt. Het

De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

5

ontwerpbestemmingsplan is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Een ieder is in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen over het (ontwerp van het) bestemmingsplan. Er bestaat voor het gemeentebestuur geen andere wettelijke verplichting om voorafgaand aan de planvaststelling in overleg te treden over de plannen van de initiatiefnemer (dit is ook bevestigd door de Voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak in een recente uitspraak van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:699, r.o. 5.3). e.

Betreft het buiten de uitbreiding om ook een biomassacentrale voor verbranding?

Voor de biomassacentrale voor verbranding is op De zienswijze geeft geen aanleiding tot 13 juli 2018 een omgevingsvergunning verleend. aanpassing van het bestemmingsplan. Op grond van vaste rechtspraak dient in dat geval bij vaststelling van een nieuw bestemmingsplan een omgevingsvergunning te worden overgenomen in het bestemmingsplan. Slechts als door ingrijpende wijziging van omstandigheden niet langer meer sprake is van een goede ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad een reeds vergunde en toegestane activiteit niet meenemen in een nieuw bestemmingsplan. In dit geval is nog steeds sprake van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat is aangetoond in de uitgevoerde omgevingsonderzoeken. Daarom is deze biomassacentrale ook in dit bestemmingsplan bij recht meegenomen.

2 a.

Zienswijze 2 Indiener is het er niet mee eens dat de Wagro zal worden Met voorliggend plan wordt het mogelijk gemaakt De zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van uitgebreid. Als bewoner van de Triangel heeft hij al soms om de bedrijfsvoering ingrijpend te wijzigen en het bestemmingsplan. Onder 6.g is opgenomen 6

dagelijks overlast van stank en geur van de Wagro. Als die nog zal verdubbelen zal zijn woonplezier hier nog meer afnemen. Hij vindt het niet kunnen dat dit zo dichtbij een woonwijk wordt gerealiseerd en wil hier een stokje voor steken.

3 a.

Zienswijze 3 Het beleid van het Hoogheemraadschap stelt dat er in geval van een toename van verharding moet worden getoetst of er watercompensatie moet worden gegraven. Hierbij geldt dat verharding die meer dan vijf jaar is verwijderd redelijkerwijs niet meer meetelt als bestaande verharding. In de tekeningen van de landschapsarchitect lijkt het er nu op dat de uitbreiding plaatsvindt op onverhard terrein terwijl er geen watercompensatie wordt gegraven. Door de uitbreiding van het bedrijventerrein mag geen wateroverlastopgave ontstaan. Om dat te borgen moet er voldoende drooglegging worden gerealiseerd.

4 a.

Zienswijze 4 Indiener vreest dat het plan geuroverlast en fijn stofemissie veroorzaakt.

tevens het woon- en leefklimaat te verbeteren, hoe het verbod op buiten composteren wordt zoals ook is toegelicht in de algemene inleiding. geborgd in de regels. In de regels van het bestemmingsplan zal, mede naar aanleiding van ingekomen zienswijzen, een verbod worden opgenomen om nog langer te composteren in de open lucht na realiseren en in gebruik nemen van de tunnelcompostering. Dit is nader toegelicht in onze reactie onder 6.g. Kortheidshalve verwijzen wij hiernaar.

De bedrijfsactiviteiten van de Wagro vinden reeds De zienswijze geeft geen aanleiding tot plaats op verhard terrein. In de nieuwe situatie is aanpassing van het bestemmingsplan. dat niet anders. Aan de randen van het plangebied wordt het terrein groen aangekleed overeenkomstig het door een landschapsarchitect vervaardigde beplantingsplan. Dit betekent dat het verhard terrein ten opzichte van de huidige feitelijke situatie niet toeneemt, zodat op grond van de richtlijnen van het Hoogheemraadschap geen watercompensatie nodig is. Evenmin zal er sprake zijn van risico’s voor wateroverlast.

Voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan heeft het college een m.e.r-beoordelingsbesluit genomen waarbij de milieueffecten van het bestemmingsplan in kaart zijn gebracht. In dit m.e.r.-beoordelingsbesluit is een vergelijking gemaakt van de huidige planologische situatie en de toekomstige

De zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. Onder 6.g is opgenomen hoe het verbod op buiten composteren wordt geborgd in de regels.

7

planologische situatie. Daarvoor zijn onderzoeken opgesteld. In deze onderzoeken is gekeken naar de uitstoot van verschillende stoffen. De emissies zijn getoetst door de gemeente en voldoen ruim aan de gestelde toetsingsgrenzen. In deze onderzoeken is ook gekeken naar de effecten van de samenloop met andere door de gemeente vastgestelde ontwikkelingen in de omgeving. Met voorliggend bestemmingsplan wordt het mogelijk gemaakt om de bedrijfsvoering ingrijpend te wijzigen, waardoor het woon- en leefklimaat verbetert. Zoals hierna in onze reactie onder 6.g is aangegeven, zal in het bestemmingsplan een verbod worden opgenomen om nog langer te composteren in de open lucht na realiseren en in gebruik nemen van de tunnelcompostering. Met deze maatregel wordt tegemoetgekomen aan de zienswijze om geuroverlast te beperken. 5 . a.

Zienswijze 5 –

Door het realiseren van de hal waarin de verwerkingen Het bestemmingsplan vormt het ruimtelijk kader De zienswijze geeft geen aanleiding tot waarbinnen activiteiten zijn toegestaan. Aan het aanpassing van het bestemmingsplan. gaan plaatsvinden samen met de gaswasser en bio bestemmingsplan ligt een geuronderzoek ten filter is de verwachting dat de geurbelasting in deze grondslag waarbij is onderbouwd dat met het situatie naar een "aanvaardbaar geurhinderniveau" realiseren van een hal de huidige geurbelasting gaan. Hoe wordt dit gemeten, hebben omwonenden die hiervan structureel overlast ondervinden hier ook op de omgeving afneemt. De uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het geuronderzoek zijn een inbreng? Of wordt dit aan de hand van metingen reëel en aannemelijk. De zienswijze geeft geen vastgesteld. De voorkeur van indiener is om altijd bij aanleiding voor een andersluidend oordeel. De de omwonenden te toetsen of de nieuwe situatie ook gemeenteraad meent dan ook dat met dit daadwerkelijk leidt tot een verbetering. bestemmingsplan sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

8

Wagro heeft tevens een aanvraag om een omgevingsvergunning milieu ingediend om daadwerkelijk de activiteiten te kunnen uitvoeren. Gedeputeerde staten van de provincie ZuidHolland zijn bevoegd tot het verlenen van deze vergunning. In deze vergunning, waarvan het ontwerp tegelijkertijd ter inzage heeft gelegen, is de wijze van monitoring opgenomen conform artikel 5.5 van het Besluit omgevingsrecht en gebaseerd op wettelijk voorgeschreven normen. b.

Zijn er bedrijven waar een zelfde soort situatie is gerealiseerd (hal met bio filter en gaswasser) waarbij gekeken kan worden naar de uitkomsten/conclusies?

In Nederland zijn meerdere (> 10) inpandige De zienswijze geeft geen aanleiding tot composteerbedrijven met gaswasser en biofilter. aanpassing van het bestemmingsplan. Binnen de Europese Unie zijn er nog meer. Op grond van het Europees recht moet een dergelijk bedrijf de best beschikbare technieken toepassen. De informatie daarover en de technieken zijn te vinden in de BREF Afvalbehandeling. De daarin beschreven informatie en technieken zijn als uitgangspunt gehanteerd in de onderzoeken die ten grondslag liggen aan het ontwerpbestemmingsplan en aan de aanvraag om een omgevingsvergunning De uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de uitgevoerde omgevingsonderzoeken zijn reëel en aannemelijk. De zienswijze geeft geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. Aanvullend op de voorgeschreven technieken wordt door het bedrijf een schoorsteen toegepast, waarvan vaststaat dat deze aanvullende techniek zorgt voor een mindere geurbelasting bij omwonenden.

9

c.

Als gemeente Waddinxveen zou indiener het onderzoek De gemeente Waddinxveen heeft alle De zienswijze geeft geen aanleiding tot onafhankelijk laten uitvoeren in opdracht van gemeente onderzoeken ter beoordeling voorgelegd aan de aanpassing van het bestemmingsplan. Waddinxveen. Nu is het onderzoek uitgevoerd in opdracht in haar opdracht werkende Omgevingsdienst van Wagro, hoe weten we dat het geheel onafhankelijk is Midden-Holland (ODMH). De beoordeling van het uitgevoerd? onderzoek naar de stikstofdepositie heeft de ODMH laten uitvoeren door de Omgevingsdienst Haaglanden. De gemeente heeft zich ervan vergewist dat de onderzoeken op de juiste wijze zijn uitgevoerd en dat de resultaten kloppen.

d.

Over de nieuwe situatie gesproken is het natuurlijk van de zotten dat er vooraf al wordt ingestemd dat Wagro haar verwerkingscapaciteit mag verdubbelen, zonder dat omwonenden weten dat deze situatie ook daadwerkelijk een verbetering gaat zijn!

e.

Hoe dan ook moet Wagro pas meer verwerkingscapaciteit Zoals hiervoor onder 5.b en 5.e is aangegeven, De zienswijze geeft geen aanleiding tot krijgen, nadat er is bewezen dat de nieuwe situatie dienen best beschikbare technieken te worden aanpassing van het bestemmingsplan. succesvol is gebleken. En dit moet gebeuren mét inbreng toegepast en wordt dit ook voorgeschreven in de vanuit de omwonenden en niet alleen met metingen vanuit omgevingsvergunning milieu. Deze technieken de hal/fabriek. worden al elders toegepast. De gemeente heeft zich ervan vergewist dat de onderzoeken, die ten grondslag liggen aan dit bestemmingsplan, op de juiste wijze zijn uitgevoerd en dat de resultaten kloppen.

6

Zienswijze 6 TeekensKarsten Advocaten notarissen te Leiden namens een aantal cliënten Indiener verwijst in eerste instantie naar het hoger beroepschrift van 11 mei 2023, dat wordt herhaald en ingelast.

a.

Uitgangspunt van de gemeenteraad is dat enkel De zienswijze geeft geen aanleiding tot wordt ingestemd met deze planwijziging, indien aanpassing van het bestemmingsplan. hiermee de bestaande situatie verbetert. Het niet instemmen met deze planwijziging, betekent het blijven voortduren van de huidige situatie (te weten composteren in de open lucht), waarvan de gemeenteraad meent dat deze niet langer gewenst is.

De in dit hoger beroepschrift opgenomen beroepsgronden komen terug in de ingediende zienswijzen en worden daar beantwoord.

Zie beantwoording verdere zienswijzen.

10

b.

Het plan maakt het mogelijk dat alle soorten bedrijven tot en met categorie 4.2 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten kunnen worden gerealiseerd. Nergens uit de onderliggende onderzoeken blijkt dat hiermee rekening is gehouden. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat in de onderliggende onderzoeken bij een bestemmingsplan dient te worden uitgegaan van (een representatieve invulling van) de maximale planologische mogelijkheden.

De gevolgen van de huidige planologische situatie zijn vergeleken met de beoogde situatie. Terecht is naar voren gebracht dat de onderbouwing niet helder is en dat van de grens van het bestemmingsvlak moet worden gerekend. Om die reden wordt in paragraaf 6.1 van de toelichting opgenomen dat, gezien de omgekeerde werking, een grotere afstand dient te worden aangehouden vanaf de nabijgelegen woonbestemmingen tot categorie 4.2. De verbeelding wordt hierop aangepast door op het voorste gedeelte van het perceel ten hoogste bedrijven tot en met categorie 3.2 toe te staan.

De zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. In paragraaf 6.1 van de toelichting wordt opgenomen dat, gezien de omgekeerde werking, een grotere afstand dient te worden aangehouden vanaf de nabijgelegen woonbestemmingen tot categorie 4.2. De verbeelding is aangepast, zodat enkel op het voorste gedeelte van het perceel ten hoogste bedrijven tot en met categorie 3.2 toe te staan. Tevens is de bijlage bij de regels ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’ gescreend en aangepast.

c.

Dit wordt evenmin geborgd door de verschillende functieaanduidingen ‘biomassacentrale’, ‘afvalscheidingsinstallatie’, ‘recyclingsbedrijf en ‘tunnelcompostering’. Op andere delen van de percelen zijn immers wel andere soorten bedrijvén toegestaan.

Ieder deel van het perceel kent de primaire De zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van bestemming ‘bedrijf tot en met categorie 4.2’, het bestemmingsplan. maar heeft daarnaast altijd een In artikel 3.4.1 wordt onder vernummering onder a functieaanduiding. Op grond van artikel 3.1 van opgenomen: de planregels is het uitsluitend toegestaan om die a. ‘ander gebruik dan in 3.1 beschreven;’ functie ter plaatse uit te oefenen. Ter verduidelijking wordt expliciet in artikel 3.4.1 bepaalt dat ander gebruik dan beschreven in artikel 3.1 strijdig is.

d.

Artikel 3.5.1 van de regels bevat een binnenplanse In artikel 3.5.1 is geborgd dat enkel andere afwijkingsbevoegdheid, waarvan ten onrechte niet is bedrijven of activiteiten zijn toegestaan waarvan i) beoordeeld of de situatie die kan ontstaan daardoor, de milieubelasting naar aard en invloed op de planologisch aanvaardbaar is. Hetzelfde geldt voor omgeving gelijkwaardig is; ii) deze naar aard en artikel 9.1 van de regels, op grond waarvan een afwijking omvang past in het gebied; iii) deze geen tot niet meer dan 10% van de maten, afmetingen en onevenredige nadelige invloed heeft op nabij percentages. Dit is in ieder geval heel relevant voor de gelegen woonbebouwing; en iv) deze niet valt uitgevoerde natuurtoets. onder een van de genoemde projecten in bijlage I en II bij Richtlijn 2011/92/EU. In de aan het bestemmingsplan ten grondslag

De zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. Toelichting paragrafen 6.1 en de onderbouwing Wnb in de toelichting is hierop aangepast. Artikel 9.1. lid e, wordt als volgt aangepast: ‘de bij recht in de regels gegeven maten en afmetingen tot niet meer dan 10% van die maten en afmetingen;’

11

liggende onderzoeken is uitgegaan van een maximale invulling van de planologische mogelijkheden. Deze binnenplanse afwijkingsbevoegdheid biedt daarmee niet meer mogelijkheden en is daarmee planologisch aanvaardbaar. Ten aanzien van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in artikel 9.1 geldt dat terecht naar voren is gebracht dat een afwijking van bebouwingspercentage niet is onderzocht. Deze mogelijkheid dient dan ook te vervallen.

e.

Cliënten vragen zich af of een biomassacentrale wel past binnen één van de bedrijfsactiviteiten zoals genoemd op bijlage 1 en zo ja welke.

f.

Voor zover het gebruik van een biomassacentrale wel past binnen de omschrijving van artikel. 3.1. onder a, merken cliënten op dat dit het gebruik niet is beperkt tot één biomassacentrale.

g.

Op grond van het ontwerpbestemmingsplan blijft het mogelijk om de composteeractiviteiten in de buitenlucht te blijven uitvoeren.

In afwijking van de standaard lijst van De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing bedrijfsactiviteiten behorend bij de VNG-brochure van het bestemmingsplan. Bedrijven en milieuzonering, zijn de bedrijfsactiviteiten ‘B0 bio-energie-installatie elektrisch vermogen <50 MWe’ en ‘B2 vergisting, verbranding van overige biomassa (milieucategorie 3.2)’, niet opgenomen. Anders dan binnen het bestemmingsvlak met de functieaanduiding ‘biomassacentrale’ is dan ook binnen het bestemmingsplan verder geen biomassacentrale toegestaan. Terecht is naar voren gebracht dat het gebruik van De zienswijze geeft aanleiding de volgende een biomassacentrale niet is beperkt tot één aanpassing door te voeren in de regels. biomassacentrale. In artikel 3.4.4 zal dit worden In artikel 3.4.4 wordt ‘een biomassacentrale’ vervangen door ‘één biomassacentrale’. aangepast. In de bij de regels van het bestemmingsplan behorende staat van bedrijfsactiviteiten is ten onrechte nagelaten om de activiteiten ‘belucht compostering C3 en C4’ te schrappen. Dit wordt gecorrigeerd in het vast te stellen

De zienswijze geeft aanleiding de volgende aanpassingen door te voeren in de regels: Aanpassen artikel 1.59 tunnelcompostering inpandig onder aerobe omstandigheden 12

bestemmingsplan door een aangepaste bijlage met staat van bedrijfsactiviteiten die in lijn is met de regels en verbeelding van het bestemmingsplan.

biologisch afbreken van plantaardige organische (afval)stoffen. Inclusief de mechanische afvalbehandelingstechnieken ten behoeve van de productie van compost. Met deze techniek kan ook biologisch drogen van afvalstoffen Daarnaast wordt ter verduidelijking in artikel 3.4.1 plaatsvinden als voorbehandeling voor een verbod op buitencomposteren zijnde afvalscheiding. composteeractiviteiten in de open lucht opgenomen en wordt artikel 1.59 aangepast, Toevoegen begripsbepaling buiten composteren: zodat composteren alleen inpandig is toegestaan. 1.66 buitencomposteren Het verbod in artikel 3.4.1 zal, vanwege de voorziene overgangsfase, gaan gelden drie maanden na realisatie en ingebruikname van de tunnelcompostering.

uitpandig onder aerobe omstandigheden biologisch afbreken van plantaardige organische (afval)stoffen, niet zijnde geproduceerde compost dat voldoet aan de eisen zoals opgenomen in bijlage II deel II van EU-verordening 2019/1019 onder CMC3. Aanpassen artikel 3.4.1: Toevoegen: “f. buitencomposteren maximaal drie maanden na realisatie en ingebruikname van de tunnelcompostering" Vervangen Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten.

h.

Voor zover cliënten bekend, is nergens een bouwplicht opgenomen voor Wagro om de tunnelcompostering daadwerkelijk in gebruik te nemen.

Een bouwplicht is in strijd met het stelsel van Wro (ABRvS 23 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6371, r.o. 2.2). Wel is een anterieure overeenkomst gesloten met initiatiefnemer op grond waarvan zij gehouden is een tunnelcompostering op te richten.

i.

De fasering en ingebruikname is cliënten niet duidelijk. In Zie antwoord onder 6.g

De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Zie antwoord onder 6.g 13

ieder geval is ten onrechte nergens een verbod tot buiten composteren opgenomen, terwijl er wel na bouwstap 1 al 764.500 ton afvalstoffen mogen worden geaccepteerd. j.

k.

l.

Naar het oordeel van cliënten is niet (alleen) categorie Categorie C18.4 is van toepassing bij een D18.1 van het Besluit m.e.r. van belang, maar categorie C capaciteit van afvalverbranding van meer dan 100 18.4 (afvalverbranding niet gevaarlijke afvalstoffen), zoals ton per dag. De biomassacentrale betreft een éénook de rechtbank heeft overwogen in de uitspraak van 22 op-één inpassing van de reeds verleende maart 2023. omgevingsvergunning van 13 juli 2018. In de genoemde uitspraak van 22 maart 2023 overweegt de rechtbank dat de drempelwaarde van 100 ton per dag niet wordt overschreden. in het ontwerpbestemmingsplan wordt de capaciteit van Zoals hiervoor onder 6.j aangegeven, betreft het de afvalverbranding nergens beperkt. Een een één-op-één inpassing van de reeds verleende biomassacentrale van meer dan 100 ton per dag wordt omgevingsvergunning van 13 juli 2018. In artikel dus planologisch mógelijk gemaakt. Alleen al daarom 3.4.2 sub e van de regels is vastgelegd dat de had een MER doorlopen moeten worden. capaciteit niet meer mag bedragen dan 31.500 ton/jaar. Een capaciteit van meer dan 100 ton per dag resulteert in een capaciteit van 36.500 ton per jaar (=365 dagen/jaar x 100 ton/dag). Omdat de drempelwaarde van categorie C18.4 niet wordt overschreden en geen grote nadelige gevolgen voor het milieu optreden, geldt geen verplichting om een MER op te stellen.

De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

In de ontwerp-omgevingsvergunning voor Wagro staat overigens op pagina 12 onder voetnoot 5 dat 31.500 ton hout bestemd is voor de biomassacentrale. Onder voetnoot 6 staat dat 7.700 m3 bestemd is voor de biomassacentrale.

De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Zoals volgt uit de aanvraag om een omgevingsvergunning milieu, gaat het bij de biomassacentrale om een totale verwerkingscapaciteit van 31.500 ton per jaar. Deze verwerkingscapaciteit is ook vastgelegd in artikel 3.4.2 sub e van de planregels. De 7.700 m3 waaraan wordt gerefereerd in de zienswijze, betreft de maximale hoeveelheid die

De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

14

mag worden opgeslagen ten behoeve van de biomassacentrale. In de kopregel van tabel C.2.1 van de ontwerpvergunning moet zijn vermeld "(ton/jaar) bij "acceptatie". Zie voorschrift 1.11.1 van de ontwerpbeschikking. Zie antwoord onder 6.j en 6.k

m.

Cliënten menen dat de uitleg door de rechtbank – in navolging van de STAB - in haar uitspraak van 22 maart 2023 van categorie C 18.4 van het Besluit m.e.r. onjuist is. Ten eerste is de genoemde activiteit in kolom A het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een installatie, en dus niet het verbranden. Nu de oprichting, wijziging of uitbreiding van de installatie een capaciteit heeft van meer dan 100 ton per dag, is irrelevant of hoeveel biomassa daadwerkelijk verstookt zal worden om onder de 14,9 MWth te komen.

De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

n.

Ten tweede heeft het standpunt van STAB betrekking op In artikel 3.4.4 is opgenomen dat een de vraag of de 14,9 MWth wordt overschreden. biomassaenergiecentrale met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 14,9 MWth ter plaatse planologisch niet is toegestaan.

De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

o.

Uit het m.e.r.-beoordelingsbesluit blijkt niet dat rekening is gehouden met bovengenoemde criteria, maar wordt verwezen naar de aanmeldnotitie.

De aanmeldnotitie met de bijbehorende onderzoeken maakt deel uit van het m.e.r.beoordelingsbesluit. De beoordeling van de milieugevolgen is gedaan overeenkomstig bijlage III van de Mer-richtlijn.

De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

p.

De aanmeldnotitie heeft echter - net als de uitgevoerde onderzoeken - ten onrechte als uitgangpunt genomen dat een groot deel van de milieubelastende activiteiten (buitencompostering, verwerking gevaarlijk afval) zullen verdwijnen, maar dit is niet in de regels van het ontwerpbestemmingsplan geborgd.

Zoals hiervoor onder 6.g aangegeven, wordt buitencompostering verboden. Planologisch wordt ook verankerd dat verwerking van gevaarlijke afvalstoffen niet is toegestaan.

Zie eerdere beantwoording onder 6.g. In artikel 1 begripsbepalingen wordt de volgende begripsbepaling toegevoegd: Gevaarlijke afvalstof:

15

1.67 gevaarlijke afvalstof afvalstof die een of meer van de in bijlage III bij de kaderrichtlijn afvalstoffen (nr. 2008/98/EG) genoemde gevaarlijke eigenschappen bezit (bijlage 1 Omgevingswet juncto artikel 1.1 Wm) 1.68 verwerking nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen, met inbegrip van aan toepassing of verwijdering voorafgaande voorbereidende handelingen; Artikel 3.4.1 wordt aangevuld met een extra lid, luidende als volgt: “g. verwerking van gevaarlijke afvalstoffen” q.

De milieugevolgen van de uitbreiding van de nieuwe De milieugevolgen van projecten waarvoor wijken zijn ten onrechte niet in de beoordeling betrokken. besluiten zijn vastgesteld, zijn meegenomen in de onderzoeken die ten grondslag liggen aan de aanmeldnotitie en het m.e.r.-beoordelingsbesluit. Voor geluid, geur, luchtkwaliteit en veiligheid is geen sprake van een cumulatieve effecten. De uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de uitgevoerde omgevingsonderzoeken zijn reëel en aannemelijk. De zienswijze geeft geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.

r.

Hetzelfde geldt voor de milieugevolgen van de aanleg van de nieuwe provinciale weg N207.

De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Met de aanleg van de N207, zijnde het deelproject De zienswijze geeft geen aanleiding tot Vredenburghlaan, is rekening gehouden in de aanpassing van het bestemmingsplan. onderzoeken die ten grondslag liggen aan de aanmeldnotitie en het m.e.r.-beoordelingsbesluit 16

Zie verder 6.q. s.

t.

Verder liggen verschillende Natura-2000 gebieden in de In de natuurtoets is een voortoets opgenomen. In omgeving en wordt ten onrechte niet onderkend dat een deze voortoets zijn alle Natura2000-gebieden natuurvergunning had moeten worden aangevraagd voor betrokken die zijn gelegen binnen 25 kilometer de uitvoering van het project en een passende afstand. Uit deze natuurtoets volgt dat geen beoordeling opgesteld had moeten worden (punt 3.31 - natuurvergunning had moeten worden 3.41 van de zienswijze). aangevraagd en dat uitgesloten kan worden dat sprake is van significant negatieve effecten. De gemeente heeft zich ervan vergewist dat deze natuurtoets op de juiste wijze is uitgevoerd en dat de resultaten kloppen. Om die reden is het opstellen van een passende beoordeling niet nodig. Naar het oordeel van cliënten volgt uit de uitspraak van Er is sprake van een één-op-één inpassing van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verleende omgevingsvergunning van 13 juli van 30 juni 2021 (Delfzijl) dat de normen die gelden voor 2018. Voor deze omgevingsvergunning is door de (milieuvergunningvrije) biomassacentrales uit het gemeenteraad op 11 juli 2018 een verklaring van Activiteitenbesluit, zoals onder meer opgenomen in geen bedenkingen afgegeven. Deze activiteit is afdeling 3.2.1 Activiteitenbesluit en afdeling 3.2.

dan ook in het bestemmingsplan meegenomen als Activiteitenregeling met normen die zien op onder uitgangspunt van de bestaande planologische andere emissiegrenswaarden, rendement, bodemrisico’s situatie. en veiligheid, ook kwalificeren als een plan of Daarnaast gaat de geciteerde uitspraak programma in de zin van de SMB-richtlijn en dat (ECLI:NL:RVS:2021:1395) en alle Nevele daarvoor een plan-MER opgesteld had moeten worden. vervolguitspraken over windturbines en niet over afdeling 3.2.1 maar over afdeling 3.2.3 van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. Wat betreft de beroepsgrond over de gevolgen van het Nevele-arrest in relatie tot de emissieconcentratiegrenswaarden voor stookinstallaties zoals opgenomen in paragraaf 3.2.1 van het Activiteitenbesluit, geldt het volgende. Deze emissieconcentratiegrenswaarden vloeien voort uit het Besluit emissie-eisen

De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

17

u.

v.

w.

x

middelgrote stookinstallaties (inwerkingtreding 1 april 2010, Stb. 2009, 547), dat de opvolger is van BEES-B (inwerkingtreding 1 augustus 1990, Stb. 1990, 197). Deze besluiten dienen mede ter implementatie van Unierecht. De emissieconcentratiegrenswaarden zijn overgenomen uit de (rechtsvoorgangers van) de Richtlijn industriële emissies (2010/75/EU). Anders dan in de situatie bij het Nevele-arrest vormt het nationaal recht op dit punt geen kaderstellend plan, maar implementeert het Unierechtelijke normen. Op grond van art. 3:11 Awb dient het ontwerpbesluit en In casu is een omgevingsvergunning verleend op De zienswijze geeft geen aanleiding tot alle daarop betrekking hebbende stukken die 13 juli 2018 en wordt verwezen naar het aanpassing van het bestemmingsplan. redelijkerwijs nodig zijn voor het ontwerp, ter inzage. Op geuronderzoek behorende bij de aanvraag van pagina 28 van de ontwerpvergunning staat dat in het deze omgevingsvergunning. geuronderzoek is gerekend met de eerder vastgestelde geuremissie zoals die is gebruikt bij de melding voor het in gebruik nemen van de biomassacentrale. De stukken van de melding van de biomassacentrale hebben in strijd met art. 3:11 Awb niet ter inzage gelegen.

in casu is geen sprake van een melding, maar betrof het de omgevingsvergunning van 13 juli 2018. Deze vergunning is destijds op de voorgeschreven wijze vastgesteld, bekendgemaakt en daarvan is kennis gegeven. Cliënten kunnen niet nagaan of de gehanteerde In het geuronderzoek behorende bij dit uitgangpunten in de onderzoeken bij de melding voor de bestemmingsplan is dit juist omschreven. De biomassacentrale kloppen, en daarmee ook niet of de uitgangspunten wijken niet af. uitgangspunten en conclusies van het geuronderzoek van Olfasense van oktober 2023 kloppen.

De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Hetzelfde geldt voor eventuele andere onderzoeken die gebaseerd zijn op onderzoeken die zijn gebruikt bij de melding voor het in gebruik nemen van de

De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Zie beantwoording zienswijze 6 onder v.

De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

18

biomassacentrale. y.

Dit natuuronderzoek is op verschillende documenten Dit zijn allen vastgestelde besluiten of meldingen gebaseerd die niet ter inzage hebben gelegen. Zo staat die niet behoren bij deze planwijziging. Derhalve op pagina 4 van het natuuronderzoek dat Wagro hoeven deze stukken niet ter inzage te worden beschikt over een gelding Wnb-vergunning, gelet op de gelegd. De zakelijke omschrijving van de afgegeven verklaring van geen bedenkingen met anterieure overeenkomst is voor besluitvorming in kenmerk 2013130834, d.d. 8 oktober 2015. Verder wordt de raad gepubliceerd. genoemd de PAS-melding die Beijerink B.V. zou hebben gedaan voor de realisatie van een biomassacentrale aan de Tweede BLoksweg 54b-56 in 2015. Wagro heeft op 25 oktober 2022 documenten ingediend bij RVO voor omzetting van de melding naar een Wnb-vergunning. Deze stukken (oude Wnb-vergunning, PAS-melding en documenten voor omzetting melding) hebben ten onrechte niet ter inzage gelegen. Evenmin heeft de anterieure overeenkomst tussen Wagro en de gemeente ter inzage gelegen.

De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

z.

Het is niet duidelijk hoe de capaciteit van de inrichting is afgestemd op de gefaseerde uitvoering.

Het bestemmingsplan bevat het planologisch kader. Het uitvoeringstechnische aspect en de milieugevolgen daarvan worden bestreken door de omgevingsvergunning milieu. aa. Ten onrechte is, aldus indiener, geconcludeerd dat Alle activiteiten die planologisch bestemd waren significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied op in 2013 en met de omgevingsvergunningen en voorhand kunnen worden uitgesloten en dat daarom een Wnb-vergunning vergund zijn (dus exclusief de passende beoordeling achterwege kan blijven. Dit geldt biomassacentrale) toegestaan en feitelijk allereerst omdat is uitgegaan van een onjuiste gerealiseerd en gebruikt. Dit is door controles van referentiesituatie waarbij de planologische- en WnbODMH regelmatig geconstateerd. Er is dan ook situatie gelijkgesteld worden, zonder enige motivatie. uitgegaan van een juiste referentiesituatie. Bovendien weten cliënten niet wat de maximale capaciteit van de Wnb-vergunning uit 2015 is.

De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

ab. Nu Wagro niet heeft aangetoond dat 10% van de

De zienswijze geeft geen aanleiding tot

De ODMH heeft bij meerdere controles

De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

19

buitencompostering bestond uit agrarisch bedrijfsafval, kan niet met deze kengetallen gerekend worden in de referentiesituatie.

geconstateerd dat Wagro agrarisch afval heeft gecomposteerd.

aanpassing van het bestemmingsplan.

Op pagina 5 van het natuuronderzoek wordt een opsomming gegeven van hetgeen in de toelichting Wnb is opgenomen. Het is niet duidelijk wat hiermee wordt bedoeld.

Op pagina 5 van het natuuronderzoek staat een toelichting op de wijzigingen ten opzichte van een eerder overgelegd natuuronderzoek. Deze wijzigingen zijn in bijlagen 1 en 2 van dit natuuronderzoek uitgewerkt.

De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Naast de ODMH heeft de Omgevingsdienst Haaglanden de AERIUS berekeningen gecontroleerd en beoordeeld of deze conform de geldende Instructie gegevensinvoer zijn uitgevoerd. De ODH heeft bij brief van 30 november 2023 (bijlage 11 toelichting) bevestigd dat de berekeningen op een juiste wijze zijn gedaan.. ae. Ten eerste zijn de uitgangspunten en berekeningen van Omdat de biomassacentrale nog niet is de referentiesituatie en de beoogde situatie voor cliënten gerealiseerd en de overige activiteiten wel, is de onnavolgbaar. De referentiesituatie is de feitelijk, biomassacentrale in de referentiesituatie niet planologisch legale situatie voorafgaand aan de meegenomen. Zie hiervoor het natuuronderzoek. vaststelling van het plan. Een biomassa installatie is feitelijk niet aanwezig (en bovendien qua functie planologisch niet toegestaan) dus behoort niet tot de referentiesituatie.

De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

ac.

ad. Cliënten menen, dan ook dat de Aerius berekeningen onvoldoende navolgbaar en controleerbaar zijn.

af.

Ten onrechte is in de natuurtoets uitgegaan van de op dit moment door Wagro beoogde situatie en niet van de maximale mogelijkheden van het plan.

ag

Cliënten verwijzen naar hetgeen zij onder punt X van

De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Zie de beantwoording onder 6.d. Ter aanvulling De zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van daarop geldt dat in de Wnb-toelichting ten onrechte de Wnb-toelichting. Deze is ambtshalve niet is ingegaan op de mogelijke depositie als geactualiseerd op basis van de laatste versie van gevolg van de toegestane milieucategorieën. Aerius Calculator 2023 en bevat tevens een onderbouwing van de mogelijke depositie als gevolg van de toegestane milieucategorieën. Zie beantwoording onder zienswijze 6.g Zie beantwoording onder zienswijze 6.g. 20

deze zienswijze naar voren hebben gebracht, waaruit blijkt dat op geen enkele manier is geborgd dat de buitencomposteeractiviteiten niet meer zullen plaatsvinden. ah. In de natuurtoets staat dat in de tunnelcompostering wordt gewerkt met luchtbehandeling, waardoor de ammoniakemissie zou worden beperkt. De luchtbehandeling bestaande uit een zure wasser en een biofilter, voorzien van een schoorsteen van 30 meter hoog. Dit wordt verder niet toegelicht. Inputgegevens en kengetallen van de beoogde werking van de luchtbehandeling ontbreken.

ai.

aj.

In voetnoot 10 van bijlage 2 van de natuurtoets is het volgende opgenomen: ‘de emissiefactor is afkomstig uit het rapport 'Ermittlung der Emissionssituation bei der Verwertung von Bioabfällen' van Gewitra i.o.v. het Umweltbundesamt, Texte 39/2015, tabel 5-2, pagina 81 "[3] Geschlossene Kompostierungsanlagen (Fertigkompost)" 0,032 kg/ton en tabel 6.7 van BBT Conclusie afvalbehandeling (0,3-20 mg/Nm3) na toepassing van gaswasser en biofilter. Gerekend is met 2,5 mg/Nm3, 305.000 Nm3/u en 8.760 u/jaar (= 212.500 ton/jaar x 0,032 kg NH3/ton / (305.000 Nm3/u x 8.760 u/jaar) x 1.000.000 mg/kg) , rekening gehouden met uittreetemperatuur 30 C zoals opgenomen in paragraaf 6.4 van het geuronderzoek Olfasense.’ Zoals aangegeven onder 6.ac heeft de ODH de berekening gecontroleerd; de gemeente acht deze uitgangspunten dan ook juist.

De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

In het natuuronderzoek is gerekend met 31.500 ton Zie beantwoording onder zienswijze 6.l. biomassa, terwijl onduidelijk is wat maximaal planologisch is toegestaan. Op pagina 16 van het natuuronderzoek staat dat de De uitwerking van de randeffecten voldoet aan de bijdrage van 0,03 mol/ha/jaar op Meijendel & Berkheide gestelde eisen, aangezien randeffecten zijn wordt veroorzaakt door een randeffect. In figuur 1 is per betrokken in de AERIUS-berekening zelf. De hexagoon in Meijendel&Berkheide de projectberekening natuurtoets is inhoudelijk door ODMH en planwijziging inzichtelijk gemaakt, maar een kaart van de vervolgens Omgevingsdienst Haaglanden

De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

21

hexagonen en de vergelijking tussen de maximale getoetst. Daarbij is inderdaad vastgesteld dat plansituatie en de referentiesituatie ontbreekt. Daardoor sprake is van een randeffect. kan niet worden vastgesteld of daadwerkelijk sprake is van een randeffect. ak.

Bovendien is het de vraag wat het meenemen van lijnbronnen zou betekenen voor het bepalen van een mogelijk randeffect. Nu het gaat om 10 verschillende emissiebronnen (bijlage 3 bij het natuuronderzoek, p. 3/17) is het verkeersnetwerk (lijnbron) ook een belangrijke emissiebron.

De natuurtoets is gecontroleerd door ODMH en De zienswijze geeft geen aanleiding tot Omgevingsdienst Haaglanden en de invoer van de aanpassing van het bestemmingsplan. bronnen, waaronder verkeer, voldoet aan de Instructie invoergegevens Aerius Calculator 2023.

al.

Uit het AquaPri-arrest volgt, aldus indiener, dat een Deze Wnb-vergunning is onherroepelijk eerder gemaakte passende beoordeling die niet voldoet vastgesteld in de omgevingsrevisievergunning van aan artikel 6 lid 3 Habitatrichtlijn, niet gebruikt mag 8 oktober 2015. Dit zijn allen vastgestelde worden voor een nieuwe vergunning. Cliënten besluiten die niet behoren bij de wijziging. beschikken niet over de oude natuurvergunning van Derhalve hoeven deze stukken niet ter inzage te Wagro van 8 oktober 2015 en kunnen dus niet worden gelegd. vaststelling of de beoordeling die daaraan ten grondslag ligt voldoet aan de eisen van art. 6 lid 3 Habitatrichtlijn. am. Voor zover de oude natuurvergunning van Wagro is De Wnb-vergunning is niet verleend op basis van gebaseerd op het PAS, kan in ieder geval gezegd de PAS. Uit ABRvS 14 februari 2024, worden dat deze niet voldoet aan de vereisten van art. 6 ECLI:NL:RVS:2024:625, r.o. 42.3 volgt dat in deze lid 3 Habitatrichtlijn. Naar het oordeel van cliënten geldt situatie de Wnb-vergunning rechtsgeldig is en mag deze jurisprudentie ook in het geval van een plan. Artikel worden toegepast in het kader van intern 6 lid 3 Habitatrichtlijn bevat immers de verplichting om salderen. een passende beoordeling te maken voor een project of een plan dat significante gevolgen kan hebben.

De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

an. Het geurrapport gaat er – net als de overige onderzoeken – ten onrechte vanuit dat er buiten geen compostering meer zal plaatsvinden. Zoals onder punt PM van deze zienswijze al is toegelicht, is dit echter op geen enkele manier geborgd.

Zie beantwoording onder zienswijze 6.g

Zie beantwoording onder zienswijze 6.g

De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

22

ao. Op pagina 7 van het geurrapport staat dat de voor geur meest relevante stromen in de toekomstig inpandig zullen worden verwerkt. Dit is ten onrechte op geen enkele manier in de regels geborgd.

Zie beantwoording onder zienswijze 6.g

Zie beantwoording onder zienswijze 6.g

ap. Nu buitencompostering nog mogelijk is op grond van het Zie beantwoording onder zienswijze 6.g. ontwerpbestemmingsplan, is art. 2.3a Activiteitenbesluit Daarnaast is in het geuronderzoek wel getoetst van toepassing op de andere activiteiten behalve aan artikel 2.3a van het Activiteitenbesluit. emissies naar de lucht van een IPPC-installatie. Nergens in het geurrapport is getoetst of die andere activiteiten die planologisch mogelijk worden gemaakt, voldoen aan artikel 2.3a Activiteitenbesluit. Niet alleen de activiteiten die worden genoemd op p. 19 (paragraaf 5.2. van het geurrapport) zijn relevant, maar de maximale planologische mogelijkheden dienen te worden beoordeeld.

Zie beantwoording onder zienswijze 6.g

aq. Voorts valt op in het geurrapport dat in de huidige situatie niet wordt voldaan aan het Geurhinderbeleid Provincie Zuid-Holland Actualisatie 2019 (hierna: het geurhinderbeleid).

De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Tot de vaststelling van dit bestemmingsplan geldt voor de locatie het van rechtswege ontstane omgevingsplan met voorheen het bestemmingsplan ‘Zuidplas Noord’. Nadien zijn voor het mogelijk maken van woningen in de omgeving (woonwijk Park Triangel) uitwerkingsplannen vastgesteld. Bij deze uitwerkingsplannen is door de gemeente een aanvaardbaar geurhinderniveau gehanteerd waarbij in 98% werd voldaan aan 1,5 odourunits per kubieke meter. Gelet op de omgekeerde werking, accepteren de bewoners van de woningen in de wijk Triangel deze planologische situatie. Het Geurhinderbeleid van Provincie ZuidHolland Actualisatie 2019 is niet door gemeenteraad vastgesteld en kan dan ook niet

23

door haar worden toegepast. Ten tijde van de verlening van de revisievergunning aan Wagro in 2015 was het destijds geldende provinciale geurhinderbeleid van toepassing. Voor de gemeenteraad geldt dat planologisch gezien met dit bestemmingsplan een afname van geur bij geurgevoelige objecten wordt gerealiseerd dan in de huidige planologische situatie is toegestaan.

24

Samenvatting wijzigingen Toelichting In paragraaf 6.1 van de toelichting wordt opgenomen dat, gezien de omgekeerde werking, een grotere afstand dient te worden aangehouden vanaf de nabijgelegen woonbestemmingen tot categorie 4.2. De Wnb-toelichting is aangepast met een onderbouwing van de mogelijke depositie als gevolg van de toegestane milieucategorieën Verbeelding Op de verbeelding is een omgekeerde werking van milieuzonering doorgevoerd door op het voorste gedeelte van het perceel ten hoogste bedrijven tot en met categorie 3.2 toe te staan. Regels 1) Aanpassen artikel 1.59: ‘Tunnelcompostering: inpandig onder aerobe omstandigheden biologisch afbreken van plantaardige organische (afval)stoffen. Inclusief de mechanische afvalbehandelingstechnieken ten behoeve van de productie van compost.

Met deze techniek kan ook biologisch drogen van afvalstoffen plaatsvinden als voorbehandeling voor afvalscheiding.’ 2) Toevoegen begripsbepaling buiten composteren: ‘1.66 buitencomposteren: uitpandig onder aerobe omstandigheden biologisch afbreken van plantaardige organische (afval)stoffen, niet zijnde geproduceerde compost dat voldoet aan de eisen zoals opgenomen in bijlage II deel II van EU-verordening 2019/1019 onder CMC3.’ 3) Toevoegen begripsbepalingen gevaarlijke afvalstof: ‘1.67 gevaarlijke afvalstof: afvalstof die een of meer van de in bijlage III bij de kaderrichtlijn afvalstoffen (nr. 2008/98/EG) genoemde gevaarlijke eigenschappen bezit (bijlage 1 Omgevingswet juncto artikel 1.1 Wm).’ en ‘1.68 verwerking: nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen, met inbegrip van aan toepassing of verwijdering voorafgaande voorbereidende handelingen.’ 4) Aanpassen artikel 3.4.1 (strijdig gebruik): onder vernummering wordt onder a opgenomen: ‘a. ander gebruik dan in 3.1 beschreven;’ en wordt toegevoegd: ‘f. buitencomposteren maximaal drie maanden na realisatie en ingebruikname van de tunnelcompostering; g. verwerking van gevaarlijke afvalstoffen.’ 5) In artikel 3.4.4 wordt ‘een biomassacentrale’ vervangen door ‘één biomassacentrale’. 6) Artikel 9.1.

lid e, wordt als volgt aangepast: ‘de bij recht in de regels gegeven maten en afmetingen tot niet meer dan 10% van die maten en afmetingen;’ 7) Vervangen Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten. 25

Hoofdstuk 3

Ambtshalve wijzigingen

De Wnb-toelichting is aangepast met een geactualiseerde AERIUS-berekening op basis van de laatste versie van Aerius Calculator 2023. In het akoestisch onderzoek van 12 april 2023, zoals ter inzage gelegd, is in de tekst, dus niet in het rekenmodel, een onjuist huisnummer vermeld. Huisnummer 52d-achter en zijgevel in tabellen 5-a, 5-b, 5-c, 5-d, 6-a en 6-b vervangen door huisnummer 54a.

26

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14464684/1