1. Bestemmingsplan Noordeinde 74, 122a en 134, toelichting (0401)
Tekst van het document
Regels bestemmingsplan Noordeinde 74, ten noorden van 122, 134
Gemeente Waddinxveen
Type plan: Naam van het plan: Planstatus: Plan identificatie: Datum:
bestemmingsplan Noordeinde 74, ten noorden van 122, 134, Waddinxveen vastgesteld NL.IMRO.0627.BPndeinde74122a134-0401 25 mei 2024
Inhoudsopgave
Regels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten
4 4 7
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch Artikel 4 Tuin Artikel 5 Verkeer - Fietspad Artikel 6 Wonen Artikel 7 Waarde - Archeologie 2 Artikel 8 Waarde - Archeologie 3 Artikel 9 Waterstaat - Waterkering
8 8 10 11 12 15 18 21
Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 10 Anti-dubbeltelbepaling Artikel 11 Algemene gebruiksregels Artikel 12 Algemene wijzigingsregels
22 22 22 22
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 13 Overgangsrecht Artikel 14 Slotregel
23 23 23
Bijlage I
Beeldkwaliteitsplan
Regels
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 plan: het bestemmingsplan ‘Noordeinde 74, ten noorden van 122, 134, Waddinxveen’ met identificatienummer NL.IMRO.0627.BPndeinde74122a134-0301; 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactivteit: een dienstverlenend beroep op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, lichaamsverzorgend, kunstzinnig, of technisch gebied of daarmee gelijk te stellen activiteiten, niet zijnde detailhandel, dat in een woning (inclusief aan- en uitbouwen) uitsluitend door de bewoners wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling of uitwerking heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is, waarbij in ieder geval niet zijn begrepen overheersende reclame-uitingen; 1.6 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.7 beheerschuur: een schuur voor opslag van materieel ten behoeve van het onderhoud en beheer van
het natuur- en recreatiegebied Bentwoud; 1.8 bestaande situatie: 1. ten aanzien van bebouwing: bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan aanwezig is of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen; 2. ten aanzien van gebruik: het legale gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan; 1.9 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; 1.10 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.11 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.12 bouwgrens: de grens van een bouwvlak; 1.13 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.14 bouwperceel Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
1.15 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.16 bijgebouw: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk met een dak; 1.17 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.18 pand: de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is. 1.19 hoofdgebouw: één of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.20 bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met uitzondering van onderbouw (kelder), kap of kapverdieping. 1.21 verdieping: de bouwlaag respectievelijk bouwlagen die boven de begane grondlaag gelegen is/zijn.
1.22 voorgevel: de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op de uitstraling ervan als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt; 1.23 voorgevellijn: de denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen; bij een hoekperceel wordt de denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel, die naar de weg of openbaar groen is gekeerd ook beschouwd als voorgevellijn. 1.24 dakopbouw: het vergroten van een bestaande ruimte door het realiseren van een verhoging van het bestaande dak (nokverhoging) of door het optrekken van de gevel. 1.25 erker: een aan- of uitbouw in één bouwlaag aan de voor- en/of zijgevel van een hoofdgebouw, die in open verbinding staat met het achterliggend vertrek. 1.26 woning: een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden. 1.27 vrijstaande woning: een woning zonder gemeenschappelijke wand met een andere hoofdgebouw. 1.28 agrarisch bedrijf; een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren; 1.29 archeologische waarde: de waarde die een gebied toegekend is op grond van de aldaar aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten.
1.30 bed & breakfast Een kleinschalige overnachtingsgelegenheid ondergeschikt aan een woning die in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van nachtverblijf voor korte tijd en waarbij het verstrekken van maaltijden en/of dranken aan de logerende gasten (daaraan) ondergeschikt is. Onder een Bed & Breakfast worden niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid of permanente kamerverhuur; 1.31 bedrijf: een onderneming waarbij het accent ligt op het vervaardigen, bewerken,
installeren, inzamelen en verhandelen van goederen, niet zijnde zelfstandige detailhandel. 1.32 cultuurhistorische waarde: de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde in verband met ouderdom en/of historische gaafheid. 1.33 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een aan huis verbonden beroep; 1.34 bevoegd gezag: het bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.35 hobbymatig houden van dieren en telen van gewassen: het houden van een beperkt aantal dieren en het in de open lucht telen van gewassen voor hobbymatig gebruik, zonder winstoogmerk; 1.36 horeca: een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt; 1.37 huishouden: één of meer personen die een huishouding voeren, waarbij sprake is van continuïteit in samenstelling en onderlinge verbondenheid. Bedrijfsmatige kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen.
1.38 kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen: voorzieningen ten behoeve van activiteiten als wandelen, fietsen, vissen, zwemmen, kanoën en natuurobservatie alsmede ten behoeve van outdooractiviteiten en vergelijkbare activiteiten in de vorm van bijvoorbeeld aanlegsteigers, picknickplaatsen, observatiepunten, informatieborden en banken; 1.39 nutsvoorzieningen: voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals tranformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen en apparatuur voor telecommunicatie en voorzieningen ten behoeve van gedeelde duurzame energie, zoals koude- en warmteopslag; 1.40 peil: het peil gemeten vanaf het aan het bouwwerk aansluitende afgewerkte maaiveld, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein wordt gemeten vanaf de aansluitende, afgewerkte gemiddelde maaiveldhoogte aangrenzend aan het bouwwerk; 1.41 seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.
1.42 veehouderij: bedrijf gericht op het voortbrengen van producten door middel van het houden van vee en/of het -al dan niet ten behoeve van de vleesproductie- fokken en houden van vee.
Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Ter verduidelijking: Indien de goot/de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel lager zijn gemonteerd dan het snijvlak van de gevel en het dakvlak, geldt de hoogte tot aan het snijvlak; 2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.3 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.4 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en
overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 meter bedraagt.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch 3.1 Bestemmingsomschrijving a. De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: 1. agrarische doeleinden, met dien verstande dat veehouderijen niet zijn toegestaan; 2. het hobbymatig houden van dieren en telen van gewassen; 3. extensieve beweiding; 4. het houden van dieren als ondergeschikte nevenactiviteit, met dien verstande dat: de bijdrage van deze activiteit aan de totale jaaromzet van het agrarisch bedrijf niet meer mag bedragen dan 10%; het aantal dieren zodanig dient te zijn dat geen sprake is van een meldingsof vergunningsplicht op basis van de geldende milieuwetgeving; 5. het behoud, herstel en ontwikkeling van de actuele en potentiële natuuren landschapswaarden en recreatie, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - bentwoud’; met de daarbij behorende: 6. erven en terreinen; 7. wegen en paden; 8. bruggen en duikers; 9. water. b. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - bentwoud’ wordt verstaan het gebruik van de gronden voor: 1. bosgebied; 2. gras- en ruigtegebieden; 3. het behoud, herstel en ontwikkeling van de actuele en potentiële natuuren landschapswaarden; 4. kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen; 5. speelweides en speelbos; 6. houtoogst als vorm van medegebruik; met de daarbij behorende: 7. fiets-, ruiter- en voetpaden; 8. beheerschuur; 9.
parkeervoorzieningen met bijbehorende ontsluiting; 10. water. 3.2 Bouwregels a. Op of in de gronden mogen alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; b. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: 1. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m; 2. de bouwhoogte van masten ten behoeve van vlaggenmasten, ooievaarsnesten, lantaarns et cetera ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - bentwoud’ mag niet meer bedragen dan 15 m; 3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 2 m. 3.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden op of in de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - bentwoud’, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren: 1. het ontginnen, bodem verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem; 2. het aanleggen van dijken of andere taluds of het vergraven of ontgraven
van reeds aanwezige dijken of taluds; 3. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energieof telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; 4. het verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting alsmede het verwijderen van oevervegetatie; 5. het aanbrengen van verharde wandel- en fietspaden en overige verhardingen; 6. het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen. b. Het verbod als bedoeld in sub a is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: 1. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen; 2. uitgevoerd worden ten dienste van het agrarische gebruik van de gronden; c. De werken of werkzaamheden als bedoeld in sub a zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de natuur- en landschapswaarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind en hiervoor vooraf een positief schriftelijk advies wordt verkregen bij een ter zake deskundige van de gemeente Waddinxveen.
Artikel 4 Tuin 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuinen, behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen; met daarbij behorende b. in- en uitritten; c. parkeervoorzieningen; d. groenvoorzieningen; e. water; f. waterhuishoudkundige voorzieningen; g. kunstwerken. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Algemeen Op of in de gronden mogen alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. 4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 1 m; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 1 m. c. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - zichtlijn’, welke gronden expliciet geen onderdeel uitmaken van het begrip ‘erf’ zoals omschreven in artikel 1 van bijlage II van de Bor, dient een aaneengesloten strook met een breedte van minimaal 4 m onbebouwd te blijven ten behoeve van een doorzicht vanaf het Noordeinde naar het achterliggende land.
10
Artikel 5 Verkeer - Fietspad 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Verkeer - Fietspad’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. fiets- en voetpaden met een maximale verharde breedte van 4 m, al dan niet in combinatie met een ondergeschikt gebruik voor landbouwvoertuigen; b. de instandhouding en ontwikkeling van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden. 5.2 Bouwregels Op de voor ‘Verkeer - Fietspad’ aangewezen gronden mogen uitsluitend overige bouwwerken worden gebouwd. 5.2.1 Gebouwen Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd. 5.2.2 Overige bouwwerken Binnen deze bestemming mogen overige bouwwerken worden gebouwd, waarvoor geldt dat: a. uitsluitend zijn toegestaan onverlichte voorzieningen ten behoeve van de bewegwijzering alsmede toegangspoorten; b. de bouwhoogte van voorzieningen ten behoeve van de bewegwijzering niet meer dan 2 m mag bedragen.
11
Artikel 6 Wonen 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, met dien verstande dat het aantal woningen per bouwvlak niet meer mag bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ het maximum aantal; b. aan-huis-verbonden beroepen en aan-huis-verbonden bedrijven; met de daarbij behorende: c. bijgebouwen en/of bouwwerken geen gebouw zijnde; d. tuinen, erven en terreinen; e. (onverharde) paden en parkeervoorzieningen; f. groenvoorzieningen; g. nutsvoorzieningen; h. waterlopen en waterpartijen. 6.2 Bouwregels 6.2.1 Algemeen Op of in de gronden mogen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten dienste van de bestemming. 6.2.2 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. de goothoogte bedraagt maximaal 6 m; de bouwhoogte bedraagt maximaal 10 m; c. de goothoogte van vrijstaande woningen bedraagt maximaal 4,5 m; de bouwhoogte bedraagt maximaal 9,5 m; d. de inhoud van de bebouwing, inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen, mag niet meer bedragen dan 750 m3; e. indien en voor zover de woningen niet voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, zijn deze slechts toegestaan indien de woningen voldoen aan de door het bevoegd gezag vastgestelde hogere grenswaarde (voor wegverkeerslawaai); f.
bij een geluidsbelasting hoger dan 53 dB op de gevel van een woning: 1) bezit de woning een geluidsluwe gevel; 2) dient op elke verdieping met één of meer verblijfsruimten, ten minste één verblijfsruimte (bij voorkeur in te richten als slaapkamer) aan de geluidsluwe gevel te zijn gesitueerd. 6.2.3 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. bijbehorende bouwwerken mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gebouwd, op minimaal 1,0 m afstand achter de voorgevellijn; b. in afwijking van het bepaalde onder a zijn bijbehorende bouwwerken tevens voor de voorgevellijn toegestaan, mits: 1) het bestaande bouwwerken betreft, of 2) de bijbehorende bouwwerken voldoen aan de navolgende bepalingen: 1) uitsluitend aan- en/of uitbouwen zijn toegestaan; 2) de breedte van een aan- en/of uitbouw voor de voorgevellijn bedraagt maximaal 50% van de breedte van de desbetreffende gevel van het hoofdgebouw; 3) de goothoogte van een aan- en/of uitbouw voor de voorgevellijn bedraagt maximaal 3,0 m; 4) de bouwhoogte van een aan- en/of uitbouw voor de voorgevellijn bedraagt maximaal 5,0 m; 5) de diepte van een aan- en/of uitbouw bedraagt maximaal 1,50 m; c.
de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bouwperceel bedraagt niet meer dan: 1) in geval van een bouwperceel kleiner dan of gelijk aan 100 m²: 50% van dat bouwperceel; 2) in geval van een bouwperceel groter dan 100 m² en kleiner dan of gelijk aan 300 m²: 50 m², vermeerderd met 20% van het deel van het bouwperceel dat 12
groter is dan 100 m²; 3) in geval van een bouwperceel groter dan 300 m²: 90 m², vermeerderd met 10% van het deel van het bouwperceel dat groter is dan 300 m², tot een maximum van in totaal 150 m². d. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 3,5 m; e. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 7,0 m. 6.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevellijn bedraagt maximaal 1 m; b. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevellijn bedraagt maximaal 2 m. Indien de terreinafscheidingen op de grens met het openbaar gebied staan, bedraagt de hoogte: 1) maximaal 1 m; 2) maximaal 2 m, indien deze ten minste op een afstand van 1 m ten opzichte van de perceelgrenzen wordt gerealiseerd; c. de hoogte van pergola’s bedraagt maximaal 3 m; d. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 1 m. 6.2.5 Voorwaardelijke verplichting beeldkwaliteit Een nieuw te realiseren woning mag uitsluitend gebouwd worden onder de voorwaarde dat voldaan wordt aan de beeldkwaliteitseisen voor de woningen als voor de erfinrichting zoals opgenomen in bijlage 1 ‘beeldkwaliteitsplan’.
6.3 Afwijken van de bouwregels 6.3.1 Afwijken dakopbouw Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.2.2 sub c, voor het overschrijden van de maximaal toegestane goothoogte, teneinde een dakopbouw te realiseren, met dien verstande dat de toegelaten goothoogte met maximaal 0,8 m overschreden wordt. 6.4 Specifieke gebruiksregels 6.4.1 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a. het nachtverblijf (laten) houden in vrijstaande bijgebouwen behoudens het bepaalde in 6.5.1; b. horeca; c. seksinrichtingen; d. het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; e. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond. 6.4.2 Aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit Binnen de bestemming ‘Wonen’ zijn aan-huis-verbonden beroepen ten bedrijfsactiviteiten als ondergeschikte functie toegestaan, met dien verstande dat: a.
maximaal 50% van het vloeroppervlak van de woning en de bij de woning behorende bouwwerken mag worden gebruikt tot een maximum van 80 m²; b. de woning blijft voldoen aan de bepalingen ingevolge of krachtens de Woningwet; c. de activiteiten worden uitgeoefend door tenminste de bewoner van de woning en ten hoogste twee werknemers; d. groothandel, horeca en detailhandel zijn uitgesloten, uitgezonderd verkoop als ondergeschikte nevenactiviteit die verband houdt met de beroeps- of bedrijfsactiviteiten alsmede goederen die ter plaatse in het kader van de aan13
huisgebonden activiteiten zijn vervaardigd; e. er geen afbreuk wordt gedaan aan het woonkarakter van de woning en de omgeving als gevolg van bijvoorbeeld geluids- of geuroverlast, reclame, verkeersaantrekkende werking of een onaanvaardbare parkeerdruk in de openbare ruimte waardoor extra verkeersmaatregelen waaronder parkeervoorzieningen noodzakelijk worden; f. er geen activiteiten plaatsvinden waarvoor een milieuvergunning of een melding op grond van milieuwetgeving verplicht is. 6.4.3 Voorwaardelijke verplichting mechanische ventilatie Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een woning, mag pas worden verleend, indien in voldoende mate is aangetoond dat die woning wordt voorzien van een uitschakelbare mechanische ventilatie, ter bescherming van de blootstelling aan toxische gassen bij calamiteiten. 6.5 Afwijken van de gebruiksregels 6.5.1 Afwijken Bed & Breakfast Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.1 teneinde een Bed & Breakfast toe te staan, met dien verstande dat: a. de woonfunctie als hoofdfunctie gehandhaafd dient te blijven; b. de woning door de hoofdgebruiker dient te worden bewoond; c. de Bed & Breakfast voorziening binnen de ter plaatse, op grond van de bouwregelgeving, toegestane bebouwing (hoofdgebouw met de daarbij behorende bijgebouwen) gerealiseerd dient te worden; d.
de toegevoegde voorziening door de bouwkundige opzet, indeling en maatvoering niet mag (kunnen) functioneren als een zelfstandige woning; e. het parkeren op eigen terrein dient plaats te vinden, waarbij als parkeernorm geldt 1 parkeerplaats per kamer, tenzij blijkt dat het parkeren binnen het openbaar gebied niet leidt tot een onevenredige hinder voor de woonomgeving; f. de Bed & Breakfast voorziening geen onevenredige afbreuk mag veroorzaken aan de gebruiks- en uitbreidingsmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; g. de Bed & Breakfast voorziening per hoofdwoning in maximaal 3 kamers wordt ondergebracht; h. de landschappelijke, cultuurhistorische en/of architectonische waarden van het pand, perceel of complex behouden dienen te blijven.
14
Artikel 7 Waarde - Archeologie 2 7.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde-Archeologie 2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen. 7.2 Bouwregels 7.2.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm beneden het maaiveld moet, alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. 7.2.2 Voorwaarden Indien uit het in sublid 7.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunnning voor het bouwen: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c.
de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. 7.2.3 Weigeringsgrond vergunning Indien uit het in sublid 7.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in sublid 7.2.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd. 7.2.4 Uitzondering archeologisch rapport Het overleggen van een archeologisch rapport zoals bedoeld in lid 7.2.1 is niet nodig indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. 7.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden 7.3.1 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden Het is verboden voor de ‘Waarde-Archeologie 2’ aangewezen gronden, zonder of in afwijking van een schriftelijke omgevingsvergunning van het bevoegd gezag voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a.
het ophogen van de bodem, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt; b. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 cm; c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 cm; d. het verlagen of het verhogen van het waterpeil; e. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt waarbij de breedte van deze werken 15
tenminste 1,25 m bedraagt; het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bos zijn bestemd, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 cm; g. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 cm; h. het aanleggen van bos of boomgaard, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 cm; i. het scheuren van grasland, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 cm; j. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 30 cm, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen. f.
7.3.2 Uitzonderingen Het in sublid 7.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden: a. welke het normale onderhoud en/of gebruik betreffen; het aanleggen van drainage wordt beschouwd als vallend onder het normale agrarische gebruik; b. welke reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; 7.3.3 Toetsingscriteria De omgevingsvergunning voor een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheden kan slechts worden verleend, indien door de in sublid 7.3.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. 7.3.4 Voorwaarden Voor zover de in sublid 7.3.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden van de gronden, kunnen een of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c.
de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. 7.3.5 Onderzoeksplicht De omgevingsvergunning wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd, waarin: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. 7.3.6 Beoordelingscriteria Alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend moet er ten behoeve van de beoordeling van het rapport advies worden ingewonnen bij een ter zake deskundige. 7.4 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening het bestemmingsplan te wijzigen door: a. de bestemming ‘Waarde Archeologie 2’ als bedoeld in artikel 7 geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of b. aan gronden de bestemming Waarde - Archeologie 1, Waarde - Archeologie 16
3, Waarde - Archeologie 4 of Waarde - Archeologie 5 toe te kennen, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de bestemming van deze gronden, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.
17
Artikel 8 Waarde - Archeologie 3 8.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde-Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen. 8.2 Bouwregels 8.2.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 1000 m² -exclusief de te slopen oppervlakte van het bestaande bouwwerk- en dieper dan 2,5 m beneden het maaiveld moet, alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. 8.2.2 Voorwaarden Indien uit het in sublid 8.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunnning voor het bouwen: a.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. 8.2.3 Weigeringsgrond vergunning Indien uit het in sublid 8.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in sublid 8.2.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd. 8.2.4 Uitzondering archeologisch rapport Het overleggen van een archeologisch rapport zoals bedoeld in lid 8.2.1 is niet nodig indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
8.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden 8.3.1 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden Het is verboden voor de ‘Waarde-Archeologie 3’ aangewezen gronden, zonder of in afwijking van een schriftelijke omgevingsvergunning van het bevoegd gezag voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het ophogen van de bodem, zulks indien de oppervlakte 1000 m² of meer bedraagt; b. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de oppervlakte 1000 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 2,5 m; c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren, zulks indien de oppervlakte 1000 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 2,5 m; d. het verlagen of het verhogen van het waterpeil; e. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of 18
andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, zulks indien de oppervlakte 1000 m² of meer bedraagt waarbij de breedte van deze werken tenminste 1,25 m bedraagt; f. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bos zijn bestemd, zulks indien de oppervlakte 1000 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 2,5 m; g. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd, zulks indien de oppervlakte 1000 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 2,5 m; h. het aanleggen van bos of boomgaard, zulks indien de oppervlakte 1000 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 2,5 m; i. het scheuren van grasland, zulks indien de oppervlakte 1000 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 2,5 m; j. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 2,5 m, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen. 8.3.2 Uitzonderingen Het in sublid 8.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden: a. welke het normale onderhoud en/of gebruik betreffen; het aanleggen van drainage wordt beschouwd als vallend onder het normale agrarische gebruik; b.
welke reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; 8.3.3 Toetsingscriteria De omgevingsvergunning voor een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheden kan slechts worden verleend, indien door de in sublid 8.3.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. 8.3.4 Voorwaarden Voor zover de in sublid 8.3.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden van de gronden, kunnen een of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. 8.3.5 Onderzoeksplicht De omgevingsvergunning wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd, waarin: a.
de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. 8.3.6 Beoordelingscriteria Alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend moet er ten behoeve van de beoordeling van het rapport advies worden ingewonnen bij een ter zake deskundige. 8.4 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening het bestemmingsplan te wijzigen door: a. de bestemming ‘Waarde Archeologie 3’ geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of 19
b. aan gronden de bestemming Waarde - Archeologie 1, Waarde - Archeologie 2, Waarde - Archeologie 4 of Waarde - Archeologie 5 toe te kennen, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de bestemming van deze gronden, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.
20
Artikel 9 Waterstaat - Waterkering 9.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waterstaat - Waterkering’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor: a. waterkering; b. onderhoud, beheer, instandhouding en verbetering van de waterkering. 9.2 Bouwregels In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag niet worden gebouwd, anders dan de bestaande bouwwerken welke aanwezig zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan en ten behoeve van deze bestemming. 9.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 9.2 en toestaan dat in de andere bestemming gebouwen worden gebouwd, mits: a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de waterkering; b. het waterstaatsbelang niet onevenredig wordt geschaad; c. vooraf een positief schriftelijk advies wordt verkregen bij de beheerder van de betreffende waterkering.
21
Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 10 Anti-dubbeltelbepaling Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. Artikel 11 Algemene gebruiksregels 11.1 Parkeren a. Bij de verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen of een omgevingsvergunning voor een gebruiksverandering moet, indien de wijziging van de gebruiksomvang en/of de wijziging van de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s, (motor)fietsen of andere voertuigen in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het bijbehorend bouwperceel. Dit betekent dat moet worden voldaan aan de parkeernormen, zoals opgenomen in de nota ’Parkeerbeleid’, van de gemeente Waddinxveen, vastgesteld op 9 juli 2014 en de Notitie ‘Toepassing parkeerbeleid en resultaten’, van de gemeente Waddinxveen, vastgesteld op 9 mei 2017 en dat indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met de wijziging. b.
Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het bijbehorend bouwperceel. c. Gerealiseerde voorzieningen als bedoeld in sub a en b, dienen na de realisering in stand te worden gehouden. d. Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in sub a en b: 1. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of 2. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien. 11.2 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend: a. de aanleg of het gebruik van onbebouwde gronden als opslag, stort- of bergplaats voor onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover dit noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden; b. het gebruik van gronden en gebouwen voor het uitoefenen van prostitutie en de exploitatie van een seksinrichting; c. het gebruik van gronden en gebouwen voor de exploitatie van een coffeeshop.
Artikel 12 Algemene wijzigingsregels Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken ten behoeve van: a. het overschrijden van bebouwings- of bestemmingsgrenzen voor zover betrekking hebbende op erkers, balkons, buitentrappen, luifels en soortgelijke bouwwerken; b. het overschrijden van bebouwings- of bestemmingsgrenzen door gevel- en kroonlijsten, overstekende daken en soortgelijke delen van gebouwen ingeval de overschrijding meer bedraagt dan op grond van de bouwregels is toegestaan; c. beneden peil gelegen ruimtes in één laag binnen en buiten het bouwvlak. Voordat afwijking wordt verleend, wordt advies ingewonnen bij het Hoogheemraadschap; d. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages; e. de bestemmingsregels voor het bouwen met een geringe mate van afwijking van de plaats en richting van de bouwgrenzen met maximaal 3,0 m, indien dit noodzakelijk is in verband met afwijkingen of onnauwkeurigheden ten opzichte van de feitelijke situatie of in die gevallen waar een rationele verkaveling van de gronden een geringe afwijking vergt. 22
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 13 Overgangsrecht 13.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan. b. Het bevoegd gezag kan éénmalig in afwijking van het bepaalde onder a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a. met maximaal 10%. c. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 13.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b.
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. Artikel 14 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: bestemmingsplan Noordeinde 74, ten noorden van 122, 134, Waddinxveen
23
Bijlage I
24
Beeldkwaliteitsplan
Beeldkwaliteitsplan Ten behoeve van herontwikkeling Noordeinde 134, Waddinxveen 12 december 2021
bureau Maelcum
INHOUDSOPGAVE inleiding landschappelijke inventarisatie korte geschiedenis van het landschap het landschap nu de wereld van de weg de wereld van de polder ruimtelijke randvoorwaarden schetsplan
overzicht perceel Noordeinde 134 (bron Googlemaps)
INLEIDING
De locatie Noordeinde 134 is onderdeel van een ‘ruimte-voor-ruimte’-ontwikkeling waarbij voormalige agrarische terreinen een nieuwe bestemming krijgen. Op deze locatie wordt ruimte gemaakt voor een kleinschalige woningbouwontwikkeling van vijf woningen waarvoor een bestemmingsplanwijziging wordt ingediend. De plannen voor dit perceel hebben een kwaliteitsverbetering tot doel. Het saneren en herinrichten van het terrein zal de plek en ruimtelijke impact op de directe omgeving verbeteren. De huidige eigenaar de Provincie Zuid-Holland wenst de inrichting van het perceel met inachtneming van de karakteristieken en waarden van het omringende landschap te laten geschieden. Daartoe zijn er ecologische rapporten opgesteld en vormt dit beeldkwaliteitsplan dat op verzoek van de gemeente wordt opgesteld, een logisch gevolg.
Het beeldkwaliteitsplan dient om de ruimtelijke kwaliteit voor de inrichting van het kavel te garanderen en is onderdeel van de bestemmingsplanwijziging. Plekken in het Nederlandse landschap zijn vanouds mede bepaald door de wisselwerking tussen de bebouwing en de natuurlijke ondergrond. Het landschap rondom Waddinxveen is veel in verandering en als gevolg verandert de geest van de plek mee. Echter, cultuurhistorische en natuurlijke essenties die het landschap maken tot wat het nu is dienen gerespecteerd te worden. De woningen die gepland zijn op het kavel Noordeinde 134 vormen een eigentijdse toevoeging in een door mensen geschapen cultuurlandschap waarbij gerefereerd wordt aan de boerderijkavels vanuit de ontginningsperiode.
Dit beeldkwaliteitsplan bestaat uit een landschappelijke inventarisatie die ingaat op de karakteristieken en kwaliteiten van het landschap rondom het perceel aan het Noordeinde 134 te Waddinxveen. Er worden ruimtelijke randvoorwaarden beschreven waaraan de terreininrichting dient te voldoen om een landschappelijke inpassing en uitstraling van het perceel te garanderen. Ten slotte is er een schetsplan opgesteld, waar wordt getoond hoe verschillende elementen uit het beeldkwaliteitsplan samenkomen in een ruimtelijk voorstel.
1 LANDSCHAPPELIJKE INVENTARISATIE Tot ongeveer 1000 jaar geleden lag hier een uitgestrekte veenwildernis met moerasbossen. Na de eerste ontginningen voor agrarische activiteiten daalde het land en werd het steeds minder bruikbaar waarna men uiteindelijk overging tot ontvening waardoor een grote waterplas ontstond. Rond 1762 werd de waterplas drooggemalen en ontstond de Achterofsche polder. Er werden boerderijen gesticht met namen als ‘Canaan’, ‘Graan voor Visch’ en ‘Land voor Water’ om het herwonnen land te bewerken. De boerderijen lagen aan de oostkant van de polder aan de dijk Noordeinde waardoor een dijklint ontstond met boerderijen, een aantal arbeiderswoningen en een paar landhuizen.
kaart gebied 1888
DE WERELD VAN DE WEG
De oostkant van het lint, met daarachter woonwijken, is dichtbebouwd terwijl de westkant nog steeds openingen naar het achterliggende open landschap heeft. Het beeld aan de westkant is vergeleken met honderd jaar geleden enigszins veranderd. In de loop van de tijd heeft er nieuwbouw plaatsgevonden waaronder een aantal bedrijven met grote loodsen en soms rommelige erven. Hierdoor is het kleinschalige agrarische en ‘dorpse’ karakter soms verdwenen. Het afwisselende beeld van boerderijen, woningen, bosschages en doorzichten naar het achterliggende open landschap is echter nog hetzelfde. Het is een afwisselend lint met oud en nieuw, groot en klein, alsmede uiteenlopende bouwstijlen doorelkaar.
Wanneer nieuwbouwwoningen verder van de straat liggen en met groen ingepast, blijft hun impact in het straatbeeld beperkt. Veel tuinen aan de weg kennen een groen karakter en dragen bij tot de dorpse, informele sfeer. De parkeerstroken langs het Noordeinde doen afbreuk aan het dorpse landschappelijke karakter van het Noordeinde. Parkeren, evenals bezoekersparkeren, dient daarom op eigen erf en zo veel mogelijk uit het zicht opgelost te worden. Het zicht wordt vooral bepaald door de perspectiefwerking van de weg. De blik is naar voren gericht, met af en toe een doorsteek over een weiland. Naast de projectlocatie is er zicht over het lagergelegen landschap, belangrijk om ‘lucht’ in het lint te houden.
DE WERELD VAN DE POLDER
Het laaggelegen landschap van de Achterofsche polder is weids en open. Echter zo weids als vroeger is het niet meer wegens de komst van het Bentwoud. In de verte zijn de bomen die steeds hoger groeien zichtbaar. De maten van de polder zijn dusdanig groot dat het recreatiegebied nog steeds op een flinke afstand ligt. De bomen van het Bentwoud zijn een prettige invulling binnen de grote schaal van de polder die het gebied meer natuurwaarde geeft.
Een minder gunstige ontwikkeling voor het uitzicht van het Noordeinde zal de komst van de Bentwoudlaan zijn. Alhoewel veel aandacht besteed wordt om deze toekomstige weg landschappelijk in te passen, zal de Achterofsche polder worden opgedeeld waardoor de weidse blik minder indrukwekkend wordt.
Noordeinde 134
vrij zicht vanaf de weg op het open landschap doorzetten houtwal
ruimtelijke eenheid
doorzetten houtwal
gesloopte bebouwing
herbouw hoofdwoning
zoekgebied compensatiewoningen bij ‘rood’ hoort ook ‘groen’ , rood en groen zijn visueel in evenwicht
ruime afstand tot de weg
minimaal 5m afstand van de kavelgrens behouden houtwal
2 RUIMTELIJKE RANDVOORWAARDEN De ruimtelijke randvoorwaarden zijn opgesteld om de ruimtelijke kwaliteit van het landschap te vergroten en een gepaste landschappelijke inpassing van de te bouwen woningen op het kavel te garanderen. De ruimtelijke randvoorwaarden dienen als richtlijnen om op verschillende schaalniveaus sturing te geven aan de inpassing in het omliggende landschap. De randvoorwaarden zijn opgesteld vanuit het landschap en de beleving ervan. Het gaat om een kleinschalige woningbouwontwikkeling van 5 woningen.
BEHOUDEN KLEINSCHALIGE SFEER
GROENE INPASSING
De landelijk-dorpse sfeer van het Noordeinde dient absoluut behouden te blijven. Ook kent het Noordeinde een ‘kleine korrel’. Grote villa’s direct aan de weg verstoren deze oorspronkelijke ‘dorpse’ maat.
De vorige inrichting van het kavel is informeel en landschappelijk te noemen, ondanks een relatief grote hoeveelheid verharding en deels sleetse situatie. Het huidige kavel heeft enkele gebiedseigen boom- en heestersoorten welke behouden dienen te blijven. De toekomstige inrichting van het kavel dient gericht te zijn op kwaliteitsimpulsen van het terrein, met inachtneming van de landschappelijke sfeer. Toevoeging van een boomgaard, hagen, tuinen en bomen zal de situatie flink verbeteren. Langs de toegangsweg en tussen de onderlinge erven is een beukenhaag verplicht. Het instandhouden en doorzetten van de windsingel, zoals schetsmatig in bovenstaande afbeelding is weergegeven, is eveneens een voorwaarde voor het realiseren van nieuwbouw.
De kleinschalige sfeer van de terreinrichting komt ook voort uit het gebruik van de juiste elementen als hagen, passende verharding en een erf-achtige uitstraling.
NIET VERDER HET LANDSCHAP IN
Een boerderijlint heeft een verhouding met het landschap erachter. De boerderijen met schuren hebben een veel kleiner ruimtebeslag dan het land daarachter gelegen. Als er te ver naar achteren het landschap in wordt gebouwd raakt deze verhouding zoek. Daarom wordt in dit plan niet verder naar achteren gebouwd dan de situatie toen het erf nog agrarisch gebruikt werd.
referentie kapschuur
referentie hooitas
referentie hoofdwoning
AFWISSELENDE BEBOUWING
KAPVORM EN -RICHTING
Er dient een duidelijk onderscheid te zijn tussen de hoofdwoning en de daar achter liggende woningen. De woning die het meest nabij de weg staat is de hoofdwoning. Deze wordt opgetrokken in baksteen. Boerderij-achtige versieringen zoals een jaartal, sierankers of vlechtingen kunnen prima, mits met mate toegepast. De overige woningen refereren naar schuren. De volumes hebben eenvoudige hoofdvormen met zo min mogelijk toevoegingen. De buitenwanden zijn van hout of metaal. De detaillering is functioneel en zorgvuldig, niet decoratief. Voor het ontwerp van alle woningen geldt dat er architect moet worden ingeschakeld.
Vanwege het agrarische karakter van het lint krijgen alle woningen een schuin dak. Het zadeldak heeft de overhand, maar een uitzondering is mogelijk. De hoofdwoning staat met de kaprichting dwars op de weg. De overige woningen mogen daarvan afwijken. Aangezien de meeste boerderijschuren een grotere maat hebben dan een woning dient er in ieder geval een koppeling te zijn van twee woningen. Twee van de drie ‘schuurvolumes’ hebben lage goten. Eventuele dakkapellen worden mee ontworpen met de stijl en materialisatie van de desbetreffende woning. Zonnepanelen dienen zorgvuldig te worden gekozen. Panelen met een hogere esthetische kwaliteit hebben doorgaans een onopvallende kleur en kleine tot geen opvallende randen.
GEBRUIKMAKEN VAN GEBIEDSEIGEN SOORTEN
VERDEKTE OPSTELLING AUTO’S
De inrichting van het perceel dient te geschieden met gebiedseigen soorten. Natuurlijk zullen er tuindelen zijn waar typische tuinbeplanting kan worden geplant. Maar soortkeuze van planten op de terreindelen langs de polder en de openbare weg dienen te worden afgestemd op veel voorkomende (gebiedseigen) soorten in de directe omgeving. Ook grotere heesters en bomen dienen vanwege hun meer zichtbare aanwezigheid typische landschappelijke soorten te zijn (Els, Wilg, Populier etc.). Coniferen passen niet in deze omgeving.
Parkeerplaatsen die direct aan het Noordeinde liggen vertroebelen het dorpse karakter van de weg. De parkeerplaatsen dienen daarom hoofdzakelijk verborgen te worden (bij voorkeur achter de hagen, bomen en gebouwen). Naast rekening houden met tot wel twee auto’s per woning, wordt ook bezoekersparkeren opgelost op het kavel zelf. Het perceel is daar ook groot genoeg voor, maar de plekken moeten strategisch gekozen worden zodat deze het beeld niet domineren. Een deel van het erf ligt verscholen achter bebouwing en groen. Die plek zou de helft van de benodigde parkeerruimte al kunnen herbergen. Door geen vakken op de (half-)verharding aan te brengen oogt de ruimte als een ‘natuurlijk’ erf op momenten wanneer er geen auto’s staan.
oude situatie
BEPERKEN VERHARDING
PASSENDE VERHARDING
Veel boerenerven zijn veel te stenig geworden. Hierdoor is een minder vloeiende en prettige overgang van weg naar landschap ontstaan. Ook bij het voormalige erf van Noordeinde 134 was dit het geval. Inmiddels is al de meeste bestrating weggehaald. In de nieuwe situatie zal er veel minder verharding terug komen.
Kenmerkend voor de verharding op boerenerven is de afwisseling in typen (materiaal, vorm en kleur) en de beperkte mate van verharding. Op het gemeenschappelijk erf wordt halfverharding (grind) of gebakken klinkers toegepast. Om de link naar het boerderijkavel te versterken dienen op de particuliere kavels grote terrastegels te worden vermeden. Ingetogen bestratingsmaterialen versterken het landschappelijke van de plek.
Noordeinde
3 SCHETSONTWERP TERREININRICHTING
vleermuiskasten
VERHOUDING VERHARD - ONVERHARD
De toegangsweg en het erf zijn bij voorkeur van een halfverharding waar water goed doorheen sijpelt. De bebouwing geldt als verhard oppervlak, waarbij regenwater wordt opgevangen en via een regenpijp in de bodem zakt (en niet in het riool). Daarnaast is er nog plek voor parkeerplaatsen en zullen er nog paadjes en terassen worden aangelegd door toekomstige bewoners. Hiervoor is rekening gehouden met een mogelijke toename in verharding van 640 m2 . Bijelkaar opgeteld moet de totale verharding minder zijn dan het onverhard gebied op het kavel, zodat regenwater goed in de bodem kan worden opgenomen.
NATUURINCLUSIVITEIT
Per woning worden minimaal 4 inbouwvleermuiskasten ingebouwd. De locaties worden gebaseerd op het advies van een ecoloog. Op het kavel dienen minimaal 5 nestkasten voor vogels te worden aangebracht. Tuinverlichting dient zeer beperkt te blijven. Minimaal 30% van nieuwe aanplant dient inheems te zijn die past bij de grondslag van het gebied.
LANGSDOORSNEDE (NOORDELIJKE KIJKRICHTING)
bomenvoorstel Noordeinde 134, Waddinxveen Bomen 1e orde: 3 x Bomen 2e orde: 32x Bomen 3e orde: 15x
Alnus glutinosa
Sorbus commixta
Tilia flavescens
Juglans regia
Malus domestica
Ulmus laevis
Niets uit dit schetsboek mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt zonder naam- en bronvermelding. De ontwerpen zijn gemaakt door bureau Maelcum. Op de ontwerpen berust auteursrecht.
bureau Maelcum