CConstaterende datWaalwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Vragen en antwoorden SGP

Raadsvergadering (B) 4 maart 2021, gemeente WaalwijkBij agendapunt: (R1.7-21) Klachtenverordening 20211.328 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Datum Raad

Raad A 14 januari 2021 R1.7-21 Onderwerp SGP/H. van Zelst

Raad B

Nr. raadsvoorstel Klachtenverordening 2021 Fractie Datum binnenkomst 5 januari 2021 vraag Datum 12 januari 2021 beantwoording Naam team/steller THRM Portefeuillehouder N. Kleijngeld Vragen Vraag: Een aantal malen heb ik al opmerkingen gemaakt over de huidige klachtenverordening 2003 en de onvolkomenheden die zich daarin bevinden. Nu krijgen we een nieuwe klachtenverordening voorgelegd, niet is duidelijk welke het meeste rammelt. In artikel 1. begrippen onder a. gaat het al mis. Daar wordt verwezen naar artikel 1:2 Awb. Naar mijn mening wordt hier naar het verkeerde artikel verwezen. Dat is of een verschrijving van de jurist die dit opstelde, of hij heeft de Awb niet goed begrepen, gezien mijn eerdere ervaringen is beide mogelijk. Vraag is welk artikel is hier van toepassing. Artikel 1:2 Awb of bedoelde men Artikel 1:1 Awb? Antwoord: Er is sprake van een typefout, uiteraard is artikel 1:1 bedoeld. Overigens hebben wij vastgesteld dat in artikel 14, eerste lid, van het concept per abuis 1 mei staat vermeld, waar – zoals vermeld in het raadsvoorstel – 1 juli had moeten staan. Beide verschrijvingen zullen wij corrigeren. Vraag: In artikel 3 worden gedragingen genoemd van diverse personen, bestuursorganen of medewerkers. In mijn beleving dient deze verordening vnl. te gaan over gedragingen van bestuursorganen, bijv. het college van B&W en de raad en daarnaast bijv.

over de griffie en zijn medewerkers. Uit het raadsvoorstel blijkt dat de Heffingsambtenaar en bijv. de Invorderingsambtenaar niet genoemd worden omdat zij, ondanks dat zij beslissingsbevoegdheid hebben, hiërarchisch toch ondergeschikt zijn aan het college. Echter in deze verordening wordt hier ook genoemd: Een secretaris of ondersteuner van de commissie bezwaarschriften, in mijn ogen zijn dat medewerkers van de gemeente Waalwijk, zijn zij dan ook niet hiërarchisch ondergeschikt? En zo ja, waarom worden zij hier dan wel genoemd? En kunt u toelichten of en waar geregeld is dat de commissie bezwaarschriften een zelfstandig bestuursorgaan is? De commissie bezwaarschriften heeft in elk geval niet zoals de heffingsambtenaar en bijv. de invorderingsambtenaar beslissingsbevoegdheid, zij brengen slechts advies uit aan het college. De vraag is dan ook of de commissie bezwaarschriften wel in deze verordening genoemd moet worden? En zo ja, waarom? Antwoord:

Het klachtrecht heeft betrekking op gedragingen van bestuursorganen maar volgens artikel 9:1, tweede lid, Awb moeten als zodanig ook worden aangemerkt de gedragingen van personen die werkzaam zijn onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan. In de praktijk gaat het bijna altijd om gedragingen van zo’n persoon. De griffie van de raad (de raadsgriffier en diens medewerkers) is overigens geen bestuursorgaan, zij werkt onder verantwoordelijkheid van de raad. De commissie Bezwaarschriften wordt op grond van jurisprudentie beschouwd als een bestuursorgaan, zie o.m. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 april 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AW1297), bij u bekend. Het is juist dat degenen die de commissie ondersteunen, als secretaris of anderszins, hiërarchisch ondergeschikt zijn aan ons college. De commissie heeft echter – anders dan de door u genoemde Heffingsambtenaar of Invorderingsambtenaar - een bijzondere positie, aangezien zij ons - maar ook uw raad en de burgemeester - vanuit een onafhankelijke positie dient te adviseren over beslissingen op bezwaar. Zodoende zijn haar ondersteuners voor hun gedragingen in die hoedanigheid verantwoording verschuldigd aan de commissie, en niet aan ons of de andere bestuursorganen.

Anders zouden wij via de ondersteuners invloed kunnen uitoefen op het functioneren van de commissie, hetgeen een aantasting van haar onafhankelijke positie zou zijn. Tegen die achtergrond dienen naar onze mening gedragingen van ondersteuners van de commissie in het kader van het klachtrecht ook door haarzelf beoordeeld te worden. Zodoende hebben we een en ander expliciet in de verordening opgenomen. Vraag: En kan er toelichting gegeven worden op de keuze van de klachtbehandelaars bij voornoemde personen / organen / commissies, mij komt voor dat dit namelijk ook niet juist is. Dit in het licht van Hoofdstuk 9 van de Awb. Antwoord: In de klachtverordening, die nu voorligt, is ervoor gezorgd dat de klachtbehandelaar zo dicht mogelijk staat bij degene over wie wordt geklaagd. Zodoende heeft de klachtbehandelaar ook meer zicht op de dagelijkse gang van zaken, zodat deze bij een ongewenste gedraging ook beter kan beoordelen of sprake is van een incident, dan wel van structureel gedrag dat voortvloeit uit een persoonlijke taakinvulling of misschien wel een werkwijze die verbetering behoeft. Wij zien niet in dat een en ander in strijd zou zijn met het bepaalde in hoofdstuk 9 Awb.

De enige eis die dat hoofdstuk stelt aan de hoedanigheid van klachtbehandelaar is dat het niet mag gaan om een persoon die betrokken is bij de gedraging waarop een klacht betrekking heeft (uitgezonderd een klacht over een gedraging van een bestuursorgaan zelf of de voorzitter of een lid daarvan), zie artikel 9:7 Awb. Hieruit vloeit voort dat een in de verordening aangewezen klachtbehandelaar de behandeling moet overdragen aan een ander als hij/zij zelf betrokken is bij de gedraging waarover wordt geklaagd. De verordening wijst ook voor de functionaris, die optreedt als klachtbehandelaar, een klachtbehandelaar aan. Uiteindelijk is deze het bestuursorgaan zelf. Wij wijzen ook nog op de mogelijkheid die een klachtbehandelaar heeft om het besluit over een antwoord op een klacht over te laten aan het verantwoordelijke bestuursorgaan. Daarbij gaat het om het nemen van het besluit en niet om de voorafgaande behandeling, dus deze bepaling is niet bedoeld voor eigen betrokkenheid van de klachtbehandelaar. Wel kan deze, bijvoorbeeld in het geval van een gevoelige kwestie, besluiten om niet zelf te antwoorden op de klacht. Vraag: Zou het in zijn geheel niet veel makkelijker zijn en meer zekerheid geven als voor de klachtbehandeling en de daarbij behorende regelgeving indien in zijn algemeenheid verwezen wordt naar hoofdstuk 9 van de Awb? Daar is alles tot in de puntjes geregeld lijkt mij.

Antwoord: Zoals u kunt lezen in de aanhef van de verordening, wordt verwezen naar hoofdstuk 9 Awb. Voor zover u bedoelt dat er naast de wettelijke bepalingen geen gemeentelijke verordening vastgesteld zou moeten worden, merken wij het volgende op. Zoals ook in de afgelopen jaren is gebleken, kan het klachtrecht - zoals het in hoofdstuk 9 Awb is vastgelegd - op een aantal punten verschillend uitgelegd worden. Het gaat dan vooral om procedurele kwesties, hetgeen – zoals u weet – in het verleden in een aantal concrete gevallen tot verschil van inzicht leidde met klagers, waardoor de behandeling onnodig gecompliceerd werd. Wij menen daarom dat het noodzakelijk is om door middel van een plaatselijke verordening duidelijkheid te scheppen op de punten waarbij de wet die niet geeft. Vraag: Bij deze opmerkingen wilde ik het voorlopig maar even laten, mijn advies is om hier een echte jurist naar te laten kijken om te voorkomen dat we opnieuw als gemeenteraad een rammelende verordening vast gaan stellen, het lijkt mij dat dit na 17 jaar noodzakelijk is, bent u het hier mee eens? Antwoord: Wij delen uw mening niet en betreuren het dat u spreekt van een rammelende verordening.

Afgezien van de door u gevonden typefout en de andere verschrijving, die wij zullen corrigeren, is naar onze mening sprake van een deugdelijke regeling die aansluit bij de huidige uitvoeringspraktijk, en die juist meer duidelijkheid en zekerheid geeft voor alle betrokkenen. Wij hebben ons daarbij laten inspireren door regelingen zoals die elders gelden, zoals in de gemeenten Steenbergen en Overbetuwe. Dat zaken wellicht ook anders geregeld zouden kunnen worden, maakt niet dat sprake is van een rammelende verordening die in strijd zou zijn met de wet, zoals u stelt. De keuzes die wij in het voorstel maken, zijn ingegeven door de praktijk en komen naar onze mening een klachtbehandeling ten goede die voor iedereen het nodige inzicht geeft: zowel voor klagers, beklaagden als voor degenen die moeten oordelen over een klacht. Dit betekent ook dat tijdens de klachtbehandeling er alle aandacht kan zijn voor datgene waar het om gaat, namelijk de inhoud van de klacht en het zoveel mogelijk wegnemen van de ontevredenheid van de klager.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9845923/1