Vragen en Antwoorden ChristenUnie
Tekst van het document
Datum Raad Nr. raadsvoorstel Fractie Datum binnenkomst vraag Datum beantwoording Naam team/steller
Raadsvergadering 3 november 2022 Onderwerp ChristenUnie/J. van Groos
Koersbepaling Sociaal Domein 6 oktober 2022
12 oktober 2022 TMAO
Portefeuillehoude r
D. Odabasi
Vragen Vraag: Waarom wordt in het raadsvoorstel gesproken over een groei van het aantal arbeidsmigranten en waarom neemt daardoor de zorgvraag toe? Antwoord: De reden hiervoor is dat dit een opvallende demografische verschijning is waarin Waalwijk afwijkt van de regio. De (mogelijk) toenemende vraag blijkt uit onderzoek. De redenen hiervoor staan uitgebreid toegelicht in een rapport van Pharos, zie https://www.pharos.nl/kennisbank/zorgen-voor-arbeidsmigranten/ Vraag: In de bijlage staat dat onderzoekers voor de groep arbeidsmigranten door hun werk- en leefomstandigheden grote gezondheidsrisico’s zien; wat zijn dan die nadelig woon- en leefomstandigheden en wat zijn die gezondheidsrisico’s? Antwoord: Wij hebben lokaal geen onderzoek gedaan naar de arbeidsomstandigheden van arbeidsmigranten in Waalwijk. Algemeen geldt dat we deze inzichten halen uit het hierboven genoemde onderzoek. Met name in hoofdstuk 3.3 en hoofdstuk 4 staat dit toegelicht. Daar staat onder andere: Arbeidsmigranten die laaggeschoold werk doen, werken vaak onder omstandigheden die worden omschreven als 3D: ‘dirty, dangerous en degrading’. Dit geeft goed weer waar arbeidsmigranten mee te maken kunnen krijgen: zij doen vaak werk dat vies en/of gevaarlijk is, zoals productiewerk, in de voedingsindustrie of in de landbouw.
Bovendien gaat het om laag gewaardeerd werk (Inspectie SZW, 2021), vaak met een hoge productiedruk.(…) Naast slechte arbeidsomstandigheden, laat ook de huisvesting regelmatig te wensen over. Vraag: Is één van de redenen waarom in Waalwijk het beroep op de jeugdzorg veel sterker is toegenomen dan in de rest van Nederland, het uitschakelen van het voorliggende veld? Zo ja, waarom? Zo neen, wat zijn die redenen dan wel? Antwoord: We stellen in het koersdocument dat het gebruik bovengemiddeld is. We hebben het niet over een sterkere toename van jeugdzorg ten opzichte van de rest van Nederland. De belangrijkste oorzaak die wij zien voor het hogere gebruik van jeugdzorg is dat de sociaaleconomische status van Waalwijk één van de laagste van Noord-Brabant is. Voor wat betreft het uitschakelen van het voorliggend veld: Dit is wat ons betreft niet aan de orde. Wel zien we dat we de middelen die we nu besteden aan maatwerktrajecten (indicaties) anders kunnen inzetten en meer naar het voorliggend veld kunnen brengen. Vraag: Eén van de uitgangspunten van 2015 was de trits één huishouden – één plan – één regisseur. Dat lijkt ons nog steeds een prima uitgangspunt voor goede zorg. Wordt dit nu losgelaten en waarom? Antwoord: Dit werken we uit in de onderliggende beleidsplannen. Het kan binnen specifieke onderdelen van het sociaal domein nog steeds een prima uitgangspunt zijn.
Vraag: Zijn we ook bereid om samen te werken met andere gemeente(n), als dit niet voor onszelf
maar juist voor die andere gemeente(n) meerwaarde heeft? Antwoord: We werken al samen met regiogemeenten als het gaat om de jeugdzorg. En als we de toegevoegde waarde inzien, zullen we dat zeker doen. Vraag: Hoe kunnen we mensen een dak boven hun hoofd garanderen, terwijl er juist een groot tekort aan woningen is? Antwoord: Niet. Wel kunnen we voorkomen dat mensen in (financieel) kwetsbare posities uit huis worden gezet. Vraag: De uitvoering van de Participatiewet is aan Baanbrekers overgedragen; maar wat doen we voor de mensen die volgens Baanbrekers een te grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben? Antwoord: Op dit moment zetten we hiervoor het project maatschappelijke activering in. Vraag: Wat zijn de plannen om wijken en buurten waar nodig te versterken? Antwoord: We willen meer wijk- en buurtgericht gaan werken, zoals dat in de koers staat. Dat is in de koers nog niet concreet uitgewerkt en krijgt in de onderliggende beleidsplannen vorm. Vraag: Hoe moeten we de lokale wijk- en buurteams (p9+16; bijlage 1) zien? Antwoord: Dit staat toegelicht op pagina 31. De concrete uitwerking hiervan vindt plaats in Q4 2023. Vraag: Loopt de raad met de nieuwe beleidslijn nu het risico dat in de paragraaf Duurzaamheid alleen een verwijzing wordt opgenomen naar passende SDG’s? Antwoord: We willen het menselijk kapitaal verstevigen vanuit het gedachtegoed van de SDG’s.
We willen mensen in staat stellen om voor zichzelf en voor anderen te zorgen. Dan kunnen ze daarna ook beter voor het klimaat zorgen. Wij zien dat risico niet omdat het in de koers verweven zit. Vraag: Hoe is de tweedeling (of veeldeling) door gemeentelijk beleid versterkt? Antwoord: Dit is een dusdanig politieke vraag dat wie die beter in een debat kunnen bespreken. Als invalshoek kunnen we nog wel kijken naar de landelijke ontwikkelingen. We vinden de onderbouwing hiervoor in de Atlas van afgehaakt Nederland. Dat gaat weliswaar over de tweede kamer maar weerspiegelt waarschijnlijk ook de lokale democratie. Daaruit blijkt namelijk dat we in Nederland te weinig oog hebben gehad voor de demografische kenmerken van de samenleving. ‘dat hoger opgeleide burgers op sommige thema’s beter worden gerepresenteerd in volksvertegenwoordigende organen dan lager opgeleiden. Er is sprake van een in die zin imperfecte afspiegeling van de bevolking. Opvattingen van Tweede Kamerleden op de thema’s integratie, immigratie en Europa sluiten bijna naadloos aan op die van de hoger opgeleide kiezer, maar veel minder goed op die van de lager opgeleide kiezer. Op deze belangrijke thema’s wordt het electoraat inhoudelijk niet goed gerepresenteerd in de Tweede Kamer. Er is tot op zekere hoogte sprake van een ‘diplomademocratie’.
Hoger opgeleiden en mensen met een bovenmodaal inkomen zijn ook tevredener over het functioneren van de democratie en hebben meer vertrouwen in de Tweede Kamer dan lager opgeleiden en mensen met een lager inkomen. (…) Enigszins chargerend gesteld leidt de maatschappelijke tweedeling tot een duidelijke tegenstelling qua
waardenoriëntatie en praktische politiek tussen enerzijds een doorgaans hoger opgeleid volksdeel en anderzijds een doorgaans lager opgeleid volksdeel. Een omvangrijke middengroep bevindt zich er tussenin’