Vragen en antwoorden ChristenUnie
Tekst van het document
Datum binnenkomst vraag Datum raadsvergadering Portefeuillehouder Behandelend team Uiterste afdoeningsdatum
Technische vragen
Datum beantwoording vraag
maandag 5 januari 2026 donderdag 29 januari 2026 Dhr. A. de Jong OBL 12-01-26 8 januari 2026
Omgevingsvisie Inleiding/toelichting Klik om inleiding/toelichting in te voeren.
1
Vraag In de Nota van Zienswijzen staat als wijziging op pagina 16-17: “We zorgen ervoor dat historische gebouwen (zoals kerken), structuren en landschappen behouden blijven, wijzen hiervoor ook nieuwe ‘monumenten’ aan, en zorgen dat ze beter zichtbaar worden in de openbare ruimte.” Hoe denkt het college deze toezegging te gaan invullen? Antwoord In de eerste plaats wordt cultuurhistorische informatie verzameld en samengebracht. Grotendeels gaat het hierbij om al aanwezige gegevens en beelden, maar ook aanvullende analyses zijn en worden uitgevoerd. Vervolgens wordt de informatie beter (digitaal) toegankelijk gemaakt. Voor de gehele gemeente wordt hiervoor gewerkt aan een zogenaamde ‘storymap’, waarbij in een interactieve viewer de verschillende tijdslagen en erfgoedwaardes overzichtelijk en gebiedsgericht in beeld zijn gebracht. Zodoende is de informatie goed ontsloten, makkelijk bruikbaar en ontstaat er een goed bewustzijn van de aanwezige waarden. Deze storymap vormt bovendien een goede basis voor planvorming bij transformaties en ontwikkelingen op cultuurhistorisch relevante locaties. Met deze input wordt in de vorm van een transformatiekader, de voorwaarden en mogelijkheden binnen een project bepaald. Momenteel wordt hiermee in pilots al ervaring opgedaan.
Het doel is om op zowel beleids-, als projectniveau daarmee de aanwezige karakteristieken en waardes toekomstgericht te borgen. Dit kan o.a. betekenen dat waardevolle gebouwen bredere gebruiksmogelijkheden krijgen of dat waardevolle elementen op een andere plek of wijze ingepast worden in een project. Het verhaal van de plek dient zo behouden en beleefbaar te worden of te blijven, zowel in de bebouwing als in de inrichting van de buitenruimte. Zodra het resultaat van de storymap bekend is, wordt de raad hiervan op de hoogte gesteld. Bij de samenvatting van de speerpunten in de omgevingsvisie is in de zin met betrekking tot het aanwijzen van nieuwe ‘monumenten’, dit woord bewust tussen aanhalingstekens gezet. Ter verduidelijking wordt hier dus niet de feitelijke toekenning van een status als gemeentelijk monument met de daarbij behorende wet- en regelgeving bedoeld, maar gaat het om het onderkennen en zorgvuldig behandelen van karakteristieke panden, objecten en structuren. Alsof het in zekere mate de status van een (gemeentelijk) monument zou hebben.Klik om antwoord in te voeren
2
Vraag Waarom wordt in bijlage 6, pagina 6, gemeld dat Waalwijk de ambitie heeft om in 2050 klimaatneutraal te zijn, terwijl eerder is besloten dat dit al in 2043 het geval moet zijn? [Op pagina 15 wordt gesproken over energieneutraal in 2043 en in de visie op pagina 185 dat Waalwijk in 2043 een klimaatneutrale en in 2050 een klimaatbestendige gemeente is.] Antwoord De tekst in de omgevingsvisie is leidend. In de omgevingsvisie staat, zoals u ook al aangeeft, dat gemeente Waalwijk in 2043 klimaatneutraal wil zijn. Het energiesysteem heeft dan een uitstoot aan CO2 van netto nul. Deze doelstelling is eerder ook vastgelegd in de visie
Duurzaam Waalwijk 2030. Vervolgens wil de gemeente in 2050 klimaatbestendig zijn. Dan is gemeente Waalwijk op basis van de informatie die we nu hebben ook klaar om de gevolgen van het veranderende klimaat op te vangen.
3
Vraag Onderaan pagina 10 staat de zin ´Het is daarbij van belang te benadrukken dat milieucategorieën en richtafstanden indicatief zijn. Bij concrete transformatie-initiatieven blijft een project specifieke beoordeling noodzakelijk. Waarop worden die projecten dan beoordeeld en welke normen worden hierbij gehanteerd? Antwoord Milieucategorieën en richtafstanden zijn slechts een hulpmiddel. Bij een concreet initiatief voert de gemeente een project-specifieke beoordeling uit. De toetsing gebeurt volgens de VNG-methodiek milieuzonering en de kaders van de Omgevingswet. Richtafstanden (10– 1.500 m) uit de VNG-lijst blijven indicatief; als een gevoelige functie binnen die afstand valt, volgt nadere studie (bijvoorbeeld geluidsonderzoek). Geluid is vaak leidend. Bij grotere projecten kan een milieueffectrapportage nodig zijn. Er is geen vaste norm, maar een maatwerkbeoordeling op basis van milieubelasting, context en wettelijke kaders.
4
Vraag Hoeveel groei van de woningbouw wordt binnen de kernen Sprang-Capelle en Waspik geplaatst via intensivering, en welke delen kunnen verantwoord aan de randen landen, in combinatie met wateropgaven en ecologische versterking? Antwoord Sinds 2025 wordt de woningbouwmonitoring voor de gemeenteraad in beeld gebracht en gaan we dat jaarlijks doen. Daarbij wordt ook in beeld gebracht hoe de verdeling van woningbouwontwikkelingen over de verschillende kernen is. Op deze manier is er de mogelijkheid om hierop bij te sturen daar waar nodig. Op 23 oktober 2025 is er voor de eerste keer een dergelijke informatiesessie voor de gemeenteraad georganiseerd. De verhouding tussen de kernen was op dat moment: • Waspik: 8% van de woningbouwontwikkelingen • Sprang-Capelle (incl. Landgoed Driessen): 37% van de woningbouwontwikkelingen • Waalwijk: 54% van de woningbouwontwikkelingen. De omgevingsvisie beoogt een uitnodiging te doen voor – en kaders mee te geven overontwikkelingen voor de lange termijn. Ten aanzien van woningbouwontwikkelingen zijn in de omgevingsvisie enkele grotere locaties aangewezen waar op termijn een gebiedsontwikkeling voorstelbaar wordt geacht ((toekomstige) onderzoekslocaties). Kleinere individuele percelen kunnen daarbij nog steeds ontwikkeld worden – ook indien deze niet op de visiekaart zijn weergegeven.
De mogelijkheden voor woningsplitsing en het recent vastgestelde beleid voor tijdelijke extra woningen blijven bestaan en dragen tevens bij aan intensivering. De aangewezen (toekomstige) onderzoekslocaties in de kernen van Waspik en Sprang Capelle liggen met name aan de randen en bieden goede kansen voor het verbeterd inpassen van de wateropgave en ecologische ambities. Overigens gelden deze ambities ook onverminderd voor ontwikkelingen binnen het stedelijk gebied.
5
Vraag Wanneer kan de gemeenteraad een actualisatie verwachten van de startnotitie ‘Werken met de omgevingsvisie’?
Antwoord De startnotitie ’Werken met de omgevingsvisie’ wordt naar verwachting in mei 2026 opgeleverd. De raad wordt hierover via een raadsinformatiebrief geïnformeerd. In de startnotitie wordt beschreven welke onderdelen van belang zijn voor het werken met de omgevingsvisie en wat daarvoor nodig is (een advies voor een aanpak). In deze startnotitie staat ook een tijdlijn voor de uit te werken onderdelen, dit alles met de actualisatie van de omgevingsvisie in 2027 in beeld. Dit is immers het moment waarop bepaalde onderdelen moeten kunnen worden meegenomen. De punten waar gelijk uitwerking aan gegeven kan worden, worden zo veel mogelijk gelijk opgepakt en uitgewerkt in de startnotitie. Bij het opstellen van de startnotitie wordt samengewerkt met de griffie, om de rol van de raad op de aan de orde zijnde momenten zo goed mogelijk te borgen in het hele proces en te bekijken hoe we aan rolduidelijkheid kunnen werken, voor alle betrokken spelers.
6
Vraag Waarom ziet het college geen noodzaak om omgevingswaarden vast te leggen in de omgevingsvisie (pg.157)? Antwoord Een omgevingswaarde bepaalt voor de fysieke leefomgeving, of een onderdeel daarvan, de gewenste staat of kwaliteit, de toelaatbare belasting door activiteiten en/of de toelaatbare concentratie of depositie van stoffen. Een omgevingswaarde wordt uitgedrukt in meetbare of berekenbare eenheden of anderszins in objectieve termen. Een omgevingswaarde kan worden vastgesteld in het omgevingsplan, maar het is logisch deze aan te kondigen in de omgevingsvisie (de omgevingsvisie is immers de beleidsmatige basis van het omgevingsplan). Omgevingswaarden hebben geen directe werking naar burgers en bedrijven. Daarom zal de gemeente in het omgevingsplan regels over activiteiten moeten opnemen met het oog op het bereiken van de omgevingswaarde. Het veronderstelt dat de gemeente in het omgevingsplan gaat werken met open normen en daar is het nu nog te vroeg voor. De prioriteit ligt bij het goed (beleidsneutraal) overzetten van de bestemmingsplannen en de bruidsschat in een werkend omgevingsplan. Dit speelt bij vrijwel alle gemeenten. Daarom wordt er ook bijna (nog) geen gebruik gemaakt van het middel omgevingswaarde. Een andere reden hiervoor is dat het benoemen van omgevingswaarden niet vrijblijvend is.
Gemeenten zijn verplicht te monitoren of de opgenomen omgevingswaarde gehaald wordt en wordt de norm niet gehaald of dreigt deze niet gehaald te worden, dan moet het college een programma vaststellen met maatregelen om alsnog aan de waarde te voldoen. De gemeente kan straks ook door derden worden aangesproken op het al of niet realiseren van omgevingswaarden, kwaliteiten en projecten en op de uitvoering van beleid dat is vastgelegd in omgevingsvisies en programma’s. Dit is op zich positief vanuit het oogpunt van een voorspelbare overheid, maar de verwachting is dat gemeenten pas omgevingswaarden gaan opnemen als de beleidscyclus een paar rondes gehad heeft en duidelijker wordt welke doelen binnen welke termijn haalbaar zijn.
7
Vraag Waarom staat niet in het raadsvoorstel een expliciet besluit om te gaan werken met een ‘Reserve ruimtelijke kwaliteit’ of ‘Reserve kwaliteit fysieke leefomgeving’ (pg.160-161) met
de daarbij behorende spelregels? En waarom is in de visie niet beschreven hoe de benodigde kwaliteitsverbetering van een plan wordt bepaald? Antwoord Dit is niet in het raadsvoorstel of omgevingsvisie opgenomen omdat daarover al eerder besluiten zijn genomen of dit opgenomen is in ander beleid. Bij het vaststellen van de structuurvisie in februari 2016 is een ’Reserve kwaliteit fysieke leefomgeving‘ expliciet door de raad ingesteld met bijbehorend beleid in deel C van de Structuurvisie. Over deze Reserve is door de raad ook een besluit genomen in januari 2025 bij het vaststellen van de Nota grondbeleid 2025-2030 (beleidsuitgangspunten 5 en 6). De grondslag en de hoofdlijnen van het beleid voor deze Reserve zijn opgenomen in de omgevingsvisie als opvolger van de structuurvisie. De bijbehorende spelregels en hoe de benodigde kwaliteitsverbetering van een plan wordt bepaald is uitgewerkt via werkafspraken. Deze werkafspraken zijn door het college vastgesteld op basis van regionaal vastgestelde afspraken. De raad is daarover geïnformeerd in Raadsinformatiebrief 014-25. De benamingen ‘Reserve ruimtelijke kwaliteit’ en ‘Reserve kwaliteit fysieke leefomgeving’ worden beide gebruikt maar daarmee wordt hetzelfde bedoeld.
8
Vraag In de omgevingsvisie wordt gesproken over het belang van een monitoringssysteem en meetbare indicatoren (pg.165); waaruit bestaat dit monitoringssysteem en welke meetbare indicatoren worden gehanteerd? Antwoord Het monitoringssysteem moet nog worden opgezet en uitgewerkt. Hiervoor worden de eerste handreikingen, dat wat voor het opstellen van een monitoringssysteem nodig is en een bijbehorende tijdlijn opgenomen in de Startnotitie ‘Werken met de omgevingsvisie’. Bij het opstellen van de omgevingsvisie is al geprobeerd zo veel mogelijk meetbare indicatoren op te nemen, zodat kan worden bekeken of er voortgang wordt geboekt. Hier moet nog ervaring mee worden opgedaan (zowel met het formuleren op een meetbare manier, als met de monitoring, én met de evaluatie van de twee voorgaande aspecten). Dat een monitoring met meetbare indicatoren voordelen met zich brengt, wordt onderschreven. Mede om het gesprek over het werken met de omgevingsvisie goed te kunnen voeren en in beeld te kunnen krijgen waar nog werk aan de winkel is en wat voor werk dan het beste resultaat zou kunnen bieden.
Het streven is om een eerste opzet rond monitoren gereed te hebben voorafgaand aan de actualisatie van de omgevingsvisie in 2027, zodat bij het opstellen van de ‘2.0 versie’ rekening kan worden gehouden met de monitoring (tekstueel en het opnemen van de monitoringssystematiek in het uitvoeringshoofdstuk). Het MER biedt goede aanknopingspunten voor het opzetten van het monitoringssysteem, omdat hierin de huidige stand van zaken in is weergegeven.
9
Vraag In de stukken wordt melding gemaakt van het feit dat de gemeente Waalwijk twee geitenhouderijen telt; één in Sprang-Capelle en één in Waspik. De laatste tijd verschijnen steeds meer berichten over gezondheidsproblemen (bijvoorbeeld longontstekingen) die een relatie hebben met aanwezige geitenhouderijen. Welke concrete effecten heeft deze gezondheidsproblematiek op onze omgevingsvisie? Antwoord Indien er mogelijkheden tot woningbouw aanwezig zijn, binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij, waarbij de gezondheidsrisico’s hiermee in balans zijn dan kan dit naast elkaar blijven bestaan.
Indien er vanuit provincie of regering informatie komt waarbij dit niet het geval is dan zullen we maatregelen moeten treffen. Als dat nodig is, kan dat zelfs betekenen dat er dan niet gebouwd kan worden of dat er maatregelen bij de bron getroffen moeten worden. Ingediend door:
Jan van Groos ChristenUnie