R5.2-21 GEWIJZIGD Gebiedsspecifiek beleid PFAS
Tekst van het document
GEWIJZIGD Raadsvoorstel (wijzigingen met geel gemarkeerd) Agendanr.: Dossier:
R5.2-21 2021-020106
Datum collegevergadering: Onderwerp:
12 april 2021 Gebiedsspecifiek beleid PFAS
0. Samenvatting Door het college te mandateren om gebiedsspecifiek beleid PFAS vast te stellen voor het gebied Haven 8 Oost en het GOL wordt het mogelijk om zonder extra kosten voor afvoer van grond en in lijn met de planning met de werkzaamheden te starten. Grond afkomstig van dit gebied wordt binnen het gebied toegepast, waardoor de bestaande bodemkwaliteit niet verslechtert. Tot 1 januari 2021 was het nog mogelijk voor het college om gebiedsspecifiek beleid pfas vast te stellen door een landelijk besluit om het Besluit bodemkwaliteit aan te passen. 1. Wat is de aanleiding? In Haven 8 Oost en het GOL zijn vorig jaar bij onderzoeken gehalten aan PFAS gevonden die boven de normen van het landelijke tijdelijk handelingskader van poly- en perfluoralkyl- stoffen (hierna PFAS) liggen. Om werkzaamheden op Haven 8 Oost en het GOL mogelijk te maken worden lokale maximale waarden opgesteld, zogenaamd gebiedsspecifiek beleid. Het Besluit bodemkwaliteit biedt de mogelijkheid om gebiedsspecifiek beleid vast te stellen, teneinde specifieke problemen te kunnen oplossen die zich op lokaal niveau bij het toepassen van grond of baggerspecie voordoen en die bij grondverzet of bagger-werkzaamheden tot stagnatie aanleiding kunnen geven. De gemeenteraad is hierbij aangewezen als bevoegd gezag. Door het Rijk was op 13 december 2019 een besluit genomen om het Besluit bodemkwaliteit aan te passen.
Dit besluit ging over een wijziging van het Besluit bodemkwaliteit waarmee een versnelling van de voorbereidingsprocedure die moet worden gevolgd voor het nemen van besluiten tot vaststelling van een gebiedsspecifiek toetsingskader voor het toepassen van grond of baggerspecie. De wijziging bestond uit het toekennen van de bevoegdheid om gebiedsspecifiek beleid voor PFAS vast te stellen aan het college. Hierdoor moesten problemen die zich voordoen bij het toepassen van PFAS-houdende grond en baggerspecie, sneller kunnen worden opgelost. Dit besluit liep tot 31 december 2020. Het Rijk ging ervan uit dat alle problemen per 31 december 2020 waren opgelost, maar dit is voor de gemeente Waalwijk niet het geval. Pas vorig jaar werd duidelijk dat bij de uitvoering van het GOL problemen/hoge kosten ontstaan door de gehalten PFAS die worden aangetroffen. Vanaf 1 januari 2021 moet de uitgebreide voorbereidingsprocedure weer gevolgd worden. Bij het volgen van de uitgebreide voorbereidingsprocedure is het gebiedsspecifieke beleid PFAS voor Haven 8 Oost en het GOL niet vastgesteld op het moment dat nu de start werkzaamheden gepland is. 2. Wat willen we bereiken en waarom? Bij grondverzet in het kader van de uitvoering van werken en bij baggerwerkzaamheden ontstaan problemen bij de afzet van vrijkomende grond en baggerspecie waarin PFAS voorkomen.
Deze verontreinigde grond en baggerspecie zijn niet (overal) toepasbaar. In 2020 is een Tijdelijk handelingskader vastgesteld. Hierin zijn voor het toepassen van PFAS-houdende grond en baggerspecie bij wijze van interpretatie van de zorgplicht enkele voorlopige toepassingswaarden opgenomen. Voor het gebied Haven 8 Oost en het GOL biedt het Tijdelijk handelingskader niet voldoende mogelijkheden en moet grond afgevoerd worden tegen hoge kosten. 1
Om ons lokale probleem bij het toepassen van PFAS-houdende grond en baggerspecie voor het gebied Haven 8 Oost en het GOL op te lossen, is het wenselijk dat het instrumentarium waarmee gebiedsspecifiek beleid kan worden gevoerd, zo snel mogelijk kan worden ingezet. In het Besluit bodemkwaliteit worden eisen gesteld aan de totstandkoming van gebiedsspecifiek beleid. Deels zijn dit inhoudelijke eisen ten aanzien van de onderbouwing van het beleid, deels procedurele eisen ten aanzien van de vaststelling van het beleid. Voor dit laatste moet thans verplicht de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (uniforme openbare voorbereidingsprocedure) worden gevolgd. Het doel is om grond die afkomstig is uit het gebied Haven 8 Oost en GOL te kunnen toepassen in datzelfde gebied. Het uitgangspunt daarbij is dat dit niet mag leiden tot verslechtering van de bestaande kwaliteit van de bodem. Omdat de grond in dit gebied een hoger gehalte PFAS bevat dan de landelijke toepassingsnorm moet gebiedsspecifiek beleid worden vastgesteld om deze toepassing mogelijk te maken. De raad is hiervoor het bevoegd gezag. Om vertraging in de uitvoering te voorkomen, wordt voorgesteld deze bevoegdheid in dit specifieke geval aan het college te mandateren. 3. Wat gaan we daarvoor doen? Met het opstellen van gebiedsspecifiek beleid PFAS worden de toepassingsmogelijkheden vergroot.
De aanpak van onze gebiedsspecifieke probleem bij het toepassen van grond is gericht op het verruimen van de toepassingsmogelijkheden binnen het bodembeheergebied Haven 8 Oost en GOL. Dit doen we door het vaststellen van gebiedsspecifieke toepassingsnormen, zogenaamde lokale maximale waarden. Hierdoor wordt toegestaan dat binnen het bodembeheergebied Haven 8 Oost en GOL grond uit dit gebied weer in dit gebied toegepast mag worden. Het uitgangspunt hierbij is dat het toepassen van grond niet mag leiden tot verslechtering van de bestaande kwaliteit van de bodem. Momenteel wordt onderzocht wat de meest verantwoorde Lokale Maximale waarden voor het gebied. Door het mandateren van de bevoegdheid om gebiedsspecifiek beleid PFAS vast te stellen aan het college wordt inzet van het gebiedsspecifieke beleid PFAS versneld. Een besluit om gebiedsspecifiek beleid voor het toepassen van grond of baggerspecie vast te stellen moet worden voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 Awb). Normaal gesproken brengt het college hiervoor een ontwerpbesluit in procedure dat vervolgens wordt vastgesteld door de gemeenteraad. Deze procedure duurt, afhankelijk van eventuele zienswijzen, ongeveer 4,5 maand. Bij mandatering van de vaststelling aan het college wordt de procedure met circa 2 maanden verkort. 4.
Beleidsvrijheid JA/NEE Op basis van artikel 10:3 Algemene wet bestuursrecht. Om verdere procedurele versnelling van de besluitvorming mogelijk te maken is in de tweede plaats in artikel I, onderdeel B, van dit besluit bepaald dat besluiten inzake gebiedsspecifiek beleid voor PFAS op grond van artikel 44, eerste lid, van het Besluit bodemkwaliteit ook door burgemeester en wethouders in plaats van de gemeenteraad mogen worden vastgesteld en in artikel I, onderdelen C en D, van dit besluit dat besluiten op grond van artikel 45 dan wel artikel 46 van het Besluit bodemkwaliteit mogen worden vastgesteld door het dagelijks bestuur in plaats van het algemeen bestuur van het waterschap. Dit geldt voor alle aspecten van gebiedsspecifiek beleid, dus het aanwijzen van een bodembeheergebied, het vaststellen van een lokale maximale waarden en het opstellen van een bodemkwaliteitskaart, echter alleen voor zover het om PFAS gaat. Of 2
van de geboden mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, is de keuze van de gemeente. Verzoek is mandatering aan het college. 5. Wat zijn de financiële consequenties? Het mandateren van het college om gebiedsspecifiek beleid voor PFAS vast te stellen heeft geen financiële consequenties. Uit het gebiedsspecifieke beleid PFAS vloeien voor bedrijven en burgers uit dit besluit geen lasten (administratieve lasten of lasten in verband met de naleving) voort. Het levert eerder financieel voordeel op, omdat grond in werken hergebruikt kan worden in plaats van dat deze afgevoerd moet worden. Voor gemeenten leidt het gebiedsspecifieke beleid PFAS evenmin tot extra lasten. Het gaat om de toepassing van bestaande instrumenten die voor PFAS nu al kunnen worden ingezet als daartoe aanleiding bestaat. Omdat de PFAS-problematiek zich vrij plotseling heeft gemanifesteerd kan er momenteel aanleiding bestaan tot verhoogde beleidsinspanningen voor de vaststelling van gebiedsspecifiek beleid, met name doordat zich in de praktijk knelpunten voordoen bij ontgraven en toepassen van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Aan de voorbereiding en vaststelling van dergelijk beleid worden voor PFAS geen andere eisen gesteld dan voor andere stoffen. Het niet nemen van dit besluit zorgt ervoor dat bij de start van de werkzaamheden grond niet hergebruikt mag worden en deze afgevoerd moet worden.
Dit brengt hogere kosten met zich mee. 6. Inspraak n.v.t. 7. Vervolgtraject besluitvorming (inclusief communicatietraject) Stap 1: College van burgemeester en wethouders neemt een ontwerpbesluit tot vaststelling van het gebiedspecifieke beleid PFAS. Dit ontwerpbesluit wordt ter kennisneming aan de raad voorgelegd d.m.v. een raadsinformatiebrief. Stap 2: Publicatie van het ontwerpbesluit van het gebiedspecifieke beleid PFAS in plaatselijke (huis-aan-huis) krant en 6 weken ter inzage leggen ten behoeve van indiening zienswijzen. Stap 3: Verwerken van evt. ingekomen zienswijzen in het collegevoorstel tot vaststelling van het gebiedspecifieke beleid PFAS Stap 4 Behandeling van collegevoorstel tot vaststelling van het gebiedspecifieke beleid PFAS in het college. De gemeenteraad wordt hierover d.m.v. een raadsinformatiebrief geïnformeerd. Stap 5 Publicatie van het collegebesluit in plaatselijke (huis-aan-huis) krant gedurende 6 weken na vaststelling van het gebiedspecifieke beleid PFAS t.b.v. indiening beroep en/of verzoek om voorlopige voorziening. 8. Fatale beslisdatum NEE Reden:9. Bijlagen bij het voorstel Geen
3
10.Voorstel Wij stellen voor - De bevoegdheid om gebiedsspecifiek beleid PFAS voor het beheersgebied Haven 8 Oost en het GOL vast te stellen te mandateren aan het college.
HET COLLEGE VAN WAALWIJK de secretaris,
de burgemeester,
J.H. Lagendijk
drs. A. M. P. Kleijngeld
4
De raad van de gemeente Waalwijk; gezien het voorstel van het college van Waalwijk van 12 april 2021, BESLUIT: De bevoegdheid om gebiedsspecifiek beleid PFAS voor het beheersgebied Haven 8 Oost en het GOL vast te stellen te mandateren aan het college.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 27 mei 2021.
DE RAAD VAN WAALWIJK de griffier,
de voorzitter,
A.W.J.M. Cornelissen MMC
drs. A. M. P. Kleijngeld
1