R3.2-21 Bijlage Nota van uitgangspunten 2022
Tekst van het document
UITGANGSPUNTEN VOOR DE SAMENSTELLING VAN DE BEGROTING 2022
A.
CIJFERMATIG (INDEXERING en AANTALLEN), MET TOELICHTING
1
Personeelslasten
1.1
Voor de Begroting 2022 wordt uitgegaan van 1,5 % salarisverbetering, tenzij op dat moment CAO-afspraken voor dat jaar bekend zijn. In dat geval worden die financieel doorgerekend. Voor de jaren daarna wordt geen rekening gehouden met salarisverhogingen.
1.2 1.3
2022
2021
1,5 %
3,0%
0%
0%
Wijzigingen in werkgeverspremies kunnen leiden tot beslag op begrotingsruimte. De salariskosten voor de Begroting 2022 zullen berekend worden met de kennis van dat moment over de hoogte van werkgeverspremies voor 2022.
Nadere toelichting op personeelslasten 1. Toegestane formatie en salaris De toegestane ambtelijke formatie is verbijzonderd naar functies / medewerkers en ingedeeld naar organisatieonderdeel. Voor de raming van de salarispositie naar 2022 toe wordt rekening gehouden met het recht op periodieke verhogingen en uitlopen in 2021 en per 1 januari en 1 juli 2022. Op dit moment is er nog geen CAO gemeenten voor 2021 en 2022. Indien die er op het moment van samenstelling van de Begroting 2022 nog niet is, wordt gerekend met een te verwachten stijging van 1,5 % (2021 was 3%). De werkgeverslasten worden geraamd op basis van de laatst bekend zijnde gegevens. Voor zover deze voor 2022 niet bekend zijn, wordt rekening gehouden met een stijging van 1,5 %. Dit is gebaseerd op de volgende factoren: De recente ramingen van het Centraal Planbureau (CPB) uit de Verkenning van de middellange termijn 2022-2025; De inschatting dat CAO-onderhandelingen tot en lagere salarisstijging zullen leiden dan in 2020 (toen 3%), mede als gevolg van de Corona-crisis; Bij onderhandelingen rondom CAO gemeenten zullen uitkomsten van de in de sector overheid af te sluiten CAO’s een rol spelen. De pensioenpremie zal na 2021 verder stijgen. De lage premiedekkingsgraden als gevolg van de lage rente vertalen zich in doorstijgende pensioenpremies.
Onderliggende aanname daarbij is dat aflopende VPL-premies worden omgezet in reguliere premies voor ouderdoms- en nabestaandenpensioen (OP/NP). Verder dempt de opwaartse bijstelling van de sterftetafels door het Actuarieel Genootschap de premies met gemiddeld 0,5%-punt (CPB raming 2022-2025 van november 2020) 2. Overige salariscomponenten Dit overzicht bestaat uit een aantal categorieën: a. Salariskosten college; b. Vergoedingen raadsleden (en toegevoegd raadsleden); c. Pensioenen en wachtgelden oud-bestuurders; d. Verplichtingen aan oud-medewerkers; e. Salariskosten van niet tot de toegestane formatie behorende medewerkers. Basis voor de ramingen van de overige salariscomponenten zijn de werkelijke salariskosten (dus inclusief garanties, persoonlijke toelagen, uitlopen etc.) per januari 2021. M.b.t. categorie c. , d. en e. wordt vermeld wat naar verwachting het laatste jaar zal zijn dat de kosten zich voordoen. Indien kosten zich maximaal 3 jaar voordoen worden zij als incidenteel beschouwd en kan dekking uit incidentele middelen plaatsvinden.
2
Prijscompensatie
2.1
Het CPB gaat in haar verkenning voor de middellange termijn 20222025 voor de jaarmutatie geharmoniseerde consumentenprijsindex uit van 1,5 %. Voorstel voor 2022 is om een inflatiepercentage van 1,50% op te nemen. Dit betekent dat de ramingen 2022 ten aanzien van de
2022
2021
1,5%
2,0%
NVU 2022 concept
UITGANGSPUNTEN VOOR DE SAMENSTELLING VAN DE BEGROTING 2022 2022
2021
1,5%
2,0%
1,5%
2,0%
1,85% 1,60%
1,85% 1,60%
Wettelijk maximum
Wettelijk maximum
1,50% 0%
2% 0%
categorieën 3.0 tot en met 3.4 en 6.0 de stortingen in reserves en voorzieningen, voor 2022 ten opzichte van 2021 met 1,50% worden verhoogd (2021: 2,0; 2020: 2,0; 2019: 1,0 %). In de langjarige doorrekening van grondexploitaties wordt met specifiek op de grondexploitatie gerichte percentages gerekend.
3 3a
Tarieven Tariefaanpassingen wegens inflatie
3.1
Alle gemeentelijke tarieven (zowel privaatrechtelijke als publiekrechtelijke) worden met het geraamde inflatiepercentage verhoogd. Zie verder hetgeen onder “opmerkingen” terzake kostendekkende tarieven” onder 3c. is gesteld).
3.2
Huurverhoging van de gemeentelijke panden (niet zijnde woningen), conform alle tariefaanpassingen, tenzij op basis van eerdere besluitvorming of contractueel anders is overeengekomen. Huurindexatie van gemeentelijke panden die gehuurd worden door een vereniging / instelling waarmee de gemeente een subsidierelatie heeft in die zin dat de vereniging / instelling door subsidie wordt gecompenseerd in de huur, wordt gelijkgesteld aan het indexatiepercentage waarmee het subsidie wordt verhoogd. Voor budgetsubsidie is dit 1,85% en voor de overige subsidies is dit 1,60%. Deze percentages zijn met de instellingen overeengekomen voor de periode 2019 tot en met 2021 en blijven ook voor de periode 2022 tot en met 2024 gelden.
3.3
Huurverhoging woningen conform maximaal wettelijk toegestane percentage.
3b
Tariefaanpassingen op basis van ingezet beleid
3.4
In de bij de Begroting 2021 behorende jaarschijf 2022 is geen rekening gehouden met een tariefverhoging OZB die leidt tot een hogere opbrengst dan in 2021. In het coalitieprogramma 2018 – 2022 is in paragraaf 10.2 opgenomen dat tarieven alleen met inflatiecorrectie worden aangepast. Inflatiecorrectie: OZB tariefaanpassing overig leidend tot een opbrengstverhoging van:
3c
Nadere toelichting op tarieven Aanpassing van tarieven met het inflatiepercentage wordt in de begroting op de functionele posten verwerkt. Als gevolg van de herziening van het BBV worden met ingang van 2017 de tarieven niet op basis van begrotingscijfers, maar extracomptabel berekend. Uitgangspunt blijft kostendekkende tarieven. Alle voorstellen tot tariefaanpassingen dienen ten behoeve van de raad te zijn voorzien van een cijfermatige onderbouwing. Gemeentelijke dienstverlening, waarvoor door middel van de legesverordening tarieven worden geheven, geschiedt in principe tegen kostendekkende tarieven, waarvoor wel geldt dat prijs en prestatie tot elkaar in verhouding behoren te staan en dat waar van toepassing (bijvoorbeeld bij zwembadtarieven) rekening wordt gehouden met de concurrentiepositie. Kostendekking kan worden bereikt door middel van kostenreductie, dan wel door middel van tariefaanpassing. Van beide opties geniet kostenreductie de voorkeur. Voorts is het mogelijk dat kostendekking middels het geleidelijk doorvoeren van tariefverhoging wordt bereikt. Met areaaluitbreiding en autonome groei dient zowel aan de inkomsten- als aan de kostenkant rekening te worden gehouden.
4
Subsidies aan instellingen en bijdragen aan gemeenschappelijke regelingen
4.1
We maken een onderscheid tussen enerzijds de raming van subsidies in de begroting en anderzijds de uiteindelijke verlening van subsidies. Met nadruk wordt opgemerkt dat voor de bepaling van het subsidie niet het in de begroting geraamde bedrag bepalend is, maar daartoe de subsidieverordening en gemaakte afspraken met organisaties leidend zijn. Daarnaast maken we een onderscheid tussen enerzijds budgetsubsidies en anderzijds overige subsidies. Voor budgetsubsidie is de subsidie- en huurindexering op 1,85% vastgesteld. Gemiddelde Cao- loonkostenontwikkeling ( 2017-2020) is 1,92% (Cao
Budgetsubsidie 1,85%
Budgetsubsidie 1,85%
NVU 2022
D1 6-019 3552
2
UITGANGSPUNTEN VOOR DE SAMENSTELLING VAN DE BEGROTING 2022 Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening 2,13%, Openbare Bibliotheek 1,75%, Publieke Kunsteducatie 1,86%, Gemeenten 1,86%). Voorstel is om 1,85% zo te laten voor 2022-2024. Voor de overige subsidie is de subsidie- en huurindexering op 1,60%. Bij de samenstelling van de begroting 2022 zullen zoveel als mogelijk subsidies geraamd worden op basis van informatie die door het desbetreffende team zal worden verstrekt. Gemiddelde inflatie 2018 t/m 2021 is 1,7%, de verwachte inflatie voor 2022-2025 is 1,5%. Een gemiddelde van 1,6%. Voorstel is om de 1,6% zo te laten 2022-2024.
5
Rentepercentages
5.1
Het voor 2022 vermelde percentage is indicatief. Bij het samenstellen van de begroting 2022 zal het exacte percentage worden berekend. Ook het percentage waarmee rente aan de grondexploitatie wordt toegerekend (in de Begroting 2021 1,5%), zal dan worden berekend.
2022
2021
Overige subsidies 1,60%
Overige subsidies 1,60%
1,50%
1,50%
5.2
Rente financieringspositie over de eerste € 13 miljoen (kasgeldlimiet) (in 2021 € 12 miljoen).
0,00%
0,50%
5.3
Rente financieringspositie over het meerdere boven € 13 miljoen (in 2021 € 12 miljoen).
1,00%
1,50%
Nadere toelichting op rentepercentages Met ingang van het begrotingsjaar 2017 is er door herziening van het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV)nogal wat gewijzigd in de rentetoerekening. Het meest ingrijpend zijn het niet meer hanteren van bespaarde rente i.v.m. eigen vermogen (reserves). Dit leidt tot zowel lagere rentelasten als lagere rentebaten. Wij schatten in dat de in de begroting te hanteren rente opnieuw uitkomt rond 1,5%. Voor nog in het jaar 2022 aan te trekken geld hebben wij ons qua rentepercentages gebaseerd op verwachtingen van deskundigen, waaraan wij een voorzichtige inschatting hebben toegevoegd. Dit leidt ertoe dat het rentepercentage over de eerste € 13 miljoen (2021 € 12 miljoen) die we moeten financieren (kort geld / kasgeldlimiet) daalt van 0,5% in 2021 naar 0,0% in 2022. De rente boven die € 13 miljoen wordt verlaagd van 1,50% naar 1,00%.
6
Aantallen inwoners en woonruimten
6.1
Aantal inwoners per 1 januari
49.311
49.038
6.2
Aantal woonruimten per 1 januari (zie toelichting onder C.3.)
22.300
22.125
Nadere toelichting op inwoners en woonruimten In voorkomende gevallen wordt bij de raming van baten en lasten rekening gehouden met de hierna vermelde aantallen per 1 januari 2022 en de mutaties van 2021 naar 2022. Met ingang van 2015 worden ter bepaling van het aantal woonruimten de BAG criteria ter bepaling van wat een woonruimte is, gehanteerd. Ramingen zijn gebaseerd op de Regionale Agenda Wonen, waarin de regio met de provincie afspraken maakt over woningbouwafspraken. Deze zijn gebaseerd op vierjaarlijkse bevolkings- en woningbehoefte-prognoses. Voor de berekening van ramingen wegens OZB opbrengsten wordt gebruik gemaakt van de meest recente gegevens die op het moment van samenstellen van de begroting beschikbaar zijn. De algemene uitkering uit het gemeentefonds wordt opgenomen voor het bedrag volgens de berekeningen van de Meicirculaire. De reeksen van de afgelopen jaren c.q. de prognose zijn:
01-01-2015 01-01-2016 01-01-2017 01-01-2018 01-01-2019 01-01-2020 (raming/werkelijk) 01-01-2021 (raming/werkelijk) 01-01-2022 (raming)
Inwoners NVU 2021
Inwoners NVU 2022
Woonruimten NVU 2021
Woonruimten NVU 2022
46.713 47.021 47.410 47.725 48.240 48.672 49.038
46.713 47.021 47.410 47.725 48.240 48.637
20.761 20.952 21.242 21.538
20.761 20.952 21.242 21.538
21.782 21.949 22.125 n.v.t.
21.782 21.949 22.090 22.300
n.v.t.
48.847 49.311
NVU 2022
D1 6-019 3553
3
UITGANGSPUNTEN VOOR DE SAMENSTELLING VAN DE BEGROTING 2022 B.
7
OVERIGE UITGANGSPUNTEN
Nieuw beleid en instandhouding bestaand beleid In de Kadernota 2022 voor de Begroting 2022 spreekt de raad zich uit over de kaders waarmee het college rekening dient te houden bij de samenstelling van de begroting, tegen de achtergrond van het coalitieprogramma 2018 – 2022. Indien het college andere maatregelen dan waartoe in de Kadernota is besloten in de Begroting wenst op te nemen, dan worden deze ten behoeve van de begrotingsvaststelling separaat aan de raad voorgelegd en nog niet verwerkt in de begroting. Dekking van kapitaallasten nieuw beleid Voor de raming van kapitaallasten van nieuwe investeringen sluiten we aan bij het gemeenschappelijk financieel toezichtkader van de provincies. Dit betekent dat we in het te verwachten jaar van aanvang van de werkzaamheden (niet zijnde de voorbereiding daarvan) de volledige kapitaallasten van de investering op de begroting ramen en voor het bedrag dat in dat jaar niet benodigd is, onderuitputting ramen. Deze onderuitputting kan als incidenteel dekkingsmiddel op het betreffend begrotingsjaar worden ingezet. De volledige kapitaallasten zonder dat daar tegenover onderuitputting wordt geraamd, drukken op de begroting vanaf het jaar volgend op het jaar van ingebruikname van de investering.
8
Meerjarenbegroting en investeringsplan De meerjarenbegroting wordt op productniveau (functioneel) samengesteld. Daarnaast zal bij de Begroting een overzicht worden gevoegd dat weergeeft op welke wijze de begrotingsresultaten van de onderscheidene jaren, op basis van de in de voorafgaande begroting weergegeven positie en het bij de kadernota gepresenteerde beeld, tot stand zijn gekomen. Het meerjaren investeringsplan bevat alle vervangingsinvesteringen welke zich aandienen in de periode 2022 tot en met 2025. In de begroting wordt de jaarschijf 2022 van dit overzicht opgenomen met inachtneming van het hiervoor over gemeentelijke tariefaanpassingen gestelde (=geen tariefverhogingen buiten inflatie). De vervangingsinvesteringen welke voorzien zijn voor 2022 worden geacht door de raad te zijn geaccordeerd middels vaststelling van de begroting 2022. In die zin geldt vaststelling van de begroting als formele kredietvotering voor het doen van de in dat begrotingsjaar voorziene vervangingsinvesteringen. De lasten die verband houden met de vervangingsinvesteringen zijn verwerkt in de begroting. Daarnaast bevat het meerjaren investeringsplan alle nieuwe investeringen (investeringen niet zijnde vervangingsinvesteringen) welke zich aandienen in de periode 2022 tot en met 2025.
Is een nieuwe investering voor het jaar 2022 naar de mening van het college voldoende voorgecalculeerd, dan geldt vaststelling van de begroting door de raad als formele kredietvotering. Is de investering onvoldoende voorgecalculeerd en/of is de investering van zodanige aard dat de kaderstellende* rol van de raad in het geding is, dan dient niet de begroting als kredietvotering, maar dan dient de raad op afzonderlijk voorstel van het college een krediet te voteren. Het onderscheid waaruit enerzijds blijkt voor welke investeringen bij de begroting een krediet wordt gevoteerd en anderzijds later separate voorstellen zullen worden voorgelegd, dient duidelijk in de begroting c.q. het meerjaren-investeringsplan voor de raad zichtbaar gemaakt te worden. * Met kaderstellende rol wordt o.a. bedoeld dat de investering leidt tot ingrijpende planologische maatregelen, grote maatschappelijke impact heeft of onderdeel uitmaakt van een groter geheel. Indien deze aspecten aan de orde zijn, dan is daardoor een integrale afweging door de raad noodzakelijk. Het is belangrijk dat de raad zijn budgetrecht in de meest brede zin ten volle kan benutten.
9
Toegestaan budget Het budget 2022 mag het budget 2021 niet overschrijden, anders dan door inflatie en n.a.v. besluitvorming bij de Kadernota. Verschuivingen van budgetten binnen een product / kostenplaats zijn toegestaan, mits de economische categorie niet wijzigt. Subsidies zijn verbonden met bepaalde instellingen en kapitaallasten met bepaalde investeringen. Hiermee mag niet worden geschoven. Voorts is een verschuiving alleen toegestaan als de doelstelling van het product gehandhaafd blijft. Indien als gevolg van rijksbeleid extra middelen aan gemeenten worden toegekend die specifiek besteed moeten worden aan bepaalde taken, dan worden deze extra middelen ook uitsluitend daarvoor bestemd. Voor wat betreft de door middel van de algemene uitkering uit het gemeentefonds beschikbaar gestelde middelen bestaat volledige vrijheid in de besteding van deze middelen. Dit geldt ook voor in de algemene uitkering uit het gemeentefonds begrepen extra middelen die op geoormerkte wijze worden toegekend.
NVU 2022
D1 6-019 3554
4
UITGANGSPUNTEN VOOR DE SAMENSTELLING VAN DE BEGROTING 2022 Uitgangspunt is steeds dat de begroting toereikende taakstellende budgetten bevat voor de uitvoering van taken. Over- en onderschrijdingen van budgetten leiden tot resultaten in de jaarrekening. Het is niet wenselijk om door middel van egalisatiereserves uitgaven te egaliseren. Dit leidt tot allerlei potjes en het onttrekken van middelen waaraan door de raad andere bestemmingen hadden kunnen worden gegeven. Het hanteren van een egalisatiereserve / - voorziening is beperkt tot twee situaties: • Er bestaat onzekerheid over de benodigde omvang van budgetten en daaraan gerelateerde ontvangen middelen van derden maken het mogelijk uitgaven te egaliseren; • Er is sprake van bij inwoners en bedrijven geheven middelen voor een bepaald doel en er bestaat de verplichting die middelen voor dat doel te bestemmen. Dit is van toepassing voor de rioolrechten en afvalstoffen-/reinigingsrechten.
10
Begrotingspost voor onvoorziene uitgaven (€ 100.000) Op de begrotingspost onvoorziene lasten (6913010) komt de begrotingsruimte naar voren. De post onvoorzien bevat bij aanvang van het begrotingsjaar tenminste de ruimte die noodzakelijk wordt geacht om bij de begroting niet voorziene zaken te kunnen dekken. Net zoals in voorgaande jaren wordt Onvoorzien geramd op € 100.000.
11
Kwantitatieve informatie Met betrekking tot ieder programma / hoofdstuk / paragraaf / activiteit dient voor college en raad relevante (stuur) informatie te worden vermeld. Deze informatie dient een antwoord te geven op de vraag wat we ermee willen bereiken en wat we als gemeente gaan doen om dit te bereiken. In de vorm van prestatie-indicatoren wordt een en ander zo concreet en meetbaar mogelijk weergegeven. Voor wat betreft de prestatie-indicatoren wordt tenminste voldaan aan de wettelijke vereisten c.q. aan het overzicht van prestatie-indicatoren dat het mogelijk maakt gemeenten onderling te vergelijken. Daarnaast loopt nog een project om de indicatoren te verbeteren en mogelijk uit te breiden; eventuele uitkomsten daarvan kunnen in Kadernota en/of Begroting 2022 worden opgenomen. Doel is dat gemeten kan worden ofwel dat achteraf verantwoording wordt afgelegd over het bereiken van de vooraf gestelde doelen. De verstrekte financiële informatie behorend bij de vraag “wat het programma mag kosten” dient te worden afgezet tegen die van de Begroting 2021 voor zover er sprake is van afwijking.
12
Aanpassing begroting op tussentijdse begrotingsresultaten Voor zover de begroting tussentijds bijstelling behoeft en deze bijstelling niet budgettair neutraal verloopt, worden positieve resultaten gedurende het begrotingsjaar geparkeerd op functie 922 van de begroting als begrotingsruimte en voor negatieve bijstelling wordt dekking aangegeven. Als dekkingsmiddel dient in principe de algemene reserve. Aan een eventueel na laatste begrotingswijziging optredend positief resultaat wordt, in afwachting van het resultaat van de jaarrekening, geen bestemming gegeven.
13
Dekking begrotingstekort/resultaatbestemming begroting en jaarrekening Uitgangspunt is een sluitende begroting en zo mogelijk een daarbij behorend sluitend meerjarenperspectief. Indien het meerjarenperspectief niet sluitend is, zal het college aan het eind van haar bestuursperiode een overdrachtsdocument vervaardigen waarin handreikingen worden gegeven om tot een sluitend meerjarenperspectief te komen. Voor een begrotingstekort worden dekkingsmiddelen op de begroting gebracht ten laste van de algemene reserve. Indien de begroting een positief resultaat geeft, wordt de raad een voorstel gedaan tot bestemming van het resultaat. Uitgangspunt is dat de algemene reserve waar mogelijk geprioriteerd gevoed wordt. Indien de jaarrekening van het betreffende jaar een positief resultaat geeft, wordt dit resultaat in ieder geval aangewend voor de aanvulling van de algemene reserve met de daaraan onttrokken middelen voor het sluitend maken van de begroting en voor de overheveling van budgetten naar het volgend begrotingsjaar. Indien de jaarrekening daarna nog een positief resultaat geeft, wordt de raad een voorstel gedaan tot bestemming van het resultaat. Uitgangspunt is dat de algemene reserve waar mogelijk geprioriteerd gevoed wordt.
14
Coalitieprogramma, kadernota en begroting Het coalitieprogramma 2018-2022 “Samen duurzaam vooruit” en de Programmabegroting 2021 met de Actualisering van de Begroting 2021 vormen de basis voor de Kadernota 2021 en de basis voor de Begroting 2022.
NVU 2022
D1 6-019 3555
5
UITGANGSPUNTEN VOOR DE SAMENSTELLING VAN DE BEGROTING 2022 15
Nieuwe ontwikkelingen Op nieuwe ontwikkelingen zal in de Kadernota 2022 ingegaan worden.
C. PLANNING
2022
2021
18-05-2021
19-05-2020
24-06-2021 15-07-2021
25-06-2020 09-07-2020
augustus
augustus
De Programmabegroting 2022 (2021) zal door het college ter aanbieding aan de raad worden geaccordeerd op En worden verzonden op
28-09-2021
29-09-2020
30-09-2021
15-10-2020
De begrotingsvergadering vindt plaats op:
14-10-2021 04-11-2021
29-10-2020 12-11-2020
16
Tijdschema
16.1
De Kadernota zal door het college ter aanbieding aan de raad worden geaccordeerd op:
16.2
De Kadernota wordt door de raad besproken op:
16.3
Vanaf vermeld tijdstip worden begrotingswijzigingen, welke consequenties hebben voor het jaar 2022 en verder, als stelpost in de begroting, meegenomen. Dit impliceert, dat begrotingswijzigingen tot en met de raadsvergadering van juli 2021 functioneel in de begroting verwerkt worden. Daarna worden alle mutaties op taakveld 915 functie 922 verwerkt. Dit laatste geldt ook voor investeringen die op enig investeringsprogramma van een door de raad vastgestelde begroting behoren en waarvoor door de raad nog geen kredieten beschikbaar zijn gesteld.
16.4
16.5
NVU 2022
D1 6-019 3556
6