Notitie Reikwijdte en Detailniveau
Tekst van het document
Grootschalige Opwek Duurzame Energie Waalwijk Notitie Reikwijdte en Detailniveau
Gemeente Waalwijk 28 april 2022
Project Opdrachtgever
Document Status Datum Referentie
Projectcode Projectleider Projectdirecteur
Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
Grootschalige Opwek Duurzame Energie Waalwijk Gemeente Waalwijk
Notitie Reikwijdte en Detailniveau Definitief 03 28 april 2022 128738/22-006.351
128738 ir. A.H.J. van Kuijk K.A. Haans MSc
R. de Jong MSc ir. A.H.J. van Kuijk ir. A.H.J. van Kuijk
Paraaf
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
5
1.1
Aanleiding en achtergrond
5
1.2
Doel van de NRD en plaats in de besluitvormingsprocedure
5
1.3
Zoekgebied
6
1.4
De noodzaak van een MER
7
1.5
Te doorlopen procedure en verdere besluitvorming
8
1.6
Initiatiefnemers en bevoegd gezag
9
1.7
Leeswijzer
9
2
BELEIDSKADER
10
2.1
Nationaal beleid
10
2.2
Provinciaal beleid
11
2.3
Regionaal beleid
11
2.4
Gemeentelijk beleid
12
3
VOORGENOMEN ACTIVITEIT EN ALTERNATIEVEN
15
3.1
Het voornemen
15
3.2
Alternatieven
15
3.2.1 3.2.2 3.2.3
15 16 18
Beschrijving van het zoekgebied Uitgangspunten alternatieven Referentiesituatie
3.3
Introductie alternatieven
18
4
WERKWIJZE EFFECTBEOORDELING MER
22
4.1
Studiegebied
22
4.2
Beoordelingskader
22
4.2.1 4.2.2
Inleiding Beoordelingskader
22 23
Kennisleemten, monitoring en evaluatie
28
4.3
5
PROCES EN PARTICIPATIE
29
5.1
M.e.r.-procedure
29
5.1.1 5.1.2
29 31
5.2
PlanMER-fase ProjectMER
Inspraak en advies
31
5.2.1 5.2.2
31 32
Participatie Advies Commissie m.e.r. en GGD
Laatste pagina
33
Bijlage(n)
I
Termen en afkortingen
2
II
Reactienota NRD GODE
70
III
Advies Commissie m.e.r. en advies GGD
21
IV
Participatie- en communicatieplan
22
V
Kaart zoekgebied met afstandscontouren
1
1 INLEIDING Voor u ligt de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) voor de ontwikkeling van grootschalige duurzame energie in de gemeente Waalwijk. De NRD is de eerste stap in de milieueffectrapportage-procedure (m.e.r.procedure), die wordt doorlopen ter onderbouwing van de besluitvorming over grootschalige opwek van duurzame energie. Deze NRD gaat in op de achtergronden van het voornemen, beschrijft de te onderzoeken alternatieven en geeft aan welk beoordelingskader de basis vormt voor de milieuonderzoeken voor het op te stellen milieueffectrapport (MER).
1.1
Aanleiding en achtergrond
Verreweg het grootste deel van de klimaatwetenschappers concludeert dat menselijk handelen (onder meer door het gebruik van fossiele brandstoffen) van invloed is op het opwarmen van de aarde. In het Klimaatakkoord van Parijs (2015) hebben 192 landen de afspraak vastgelegd om de opwarming te beperken tot maximaal 2 °C. Deze afspraken zijn vervolgens vertaald in nationaal, provinciaal en regionaal beleid, zoals het landelijk Klimaatakkoord uit 2019 en de Regionale Energie en Klimaat Strategie (REKS) van Hart van Brabant van juli 2021. Ook het beleid van de gemeente Waalwijk houdt rekening met deze afspraken. De gemeenteraad van Waalwijk heeft op 24 juni 2021 de Kadernota Grootschalige Opwek Duurzame Energie (GODE) (hierna: Kadernota) vastgesteld. Hierin heeft de gemeenteraad als doel gesteld om in 2030 tenminste 50 % van het totale elektriciteitsverbruik binnen de gemeente duurzaam op te wekken op het eigen grondgebied. Met de huidige inzichten wordt het elektriciteitsverbruik in 2030 geschat op 431.000 MWh/jaar. Dit vertaalt zich in een opgave om in 2030 per jaar minimaal 215.500 MWh aan elektriciteit op een duurzame wijze op te wekken. Om de opgave in te vullen, focust de gemeente op een combinatie van zonne-energie en windenergie. Dit zijn bewezen technieken die voor 2030 operationeel kunnen zijn.
1.2
Doel van de NRD en plaats in de besluitvormingsprocedure
Doel van de NRD Deze NRD heeft tot doel om betrokkenen en belanghebbenden te informeren over de inhoud en diepgang van het nog op te stellen MER en te raadplegen over hun zienswijzen. De reacties worden meegenomen in de verdere uitvoering van het onderzoek. Hiermee is de NRD een belangrijke stap in de procedure om de ontwikkeling van grootschalige opwek van wind- en zonne-energie in de gemeente Waalwijk mogelijk te maken. Besluitvorming over de NRD Het publiceren van de concept NRD is onderdeel van het participatieproces. De inhoud van de milieuthema’s en de bijbehorende onderzoeken die straks deel uitmaken van de planMER zijn besproken met inwoners van de gemeente en betrokken stakeholders. De concept NRD is voorts ter advisering aangeboden aan de Commissie voor de milieueffectrapportage en de GGD, Team Gezondheid, Milieu & Veiligheid Brabant (hierna: GGD). De binnengekomen reacties (zienswijzen) en adviezen zijn in deze versie van de NRD verwerkt. Deze NRD wordt, tezamen met de ontvangen reacties en adviezen ter vaststelling aangeboden aan het bevoegd gezag (de gemeenteraad van Waalwijk).
5 | 33
Witteveen+Bos | 128738/22-006.351 | Definitief 03
De gemeenteraad zal op basis van dit document, tezamen met de ontvangen reacties en adviezen, deze NRD vaststellen. De definitieve NRD is het uitgangspunt voor het opstellen van het MER.
1.3
Zoekgebied
Het zoekgebied is het gebied waarbinnen gezocht wordt naar een geschikte invulling voor de doelstelling voor de grootschalige opwek van duurzame energie in de gemeente Waalwijk. Het zoekgebied is vastgesteld door de gemeenteraad van Waalwijk in de Kadernota. Daarbij heeft de gemeenteraad zich gebaseerd op de afspraken en de keuzes die zijn gemaakt in het kader van de REKS. Het zoekgebied is gelegen ten noorden van de A59. Binnen het zoekgebied zijn op basis van eerder vastgestelde eisen al gebieden beoordeeld als niet-kansrijk (zie paragraaf 2.4). Het Ecopark en het toekomstige bedrijventerrein Haven 8-Oost worden beschouwd als onderdeel van het zoekgebied. Hiermee worden beide gebieden zoals genoemd in de Kadernota samengevoegd, zodat een brede belangafweging kan plaatsvinden. Binnen het resterende zoekgebied wil Waalwijk ruimte bieden voor: - gebieden (plaatsingszones) voor de opwek van windenergie met een gezamenlijke opbrengst van totaal 158.500 MWh; - ten minste twee gebieden voor de opwek van zonne-energie met een gezamenlijke totale omvang van maximaal 15 ha. Het zoekgebied voor grootschalige opwek van zonne-energie is te zien in afbeelding 1.1. Afbeelding 1.2 toont het zoekgebied voor de grootschalige opwek van windenergie.
Afbeelding 1.1 Zoekgebied (inclusief Ecopark en Haven 8-Oost) grootschalige opwek zonne-energie (bron: Kadernota, 2021)
6 | 33
Witteveen+Bos | 128738/22-006.351 | Definitief 03
Afbeelding 1.2 Zoekgebied (inclusief Ecopark en Haven 8-Oost) grootschalige opwek windenergie (bron: Kadernota, 2021)
Afbeelding 1.2 geeft de begrenzing van het zoekgebied weer zoals dat in de Kadernota is vastgesteld. In het raadsvoorstel bij deze NRD is een voorstel opgenomen tot aanpassing van dit zoekgebied op basis van de ontvangen zienswijzen en adviezen. Wanneer de gemeenteraad dat voorstel aanneemt, dan is voor het onderzoek bij de planMER de begrenzing van het raadsbesluit leidend. Deze kaart is opgenomen als bijlage V.
1.4
De noodzaak van een MER
Als een activiteit mogelijk significante nadelige gevolgen op het milieu heeft, kan een m.e.r.-procedure aan de orde zijn (dit hangt mede af van het type activiteit). Het doel van de m.e.r.-procedure is om milieu- en natuurbelangen, naast andere belangen, een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming. Een milieueffectrapport (MER) beschrijft op objectieve wijze welke milieueffecten te verwachten zijn wanneer een bepaalde activiteit wordt ondernomen. Onderscheid in definitie tussen m.e.r. en MER Binnen de procedure van milieueffectrapportage worden de volgende afkortingen gebruikt: de m.e.r. en het MER. De m.e.r. duidt de procedure van milieueffectrapportage aan, zoals het onderzoek, de inspraak en alle bijkomende adviezen. De afkorting MER staat voor het eindproduct, het milieueffectrapport. De m.e.r.-procedure kent twee vormen die relevant zijn om de doelstellingen uit de Kadernota te realiseren: de plan-m.e.r. en de project-m.e.r. De plan-m.e.r. dient als basis voor de op te stellen ruimtelijke visie, de project-m.e.r. is noodzakelijk voor de onderbouwing van de vergunningsaanvragen voor concrete windenergieprojecten1. Onderstaand wordt de m.e.r.-plicht in relatie tot de voorgenomen ontwikkelingen toegelicht. Plan-m.e.r.-plicht Een planMER is vereist voor plannen waarin de locatie voor een activiteit met potentieel aanzienlijke milieueffecten wordt aangewezen.
Een windturbinepark met een gezamenlijk vermogen van 15 MW of meer, of bestaande uit 10 windturbines of meer is m.e.r.-(beoordelings)plichtig op grond van het Besluit milieueffectrapportage. 1
Voor de zonnevelden die mogelijk worden gemaakt bestaat naar verwachting geen m.e.r.-plicht. Recent is een procedure doorlopen bij de Raad van State. Hierin heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State geconcludeerd dat een zonnepark niet valt in categorie D22.1 (installatie voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (ABRvS 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770). In lijn met die uitspraak geldt de verwachting dat bij de ontwikkeling van maximaal 15 ha aan zonnevelden in de gemeente Waalwijk geen m.e.r.-plicht bestaat.
7 | 33
Witteveen+Bos | 128738/22-006.351 | Definitief 03
Dit betekent dat een milieueffectrapport moet worden opgesteld ter onderbouwing van een ruimtelijke visie. Daarnaast geldt ook een plan-m.e.r.-plicht in het geval dat significant negatieve effecten op Natura 2000gebieden niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. In dat geval is ook een passende beoordeling vereist op grond van de Wet Natuurbescherming. Project-m.e.r.-plicht Indien sprake is van een concreet project voor een windpark van 15 MW of meer, dient het bevoegd gezag (onder meer in het kader van de omgevingsvergunning) een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen waarin wordt onderbouwd of een projectMER nodig is of niet. Initiatiefnemers kunnen ook besluiten om vrijwillig invulling te geven aan de project-m.e.r.-plicht. In dat geval is een m.e.r.-beoordelingsprocedure voor omgevingsvergunningaanvragen niet meer van toepassing. Per initiatief wordt beoordeeld of de noodzaak bestaat om een projectMER op te stellen.
1.5
Te doorlopen procedure en verdere besluitvorming
Van zoekgebied naar plaatsingszones in een ruimtelijke structuurvisie De alternatieven bestaan uit een combinatie tussen wind- en zonne-energie. De zoekgebieden voor winden zonne-energie uit de Kadernota moeten worden vertaald naar het ruimtelijk beleid van de gemeente Waalwijk. Vanwege de beperkingen die de provincie Noord-Brabant daaraan stelt in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, kan de gemeenteraad van Waalwijk geen bestemmingsplan vaststellen voor nieuwe windturbines en zonnevelden. Dat houdt in dat de gemeenteraad van Waalwijk de gebieden voor nieuwe windturbines en zonnevelden moet aanwijzen door middel van een structuurvisie op de grond van de Wet ruimtelijke ordening. Wanneer de Omgevingswet in werking treedt, wordt dit een Omgevingsvisie als bedoeld in die wet. Voor de inhoud van het op te stellen planMER maakt de vorm (structuurvisie of omgevingsvisie) geen verschil. In de planMER worden alternatieven ontwikkeld die samen de bandbreedte aan mogelijke ontwikkelrichtingen van wind- en zonne-energie binnen het zoekgebied in beeld brengen. De resultaten van de planMER en de keuze voor het voorkeursalternatief worden daarom vertaald in plaatsingszones in de structuurvisie.
Van plaatsingszones naar omgevingsvergunningen voor windturbines en zonnevelden Binnen de plaatsingszones die in de structuurvisie zijn aangewezen, kunnen ontwikkelaars onder voorwaarden een omgevingsvergunning aanvragen bij de gemeente (zie ook paragraaf 5.2.1). Die omgevingsvergunning kan, eveneens op grond van de Interim Omgevingsverordening van de provincie, voor een periode van ten hoogste 25 jaar worden verleend. Dat is voor windturbines en zonnevelden gelijk. In de Kadernota heeft de gemeenteraad onderscheid gemaakt tussen de locatie ‘Haven 8-Oost/Ecopark’ en het zoekgebied. Omdat ter plaatse van het Ecopark al windturbines in werking zijn en voor het gebied Haven 8-Oost reeds concrete initiatieven bestaan voor het plaatsen van nieuwe windturbines, wordt voor dit gebied de planMER aansluitend uitgewerkt tot het niveau van een projectMER. Voor de overige mogelijke windprojecten (die bestaan uit tenminste drie windturbines) geldt straks nog wel de verplichting om te beoordelen of een projectMER moet worden opgesteld. De noodzaak hiervoor zal afhangen van de uitkomsten van de planMER. De gemeente Waalwijk gaat vooralsnog ervanuit dat alle andere windinitiatieven ook een projectMER of een m.e.r.-beoordeling dienen te doorlopen. In hoofdstuk 5 is de m.e.r.-procedure nader toegelicht.
Overdragen van het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunningen voor windprojecten Voor omgevingsvergunningen voor windprojecten met een opwekkingsvermogen van meer dan 5 MW geldt op dit moment dat het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant het bevoegd gezag is. In lijn met de huidige afspraken binnen de REKS zal het gemeentebestuur van Waalwijk voorafgaande aan het vaststellen van de structuurvisie de provincie Noord-Brabant verzoeken om de rol van het bevoegd gezag over te nemen.
8 | 33
Witteveen+Bos | 128738/22-006.351 | Definitief 03
Omgevingswet De Omgevingswet gaat alle afzonderlijke wetgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving vervangen. Momenteel staat de inwerkingtreding van deze wet gepland op 1 januari 2023. Het is op dit moment echter nog niet zeker of de wet per die datum daadwerkelijk in werking gaat treden. Wanneer de Omgevingswet in werking treedt, vindt de aanwijzing van de plaatsingszones voor wind- en zonprojecten plaats via een Omgevingsvisie als bedoeld in die wet. Zoals hiervoor reeds is aangegeven, maakt dit voor de inhoud van deze NRD of het MER niet uit.
1.6
Initiatiefnemers en bevoegd gezag
Bevoegd gezag De gemeenteraad van Waalwijk is het bevoegd gezag voor de ruimtelijke visie en de planMER. De planMER wordt een bijlage bij een ruimtelijke visie, waarin de gemaakte keuzes aan de hand van de relevante milieuinformatie worden onderbouwd. Initiatiefnemers en Afsprakenkader Maatschappelijke Meerwaarde GODE Waalwijk Na het kiezen van de plaatsingszones kunnen initiatiefnemers een aanvraag doen bij de gemeente voor planologische medewerking voor de bouw van wind- en zonneprojecten. Deze dienen te voldoen aan de criteria die door de gemeenteraad van Waalwijk voor de betreffende plaatsingszones zijn gesteld. De initiatiefnemers kunnen professionele ontwikkelaars zijn, maar bijvoorbeeld ook lokale energiecoöperaties. Het is ook mogelijk dat de gemeente Waalwijk zelf één of meerdere projecten gaat ontwikkelen. Tegelijkertijd met het uitbrengen van de concept NRD heeft de gemeente Waalwijk aan ontwikkelaars waarvan het bij de gemeente bekend was dat zij interesse hebben in het realiseren van een wind- of zonneproject, gevraagd om zich aan te sluiten bij het Afsprakenkader Maatschappelijke Meerwaarde GODE Waalwijk (hierna: Afsprakenkader Maatschappelijke Meerwaarde). Het aansluiten bij het Afsprakenkader Maatschappelijke Meerwaarde is een voorwaarde voor ontwikkelaars om te zijner tijd in aanmerking te kunnen komen voor planologische medewerking voor een initiatief.
Het Afsprakenkader Maatschappelijke Meerwaarde wordt voorafgaand aan het vaststellen van deze NRD door de gemeente en de ontwikkelende partijen ondertekend. Voor andere partijen die ook interesse hebben in het ontwikkelen van een zon- of windproject in de gemeente Waalwijk, staat de mogelijkheid open om aan te sluiten bij het Afsprakenkader Maatschappelijke Meerwaarde. Voorwaarde daarbij is wel dat de ontwikkelaar de uitgangspunten van het Afsprakenkader Maatschappelijke Meerwaarde onderschrijft en in een vergelijkbare positie verkeerd als de reeds deelnemende ontwikkelaars.
1.7
Leeswijzer
De voorliggende notitie bestaat uit vijf hoofdstukken. Hoofdstuk 2 geeft inzicht in op de relevante beleidstukken, wetten en regelgeving. Hoofdstuk 3 beschrijft het te doorlopen proces en de alternatieven die worden onderzocht. In hoofdstuk 4 wordt het beoordelingskader voor de beschrijving van de milieugevolgen toegelicht, met een daaraan gekoppeld een overzicht van de beoordelingscriteria. Hoofdstuk 5 geeft ten slotte inzicht in het reeds doorlopen en nog te doorlopen participatieproces. Ook wordt in dat hoofdstuk in gegaan op het communicatieplan.
9 | 33
Witteveen+Bos | 128738/22-006.351 | Definitief 03
2 BELEIDSKADER Dit hoofdstuk gaat in op het nationale, provinciale, regionale en gemeentelijke beleid en regelgeving voor wind- en zonne-energie. Het beleidskader schetst de achtergrond van het relevante beleid en regelgeving omtrent wind- en zonne-energie en geeft aan welke kaders gelden voor de ruimtelijke ontwikkeling van grootschalige duurzame energie.
2.1
Nationaal beleid
Klimaatakkoord Het Klimaatakkoord uit 2019 bevat een pakket aan afspraken, maatregelen en instrumenten waarmee de Nederlandse CO2-uitstoot in 2030 met ten minste 49 % moet zijn teruggedrongen ten opzichte van 1990. Om dit mede te bewerkstelligen is in het Klimaatakkoord afgesproken dat 35 TWh elektriciteit op land duurzaam moet worden opgewekt per 2030 of zoveel eerder als mogelijk is. Dit betreft voornamelijk winden zonne-energie. Het voornemen is om decentrale overheden in staat te stellen een goed plan met maatschappelijke acceptatie op te stellen. Het Rijk heeft daarvoor het instrument van de Regionale Energiestrategieën (RES) geïntroduceerd. Hierin is Nederland verdeeld in 30 regio’s (afbeelding 2.1). Per regio verkennen provincies, gemeenten, waterschappen en netbeheerders gezamenlijk de (on)mogelijkheden om op hun grondgebied duurzame energie op te wekken. Maatschappelijke acceptatie van de energietransitie en de manier waarop dat in de regio kan worden gerealiseerd zijn daarbij belangrijke doelen van de RES.
Afbeelding 2.1 De 30 RES-regio’s op kaart met in blauw ‘Hart van Brabant’
10 | 33
Witteveen+Bos | 128738/22-006.351 | Definitief 03
Nationale Omgevingsvisie De Rijksoverheid kiest in de Nationale Omgevingsvisie voor het realiseren van de opgave van duurzame energie voor de kwaliteit van de omgeving en het combineren van functies. Grootschalige clustering van de productie van duurzame energie (door windturbines, eventueel in combinatie met zonnevelden) heeft de voorkeur. Daarbij moet rekening gehouden worden met andere waarden, zoals landschappelijke kenmerken, nationale veiligheid, natuur, cultureel erfgoed, water en bodem én maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak. Bewoners moeten betrokken zijn, invloed hebben en meeprofiteren in de opbrengsten. Dit kan onder andere door middel van een participatietraject waarbij kernwaarden van het gebied bij burgers van de gemeente Waalwijk worden opgehaald.
2.2
Provinciaal beleid
Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant De provincie Noord-Brabant heeft in haar ‘Interim Omgevingsverordening’ de nodige spelregels opgenomen met betrekking tot nieuwvestiging van wind- en zonne-energie. Artikel 3.37 van de verordening stelt nadrukkelijk regels voor het plaatsen van windturbines met een bouwhoogte van tenminste 25 m: - de windturbines moeten inpasbaar zijn in de omgeving; - er is sprake van een geclusterde opstelling van minimaal drie windturbines; - de mogelijkheid om te participeren voor de omgeving moet aanwezig zijn; - de plannen moeten zijn afgestemd met de omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder; - de verleende omgevingsvergunning is ten hoogste 25 jaar geldig. Voor zonnevelden gelden soortgelijke voorwaarden, waarbij de ontwikkeling dient te passen binnen de omgeving en maatschappelijke meerwaarde geeft. Vanuit het beleid bestaat een voorkeur voor de plaatsing van zonnepanelen op daken of op braakliggende gronden in of aansluitend op stedelijk gebied. Dat heeft het voordeel dat ze dicht bij de gebruiker en energiesystemen worden geplaatst, wat bijdraagt aan zorgvuldig ruimtegebruik en effectief is vanuit kostenminimalisatie. De provinciale verwachting is dat dit onvoldoende blijkt om in de behoefte te voorzien.
Daarom wordt de mogelijkheid geboden om onder voorwaarden zelfstandige opstellingen van zonne-energie te ontwikkelen in landelijk gebied. In het m.e.r.-proces wordt geanticipeerd op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De Interim Omgevingsverordening wordt bij inwerkingtreding van de Omgevingswet vervangen door de Omgevingsverordening. Deze Omgevingsverordening wordt naar verwachting op 11 maart 2022 vastgesteld door de Provinciale Staten. De nieuwe verordening geldt pas bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Ten opzichte van de Interim Omgevingsverordening zijn geen inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd met betrekking tot de ontwikkeling van zonnevelden en windturbines.
2.3
Regionaal beleid
Regionale Energie- en Klimaatstrategie Hart van Brabant (REKS) Alle RES-regio’s in Nederland maken plannen over hoe en waar duurzame energie met zon en wind kan worden opgewekt. Voor de regio Hart van Brabant komen deze plannen samen in de Regionale Energie- en Klimaatstrategie (REKS). De REKS geeft daarmee namens de regio Hart van Brabant (afbeelding 2.1) invulling aan de afspraken die gemaakt zijn in het kader van het landelijke klimaatakkoord (paragraaf 2.1). In de REKS is opgenomen dat de regio 1 TWh aan duurzame energie met zonne- en windenergie wil opwekken in 2030. Voor de opwek van windenergie zet de regio in op twee ruimtelijke ordeningsprincipes: zonering en clustering. Vanuit zonering volgt dat het open rivierenlandschap in het noordelijke deel van de regio zeer geschikt is voor de opwek van windenergie. Het gaat hier om een relatief grootschalig landschap, waarbij grootschalige vormen van opwek relatief gemakkelijk kunnen aansluiten. In de REKS wordt benoemd dat windturbines bij voorkeur geclusterd worden geplaatst, om de visuele impact op de omgeving te verminderen. De clusters duiden een plek aan en geven de locatie identiteit.
11 | 33
Witteveen+Bos | 128738/22-006.351 | Definitief 03
Vanuit de clustering van windturbines en de benoemde zonering is het noorden van de gemeente Waalwijk aangemerkt als kansrijk voor de ontwikkeling van wind- en zonne-energie (zie afbeelding 2.2). Het gebied kan zich ontwikkelen tot energiehub waar opwek, opslag, overslag en distributie worden gekoppeld en gecombineerd. Naar inschatting van de regio kunnen voor 2030 in de open poldergebieden in het noorden van de regio in totaal twintig windturbines worden ontwikkeld. De ontwikkeling van zonnevelden wordt gezien als belangrijk om extra elektriciteit op te wekken. De REKS maakt inzichtelijk waar zonnevelden wel en waar niet zouden kunnen, echter de gemeenten maken de uiteindelijke afweging.
Afbeelding 2.2 Duurzame opwek, warmtetransitie en klimaatadaptatie in Hart van Brabant
2.4
Gemeentelijk beleid
Kadernota Grootschalige Opwek Duurzame Energie De inhoud van de Kadernota onderbouwt de inbreng van de gemeente voor de elektriciteitsopgave in de REKS. De ambitie van de gemeente is om 50 % van het totale verwachte elektriciteitsverbruik duurzaam op te wekken (circa 215.500 MWh per jaar) in 2030. Elke twee jaar wordt de Kadernota geëvalueerd parallel aan de REKS. Dit wordt gedaan door te monitoren of de gerealiseerde capaciteit overeenkomt met de verwachte opwek, In 2043 dient de energie volledig duurzame opgewekt te worden. De inpassingsprincipes uit de REKS zijn in de Kadernota opgenomen. Voor de situering van grootschalige opwek door middelgrote zonnevelden en van windenergie zijn grote open gebieden nodig. Binnen de gemeente Waalwijk zijn deze gebieden te vinden nabij het huidige bedrijventerrein Haven 8-Oost/Ecopark en ten noorden van de A59 (zie afbeeldingen 1.1 en 1.2). Binnen het zoekgebied is in de Kadernota onderscheid gemaakt tussen het grootschalige open rivierlandschap en het overgangsgebied. Voor het grootschalige open rivierenlandschap wil de gemeente dat de grootschalige opwek van windenergie niet leidt tot onaanvaardbare en onomkeerbare aantasting van de belangrijkste pijler van ruimtelijke kwaliteit, namelijk de grootschalige openheid van het gebied.
12 | 33
Witteveen+Bos | 128738/22-006.351 | Definitief 03
Zonne-energie De gemeente zet in op de ontwikkeling van zon op bedrijfsdaken, boven parkeerterrein, op taluds en op restgronden. Dit zijn locaties met minimale landschappelijke impact. Daarnaast wil de gemeente ook de ontwikkeling van zonnevelden in het buitengebied mogelijk maken. De gemeente wil ruimte bieden aan tenminste twee middelgrote zonnevelden op agrarische grond, tot een gezamenlijke totale omvang van 15 ha. Daarbij heeft elk middelgroot zonneveld een minimale omvang van 2,5 ha en een maximaal oppervlakte van 10 ha. De middelgrote zonnevelden moeten aansluiten op het bestaande stedelijk gebied ten noorden van de A59. Zonnepanelen op bedrijfsaken Zoals is weergegeven in tabel 2.1 is bij het bepalen van de opgave in de Kadernota rekening gehouden met de ontwikkeling van het opwekken van zonne-energie op bedrijfsdaken. De ontwikkeling hiervan wordt door de gemeente gemonitord en de voortgang ervan wordt betrokken in de tweejaarlijkse evaluatie van de Kadernota. Herontwikkeling Ecopark Het bestaande Ecopark genereert in 2030 een jaarlijkse duurzame elektriciteitsopbrengst van 17.00029.000 MWh. De huidige opbrengst bedraagt 17.000 MWh en wordt opgewekt door vier windturbines en twee zonnevelden van respectievelijk 1 ha en 3,3 ha. De verwachting is dat in 2030 door ontwikkelingen het Ecopark een elektriciteitsopbrengst heeft van 29.000 MWh.
Dit wordt opgewekt door twee nieuwe windturbines (ter vervanging van de bestaande vier windturbines) en circa 4,3 ha zonnevelden. Met het bestaande Ecopark en de keuze voor zonne-energie verwacht de gemeente Waalwijk in 2030 de opbrengst te kunnen genereren zoals staat vermeld in tabel 2.1.
Tabel 2.1 Opwekpotentie zonne-energie en bestaand en toekomstig Ecopark (bron: Kadernota) Zonne-energie + Ecopark
Verwachte opwek in 2030 Lage opbrengst
Hoge opbrengst
Ecopark
17.000 MWh
29.000 MWh
op bedrijfsdaken
25.000 MWh
50.000 MWh
0 MWh
5.000 MWh
middelgrote velden
15.000 MWh
15.000 MWh
totaal
57.000 MWh
99.000 MWh
restgronden en verhardingen
Windenergie Voor de grootschalige opwek van windenergie gaat de gemeente in de Kadernota uit van een resterende opgave van 158.500 MWh/jaar. Hierbij gaat de gemeente uit van een lage verwachte opbrengst van het Ecopark en zonne-energie (zie tabel 2.1). Hoeveel windturbines nodig zijn en de grootte ervan zal blijken uit nader onderzoek. In de Kadernota is vastgelegd dat locaties van windturbines op minimaal 750 m van een woning in het stedelijk gebied en op minimaal 400 m van woningen in het buitengebied. Hierbij wordt uitgegaan van de begrenzing van stedelijk gebied zoals aangegeven in de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. In haar raadsbesluit van 24 juni 2021 heeft de gemeenteraad besloten om voor het buurtschap Labbegat eveneens 750 m als minimum afstandscriterium op te nemen. In de Kadernota is opgenomen dat vooraf geen keuze wordt gemaakt voor een opstelling in lijn of clusters van windturbines en beide opstellingsvarianten worden uitgewerkt in de planMER. De opgave voor de gemeente Waalwijk Vanuit de Kadernota volgt de opgave voor de gemeente Waalwijk voor de opwek van 215.500 MWh per jaar in 2030 die wordt vormgegeven door onder andere ruimte te bieden aan windturbines van minimaal 4 MW per stuk en tenminste twee middelgrote zonnevelden met een gezamenlijk oppervlak van maximaal 15 ha.
13 | 33
Witteveen+Bos | 128738/22-006.351 | Definitief 03
Dit komt boven op de opwekpotentie van zonnepanelen op bedrijfsdaken, restgronden en verhardingen, en de voorziene opwek vanuit het Ecopark. Zoals hiervoor is aangegeven, wordt de omvang van de uiteindelijke opgave waarvoor de ruimtelijke visie zal worden vastgesteld, mede gebaseerd op de uitkomsten van de tweejaarlijkse evaluatie van de Kadernota en voortgang van de ontwikkeling van onder andere zonnepanelen op bedrijfsdaken.
14 | 33
Witteveen+Bos | 128738/22-006.351 | Definitief 03
3 VOORGENOMEN ACTIVITEIT EN ALTERNATIEVEN In dit hoofdstuk wordt een nadere beschrijving gegeven van de voorgenomen activiteit. Vervolgens is een beschrijving gegeven van de wijze waarop in de planMER alternatieven zullen worden onderzocht.
3.1
Het voornemen
Het voornemen van de gemeente Waalwijk bestaat uit het selecteren van gebieden waar grootschalige opwek van wind- en zonne-energie mogelijk is. De gemeente streeft hierbij naar een maximale opbrengst met minimale hinder voor en impact op de omgeving. In het zoekgebied wordt in de periode tot 2030 gezocht naar gebieden voor de ontwikkeling van windturbines met een vermogen van minimaal 4 MW en maximaal 15 ha aan middelgrote zonnevelden om 215.500 MWh/jaar aan elektriciteit op een duurzame wijze opwekken per 2030 (zie ook paragraaf 2.4). De planMER geeft de benodigde milieu-informatie ten behoeve van de keuze voor plaatsingszones (gebieden) en de daarmee samenhangende randvoorwaarden in een ruimtelijke visie waarbinnen die projecten gerealiseerd kunnen worden.
3.2
Alternatieven
In de planMER worden alternatieven ontwikkeld die samen de bandbreedte aan mogelijke ontwikkelrichtingen binnen het zoekgebied in beeld brengen. De alternatieven bestaan uit een combinatie tussen wind- en zonne-energie. Hierbij gelden de fysieke kaders van het zoekgebied en de uitgangspunten uit de Kadernota.
3.2.1
Beschrijving van het zoekgebied
Grootschalige opwek van wind- en zonne-energie heeft impact op het gebied waarin de opwek plaatsvindt. Het grondgebied van de gemeente Waalwijk is op hoofdlijnen onder te verdelen in grootschalig open rivierenland (agrarisch) in het noorden en kleinschalige zandgronden (leisure) in het zuiden. Dit onderscheid in landschap geeft richting aan de discussie omtrent de situering van grootschalige opwek van duurzame energie. Voor de situering van grootschalige opwek door middelgrote zonnevelden en van windenergie zijn grote open gebieden nodig. Binnen de gemeente Waalwijk zijn deze grote open gebieden te vinden ten noorden van de A59. Binnen dit gebied (afbeeldingen 1.1 en 1.2) kan onderscheid worden gemaakt in: a. bedrijventerrein Haven – bedrijventerrein Kerkvaartse Haven: het grootschalig open rivierenlandschap (Waalwijk-West); b. bedrijventerrein Kerkvaartse Haven - Geertruidenberg: het grootschalig open rivierenlandschap (Waalwijk-West); c. bedrijventerrein Haven - Heusden: het overgangsgebied (Waalwijk-Oost).
15 | 33
Witteveen+Bos | 128738/22-006.351 | Definitief 03
Grootschalig open rivierenlandschap Het grootschalig open rivierenlandschap ligt ten westen van bedrijventerrein Haven. Bedrijventerrein Kerkvaartse Haven vormt hierop een uitzondering. Het gebied kent verschillende landschapstypen, die vanuit de maatschappelijke opgave tot de grootschalige opwek van duurzame energie met windturbines en zonnevelden onvoldoende onderscheidend zijn om hier een specifieke aanduiding aan te koppelen. Het gebied wordt dan ook omschreven als ‘grootschalig open rivierenlandschap’. Grootschalige opwek van windenergie mag in dit gebied niet leiden tot onaanvaardbare en onomkeerbare aantasting van de belangrijkste pijler van ruimtelijke kwaliteit: de grootschalige openheid van het gebied. Tevens mogen initiatieven niet leiden tot onsamenhangende projecten in het gebied. Het overgangsgebied Het overgangsgebied ligt ten oosten van het bedrijventerrein Haven. Hier ontmoeten tal van landschappelijke elementen - zoals industrie en landbouw - elkaar. Het is een multifunctioneel gebied met een industriële uitstraling en grootschalige logistieke bedrijvigheid in combinatie met (grootschalige) opwek van duurzame energie. Op het Ecopark (onderdeel van het overgangsgebied) bevinden zich op dit moment vier windturbines en twee zonnevelden. Dit wordt gecombineerd met een gebied dat een groen en agrarisch karakter heeft en kansen voor recreatief medegebruik biedt.
Het zoekgebied voor grootschalige opwek van duurzame energie De bovengenoemde gebieden zijn binnen de Kadernota te definiëren als ‘het zoekgebied’ voor de grootschalige opwek van duurzame energie. Dit geldt ook voor het deel van het overgangsgebied ten westen van het Drongelens Kanaal. Dit gebied heeft conform de structuurvisie Waalwijk (2016) de status ‘ontwikkeling Ecopark’ en ‘ruimtelijke reservering uitbreiding bedrijventerrein’, maar wordt in de planMER beschouwd als onderdeel van het zoekgebied. Het zoekgebied is vastgesteld door de gemeenteraad van Waalwijk in de Kadernota. Daarbij heeft de gemeenteraad zich gebaseerd op de afspraken en de keuzes die zijn gemaakt in het kader van de REKS. In het raadsvoorstel bij deze NRD is een voorstel opgenomen tot aanpassing van de in de kaart opgenomen contouren met minimale afstanden tussen woningen en windturbines. Dit is een wijziging ten opzichte van de Kadernota op basis van de ontvangen zienswijzen en adviezen. Wanneer de gemeenteraad het voorstel aanneemt, dan is voor de onderzoeken voor de planMER de begrenzing van het raadsbesluit leidend.
3.2.2
Uitgangspunten alternatieven
In de Kadernota zijn zes uitgangspunten geformuleerd waaraan de ontwikkeling van grootschalige opwek van duurzame energie moet voldoen: - ruimtelijke kwaliteit; - gebiedsgerichte benadering; - wettelijke kader; - maatschappelijke participatie; - behoud van volksgezondheid; - levering aan elektriciteitsnetwerk. Deze uitgangspunten worden als kaders betrokken bij de alternatievenontwikkeling. De alternatieven worden in paragraaf 3.2.4 toegelicht. De in de Kadernota genoemde uitgangspunten worden hieronder nader toegelicht. Ruimtelijke kwaliteit Bij de positionering van windturbines wordt gestreefd naar een zo beperkt mogelijke inbreuk op de openheid van het landschap. In de Kadernota is opgenomen dat vooraf geen keuze wordt gemaakt voor een opstelling in lijn of clusters van windturbines en beide opstellingsvarianten worden uitgewerkt in de planMER.
16 | 33
Witteveen+Bos | 128738/22-006.351 | Definitief 03
Omdat de planMER de bandbreedte aan mogelijke ontwikkelrichtingen in beeld moet brengen, worden in de planMER zowel de effecten van lijnopstellingen als van clusters beoordeeld. De uiteindelijke keuze wordt in landschappelijke uitgangspunten vertaald in een ruimtelijke visie. Deze uitgangspunten worden onder andere opgehaald middels het inhoudelijke participatieproces. Gebiedsgerichte aanpak Er wordt gekozen voor een integrale, gebiedsgerichte benadering. Het streven daarbij is om te komen tot een invulling van het gebied, die over de gehele linie een zo beperkt mogelijke impact heeft op het woonen leefklimaat, de landschappelijke en cultuurhistorische waarden en het milieu en waarbij ook de belangen van de omgeving maximaal kunnen worden betrokken en afgewogen. Op deze manier ontstaat een transparant afwegingsproces waarin belanghebbenden hun inbreng direct kunnen geven. Wettelijke kader Om een goed woon- en leefklimaat te garanderen, worden bij toetsing van concrete initiatieven voor de realisatie van grootschalige opwek alle wettelijke normen en afstanden voor onder meer slagschaduw, geluid en externe veiligheid gehanteerd. De gevolgen van de tussenuitspraak van de Raad van State van 30 juni 2021 worden hierbij in acht genomen (zie toelichting paragraaf 4.2.2). Daarnaast wordt rekening gehouden met de lokale situatie.
In de Kadernota is benoemd dat een afstand van minimaal 750 m van een woning in het stedelijk gebied en het buurtschap Labbegat moet worden aangehouden en minimaal 400 m van een solitaire woning in het buitengebied. Het zoekgebied is hierop afgestemd. In het raadsvoorstel bij deze NRD is een voorstel opgenomen tot aanpassing van de in de kaart opgenomen contouren met minimale afstanden tussen woningen en windturbines. Dit is een wijziging ten opzichte van de Kadernota op basis van de ontvangen zienswijzen en adviezen. Wanneer de gemeenteraad het voorstel aanneemt, dan is voor de onderzoeken voor de planMER de begrenzing van het raadsbesluit leidend. Maatschappelijke participatie Maatschappelijke participatie bestaat uit twee onderdelen: financiële participatie en sociale participatie. Een belangrijk uitgangspunt is dat een aanzienlijk deel (tenminste 50 % in lokaal eigendom) van de revenuen terugvloeit naar de lokale samenleving met als voorwaarde dat de sociale cohesie in de samenleving geborgd blijft. De komst van duurzame energie naar lokale gemeenschappen is een kans voor verduurzaming en het duurzaam versterken van de lokale economie. Een ander belangrijk uitgangspunt bij de beoordeling van initiatieven is dat lokale maatschappelijke meerwaarde wordt gecreëerd. Maatschappelijke meerwaarde wordt gecreëerd door de samenleving te laten participeren.
In hoofdstuk 5 is een nadere toelichting op het participatieproces te vinden. Behoud volksgezondheid De gemeenteraad heeft bij het vaststellen van de Kadernota expliciet aangegeven dat volksgezondheid een belangrijk wegingsaspect is. Om dit aspect goed in beeld te brengen zullen in de planMER de geluidseffecten van de alternatieven in beeld gebracht worden. Daarbij wordt per onderzocht alternatief de ligging van de geluidscontour van 40, 45 en 47 dB Lden inzichtelijk gemaakt. Daarnaast wordt gewerkt met een gezondheidseffectscreening (GES) waarbij per onderzocht alternatief het aantal potentieel gehinderde personen in de bestaande en de nieuwe situatie in beeld wordt gebracht. Beide vormen de basis voor de keuze die gemeenteraad te zijner tijd zal moeten maken over de plaatsen waar de nieuwe windturbines kunnen worden gerealiseerd en welke geluidsnormen daarbij worden gehanteerd. Deze keuzes worden eveneens voor advies voorgelegd aan de GGD. Daarnaast wordt een geluidsmeting (0-meting) uitgevoerd voorafgaand aan de vergunningverlening en de realisatie van windturbines. Een uitvoeringsplan en kostenopgave van de 0-meting wordt tijdig aan de raad ter beoordeling voorgelegd. Levering aan elektriciteitsnetwerk Uitgangspunt bij de grootschalige opwek van duurzame energie op basis van deze Kadernota is dat de projecten voor 2030 aangesloten zijn op het netwerk.
Over de bestaande capaciteit en de benodigde uitbreiding daarvan om de regionale en lokale ambities te verwezenlijken vindt overleg plaats met Enexis Netbeheer B.V. en TenneT TSO B.V. De uitkomst van deze overleggen heeft direct impact op de (tijdige) uitvoerbaarheid en inpasbaarheid van wind- en zonne-energie. Op dit moment kunnen de netbeheerders nog geen garanties geven over tijdige aansluitmogelijkheden.
17 | 33
Witteveen+Bos | 128738/22-006.351 | Definitief 03
3.2.3
Referentiesituatie
In een MER worden de effecten van de alternatieven vergeleken met de referentiesituatie. De referentiesituatie is de huidige situatie met daarbij rekening gehouden met eventuele autonome ontwikkelingen. Het gaat om de situatie waarbij geen nieuwe installaties voor de grootschalige opwek van wind- en zonne-energie worden gerealiseerd binnen het zoekgebied. Het gebied zal zich dan ontwikkelen conform vastgesteld of voorgenomen beleid, maar zonder verdere realisatie van grootschalige wind- en zonne-energie. Deze situatie dient als referentiekader voor de effectbeschrijving. Autonome ontwikkelingen De volgende autonome ontwikkelingen zijn in ieder geval relevant voor dit voornemen: - afronding van de ontwikkeling van bedrijventerrein Haven 8 Oost. Deze ontwikkeling omvat mogelijk ook de plaatsing van een Migrantencampus ten westen van de Gansoyensesteeg en ten oosten van het Drongelens Kanaal aan de Valkenvoortweg; - uitwerking bestemmingsplan Oostelijke Insteekhaven.
Dit bestemmingsplan maakt de ontwikkeling een containerterminal en watergebonden logistieke bedrijvigheid mogelijk op de plaats van de huidige Jachthaven Waalwijk; - ontwikkeling Kerkvaartse Haven aan westzijde zoekgebied; - de aanleg en afronding van Natuurbod Regio Hart van Brabant in het kader van Natuurnetwerk Brabant (NNB); - natuurontwikkeling Westelijke Langstraat; - natuurontwikkeling in Capelsche Uiterwaard, waaronder de realisatie van getijdengeulen, herstel van het historische slagenlandschap en afgraving van een deel van het maaiveld voor verschraling van de uiterwaard.
3.3
Introductie alternatieven
Alternatieven planMER De alternatieven voor de planMER moeten gezamenlijk de bandbreedte aan mogelijke ontwikkelingsrichtingen weergeven. Omdat de planMER tot doel heeft om kansrijke gebieden voor de grootschalige opwek van duurzame energie in beeld te brengen, worden nog geen specifieke opstellingsvarianten ontwikkeld. In plaats daarvan bestaan de alternatieven uit een set van variabelen, zoals de ashoogte en het aantal windturbines en de milieueffecten. Daarbij wordt in de alternatievenontwikkeling onderscheid gemaakt tussen de ontwikkeling van zonnevelden en windturbines. De volgende variabelen zijn van invloed op de inpassingsmogelijkheden van windturbines en zonnevelden in het zoekgebied: - turbineafmetingen: in de alternatievenontwikkeling wordt gekeken naar de effecten van windturbines in de 4 MW klasse met een ashoogte van ten minste 130 m en een tiphoogte van ten minste 195 m. Daarnaast wordt gekeken naar windturbines in de 6 MW klasse met een maximale ashoogte van 170 m en een tiphoogte van maximaal 255 m. Daarmee wordt geanticipeerd op de ontwikkeling van moderne windturbines op land die rond 2025 beschikbaar komen; - opstellingsvarianten: voor de windturbines worden twee globale opstellingsvarianten onderzocht: geclusterd en een lijnopstelling.
Hierbij geldt dat minimaal drie windturbines per gebied geplaatst dienen te worden; - verhouding windenergie en zonne-energie: wind- en zonne-energie zijn complementair aan elkaar en zijn beide nodig om de energiedoelstellingen van de gemeente Waalwijk te behalen. Daarom zijn vier varianten te formuleren, uitgaande van minimaal en maximale hoeveelheid zonneveld en 4 of 6 MW windturbines. Daarbij geldt bij het alternatief waar maximaal wordt ingezet op zonne-energie een bovengrens van 15 ha zonneveld. Tabel 3.1 presenteert de alternatieven die uit bovenstaande analyse volgen. Voor deze alternatieven wordt in de planMER onderzocht binnen welke gebieden en onder welke voorwaarden deze ruimtelijk inpasbaar zijn.
18 | 33
Witteveen+Bos | 128738/22-006.351 | Definitief 03
De in tabel 3.1 genoemde alternatieven zijn enkel en alleen opgenomen om de effecten te kunnen vergelijken. Er wordt niet specifiek toegewerkt naar één van de alternatieven. De uitkomst van het alternatievenonderzoek is één of meerdere voorkeursalternatieven. Het uitgangspunt van grootschalige opwek van windenergie is een invulling vinden voor de opgave van 158.500 MWh/jaar. Binnen de voorkeursalternatieven is expliciet nog geen sprake van opstellingsvarianten. Dit wordt door middel van een bredere belangenafweging opgesteld.
Tabel 3.1 Alternatieven Variant turbine
Zon minimaal
Zon maximaal [15 ha]
windturbines 130 m ashoogte, 195 m tiphoogte
alternatief 1a: 5 ha zonne-energie 14 turbines, circa 4 MW
alternatief 1b: 15 ha zonne-energie 13 turbines, circa 4 MW
windturbines 170 m ashoogte, 255 m tiphoogte
alternatief 2a: 5 ha zonne-energie 9 turbines , circa 6 MW
alternatief 2b: 15 ha zonne-energie 8 turbines, circa 6 MW
Opstellingsvarianten Als binnen het zoekgebied de geschikte of geschikt te maken gebieden in beeld zijn, stelt de gemeente voorkeursgebieden vast voor de ontwikkeling van wind- en/of zonne-energie. Een volgende stap is om binnen deze voorkeursgebieden opstellingsvarianten te definiëren (op basis van de alternatieven is dit een combinatie tussen wind- en zonne-energie) en te beoordelen op cumulatieve effecten (landschap, natuur en hinder). Dit gebeurt aan de hand van verschillende opstellingsvarianten. Deze opstellingsvarianten zijn ook geschikt voor de berekening van energieopbrengsten ten behoeve van de businesscase. De opstellingsvarianten worden ontwikkeld zodra de voorkeursgebieden bekend zijn (in de planMER-fase, zie paragraaf 5.1.1). De opstellingsvarianten omvatten in ieder geval de volgende typen opstellingen: - clusteropstelling: · clusteropstellingen geconcentreerd (grote windparken/zonnevelden op een beperkt aantal locaties); · clusteropstellingen verspreid (meerdere kleinschalige clusters); - lijnopstelling: · lijnopstelling geconcentreerd (beperkt aantal lange lijnenopstellingen); · lijnopstellingen verspreid (groter aantal korte lijnopstellingen).
In de ontwikkeling van de opstellingsvarianten binnen de voorkeursgebieden wordt onder meer rekening gehouden met de landschappelijke structuren (zoals infrastructuur) en eenheden (zoals de Overdiepse Polder) in het zoekgebied. De koppeling van windturbines met het landschap kan bijvoorbeeld door het reageren op de hoofdstructuren en/of aan te sluiten op de landschappelijke eenheden. Daarnaast ziet de ontwikkeling van de opstellingsvarianten toe op de uitvoerbaarheid van de toekomstige verduurzamingsopgave in de gemeente Waalwijk tot 2043 (volledig duurzaam opgewekte energie). De ontwikkelingen tot 2030 mogen geen belemmeringen opleveren voor deze doelstelling. Om een beeld te geven van hoe een cluster- en/of lijnopstelling eruit zou komen te zien, zijn hieronder enkele voorbeelden opgenomen van windprojecten op andere locaties in Nederland. Deze voorbeelden zijn louter illustratief bedoeld en kunnen niet worden door vertaald naar het zoekgebied.
19 | 33
Witteveen+Bos | 128738/22-006.351 | Definitief 03
Afbeelding 3.1 Grote clusteropstelling Windpark Veenwieken, Overijssel
Afbeelding 3.2 Kleine clusteropstelling Windpark Duiven, Gelderland
Afbeelding 3.3 Korte lijnopstelling Windpark Neer, Limburg
20 | 33
Witteveen+Bos | 128738/22-006.351 | Definitief 03
Afbeelding 3.4 Lange lijnopstelling Windpark Groetpolder, Noord-Holland
Alternatieven voor projectMER Voor projecten die zich binnen (een van de) voorkeursgebieden van de gemeente bevinden, worden door de initiatiefnemer van het betreffende project de definitieve turbineposities bepaald. Deze turbineposities moeten aansluiten bij de (landschappelijk) voorwaarden die de gemeente in een ruimtelijke visie vastlegt.
21 | 33
Witteveen+Bos | 128738/22-006.351 | Definitief 03
4 WERKWIJZE EFFECTBEOORDELING MER In dit hoofdstuk wordt een nadere beschrijving gegeven van de effectbeoordeling in de planMER.
4.1
Studiegebied
Milieueffecten reiken in een aantal gevallen verder dan het zoekgebied (zie paragraaf 1.3 voor de definitie van het zoekgebied). Bewoners buiten het zoekgebied kunnen bijvoorbeeld last hebben van geluidhinder of slagschaduw van windturbines. In de milieueffectrapportage worden de effecten onderzocht en beoordeeld voor het gebied waarbinnen mogelijk effecten optreden. Het studiegebied is dus voor een aantal thema’s groter dan het zoekgebied.
4.2
Beoordelingskader
4.2.1
Inleiding
Effecten op het milieu en de omgeving als gevolg van de ontwikkeling van windturbines en zonnevelden zijn te verdelen in effecten tijdens de aanlegfase, de gebruiksfase (gebruik, onderhoud, reparaties) en de verwijderingsfase. Voor alle fasen worden de effecten beschouwd of onderzocht. Voor de uiteindelijke afweging zullen met name de verschillen in effecten van de verschillende varianten van belang zijn. Om de effecten van de windturbines en zonnevelden per aspect te kunnen vergelijken worden deze op basis van een plus- en min-schaal beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Hiervoor wordt de beoordelingsschaal gehanteerd zoals weergegeven in tabel 4.1. Deze beoordelingsschaal wordt in een later stadium (in de planMER en projectMER) voor elk criterium nader gespecificeerd.
Tabel 4.1 Beoordelingsschaal Score
Toelichting
--
sterk negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie
-
negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie
0
geen effect ten opzichte van de referentiesituatie
+
positief effect ten opzichte van de referentiesituatie
++
sterk positief effect ten opzichte van de referentiesituatie
22 | 33
Witteveen+Bos | 128738/22-006.351 | Definitief 03
4.2.2
Beoordelingskader
Tabel 4.2 presenteert het beoordelingskader dat wordt gehanteerd voor het beoordelen van de windturbines en zonnevelden. Hoewel zonne-energie niet m.e.r.-plichtig is, is besloten om de effecten wel te beschouwen in de planMER, vanwege de samenhang tussen wind- en zonne-energie. In tabel 4.2 is opgenomen voor welke ontwikkeling de criteria relevant zijn. Onder de tabel is een toelichting gegeven op de toe te passen methode bij de verschillende thema’s. In de planMER wordt de methodiek verder uitgewerkt. Bij de ontwikkeling van het beoordelingskader is de input uit het omgevingsproces verwerkt. Toelichting onderzoeksmethodes In het beoordelingskader wordt verwezen naar de toe te passen methode om de effecten van de thema’s te onderzoeken. Dit kader licht toe wat we onder de verschillende methodes verstaan: -
kwantitatief onderzoek: de onderdelen die meetbaar zijn op basis van data;
-
kwalitatief onderzoek: de onderdelen die worden gebaseerd op literatuur en kennis van onderzoekers/experts. Hier zit een wisselwerking in met expert judgement en kwantitatief onderzoek;
-
expert judgement: een wetenschappelijk onderbouwde argumentatie ten aanzien van een onderwerp, vraag, of discussie, die is verwoord door een erkend specialist op dat vakgebied. In de planMER zal worden aangegeven wiens expert judgement is ingezet.
Daarnaast wordt in het beoordelingskader verwezen naar een quickscan. Met een quickscan worden knelpunten en eventueel ontbrekende informatie geïnventariseerd. Vervolgens wordt de noodzaak en omvang van nader onderzoek vastgesteld. Hierna wordt het nader onderzoek uitgevoerd ten behoeve van de planMER. Met als doel een adequate onderbouwing voor de bepaling van het voorkeursalternatief.
Tabel 4.2 Beoordelingskader Aspect
Criteria
Relevantie
Methode
invloed op de bodem- en waterkwaliteit
wind en zon
GIS-analyse o.b.v. bekende en te verwachten bodemverontreinigingen
invloed op zettingen
wind en zon
kwalitatieve analyse o.b.v. bodemtypen
invloed trillingen
wind en zon
kwalitatieve analyse
invloed op grondwaterkwaliteit en -kwantiteit
wind en zon
kwalitatieve quickscan
invloed op oppervlaktewaterkwaliteit en kwantiteit
wind en zon
kwalitatieve quickscan
invloed op waterveiligheid en waterbergingscapaciteit
wind en zon
kwalitatieve en kwantitatieve quickscan
benodigde watercompensatie
wind en zon
kwantitatieve quickscan
bodem en water bodem
water
natuur beschermde soorten en habitattypen Natura 2000-gebied
effecten op habitattypen en soorten en effecten op instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000-gebieden
wind en zon
kwalitatieve quickscan en voortoets. Passende beoordeling indien nodig
overige beschermde soorten
effecten op beschermde soorten Wet natuurbescherming
wind en zon
kwalitatieve quickscan en vervolgonderzoek, inclusief veldonderzoek
23 | 33
Witteveen+Bos | 128738/22-006.351 | Definitief 03
Aspect
Criteria
Relevantie
Methode
NNN- gebieden
effecten op NNN-gebieden (inclusief NNB)
wind en zon
kwalitatieve quickscan en vervolgonderzoek, inclusief veldonderzoek
overige beschermde gebieden
effecten op overige beschermde gebieden, waaronder weidevogelgebieden, ganzenfoerageergebied en stiltegebieden
wind en zon
kwalitatieve quickscan en vervolgonderzoek, inclusief veldonderzoek
landschap, cultuurhistorie en archeologie landschap
invloed op ruimtelijk-visuele kenmerken
wind en zon
kwalitatieve quickscan, inclusief visualisaties
invloed op landschapstype en -structuur
wind en zon
kwalitatieve quickscan en toetsing aan kernkwaliteiten
invloed op aardkundige waarden
wind en zon
kwalitatieve quickscan
invloed van turbineverlichting op omgeving
wind
kwalitatieve analyse
cultuurhistorie
invloed op cultuurhistorische waarden
wind en zon
kwalitatieve quickscan en toetsing aan kernkwaliteiten
archeologie
aantasting van bekende archeologische waarden
wind en zon
kwalitatieve quickscan
aantasting van verwachte archeologische waarden
wind en zon
kwalitatieve quickscan
invloed op (beperkt) kwetsbare objecten
wind
analyse indicatief bereik PR10-5 en PR10-6. Voor windenergie o.b.v. Handboek risicozonering windturbines
invloed op andere risicobronnen
wind
analyse aanwezige risicobronnen en daaruit volgende beperkingen
radar en vliegverkeer
invloed op (defensie)radar en (defensie) laagvliegverkeer
wind
kwalitatieve analyse op basis van expert judgement
ontplofbare oorlogsresten
risico van de aanwezigheid ontplofbare oorlogsresten
wind en zon
kwalitatieve quickscan
geluidbelasting op gevoelige bestemmingen (gebruiksfase)
wind
kwantitatieve- en GISanalyse geluidcontouren
geluid in cumulatie (gebruiksfase)
wind
kwalitatieve analyse op basis van expert judgement
slagschaduw
invloed op kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten (o.a. kantoren) door slagschaduw
wind
kwalitatieve analyse o.b.v. contouren slagschaduw
gezondheid
aantal geluidgevoelige objecten binnen geluidscontouren, inclusief laagfrequent geluid
wind
kwalitatieve analyse op basis van literatuur en GES-score (zie §3.2.2)
dierenwelzijn
aantal dieren binnen geluidscontouren, inclusief laagfrequent geluid en de invloed op het dierenwelzijn
wind
kwalitatieve analyse op basis van expert judgement
veiligheid en infrastructuur externe veiligheid
leefomgeving geluid
24 | 33
Witteveen+Bos | 128738/22-006.351 | Definitief 03
Aspect
Criteria
Relevantie
Methode
luchtkwaliteit
invloed op de luchtkwaliteit
wind
kwalitatieve analyse
wind en zon
kwalitatieve GIS-analyse naar oppervlakteverlies en kwalitatieve quickscan
gebruiksfuncties ruimtegebruik
invloed op ruimtegebruik bestaande en toekomstige functies en meervoudig grondgebruik
Bodem en water Bij de bouw van de windturbines en zonnevelden worden verhardingen aangebracht. Denk aan het aanleggen van de fundering, de kraanopstelplaatsen voor de bouw- en onderhoud van windturbines en een onderstation (het bouwwerk waarin zich de technische aansluiting op het landelijke hoogspanningsnet zich bevindt). Deze verhardingen kunnen effect hebben op de bodem en waterhuishouding. De effecten op de waterhuishouding worden voor zowel het grondwater en grondwaterstroming als de oppervlaktewaterkwaliteit en -kwantiteit (waaronder invloed op kwel en in de aanlegfase) onderzocht. Daarnaast wordt onderzocht wat de effecten van windturbines en zonnevelden zijn op de waterveiligheid en bergingscapaciteit, met name in de Overdiepse Polder en de gebieden langs de Bergsche Maas. Voor bodem wordt op basis van kwalitatief onderzoek bepaald of aanvullend veldonderzoek nodig is. Hierbij wordt onderzocht wat de invloed is op de bodem- en waterkwaliteit is en de invloed op zettingen. Trillingen als gevolg van heiwerkzaamheden in de aanlegfase kunnen mogelijk hinder veroorzaken. Deze effecten worden in beide fasen van de planMER kwalitatief in beeld gebracht. Natuur Op basis van ervaringen bij andere wind- en zonneparken is het bekend dat de aanleg en bouw van windturbines leidt tot risico’s voor vogels en vleermuizen op aanvaringsslachtoffers met de turbinerotoren.
Ook kan het bouwen van windturbines leiden tot verstoring en barrièrewerking. De mate waarin deze effecten op kunnen treden binnen het zoekgebied worden eerst in kaart gebracht op basis van een quickscan. Voor de effecten op omliggende Natura 2000-gebieden wordt daarbij in eerste instantie onderzocht of het ontstaan van significant negatieve effecten kan worden uitgesloten. Indien significant negatieve effecten op voorhand niet kunnen worden uitgesloten, wordt een voortoets uitgevoerd. Op basis van de voortoets wordt bepaald of een passende beoordeling noodzakelijk is. Hierbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar cumulatieve effecten van andere projecten die op kunnen treden. Daarnaast wordt in de quickscan onderzocht wat de mogelijke effecten zijn gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN-gebieden, inclusief gebieden die deel uitmaken van het Brabantse deel ervan: het NNB). Ook de effecten op overige beschermde gebieden, zoals weidevogelgebieden, worden daarbij betrokken. Tevens wordt de mogelijke impact van microplastics ten gevolge van erosie beschouwd. Op basis van de uitkomsten van de quickscan wordt de opzet en de mate van diepgang van het vervolgonderzoek (inclusief het uitvoeren van veldonderzoek) bepaald. Landschap, cultuurhistorie en archeologie Windturbines hebben door hun as- en tiphoogte impact op het landschap.
Effecten hebben betrekking op de openheid en herkenbaarheid van het gebied, maar ook op de zichtbaarheid, door bijvoorbeeld de verlichting. Daarom wordt in de planMER de invloed van windturbines op het landschap en cultuurhistorische waarden in beeld gebracht en beschreven. De visualisaties geven een beeld van de beleving (ooghoogte) van de windturbines, waarbij standpunten worden gekozen vanaf locaties waar mensen komen/wonen.
25 | 33
Witteveen+Bos | 128738/22-006.351 | Definitief 03
Daarnaast wordt in de planMER onderzoek gedaan naar het effect van verlichting. Vanwege de luchtvaartveiligheid dient namelijk obstakelverlichting aangebracht te worden op de gondel van windturbines met een tiphoogte hoger dan 150 m. Tevens wordt onderzocht in hoeverre wind- en zonneparken aan kunnen sluiten bij de bestaande landschappelijke en cultuurhistorische structuren. Ook wordt beoordeeld hoe de ontwikkeling ervan interfereert met andere met andere ontwikkeling in de directe omgeving. De beoordeling gebeurt middels een kwalitatieve analyse, waarbij een landschapsarchitect de effecten, mede op basis van input van de omgeving, in beeld brengt. Tevens wordt er onderzocht wat de invloed is op archeologische monumenten en waarden die aanwezig zijn in het zoekgebied. Dit wordt gedaan aan de hand van een kwalitatieve quickscan, waarbij de potentiële effecten in beeld worden gebracht. Het uitgangspunt hiervan zijn beleidskaarten met archeologische waarden, zoals de gemeentelijke archeologische beleidskaarten en de indicatieve kaart archeologische waarden (IKAW). Veiligheid en infrastructuur Om de veiligheid in de omgeving van de windturbines en zonnevelden te kunnen garanderen, wordt onderzocht welke risico’s de windturbines veroorzaken en met welke aspecten rekening gehouden moet worden.
In de planMER wordt een inventarisatie uitgevoerd van relevante objecten en activiteiten in de omgeving. Hiervoor worden kwalitatieve analyses uitgevoerd, waarbij wordt aangesloten bij de wettelijke normen. Speciale aandacht gaat uit naar de aanwezigheid van de bestaande hoogspanningsverbinding, de hogedruk aardgastransportleiding en de laagvlieggebieden Maas/Waal en Bergse Maas 1 en 2. Daarnaast wordt een kwalitatieve quickscan uitgevoerd naar de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Dit gebeurt op basis van openbaar beschikbare data. Indien uit de quickscan blijkt dat er vervolgonderzoek nodig is, zal dit uit de planMER als aandachtspunt worden opgenomen in de ruimtelijke visie. Leefomgeving Geluid Het geluid van windturbines is grotendeels afkomstig van de bewegende delen die door de wind worden aangedreven. Een kleiner deel van het geluid wordt veroorzaakt door de aandrijving. Voor het in beeld brengen van de geluidnormen werd normaliter aangesloten worden bij de geluidnormen van het Activiteitenbesluit. Op 30 juni 2021 heeft de Raad van State echter een belangrijke tussenuitspraak gedaan. Op basis van de uitspraak mogen de landelijke normen voor geluid, slagschaduw en veiligheid uit het Activiteitenbesluit niet meer worden toegepast voor windturbines. Dit komt omdat geen m.e.r.beoordeling ten grondslag ligt aan de normen uit het Activiteitenbesluit.
Zo lang op rijksniveau geen nieuwe normen zijn vastgesteld, moeten gemeenten zelf een passende norm onderbouwen en vaststellen. Daarom worden in het kwantitatieve geluidsonderzoek niet alleen de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit (L den 47 dB en Lnight 41 dB) in beeld gebracht, maar ook de Lden 45 dB-contour die de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) adviseert. Ook de Lden 40 dB contour wordt in het onderzoek in beeld gebracht, omdat de WHO aangeeft dat vanaf dit geluidsniveau mogelijk sprake kan zijn van geluidhinder. Hierbij wordt grotendeels aangesloten bij de NRD voor de planMER Windturbinebepalingen Leefomgeving van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat1. Ook zal de geluidbelasting in het plangebied van industriële activiteiten en mogelijke andere bronnen, zoals de A59, worden bepaald en wordt aangegeven wat de akoestische kwaliteit van de omgeving is in cumulatie met de geluidbelasting van de windturbines. De cumulatieve effecten met bestaande geluidsbronnen worden beoordeeld aan de hand van de Methode Miedema. Op deze manier wordt per locatie beoordeeld in hoeverre de realisatie van windturbines op een bepaalde locatie een negatief effect heeft op de kwaliteit van de leefomgeving van omwonenden ten opzichte van de referentiesituatie. 1