CConstaterende datWaalwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

GEWIJZIGDE toelichting bestemmingplan Laageinde 103 Waalwijk

Raadsvergadering (B) 4 maart 2021, gemeente WaalwijkBij agendapunt: (R1.3-21) Vaststellen bestemmingsplan `Waalwijk, Laageinde 103`16.480 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.1.5 Hemelwaterafvoer In de direct omgeving van de het Laageinde is geen waterlichaam c.q. watergang aanwezig. De hemelwaterafvoer zal verlopen via het gemengde rioolstelsel.

4.1.6 Toepassing materialen In het plan worden in beginsel geen uitlogende materialen toegepast die als verontreinigend zijn aangemerkt (lood, zink, koper), om zo negatieve effecten op de waterkwaliteit en de ecologie te voorkomen. Voor zover dat wel wordt gedaan, worden de materialen voorzien van een beschermende coating. Conclusie Gelet op het voorgaande zijn er uit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmeringen voor de realisatie van onderhavig project.

4.2

Kabels- en leidingen

Uit een voor deze locatie uitgevoerde klic-melding blijkt dat binnen het plangebied geen bijzondere leidingen aanwezig zijn welke een belemmering zouden kunnen vormen voor realisatie van het project. Bij het verrichten van graafwerkzaamheden zal met de aanwezige leidingen rekening worden gehouden. Verder is het perceel niet gelegen binnen een straalpadzone. Conclusie Er zijn geen leidingen aanwezig die een belemmering vormen voor dit plan.

4.3

Bedrijven en milieuzonering

De scheiding van milieubelastende en milieugevoelige functies is noodzakelijk in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Op die manier wordt voorkomen dat bij nieuwe ontwikkelingen sprake kan zijn van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies en wordt voldoende zekerheid geboden aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

30

De milieuhinder van bedrijven dient te worden geanalyseerd op hun invloed op mogelijke ontwikkelingen. Indien milieubelastende functies in het plangebied mogelijk worden gemaakt, dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te zijn. Om te beoordelen of de afstanden tussen de milieubelastende activiteit en de milieugevoelige functie acceptabel is, kan worden aangesloten bij de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-handreiking ‘Bedrijven en Zonering’. Bij de toetsing van onderhavig plan aan de VNG-handreiking ‘Bedrijven en zonering’ wordt wat betreft de typering van de omgeving van het plangebied uitgegaan van een gebied met functiemenging. Dat betekent dat naast wonen ook andere functies in de omgeving voorkomen, zoals winkels en bedrijvigheid. Dat betekent dat voor dergelijke gebieden de systematiek van de Staat van Bedrijfsactiviteiten die is opgenomen in bijlage 4 van de VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ wordt gehanteerd. Voor de toetsing van het bouwplan aan de richtafstanden uit voornoemde VNGhandreiking zijn de volgende bedrijven relevant: 1. Meubelstoffeerderij Laageinde 80 te Waalwijk 2. Rouwvervoer, Laageinde 97 te Waalwijk 3. Garagebedrijf Laageinde 105 te Waalwijk Ad 1. Meubelstoffeerderij Laageinde 80 te Waalwijk Tegenover de projectlocatie, aan Laageinde 80, is een meubelstoffeerderij aanwezig (Ama Leijtens Stoffeerderij Meubelen).

Een meubelstoffeerderij wordt in de VNG-handreiking (onder SBI-code 2008 9524) gekwalificeerd als behorend tot categorie A: ‘Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend.’ De met dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte woningen zullen bouwkundig afgescheiden zijn van de betreffende meubelstoffeerderij. De afstand tussen het perceel van het betreffende bedrijf en de nieuwe woningen bedraagt ongeveer 11 meter. Kortom: er wordt voldaan aan de richtafstand uit de VNGhandreiking. Nadere onderzoek is niet noodzakelijk. Ad 2. Rouwvervoer, Laageinde 97 te Waalwijk Op Laageinde 97 te Waalwijk is een rouwvervoersbedrijf gevestigd. Dit bedrijf kan ingevolge de VNGhandreiking het best vergeleken worden met ‘taxibedrijven’. Deze worden in de VNG-handreiking (onder SBI-code 2008 - 4932) gekwalificeerd als behorend tot categorie B: ‘Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden’. De met dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte woningen zullen bouwkundig afgescheiden zijn van het betreffende bedrijf.

De afstand tussen het perceel van het bedrijf en de nieuwe woningen bedraagt ongeveer 15 meter. Kortom: er wordt voldaan aan de richtafstand uit de VNG-handreiking. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Ad 3. Garagebedrijf Laageinde 105 te Waalwijk Naast de projectlocatie, aan Laageinde 105, is een garagebedrijf aanwezig (Autobedrijf Piggen). Door Van Kooten Akoestisch Advies is een geluidsonderzoek uitgevoerd naar de effecten van de aanwezigheid van dit bedrijf op de beoogde woningen (Notitie Industrielawaai, Laageinde 103 Waalwijk, d.d. 6 maart 2020, zie bijlage II). In het rekenmodel van het onderzoek heeft Van Kooten Akoestisch Advies voor het garagebedrijf een worstcase-situatie ingevoerd, waarbij de gegevens van de bedrijfsvoering naar boven zijn afgerond. Van Kooten Akoestisch Advies komt tot de volgende conclusies:

31

•

•

Het berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het piekniveau voldoen beiden aan de normen van het Activiteitenbesluit. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het piekniveau voldoen beide aan de streefwaarde van respectievelijk 50 dB(A) en 70 dB(A) voor woningen in gemengd gebied. Conform bijlage B5.3, stap 2 van de Handreiking Bedrijven en Milieuzonering is er sprake van een ruimtelijk inpasbare situatie.

•

Daarnaast wordt nog opgemerkt dat op het perceel Laageinde 103 een maatwerkbestemming is gelegd ten behoeve van het bestaande garagebedrijf. Daarnaast is de bestemming gemengd, waarin lichte bedrijfsactiviteiten mogelijk zijn gemaakt die zonder meer inpasbaar zijn in een gemengd gebied waarin tevens woningen aanwezig zijn. De bouw van nieuwe woningen aan het Laageinde 103 maakt derhalve geen verschil voor de mogelijkheden voor nieuwe of gewijzigde bedrijfsactiviteiten.

•

Overigens laten de resultaten ook zien dat er voor het garagebedrijf nog enige geluidruimte beschikbaar is tot aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit. Deze ruimte kan in de toekomst eventueel nog worden benut voor wijzigingen (uitbreiding) van de bedrijfsactiviteiten van het garagebedrijf.

Op basis van bovenstaande komt Van Kooten Akoestisch Advies tot de slotconclusie dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen. Tevens kan het naastliggende bedrijf Piggen (Laageinde 105) voldoen aan de geluidnormen van het Activiteitenbesluit. Het is niet nodig de geluidsbelasting middels maatregelen te reduceren. Voor de toetsing van onderhavig bouwplan dient eveneens uitgegaan te worden van de maximale invulling van de planologische mogelijkheden voor het belendende perceel. Naast de functie van het bedrijf Piggen gelden er ingevolge het bestemmingsplan voor het perceel Laageinde 105 nog meer functiemogelijkheden. Hierover het volgende. In de als bijlage I bijgevoegde lijst (‘Toegelaten bedrijven’) bij de regels van het bestemmingsplan, staan de overige toegelaten bedrijven voor het betreffende perceel. Daaruit blijkt dat voor wat betreft de categorie ‘HANDEL/REPARATIE VAN AUTO'S, MOTORFIETSEN; - BENZINESERVICESTATIONS’ enkel de functie van ‘Autobeklederijen’ is toegestaan (SBI-code 45204). Reparatie van auto’s is kennelijk niet in de lijst opgenomen. Dat betekent dat ervan kan worden uitgegaan dat het bestaande autobedrijf wat betreft effecten op milieugevoelige functies als de meest maximale planologische invulling heeft te gelden (wat betreft milieubelasting op de omgeving).

Een nadere beschouwing van de overige functiemogelijkheden uit het bestemmingsplan is derhalve niet nodig. Overige bedrijvigheid Voor het overige is er geen bedrijvigheid in de direct omgeving aanwezig welke van belang is voor de beoordeling van dit plan, eens te meer nu er tussen de overige bedrijvigheid aan de Laageinde en de projectlocatie reeds bestaande woningen aanwezig zijn welke maatgevend zijn voor de milieuzonering / milieuruimte voor betreffende bedrijven. Conclusie Uit het oogpunt van bedrijven en milieuzonering is er geen belemmering voor de realisatie van dit plan.

32

4.4

Bodem

4.4.1 Algemeen Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop of waarin deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Op 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (volledig) in werking getreden. Het doel van dit besluit is om de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het Besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. In het Besluit bodemkwaliteit is ook het Bouwstoffenbesluit geïntegreerd. Dit besluit heeft alleen betrekking op steenachtige bouwstoffen. Andere materialen worden in de praktijk ook toegepast als bouwstof, maar deze vallen niet onder dit Besluit.

4.4.2 Onderzoek De bodemkwaliteit van de locatie aan de Laageinde 103 te Waalwijk is in het verleden meermaals onderzocht. In de jaren ’90 was de locatie al onder de aandacht van de Provincie Brabant en is deze locatie reeds onderzocht. Ook in 2005 en 2010 is op de locatie een bodemonderzoek uitgevoerd. Naast de verontreiniging als gevolg van afvalstort in een voormalige wiel in het verleden, zijn op het terrein in 2005 twee oliespots aangetroffen, namelijk een spot voor aan de straatzijde (als gevolg van het toenmalige pompeiland) en nabij de oostelijke perceelsgrens bij de voorzijde van de garage (een verontreiniging als gevolg van reeds onklaar gemaakte ondergrondse tanks). Er is een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd door Bakker Milieuadviezen Waalwijk (Actualisatie bodemverontreiniging Laageinde 2013 Waalwijk, 8 mei 2017, bijlage III). Daarbij zijn de contouren van de 2 genoemde oliespots gecontroleerd middels een aantal boringen en analyses. Evens zijn nog enkele boringen verricht voor de contourlijn van de gedempte ‘Blanke Wiel’. Bakker Milieuadvies Waalwijk komt in haar actualiserend bodemonderzoek tot de volgende conclusies: • De olieverontreiniging aan de straatzijde heeft een iets andere ligging dan in 2005 is ingeschat. Nu zijn er in ieder geval meer boringen uitgevoerd, waarmee de contourlijn duidelijker is. Het verontreinigd volume wordt geschat op 30 m3.

Deze olievlek ligt geheel binnen een toekomstig bouwblok en zal geheel verwijderd moeten worden middels ontgraving; • De olieverontreiniging langs de oostelijke perceelsgrens is geschat op tenminste 12 meter lang en gemiddeld 6 meter breed. Het is logisch dat deze verontreiniging ook op het buurperceel aanwezig is. Het verontreinigd volume op eigen terrein wordt geschat op 80 a 90 m3; • De westelijke contourlijn van de sterk verontreinigde gedempte wiel is middels een aantal boringen nogmaals gecontroleerd. Gezien de voormalige ronde vorm van de toenmalige ‘Blanke Wiel’, volgt de contour op het noordelijke terreindeel de perceelgrens, vervolgens buigt de contour in zuidoostelijke richting af tot aan de entree van de garage en vervolgens tot aan de straat. Vroeger had de wiel aan de zuidzijde immers een uitloop in de vorm van een ‘sloot’; • Op het achterterrein is in 2005 reeds geconstateerd dat het stortlichaam al ondiep begint onder een dunne laag ophoogzand onder de hier aanwezige bestrating. Onder de betonvloer van de werkplaats daarentegen is in 2010 in 6 boringen vastgesteld dat hier 80 a 90 cm zintuiglijk schoon zand aanwezig is. Dit is derhalve gunstig voor een eventuele leeflaagvariant; • Van het bouwblok van 400 m2 bevindt zich 230 m2 boven het stortlichaam. Van deze 230 m2 is weer 70 m2 oppervlak waar nu onder de betonvloer bijna 1 meter zand ligt. Ofwel: bij een 33

leeflaagvariant (toplaag moet 1 meter schone grond zijn) voor dit bouwblok zal circa 150 m3 sterk verontreinigde grond met stortmateriaal moeten worden ontgraven. Door Bakker Milieuadvies Waalwijk worden de volgende aanbevelingen gedaan: • Sanering van olieverontreiniging op het voorterrein (30 m3) • Sanering van olieverontreiniging op het oostzijde terrein (30 m3) • Sanering t.b.v. aanleg nutsvoorzieningen (riool) langs oostelijke perceelsgrens; • Leeflaagsanering t.b.v. nieuwbouwblok (150 m3); • Verwijdering van reeds gesaneerde ondergrondse tanks. Bakker Milieuadvies merkt verder nog op dat de overige grond op het terrein buiten de te saneren terreindelen licht verontreinigd is en gemiddeld voldoet aan de klasse wonen en / of industrie. Herschikken van dergelijke grond op het terrein is toegestaan. Conclusie Uit de voor deze locatie uitgevoerde onderzoeken naar de bodemkwaliteit blijkt dat sprake is van verontreinigingen. Sanering is noodzakelijk en wordt ook (financieel) uitvoerbaar geacht. Na sanering zijn er geen zwaarwegende milieu-hygiënische belemmeringen aanwezig voor realisatie van het woningbouwplan.

4.5

Externe veiligheid

4.5.1 Inleiding Externe veiligheid gaat over de beheersing van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Die activiteiten kunnen bestaan uit het opslaan, verwerken of transporteren van gevaarlijke stoffen. Deze activiteiten kunnen een risico veroorzaken voor de leefomgeving. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ (Bevi), het ‘Besluit externe veiligheid transportroutes’ (Bevt) en het ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen’ (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Inrichting die valt onder het Bevi, moeten worden aangehouden. Tenslotte zijn in de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente ambities opgenomen over het al dan niet toelaten van risicovolle activiteiten.

4.5.2 Beleid De gemeente Waalwijk heeft op in 2017 een Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld waarin wordt aangegeven welke risico’s de gemeente acceptabel vindt en op welke manier zij deze risico’s willen beheersen. Het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Waalwijk wordt gekenmerkt door de volgende kernwaarden of principes: ▪ Voor onze inwoners wordt een veilige woonomgeving gecreëerd; ▪ Nieuwe kwetsbare objecten met verminderd zelfredzamen, zogenaamde zeer kwetsbare objecten (zoals verzorgingstehuizen en basisscholen) zijn binnen invloedsgebieden van Bevi-

34

▪

▪ ▪

▪

inrichtingen en transportassen toegestaan voor zover gelegen binnen toxische effectafstanden, dus altijd gelegen buiten de effectafstanden voor brand en explosie; Voor nieuwe kwetsbare objecten met verminderd zelfredzamen binnen invloedsgebieden van Buisleidingen (effectafstand brand en explosie), voor zover gelegen buiten de 100% letaliteitsgrens, wordt maatwerk ge- hanteerd. Bij toepassing van maatwerk wordt de Veiligheidsregio betrokken; Bij ruimtelijke ontwikkelingen zoals het vestigen van nieuwe bedrijven zal worden gestreefd om woonwijken niet binnen de invloedsgebieden te laten vallen; Nieuwe Bevi-bedrijven (risicovolle inrichtingen) staan wij slechts toe op bedrijventerrein Haven. Plaatsgebonden risicocontouren van nieuwe en waar mogelijk ook bestaande Bevi bedrijven mogen niet reiken over percelen van andere bedrijven. De plaatsgebonden risicocontouren mogen wel liggen op gronden waar geen mensen verblijven of werken. In- dien niet aan deze eisen wordt voldaan staan wij de vestiging van nieuwe Bevi bedrijven alleen toe als er zwaarwegende belangen zijn; Een groepsrisico boven de oriëntatiewaarde willen we vermijden.

In aanvulling op de wettelijke eisen hanteert de gemeente voor het gebiedstype ‘gemengd gebied’ het volgende ambitieniveau voor het plaatsgebonden risico: • Bestaande BEVI bedrijven: 3 LPG-tankstations toestaan; geen groei PR=10-6–contour toestaan. Verder niet van toepassing. • Nieuwe BEVI bedrijven: niet toestaan. • Bestaande overige risicovolle bedrijven: 1 zwembad en 1 gasdrukmeet- en regelstation toestaan; geen groei PR=10-6–contour toestaan. Verder niet van toepassing. • Nieuwe overige risicovolle bedrijven: niet toestaan. • Bestaande kwetsbare objecten: niet van toepassing binnen PR=10-6–contour. • Nieuwe kwetsbare objecten: wettelijk niet toegestaan binnen PR=10-6–contour. • Bestaande beperkt kwetsbare objecten: toestaan binnen PR=10-6–contour. • Nieuwe beperkt kwetsbare objecten: niet toestaan binnen PR=10-6–contour. In aanvulling op de wettelijke eisen hanteert de gemeente voor het gebiedstype ‘gemengd gebied’ het volgende ambitieniveau voor het groepsrisico. • De oriëntatiewaarde van het GR is richtinggevend. De gemeente kan hier gemotiveerd van afwijken.

Indien noodzakelijk voor de ontwikkeling van de gemeente zal Waalwijk een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het GR toestaan, mits daarvoor zwaarwegende redenen bestaan; • Er wordt naar gestreefd dat zich binnen het invloedsgebied, voor zover het brandbare scenario’s betreft, geen nieuwe kwetsbare objecten bevinden met verminderd zelfredzame personen. In de bestaande situatie wordt bij objecten met verminderd zelfredzame personen binnen het invloedsgebied extra aandacht besteed aan risicocommunicatie. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het hier geen bijzonder kwetsbaar object betreft. Paragraaf 3.2.3. van de Beleidsvisie externe veiligheid 2017 bepaalt dat onder ‘bijzondere kwetsbare objecten’ in ieder geval zijn begrepen: ▪ Ziekenhuizen; ▪ Basisscholen, kinderdagverblijven en peuterspeelzalen; ▪ Bejaardentehuizen, verpleeg- en verzorgingstehuizen; ▪ Gevangenissen. Woningen wordt hier niet onder begrepen.

35

4.5.3 Risicobronnen In de omgeving van het plangebied bevindt zich een aantal potentiële risicobronnen. Dit betreft de navolgende bedrijven, transportroutes van gevaarlijke stoffen en buisleidingen (enkel worden de bronnen genoemd waarvan het invloedsgebied zich uitstrekt over het plangebied): • •

Stahl Europe, Sluisweg 10 Rijksweg A59 (ten noorden van het plangebied)

In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid, moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, bepaald te worden. Het PR is de kans per jaar op overlijden van een onbeschermd individu op een bepaalde locatie naar aanleiding van een incident met gevaarlijke stoffen. Het GR is de cumulatieve kans per jaar dat tenminste een aantal mensen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt doorgaans begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald), ofwel door de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Hieronder wordt aangaande bovengenoemde risicobronnen aangegeven of het plan aan het Laageinde is gelegen binnen de zogenaamde PR10-6 contour. Voor wat betreft het groepsrisico wordt eerst nog het volgende opgemerkt.

De gemeente Waalwijk heeft een zogenaamde Standaard Verantwoording Groepsrisico opgesteld (SVGR 2018), met daarin een beschouwing en verantwoording van de binnen de gemeente aanwezige risicobronnen. In de Standaard Verantwoording Groepsrisico is ook een standaardadvies van de Veiligheidsregio opgenomen. Op de bij de SVGR behorende kaart zijn vier verschillende gebiedscategorieën te onderscheiden. Voor gebieden welke zijn gelegen tussen de 30 meter en 200 meter vanaf de risicobron kan gebruik gemaakt worden van de Standaard Verantwoording Groepsrisico en het standaard advies van de Veiligheidsregio, mits sprake is van een klein bestemmingsplan zonder bijzonder of zeer kwetsbaar object (‘blauw gebied’). Dat laatste is het geval bij de locatie aan de Laageinde 103 te Waalwijk. Wat betreft het PR en het GR kan ten aanzien van de bovengenoemde risicobronnen in relatie tot het bouwplan aan de Laageinde 103 het volgende worden opgemerkt. Stahl Europe, Sluisweg 10 Stahl Europe is een inrichting voor produceren van coatings, kleurstoffen en proceschemicaliën. Dit bedrijf valt onder de categorie Besluit Risico’s Zware Ongevallen (BRZO). De planlocatie aan de Laageinde 103 valt ruim buiten de PR 10-6 contour. Er bestaat dus geen belemmering voor onderhavig plan voor wat betreft het plaatsgebonden risico.

In de als bijlage IV bijgevoegde Standaard Verantwoording Groepsrisico 2018, van 23 augustus 2018, blijkt dat het groepsrisico als gevolg van het bedrijf Stahl Europe BV is gedaald tot net onder de oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft bij verlening van een revisievergunning hieraan de nodige aandacht geschonken en door aanscherping van de uitgangspunten voor het stikstofpercentage en herstel van een fout in de modellering van de bevolking is het groepsrisico gedaald tot onder de oriëntatiewaarde. Daarnaast blijkt het invloedsgebied aanmerkelijk kleiner dan oorspronkelijk. Voor wat betreft de verdere verantwoording van het groepsrisico wordt verwezen naar de SVGR zoals opgenomen in bijlage IV.

36

Rijksweg A59 De Rijksweg A59 is een route met vervoer van gevaarlijke stoffen. Het deel van de Rijksweg A59 waar het plangebied is gelegen, is het wegvak B17 (Waalwijk - Heusden). In de Eindrapportage Basisnet Weg is een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd, waaruit gebleken is dat brandbare vloeistoffen weinig invloed hebben op het groepsrisico en toxische stoffen een geringe bijdrage leveren vanwege de beperkte transportintensiteit. Het transport van LPG (stofcategorie GF3) is maatgevend voor de waarde van het groepsrisico. Met betrekking tot het vervoer van GF3 zijn de volgende vervoersaantallen op wegvak B17 bekend: • •

Huidige jaarintensiteit: 1.175 vrachtwagens; Vervoersplafond: 3.000 vrachtwagens.

Vanwege de geringe vervoersintensiteiten op dit wegvak van de Rijksweg A59 geldt geen veiligheidszone (PR 10-6 contour). Langs de route is evenmin een plasbrandaandachtsgebied aangewezen. Op 7 juni 2018 is het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Gemengd Gebied’ vastgesteld. Uit de bij de toelichting op dit bestemmingsplan behorende bijlage blijkt dat het groepsrisico van de A59 ruim onder de oriëntatiewaarde ligt (Beleid- en onderzoek Gemengd Gebied, Separate bijlage bij Toelichting Bestemmingsplan Gemengd Gebied). Het hoogste groepsrisico bedraagt 0.5 maal de oriëntatiewaarde uitgaande van het (maximaal mogelijke) toekomstig vervoer en 0.2 maal de oriëntatiewaarde op basis van vervoer in 2012. In de overige gevallen ligt het groepsrisico als gevolg van wegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt ruim onder de oriëntatiewaarde. Gelet op de beperkte toename van het aantal aanwezigen ten gevolge van dit bouwplan, zal dit bouwplan niet leiden tot een relevante toename van het groepsrisico, en al helemaal niet uitstijgen boven de oriëntatiewaarde. Het uitvoeren van een QRA (kwantitatieve risicoanalyse) wordt om die reden niet nodig geacht. Volstaan kan worden met een beperkte verantwoording voor het groepsrisico. Voor wat betreft die verantwoording van het groepsrisico wordt verwezen naar de SVGR zoals opgenomen in bijlage IV.

Conclusie Gelet op het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van de 11 woningen aan de Laageinde 103 te Waalwijk.

4.6

Geluid

Voor de planologische inpassing van dit plan aan Laageinde 103 dient te worden voldaan aan de normen uit de Wet geluidhinder. In dit geval is wegverkeerslawaai van belang. Er is akoestisch onderzoek uitgevoerd door Van Kooten Akoestisch Advies (Akoestisch onderzoek, Bouwplan Laageinde 103 in Waalwijk, d.d. 26 maart 2018, zie bijlage V). Op basis van dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd.

4.6.1 Geluidsbelasting door gezoneerde wegen (Wet geluidhinder) De planlocatie ligt binnen de geluidszone van de A59. De rijksweg A59 is de meest bepalende geluidbron in de omgeving, die tevens van invloed is op de randvoorwaarden waaronder het plan kan worden gerealiseerd.

37

De geluidsbelasting vanwege de rijksweg A59 beloopt zonder maatregelen tot maximaal 66 dB. Zonder maatregelen kan op een groot aantal gevels niet worden voldaan aan de maximale grenswaarde (53 dB) van de Wet geluidhinder. Maatregelen zijn nodig om te kunnen voldoen aan het geluidbeleid van de gemeente Waalwijk en zodoende een acceptabel woon- en laafklimaat te realiseren. Op basis van een inventarisatie van de mogelijkheden en analyse van de effecten is gekozen voor een geluidsscherm langs de noordelijke rand van het plangebied. Het scherm bestaat uit een gedeelte van 2,0 meter hoog langs de tuin en een gedeelte van 4,5 meter hoog langs het parkeerterrein (zie hieronder in figuur 4.5). Het laatste deel staat deels op de garageboxen of moet in het ontwerp daarvan worden geïntegreerd. Met het betreffende scherm wordt van de woningen de achterzijde op de begane grond en de voorzijde op zowel de begane grond als de 1e verdieping voldoende geluidsluw gemaakt. Onderstaande figuur 4.5 toont de geluidsbelastingen vanwege rijksweg A59 in het eindvoorstel. De geluidsbelasting bedraagt, behalve op de minder relevante kopgevels, op de begane grond (overal) en op de 1e verdieping aan de voorzijde van alle woningen, hooguit 53 dB. Aan de tuinzijden van de woningen treden op 1e verdiepingsniveau geluidsbelastingen van 58 dB tot 64 dB op.

Ten behoeve van de spuiventilatie is het wenselijk hier wel te openen delen te kunnen aanbrengen in de gevel. Er moet dan een zodanige afscherming van die te openen delen worden gerealiseerd dat overschrijding van 53 dB wordt voorkomen. Dit zou bijvoorbeeld kunnen met glasplaten die dienen als afscherming voor ramen of met wintertuinen. Ook is het mogelijk om suskasten of toeen afvoeren ten behoeve van mechanische ventilatie aan te brengen in een dove gevel, mits het binnenniveau van de geluidsbelasting voldoet aan de normen van het Bouwbesluit.

Fig. 4.5

Situering geluidsscherm vanwege A59

Kortom: het is noodzakelijk dat voor de 11 woningen een hogere waarden worden vastgesteld tot 53 dB. Daar waar overschrijding plaatsvindt van de maximale ontheffingswaarden dient een dove gevel te worden aangebracht, danwel te worden voorzien in een zodanige afscherming dat er geen sprake is van een overschrijding van 53 dB. Dit wordt in de planregels juridisch geborgd. 38

Het Hogere waarde beleid van de gemeente Waalwijk zegt dat bij het verlenen van hogere waarden er sprake dient te zijn van een geluidsluwe buitenruimte. Het betreffende beleid bevat daarvoor de criteria. Hierover het volgende. Het bouwplan voor Laageinde 103 kan worden beschouwd als vervangende nieuwbouw in dit zin van het Hogere waarde beleid. In de tabel van pagina 14 wordt het criterium van ‘nog niet geprojecteerde woningen vervangen bestaande bebouwing’ genoemd en toegelicht: Het vervangen van bestaande bebouwing welke niet per definitie een geluidsgevoelige bestemming heeft door een geluidsgevoelige bestemming. Hierbij kan gedacht worden aan het omzetten van bedrijfspanden naar woonruimte. (…). Door middel van sloop en nieuwbouw zal een bijdrage aan stadsvernieuwing worden geleverd. Bij een dergelijke stadsvernieuwing is het ook op hoog geluidbelaste locaties belangrijk om een functieverandering mogelijk te kunnen maken. Hieruit blijkt dat voor wat betreft vervangende nieuwbouw geen sprake hoeft te zijn van dezelfde soort bebouwing (woningen). Dus ook het omzetten van een bedrijfsfunctie naar een woningen wordt beschouwd als ‘vervangende nieuwbouw’.

Op pagina 18 van het Hogere waarde beleid is vervolgens aangegeven dat met het toepassen van dit criterium de geluidsluwe gevel een geluidsbelasting van 48 dB in plaats van 53 dB mag hebben, om de navolgende reden: Bij vervangende nieuwbouw zijn de inpassingmogelijkheden van de woningen in de bestaande geluidssituatie vaak beperkter dan voor een nieuwe situatie. Daarom wordt hier voor een geluidsluwe gevel wordt een ruimere marge aangehouden: 5 dB boven de voorkeurswaarde. Uit het akoestisch onderzoek van Van Kooten Akoestisch Advies blijkt dat de woningen een geluidsluwe buitenruimte krijgen die niet boven de 53 dB uitstijgt. Dat betekent dat het verlenen van een hogere grenswaarde vanwege wegverkeerslawaai past binnen het Hogere waarde beleid van de gemeente Waalwijk. Bijkomend voordelig effect van de realisatie van de woningen is overigens dat deze een afschermende werking zullen krijgen ten aanzien van de bestaande woningen aan het Laageinde. Door de sloop van de bebouwing van het garagebedrijf was het afschermende effect van deze bebouwing immers weggevallen. Met de nieuwbouw wordt dit afschermende effect weer hersteld.

4.6.2 Niet-gezoneerde wegen Voorts is het plan gelegen binnen de 30 km/h-zone van het Laageinde. In het kader van de Wet geluidhinder hebben wegen binnen een 30 km/h-zone geen geluidszone. Wel hebben deze wegen effect op de geluidssituatie van de nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen. Wettelijk gezien zijn dergelijke wegen niet geluidsgezoneerd. Om in het kader van een goede ruimtelijke ordening een zorgvuldige afweging te kunnen maken, is het desondanks wenselijk om toch de geluidssituatie (gevelgeluidsbelasting) inzichtelijk te maken. Uit het rapport van Van Kooten Akoestisch Advies blijkt dat de geluidsbelasting vanwege het Laageinde maximaal 52 dB bedraagt. De geluidsbelasting van 52 dB is hoger dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB) maar lager dan de maximaal vast te stellen hogere waarde (63 dB) die van toepassing is op wel

39

geluidsgezoneerde wegen in stedelijk gebied. Een dergelijke geluidsbelasting wordt als acceptabel beschouwd. Geconcludeerd kan worden dat hier sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Conclusie Geconcludeerd wordt dat de geluidsbelasting vanwege het Laageinde als acceptabel kan worden beschouwd. Vanwege het overschrijden van de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van de A59 dient een hogere waarde van 53 dB te worden vastgesteld. Daar waar overschrijding plaatsvindt van de maximale ontheffingswaarden, dient een dove gevel te worden aangebracht, danwel te worden voorzien in een zondige afscherming dat er geen sprake is van een overschrijding van 53 dB. Dit wordt in de planregels juridisch geborgd. Met in achtneming van het voorgaande, vormt het aspect ‘geluid’ geen belemmering voor de realisatie van het bouwplan.

4.7

Luchtkwaliteit

De Wet milieubeheer bevat de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit. In artikel 5.16 is bepaald dat bestuursorganen bevoegdheden, zoals het vaststellen van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning, mogen uitoefenen wanneer sprake is van één van de volgende gevallen: a. er is geen sprake van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden; b. de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht verbetert of blijft tenminste gelijk; c. het plan draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht; d. de ontwikkeling is opgenomen in een vastgesteld programma, zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Een uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. Voor ontwikkelingen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging is een toets aan de grenswaarden niet nodig. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven.

Er is volgens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. Voorliggend plan voegt slechts 11 woningen toe. Een specifiek luchtkwaliteitonderzoek hoeft daarom niet te worden uitgevoerd. Wat betreft de bestaande luchtkwaliteit kan het volgende worden opgemerkt. Uit de tool Monitoring NSL 2019 blijkt dat ter plaatse van de planlocatie ruimschoots onder de toegestane concentraties wordt gebleven (NO2 20,0 ug/m3 en PM10 19,6 ug/m3 (norm is 35 ug/m3), met maximaal 7 overschrijdingsdagen (norm is 35 dagen)).

40

Conclusie Uit het oogpunt van luchtkwaliteit bestaat er gelet op het voorgaande geen belemmering.

4.8

Natuur

Vanuit de huidige natuurwetgeving is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van de in het projectgebied mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden. Het plan dient aan de Wet Natuurbescherming getoetst te worden. De Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden en van diersoorten en plantensoorten. Deze natuurwetgeving kan mogelijk beperkingen opleggen aan de voorgenomen sloop- en nieuwbouwactiviteiten. De Wet natuurbescherming heeft als doel de volgende gebieden te beschermen: • Het Natuurnetwerk Nederland; • Bijzondere provinciale natuurgebied; • Bijzondere provinciale landschappen; • Nationale parken; • Bijzondere nationale natuurgebieden; • Natura 2000-gebieden. Voorts gelden er ingevolge de Wet Natuurbescherming algemene verboden tot het verwijderen van beschermde plantensoorten van hun groeiplaats, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort. Voor activiteiten die een bedreiging kunnen vormen voor deze beschermde soorten, moet ontheffing worden gevraagd. Vooral wanneer er soorten voorkomen uit de zogenaamde ‘strenge’ categorie (Bijlage 4 van de Habitatrichtlijn en de bedreigde soorten van de diverse Rode Lijsten), kan dit een belemmering vormen voor het plan.

Dit is het geval wanneer een plan significant nadelige effecten kan hebben voor deze soorten. Voor wat betreft beschermde soorten het volgende. Voor de projectlocatie is een natuurtoets uitgevoerd door Ecoresult (Natuurtoets in het kader van de Wet natuurbescherming en Verordening ruimte, Plangebied: Laageinde 103, Waalwijk, d.d. 14 april 2017, zie bijlage VI). In deze natuurtoets wordt het volgende geconcludeerd: •

Op basis van de afstand tot het plangebied en de aard van de werkzaamheden valt voorhand uit te sluiten dat de activiteiten de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden zullen aantasten. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Het aanvragen van een ontheffing of vergunning is niet nodig;

•

Op basis van de afstand tot het plangebied en de aard van de werkzaamheden valt voorhand uit te sluiten dat de activiteiten negatieve effecten hebben op het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en de ecologische verbindingszone. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Het aanvragen van een vergunning is niet nodig.

•

De bebouwing in het plangebied biedt geen potentie voor nestplaatsen of essentieel functioneel leefgebied van vogels met jaarrond beschermde verblijfplaatsen. Aanvullend (veld)onderzoek is niet nodig. De activiteiten kunnen worden uitgevoerd. Het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming is niet nodig. Het plangebied is wel potentieel geschikt voor algemene vogels waarvan de nesten niet jaarrond bescherm zijn. Door buiten het broedseizoen (grofweg

41

15 maart – 15 juli) te werken zijn (in dit geval) schadelijke effecten op (nesten van) vogels te voorkomen. •

In het plangebied zijn geen potentieel geschikte voortplantingsplaatsen of vaste rust- en verblijfplaatsen of essentieel functioneel leefgebied van vleermuizen aangetroffen. Ook behoort het plangebied niet tot essentieel leefgebied. Aanvullend (veld)onderzoek is niet nodig. De activiteiten kunnen worden uitgevoerd. Het aanvragen van een ontheffing is niet nodig.

•

Op basis van habitatvereisten is de aanwezigheid van overige habitatrichtlijnsoorten in het plangebied uit te sluiten. Aanvullend (veld)onderzoek is niet nodig. De activiteiten kunnen worden uitgevoerd. Het aanvragen van een ontheffing is niet nodig.

•

Het plangebied is enkel geschikt voor Nationaal beschermde soorten fauna (gewone pad, diverse soorten muizen) waarvoor in de provincie Noord-Brabant een vrijstellingsbesluit van kracht is. Voor deze soorten is er geen ontheffing vereist en aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Wel geldt voor deze soorten de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect op soorten zoals gewone pad, bruine kikker, egel en (spits)muizen zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden. Aanbevolen wordt om de vrij zeldzame, niet beschermde middelste duivenkervel uit te graven en te verplaatsen naar een locatie met omgewerkte grond buiten het plangebied.

Conclusie Op basis van de uitgevoerde natuurtoets wordt kan worden geconcludeerd dat er uit het oogpunt van flora en fauna geen belemmeringen aanwezig zijn voor de realisatie van het plan. Voor het beoogde plan heeft Langelaar Milieuadvies een stikstofbeoordeling uitgevoerd (Memo effectbeoordeling stikstofdepositie Laageinde 103 Waalwijk, d.d. 22 mei 2020, bijlage VII). Langelaar Milieuadvies komt tot de volgende bevindingen: ▪

▪ ▪

Uit het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie blijkt dat zowel de inzet van machines en transportbewegingen in de aanlegfase alsmede verkeer in de gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura2000-gebieden. Significante gevolgen door stikstof kunnen op voorhand worden uitgesloten. Er is geen vergunningplicht op grond van de Wet Natuurbescherming ten gevolge van stikstoftoename.

Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek van Langelaar Milieuadvies blijkt dat het bouwplan geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden.

42

4.9

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

4.9.1 Inleiding Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, moet daarom een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Deze zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: 1. 2. 3.

de kenmerken van het project; de plaats van het project; de kenmerken van de potentiële effecten.

4.9.2 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage is niet aan de orde voor het project Laageinde 103. Een vormvrije m.e.r.beoordeling is niet benodigd om tot deze conclusie te komen. Bij woningbouw is een vormvrije m.e.r.beoordeling slechts noodzakelijk als deze woningbouw een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ vertegenwoordigt als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Op 15 januari 2020 heeft de Raad van State uitspraak gedaan inzake het uitwerkingsplan “Ravelijnstraat” in de gemeente Maastricht (ECLI:NL:RVS:2020:100). Uit deze uitspraak blijkt dat de bouw van 12 vrijstaande woningen door de Raad van State niet worden gezien als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Het voorliggend plan ziet op de bouw van 11 rijwoningen. Op basis van voornoemde uitspraak kan worden geconcludeerd dat er geen vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft te worden uitgevoerd.

43

5

CULTUURHISTORIE & ARCHEOLOGIE

In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de eventueel in of direct nabij het projectgebied aanwezige cultuurhistorische - en/of archeologische waarden en de eventuele consequenties daarvan voor de verwezenlijking van het bouwplan.

5.1

Monumenten / Beschermd stads- en dorpsgezicht

Binnen het projectgebied bevinden zich geen gemeentelijke, provinciale of rijksmonumenten. Ook op de gronden, die direct aan het projectgebied grenzen of anderszins in de directe nabijheid van het projectgebied zijn gelegen, zijn geen monumenten aangewezen. Er is ook geen aanleiding om aan te nemen dat in de toekomst een dergelijke aanwijzing zal plaatsvinden. Voorts ligt het plan niet binnen een beschermd stads- en dorpsgezicht.

5.2

Archeologie

5.2.1 Inleiding De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij het opstellen van o.a. nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met mogelijke archeologisch waarde. Voorts heeft de gemeente Waalwijk op 15 december 2016 de ‘Erfgoedverordening Gemeente Waalwijk 2016’ vastgesteld. In de erfgoedverordening staan voorschriften en regels met betrekking tot cultureel erfgoed, zowel voor monumenten, archeologie als het cultuurlandschap. Eveneens zijn de wettelijke taken van de gemeente met betrekking tot Rijksmonumenten in een erfgoedverordening nader uitgewerkt. De regels over het aanwijzen van gemeentelijke monumenten en archeologische verwachtingsgebieden, en weigeringsgronden voor het afgeven van een omgevingsvergunning zijn ook opgenomen in de erfgoedverordening.

5.2.2 Archeologisch onderzoek De locatie aan het Laageinde 103 valt binnen categorie 2 als bedoeld op de archeologische beleidskaart, behorend bij de Erfgoedverordening 2016. Artikel 18 van de Erfgoedverordening 2016 bepaalt onder meer dat het verboden is om zonder of in afwijking van een vergunning het archeologisch bodemarchief te verstoren, te beschadigen of te vernielen, als beschreven in artikel 2.2.lid 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, bij bodemingrepen in gebieden van archeologische waarde (categorie 2) als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart, indien de omvang van het terrein meer is dan 100 m2 en de verstoring dieper gaat dan 30 cm.

44

Fig. 5.1 Uitsnede archeologische beleidskaart (projectlocatie: zie blauwe pijl)

Voor de locatie aan het Laageinde 103 te Waalwijk is door Transect een archeologisch onderzoek uitgevoerd (Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase, Transect-rapport 1253, d.d. 9 mei 2017, zie bijlage VIII). In dit rapport komt Transect tot de volgende bevindingen en conclusies. Vanwege de ligging op een dekzandrug en in het historische lint van Baardwijk heeft het plangebied op de gemeentelijke verwachtingskaart een hoge archeologische verwachting. Uit het vooronderzoek blijkt echter dat in het plangebied een wiel aanwezig is, waardoor mogelijke archeologische resten en/of sporen hier vermoedelijk al geërodeerd zijn. De dekzandrug is in theorie tot aan het moment dat hij met veen bedekt raakte in het Neolithicum/de Bronstijd aantrekkelijk voor bewoning geweest. De kans is echter groot dat de top van het dekzand al verstoord is geraakt tijdens de ontginning van het veengebied, waardoor eventuele vondsten uit de periode Laat-Paleolithicum-Bronstijd al vergraven zijn. Om deze verwachting te toetsen, is een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de top van het dekzand tot in de C-horizont is verstoord, waardoor geen podzolprofielen meer aanwezig zijn. In het oosten van het plangebied is waarschijnlijk een wiel dichtgestort met puin.

Eventuele vondstenlagen in het plangebied zijn dus al verdwenen, waardoor de archeologische trefkans voor het plangebied voor alle periodes kan worden bijgesteld naar laag. De voorgenomen werkzaamheden vormen waarschijnlijk geen bedreiging voor het archeologische archief. Het plangebied heeft een lage archeologische verwachting. Vanwege deze lage verwachting wordt geadviseerd het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Wel blijft te allen tijde de wettelijke verplichting tot het melden van toevalsvondsten (Erfgoedwet, artikel 5.10 en 5.11) van kracht. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de realisatie van dit plan.

45

6.

VERKEERSKUNDIGE ASPECTEN

In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de voor dit project relevante aspecten met betrekking tot het parkeren en met betrekking tot de ontsluiting van het gebied. Uitgangspunt voor het bepalen van de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte zijn de kencijfers uit het CROW 2012 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' en het gemeentelijke beleid zoals opgenomen in de 'Parkeernormennota Waalwijk 2015'. In dit beleid is vastgesteld welke stedelijkheidsgraad en gebiedstypen voor Waalwijk van toepassing zijn bij het raadplegen van de CROW-publicatie. Hieronder volgt een weergave van de uitgangspunten uit het gemeentelijke beleid: ▪ Voor de parkeerkencijfers wordt uitgegaan van de parkeernormen zoals opgenomen in 'Parkeernormennota Waalwijk 2015'. Deze normen komen grotendeels overeen met de gemiddelde kencijfers van de bandbreedte van het CROW; ▪ Het plangebied ligt in de 'rest bebouwde kom'; ▪ Voor Waalwijk is stedelijkheidsgraad 'matig stedelijk' van toepassing; Voor de kencijfers ten aanzien van verkeersgeneratie wordt, op basis van cijfers van het CBS ten aanzien van het autobezit in de gemeente Waalwijk in vergelijking met andere 'matig stedelijke' gemeenten, uitgegaan van het gemiddelde van de door de CROW gegevens bandbreedte. Op deze manier wordt tevens zoveel mogelijk aangesloten bij de uitgangspunten van het gemeentelijke beleid met betrekking tot parkeren.

6.1

Verkeersontsluiting en bereikbaarheid

De ontwikkelingen wordt gerealiseerd aan het Laageinde te Waalwijk. De ontsluiting zal dan ook plaatsvinden via het Laageinde. Het beperkt aantal extra verkeersbewegingen zal geen verstoring van de verkeersontsluiting veroorzaken.

6.2

Parkeren

Het woningbouwplan bevat 11 grondgebonden woningen. Voor de grondgebonden koopwoningen wordt uitgegaan van CROW aanduiding 'koop, tussen/hoek'. Ingevolge de 'Parkeernormennota Waalwijk 2015' geldt hierbij een parkeernorm van 1,8 pp per woning. Dat betekent een totale parkeerbehoefte van 19,8 parkeerplaatsen. Op de navolgende wijze wordt in deze parkeerbehoefte voorzien: • • • •

16 nieuwe (haaks)parkeerplaatsen op het nieuw aan te leggen erf 2 (insteek)langsparkeerplaatsen aan het begin van ‘het Blanke Wiel’ 8 garageboxen (aan de noordzijde van het plan) x 0,1 pp = 0,8 parkeerplaatsen 1 lange oprit (bij de meest westelijk gelegen woning) = 1,5 parkeerplaatsen

Het totaal komt hiermee op 20,3 parkeerplaatsen. Dat betekent dat er voorzien wordt in de benodigde parkeerbehoefte. Voor wat betreft de situatie van het openbaar parkeren geldt het volgende. 46

In de situatie ten tijde van de aanwezigheid van het garagebedrijf was het mogelijk om 4 auto`s te parkeren aan het Laageinde (inclusief trottoir voor Laageinde 105) voor de voormalige garage, zie onderstaande foto´s.

Fig. 6.1 Foto’s situatie parkeren Laageinde bij voormalige garage

Fig. 6.2 Foto’s situatie parkeren Laageinde bij voormalige garage

In het nieuwbouwplan komt circa 30,5 meter trottoir voor de nieuwe woningen aan het Laageinde (tussen inrit nieuwbouwwoning naast Laageinde 101 en de insteekweg). Minus 5 meter (conform verkeerswetgeving) resteert circa 25,5 meter. Deze ruimte is voldoende om 4 auto`s te parkeren. In het gemeentelijke parkeerbeleid wordt in dit geval (informeel parkeren aan de straatzijde) 6 meter per auto aangehouden. Zie onderstaande tekening (figuur 6.3).

47

Fig. 6.3 Overzicht parkeren

Zoals eerder aangegeven is er conform het gemeentelijke parkeerbeleid een behoefte van 20 parkeerplaatsen. Binnen het plangebied worden 20,3 parkeerplaatsen gerealiseerd. Wellicht ten overvloede kan hierbij nog aangevuld worden dat uit het parkeeronderzoek 2019 blijkt dat de parkeerdruk in dit deel van het Laageinde varieert tussen de 74 en 78%. De maximale toelaatbare parkeerdruk is gesteld op 85%. Los van dit feit voorziet dit bouwplan in parkeren op eigen terrein en is er geen afwenteling van de parkeerbehoefte op het Laageinde. Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de goede bereikbaarheid c.q. ontsluiting van de woningbouwlocatie aan het Laageinde kan worden gegarandeerd. Voorts kan worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen.

48

7

JURIDISCHE PLANREGELING

7.1

Algemeen

Dit bestemmingsplan bestaat uit een (digitale) verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: a. Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkelbestemming’ (dat is dé bestemming) en soms geldt er een ‘dubbelbestemming’ (soms zelfs meerdere). In het voorschrift van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra regels in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. b. Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode et cetera. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld.

Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsvoorschrift, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen voorschrift hebben. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

7.2

Methodiek

7.2.1 Verbeelding Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de regels aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding (bijvoorbeeld topografische gegevens).

7.2.2 Regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2).

49

2. Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Iedere artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel omgevingsvergunningplichtige werken en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3. Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan.

Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelbepaling, een regel met betrekking tot bestaande afmetingen, afstanden en percentages (zo worden de bouwwerken die afwijken van de regeling in het bestemmingsplan ‘positief’ bestemd), algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkings- en wijzigingsregels, algemene procedureregels (deze hangt samen met de afwijkingsregels in het bestemmingsplan) en een regel die de verhouding tot de gemeentelijke bouwverordening regelt. 4. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk een overgangsregels en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

7.3

Bestemmingen

Dit bestemmingsplan kent drie bestemming, namelijk ‘Wonen’, ‘Verkeer – Verblijf’ en ‘Groen’. De bestemmingsregels kennen allen veelal eenzelfde opbouw met de volgende leden: lid 1: bestemmingsomschrijving lid 2: bouwregels lid 3: afwijkingsregels (van bouwen) lid 4: specifieke gebruiksregels (indien aanwezig), omgevingsvergunningplichtige werken (indien aanwezig) lid 5: afwijkingsregels (van gebruik) lid 6: parkeernorm De bestemmingsomschrijving is de centrale regel van elke bestemming. In de bestemmingsomschrijving worden de binnen een bestemming toegestane functies genoemd. De bouwregels zijn gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van grond en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. De regels bij de bestemmingen worden hierna afzonderlijk toegelicht. Binnen de bestemming ‘Wonen’ zijn binnen dit plan enkel grondgebonden woningen mogelijk. Hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd. Voorts is in de bestemmingsomschrijving specifiek aangegeven wat binnen de bestemming ‘Wonen’ is toegestaan. In de bestemming zijn woningen met de bijbehorende voorzieningen, tuinen, erven, groenvoorziening, parkeervoorzieningen, paden e.d. toegestaan als hoofdfuncties.

50

Met betrekking tot het gebruik kan worden opgemerkt dat de uitoefening van een beroepsmatige activiteit in het hoofdgebouw (beroep aan huis), de woning, te allen tijde is toegestaan. Dit omdat in de praktijk blijkt dat het (gemeente)bestuur een afwijking van het bestemmingsplan door middel van een omgevingsvergunning niet snel zal weigeren. Als beroep aan huis kunnen worden aangemerkt het beroep van (tand)arts, fysiotherapeut, accountant e.d. Deze activiteiten zijn binnen de aangegeven maatvoering direct toegelaten tot een maximale oppervlakte van 30 m². Voorts is er in het plan geen onderscheid gemaakt tussen aan- en uitbouwen van woningen (zoals bijkeukens of serres) en aangebouwde bijgebouwen (bergingen en aangebouwde garages). Deze gebouwen worden in dit plan vervat onder de ‘bijbehorende bouwwerken’. De regeling gaat uit van een hoofdgebouw binnen het bouwvlak; de bijbehorende bouwwerken mogen worden gebouwd binnen het bouwvlak ‘bijgebouwen’. De bestemming ‘Verkeer – Verblijf’ ziet voornamelijk op de ontsluiting van het woonblok van 6 woningen, welke haaks op het Laageinde zijn geprojecteerd. Deze woningen worden immers ontsloten op een nieuw aan te leggen erftoegangsweg, als aftakking van het Laageinde. Binnen deze bestemming is ook parkeren mogelijk.

De bestemming ‘Groen’ ziet slechts op een klein gedeelte van dit plangebied, ten oosten van de entree van voornoemd erftoegangsweg.

51

8

ECONOMISCHE EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

Dit hoofdstuk beschrijft de haalbaarheid van dit project. Het plan waarvoor de planologische procedure wordt doorlopen, moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.

8.1

Economische uitvoerbaarheid

De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijk besluit moet op grond van het Bro onderzocht worden respectievelijk aannemelijk worden gemaakt. Dat betekent enerzijds dat aannemelijk moet worden gemaakt dat de door de gemeente te maken kosten moeten zijn gedekt dan wel op de bij de uitvoering van het project betrokken partijen moeten kunnen worden verhaald. Anderzijds moet worden onderzocht of: 1) de kosten van overige partijen van een deugdelijke dekking zijn voorzien en 2) het project naar objectieve maatstaven, ook geabstraheerd van de concreet betrokken partijen, vanuit financieel-economisch perspectief tot uitvoering zou kunnen komen. De herontwikkeling van het perceel aan het Laageinde 103 te Waalwijk is een ontwikkeling van Aannemingsbedrijf Pullens. De ontwikkeling van de locatie en de daarmee samenhangende kosten, inclusief planvoorbereiding geschieden voor rekening en risico van de ontwikkelende partij. Om de gemeentelijke kosten die gemaakt worden bij uitvoering van voorgestane ontwikkeling te verhalen, wordt een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Hiermee is vastgelegd dat de realisatie van de ontwikkeling voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen oplevert. In de betreffende overeenkomst wordt ook een regeling opgenomen inzake het verhaal van een eventuele tegemoetkoming in planschade.

Het kostenverhaal is met het bovenstaande anderszins verzekerd in de zin van artikel 6.12 tweede lid van de Wro wat ook betekent dat kan worden besloten géén exploitatieplan vast te stellen.

8.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het ontwerpbestemmingsplan ‘Waalwijk, Laageinde 103’ heeft conform het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht voor zes weken ter inzage gelegen (van 25 juni tot en met 6 augustus). Tijdens deze periode zijn schriftelijke zienswijzen ingediend. De ingediende zienswijzen geven geen aanleiding om af te zien van de voorgenomen ontwikkeling. Het opstellen van ruimtelijke besluiten dient zorgvuldig te gebeuren. In dat kader blijft het van belang dat diverse instanties, burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van dergelijke besluiten worden betrokken zodat in een vroeg stadium knelpunten, belangen en verbeterpunten kunnen worden gesignaleerd. De verplichting hiertoe vloeit voort uit de artikelen 3.1.1 en 3.1.6 sub e. van het Bro in samenhang met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gecodificeerde zorgvuldigheidsbeginsel. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd.

52

__________________________________________________________________________

OVERZICHT BIJLAGEN I. II. III. IV. V. VI. VII. VIII.

E-mailbericht Waterschap Brabantse Delta, d.d. 23 oktober 2017 Notitie Industrielawaai, Laageinde 103 Waalwijk, Van Kooten Akoestisch Advies, d.d. 6 maart 2020 Actualisatie bodemverontreiniging Laageinde 2013 Waalwijk, Bakker Milieuadviezen Waalwijk, 8 mei 2017 Standaard Verantwoording Groepsrisico, Gemeente Waalwijk, 20 april 2017 Akoestisch onderzoek, Bouwplan Laageinde 103 in Waalwijk, Van Kooten Akoestisch Advies, d.d. 26 maart 2018 Natuurtoets in het kader van de Wet natuurbescherming en Verordening ruimte, Plangebied: Laageinde 103, Waalwijk, Ecoresult, d.d. 14 april 2017 Memo effectbeoordeling stikstofdepositie Laageinde 103 Waalwijk, Langelaar Milieuadvies, d.d. 5 mei 2020 Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase, Transect-rapport 1253, d.d. 9 mei 2017

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9846083/1