BIjlage vragen en antwoorden CU Startnotitie Veranderopgave Inburgering
Tekst van het document
STARTNOTITIE VERANDEROPGAVE INBURGERING (VOI)
ARBEIDSMARKTREGIO MIDDEN-BRABANT REGIO HART VAN BRABANT1
Eindversie 15 juni 2020 – bestuurlijke besluitvorming
1 Het ministerie van SZW en Divosa werken met de arbeidsmarktregio's. De regiocoördinator Statushouders, gefinancierd vanuit SZW via
Divosa, ondersteunt dus de gemeenten in de arbeidsmarktregio Midden-Brabant. De regio Hart van Brabant omvat formeel de gemeenten van de arbeidsmarktregio minus Alphen-Chaam en Baarle-Nassau. Aangezien 'inburgering' opgenomen is in de strategische meerjarenagenda van de Regio van Hart van Brabant en in de praktijk Alphen-Chaam en Baarle-Nassau vanuit de ABG-organisatie voor dit onderwerp aansluiten op de pilots, spreken we in deze notitie over Regio Hart van Brabant. 1
Inhoudsopgave 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
Inleiding Uitgangspunten Inburgering + Standpuntbepaling taken nieuwe wet inburgering Financiële paragraaf Planning Regionale structuur Risico's Besluitvorming
Bijlage 1: Aantallen inburgeraars (indicatie op jaarbasis) Bijlage 2: Doelgroepen in het inburgeringsbeleid Bijlage 3: Sociale woningvoorraad en mutatiegraad woningcorporatie Bijlage 4: Inschatting aantallen leerroutes Bijlage 5: Regionale werkgroepen
2
1. Inleiding Per 1 juli 2021 worden gemeenten verantwoordelijk voor de nieuwe Wet inburgering. In deze wet staat het zo snel mogelijk integreren en participeren in de samenleving, het liefst via betaald werk, centraal. Inburgering wordt gepositioneerd als onderdeel van het sociale domein, in het bijzonder de Participatiewet. De inburgering van nieuwkomers dient eraan bij te dragen dat zij zo snel mogelijk meedoen in Nederland. In het huidige inburgeringsstelsel is dit onvoldoende het geval. Dit is slecht voor Nederland én slecht voor de inburgeringsplichtige. Op basis van de uitgangspunten in het regeerakkoord ‘Vertrouwen in de toekomst’, de uitkomsten van de evaluatie van de huidige Wet inburgering2 en andere publicaties over de werking van het huidige inburgeringsbeleid, wordt het huidige inburgeringsstelsel dan ook grondig herzien. Dit wordt de 'Veranderopgave Inburgering' (VOI) genoemd. Het nieuwe inburgeringsstelsel zet in op een doorlopende lijn vanuit de opvang in het azc naar zelfredzaamheid in de Nederlandse samenleving. De gemeente krijgt de regie op inburgering (weer) terug. Dit betekent dat zij in het nieuwe stelsel een actieve rol gaat krijgen in 4 van de 5 schakels van de inburgeringsketen:
DUO, na verkrijgen Verblijfsvergunning (IND)
COA en Gemeente
Gemeente
Gemeente
Gemeente en DUO
Gemeenten krijgen een centrale rol in de intake, de begeleiding en advisering van inburgeringsplichtigen, en het organiseren van de taal- en participatiecomponenten van het inburgeringsaanbod. De intensiteit van de deze rol verschilt per type inburgeraar3. Met deze nieuwe wet inburgering hebben gemeenten, anders dan nu, de mogelijkheid om: Op basis van de startpositie en de ontwikkelingsmogelijkheden van een inburgeringsplichtige de passende participatie- en taalondersteuning te organiseren en hier regie op te voeren; Deze ondersteuning niet meer volgtijdelijk aan te bieden maar parallel. Het leren van de taal wordt hierbij ingebed in een breder traject naar werk en/of opleiding, financiële zelfstandigheid, sociaal maatschappelijke zelfredzaamheid en gezondheid; Ondersteuning aan inburgeraars echt goed af te stemmen in de keten (w.o. onderwijs en werk). Uit praktijkervaring en beleidsonderzoek blijkt dat deze integrale aanpak tot effectievere inburgering leidt.
1.1 Doel regionale startnotitie In de Strategische Meerjarenagenda van de Regio Hart van Brabant is o.m. gesteld: "Aan vluchtelingen en statushouders bieden we een effectieve en maatschappelijk verantwoorde opvang en begeleiding4." "Onze regio is in 2023 een veerkrachtige samenleving: inclusief, behulpzaam naar elkaar, gezond en veilig. Iedereen voelt zich thuis in de wijk en kan zo lang mogelijk zelfstandig wonen, naar vermogen deelnemen aan de samenleving en het arbeidsproces en maximaal zijn talenten ontwikkelen." In de AB vergadering van de Regio Hart van Brabant in december 2018 hebben de bestuurders aangegeven voor de ondersteuning aan statushouders regionaal te willen samenwerken, waarbij de lokale kracht regionaal versterkt wordt. 2 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2018/06/27/evaluatie-van-de-wet-inburgering-2013
3
In de nieuwe wet wordt een onderscheid gemaakt tussen 'asielstatushouders' (in deze notitie kortweg statushouders genoemd) en gezins- en overige migranten'. Zie bijlage 2. 4 Strategische meerjarenagenda 2016-2020. 3
Concreet heeft zich deze samenwerking vertaald in de pilot Inburgering+ en de pilot Regioplaatsing5. Nu de nieuwe wet Inburgering in zicht is, is het belangrijk om duidelijkheid te krijgen waarin we regionaal optrekken en wat we lokaal oppakken. Met deze regionale startnotitie willen we: 1. Gezamenlijkheid borgen Eén visie voor de Regio Hart van Brabant vaststellen, waar we op terug kunnen grijpen en waarmee we ook landelijk en in Europa kunnen laten zien wat de kern van de inburgering+ aanpak in Hart van Brabant is. De regionale ambities liggen dicht bij de concept wettekst van de nieuwe wet inburgering. Dit komt omdat we al enkele jaren vanuit onze ervaringen input hebben gegeven op dit landelijk wetgevingstraject. 2. Bestuurlijk commitment op inhoud verkrijgen Een proces inzetten om bestuurlijke input te kunnen verwerken en zo bestuurders beter te kunnen betrekken bij het onderwerp. Goede regionale inhoudelijke basis is nodig om de nieuwe wetgeving lokaal verder vorm te geven. 3. Een basis leggen voor beleidskader en inkoop. Deze startnotitie is opgesteld op basis van wat er tot nu toe bekend is over de nieuwe wet inburgering.
Zodra de definitieve wet en de aanvullende uitvoeringsbesluiten bekend zijn, zullen richtingen bepaald en keuzes genomen moeten worden om te zorgen dat de gemeenten in de Regio Hart van Brabant bij de invoering van de wet per 1 juli 2021 voldoende voorbereid zijn en van start kunnen. Deze startnotitie vormt de 'kapstok', de basis voor het lokale beleidskader en voor de inkoop en aanbesteding. De inhoud van deze notitie is op hoofdlijnen besproken met de regionale adviesraden sociaal domein en de adviesraad statushouders.
1.2 Waarom regionale samenwerking Om lokaal goed passende ondersteuning aan inburgeraars te kunnen geven is het noodzakelijk om (op onderdelen) regionaal samen te werken. De aantallen inburgeraars per gemeente zijn niet groot6 en de diversiteit in de groep wel. Door regionale samenwerking kunnen we meer differentiatie in het aanbod realiseren, hierdoor krijgt de inburgeraar beter passende ondersteuning in zijn inburgeringstraject. Tevens ben je als regio een betere gesprekspartner voor grotere (landelijke) organisaties. Enkele voorbeelden: • De pilot regioplaatsing: op basis van afspraken met het COA kunnen gemeenten vroegtijdig met de brede intake starten (in het AZC Oisterwijk); • Effectief en efficiënt gebruik van regionale inburgeringsvoorzieningen levert schaalvoordelen op en beperkt kosten, bijvoorbeeld in het aanbestedingsproces; • Door het huisvestingsvraagstuk regionaal te agenderen kan er maatwerk in matching op woningen ontstaan; • De (boven)regionale inkoop van de onderwijsroute zorgt ervoor dat ook de mogelijkheden in aangrenzende regio's (Den Bosch en Breda) beschikbaar komen voor inburgeraars; • Gezamenlijk optrekken in evaluatie en monitoring (bv. benchmark statushouders van Divosa); • Afstemming van ICT-systemen onder gemeenten in de regio; • Gebruikmaken van elkaars expertise en ervaringen (bijvoorbeeld t.a.v. ontzorgen).
5 Pilot Inburgering+ wordt mede mogelijk gemaakt door de ESF/JAP subsidie en subsidie vanuit het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid. De pilot Regioplaatsing wordt mogelijk gemaakt door het ministerie van Justitie en Veiligheid. 6 Zie bijlage 1. 4
1.3 Inburgering in de regio tot nu toe • Vanaf 2016/2017, met de verhoogde asielinstroom, ging de regio Hart van Brabant actief aan de slag met het bieden van ondersteuning aan statushouders om integratie en participatie te bevorderen. Hieruit is vanaf 2018 de pilot Inburgering+ voortgekomen. • Deze pilot heeft tot nu toe geleid tot: o Een vroegtijdige samenwerking in het Welkomhuis waarbij maatschappelijke begeleiding en de gemeente al vóór huisvesting de gezamenlijke brede intake afnemen bij statushouders; o Regioplaatsing via het AZC Oisterwijk. In het AZC worden statushouders opgevangen en vervolgens in de regio gehuisvest. Hierdoor kan de brede intake nog eerder en mogelijk ook uitgebreider worden afgenomen en verbindingen gelegd met de lokale partners; o Ontwikkeling van inburgeringsroutes in de geest van de nieuwe wet. • Binnen de pilot Inburgering+ werken dus veel partijen samen en denken veel partijen met ons mee over wat werkt en wat niet. Daardoor leren we veel van deze pilot. Deze kennis en ervaring is input voor de toekomstige aanpak. • Daarnaast vormt deze kennis en ervaring, en onze inzet en betrokkenheid op landelijk niveau, input voor de nieuwe wet. Zoals gezegd is deze wet er nog niet, maar er staat vast dat de regierol voor inburgering bij de gemeente wordt belegd.
• We hebben regionaal een systeem van brede bijeenkomsten en werkgroepen voor de invulling van deze pilot en de voorbereiding op de nieuwe wet. Mede hieruit volgt dat het in onze visie van belang is om tot een vroegtijdige, integrale en doorlopende ondersteuning te komen van statushouders in onze regio, waarin we samenwerken op regionaal niveau en ook de lokale kracht versterken.
5
2. Uitgangspunten Inburgering+ Wat doen we Elke inburgeraar is door een vroegtijdig, integraal en doorlopend aanbod optimaal in staat om volwaardig te integreren en participeren in onze regio Hart van Brabant. Onze drie inhoudelijke uitgangspunten zijn dus: •
Vroegtijdig Het is essentieel dat we de statushouder zo vroeg mogelijk leren kennen 7, om zo een passend aanbod te kunnen doen. Dit betekent dat we in het AZC al starten met de brede intake waarin we samen met alle partners de talenten, mogelijkheden en behoeften van de statushouder op alle levensdomeinen in beeld brengen.
•
Integraal De Inburgering+ aanpak combineert het actief participeren in de samenleving met het leren van de taal. Daarnaast wordt elke statushouder integraal gezien: er is oog voor alle leefgebieden. Er wordt gekeken naar financiën, werk, onderwijs, gezondheid, welzijn, wonen, gezinssituatie, etc. Dit vanuit de brede wetgeving binnen het sociale domein.
•
Doorlopend De inburgering+ trajecten worden aangepast aan de behoeften en talenten van de statushouders. Er wordt gekeken naar de meest passende vorm van participatie. Daarbij wordt door klantregie gezorgd voor doorlopende ondersteuning, gedurende de inburgeringsperiode, waarbij de klantregisseur nauw samenwerkt met de ketenpartners en organisaties betrokken in alle leefgebieden.
Hoe doen we dat Regio Hart van Brabant investeert in een vroegtijdig, integraal en toekomstbestendig beleid waarbij de lokale kracht vanuit de regio versterkt wordt. Centraal hierin staan de volgende drie procesuitgangspunten: •
'Nothing about us, without us' De Adviesraad Statushouders geeft doorlopend advies op onze aanpak, zo wordt de aanpak gezamenlijk vormgegeven en bieden zij reflectie op zaken die niet werken.
•
'Learning by doing' De instroom en achtergrond van statushouders verandert continue, daarom moet de basisstructuur flexibel zijn om te kunnen blijven aansluiten. Doorontwikkeling en flexibiliteit zijn inherent aan inburgering+, we leren terwijl we doen en wat niet werkt wordt aangepast en bijgesteld.
•
Lokaal wordt regionaal versterkt Wanneer het voordeel heeft om het regionaal aan te pakken, doen wij dit. Het heeft onze voorkeur dat statushouders, waar ze ook worden gehuisvest in Hart van Brabant, een kwalitatief vergelijkbare start hebben. Het is hierbij wenselijk om zoveel als mogelijk eenduidige afspraken te maken met onze samenwerkingspartners (o.a. COA, Vluchtelingenwerk, welzijnswerk, inburgeringsscholen).
➔
Advies aan het college: Instemmen met de uitgangspunten Inburgering+ en deze leidend laten zijn in de verdere uitwerking van de Veranderopgave Inburgering.
7
WRR, Geen tijd te verliezen, 2015, https://www.wrr.nl/publicaties/persberichten/2015/12/16/geen-tijd-teverliezen-van-opvang-naar-integratie-van-asielmigranten 6
3. Standpuntbepaling taken nieuwe wet inburgering In de nieuwe wet krijgen gemeenten een centrale rol in de intake, de begeleiding en advisering van inburgeringsplichtigen, en het organiseren van de taal- en participatiecomponenten van het inburgeringsaanbod. De verantwoordelijkheid van gemeenten voor statushouders is daarbij groter dan bij de gezins- en overige migranten8. Uit onderzoek is gebleken dat veel statushouders in het begin onvoldoende in staat zijn om zelfstandig een bij hun capaciteiten en leervermogen passende cursus en cursusinstelling te kiezen. Daarnaast ontstaan er bij deze groep vaak financiële problemen, mede omdat er een tijd overheen gaat voordat toeslagen etc. goed zijn ingeregeld. Hierdoor hebben gemeenten bij de begeleiding van statushouders een uitgebreidere taak. Onderstaand schema maakt inzichtelijk welke taak de gemeente heeft per doelgroep. Taak van gemeente om aan te bieden: Maatschappelijke begeleiding Ontzorging Begeleiding bij inburgering (intake, PIP9, advies, voortgangsgesprekken Alfabetisering (voor zover opgenomen in het PIP) Eén van de 3 leerroutes incl. module Kennis van de Nederlandse Maatschappij Module Arbeidsmarkt en Participatie Participatieverklaringstraject In het PIP opgenomen afspraken over aanbod voor (andere) participatie componenten
Statushouders
Gezins- en overige migranten
X X X X X X X X
X
X X
Uit de regionale praktijkervaring10 van afgelopen jaren zijn er naast de wettelijke elementen, ook wenselijke elementen voor de uitvoering van de nieuwe wet inburgering. In dit hoofdstuk beschrijven we de standpunten van de verschillende gemeenten in de regio. Deze standpuntbepaling is de basis voor de verdere invulling van de nieuwe taken op lokaal dan wel regionaal niveau. De concretisering hiervan vindt plaats in het lokale beleidskader dat in het najaar 2020 per gemeente vastgesteld wordt. Bij de standpuntbepaling speelt ook het toekomstig aantal te verwachten inburgeraars 11 een rol.
3.1 Huisvesting Voor statushouder is, na het verkrijgen van een verblijfsvergunning, het gaan wonen in de nieuwe gemeente de eerstvolgende belangrijke stap. Hoeveel statushouders ieder gemeente huisvest, wordt tweemaal per jaar via een taakstelling bepaald vanuit het ministerie van BZK12. Deze taakstelling wordt naar rato van het inwoneraantal verdeeld over alle gemeenten. Een aantal gemeenten in de regio heeft moeite om aan haar gemeentelijke taakstelling te voldoen. Dit wordt mede veroorzaakt doordat het percentage sociale huurwoningen en de mutatiegraad per gemeente verschilt13. Op regionaal niveau voldoen we echter ruimschoots aan de taakstelling - opgeteld voor alle gemeenten. Hoe staan gemeenten hierin We hebben verkend of een regionale taakstelling wenselijk is. Echter: Landelijk wordt vastgehouden aan de gemeentelijke taakstelling; Met een regionale koppeling weet je niet vroegtijdig welke statushouder in jouw gemeente komt wonen, terwijl vroegtijdige ondersteuning van de gemeente wel wenselijk geacht wordt;
8 Zie bijlage 2 voor definities van beide groepen 9 PIP = persoonlijk plan inburgering en participatie 10 Pilots w.o. Welkomhuis, Starttraject IB+, HOB-traject, integratiegame, softskills module, inburgerings+-trajecten 11 Zie bijlage 1 12 Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 13 Zie bijlage 3
7
-
Dit lost het probleem van onvoldoende beschikbaar hebben van passende woningen per gemeente niet op. Het knelpunt bij het huisvesten van statushouders is eigenlijk een breder vraagstuk; namelijk het 'huisvesten van kwetsbare inwoners'. Het woonprobleem speelt ook in het dossier ‘beschermd wonen’ en bij het ‘maatpact’. Dit vraagstuk vraagt een bredere bestuurlijk aanpak, die buiten de reikwijdte van de nieuwe inburgering valt. Op korte termijn wordt de oplossing gezocht in het beter matchen van statushouders met type beschikbare woningen in de diverse gemeenten. Wat betekent dit voor de regionale samenwerking We initiëren x-maal per jaar een regionaal overleg met de regievoerder van het COA14, de huisvestingsambtenaren en woningcorporaties. Dan kunnen we de diverse koppelingen en beschikbare woningen doorspreken, waardoor er mogelijk tot betere en snellere matches 15 gekomen kan worden en de juiste persoon de juiste woning krijgt.
3.2 Positionering Wet inburgering in het sociale domein De minister geeft aan dat de wet inburgering wordt gepositioneerd als onderdeel van het sociale domein, in het bijzonder de Participatiewet. In de regio Hart van Brabant hebben we voor het sociale domein vier leidende principes vastgesteld16: 1. Meedoen: een positief leefklimaat waarin iedereen volwaardig meedoet; 2. De vraag van de inwoner is leidend, mensen zijn belangrijker dan regels. We bieden resultaatgerichte ondersteuning op basis van maatwerk; 3. Eén huishouden, één plan, één coördinator, en ook op termijn: één ontschot budget per huishouden. Ofwel het centraal stellen van de leefwereld van de inwoners; 4. De veiligheid van inwoners vormt altijd de ondergrens.
Deze principes hanteren we ook bij de uitvoering van de nieuwe wet inburgering. Binnen het sociale domein hebben gemeenten de keuze waar zij deze nieuwe wet inburgering positioneren; bijvoorbeeld bij de participatiewet, bij sociale wijkteam/dorpsteam, bij de Wmo. Hoe staan gemeenten hierin De gemeenten geven, m.u.v. Loon op Zand aan, de wet inburgering (in beginsel) te willen positioneren bij de participatiewet. Voor de groep statushouders is er een grote overlap tussen de wet inburgering en de participatiewet. Daarom is het nodig om goede afstemming te hebben over de uitvoering van de verschillende onderdelen van het inburgering- en participatieplan. De gezins- en overige migranten hebben over het algemeen geen participatiewet-uitkering. Zij kunnen via het proces van NUG-gers17 ondersteund worden. Bij de verdere lokale uitwerking is het daarom van belang: Dat door positionering bij de participatiewet, de klantregisseur/casemanager soms vanuit 2 wetten handelt en soms vanuit 1 wet. Beide wetten hebben een ander (primair) doel. Dit vraagt deskundigheid van de klantregisseur; Hoe de verbinding gelegd wordt naar andere leefgebieden en andere domeinen. Hoe ga je dat als gemeente organiseren; Hoe de handhavingstaak (van het volgen van de opgelegde verplichtingen tot sanctioneren en fraudebestrijding) belegd wordt. Deze uitwerking landt in het lokale beleidskader.
Hierbij moeten we de ervaringen vanuit de statushouders meenemen.
14 Deze persoon koppelt de statushouders aan de gemeente. 15 Indien een statushouders bijv. vanwege familieomstandigheden specifieke in een gemeente wenst te wonen is
hier oog voor.
16 https://www.sma-hartvanbrabant.nl/mens-en-samenleving/ 17 Nugger = niet-uitkeringsgerechtige
8
Wat betekent dit voor de regionale samenwerking Gemeenten informeren elkaar over de lokale uitwerking van de aandachtspunten.
3.3 Doelgroepen Zoals aan het begin van dit hoofdstuk aangegeven worden In de nieuwe wet inburgering twee doelgroepen18 onderscheiden: Statushouders Gezins- en overige migranten Op het moment van de ingang van de nieuwe wet heeft de gemeente ook nog twee andere doelgroepen in haar gemeente die onder de twee opvolgende wettelijke regimes kunnen vallen: de oude wet inburgering (voor 2013) en de huidige wet inburgering (2013 - 30 juni 2021). De vraag is welke aanbod wil je beschikbaar hebben en kunnen aanbieden aan welke doelgroep. Dit heeft consequenties voor het inkoopproces. Hoe staan gemeenten hierin Op basis van een inventarisatie zien we in de regio: Voor de nieuwe gezins- en overige migranten (na 1 juli 2021) willen de meeste gemeenten dat deze groep ook gebruik kan maken van het uitgebreide inburgeringsaanbod, mits dit geen financiële consequenties heeft voor de gemeente (zijnde dat zij dit traject zelf financieren) en het op eigen verzoek van de migrant is; Voor de huidige statushouders vinden de gemeenten het inhoudelijk wenselijk om de uitgebreide ondersteuning aan te bieden. Echter hierbij speelt het beschikbaar hebben van financiële (participatie)middelen per gemeente wel een cruciale rol.
Immers de vaktaal en de participatieactiviteiten mogen nu niet bekostigd worden uit de inburgeringsfinanciering van DUO en moeten dus aanvullend worden gefinancierd; Voor de huidige gezins- en overige migranten: de meeste gemeenten willen voornamelijk de wettelijke taken uitvoeren. Het is belangrijk om te realiseren dat de groep 'gezins- en overige migranten' divers is; van de Australische student die hier een Nederlandse vriendin heeft, tot de Somalische vrouw, van wie haar man recentelijk de naturalisatie papieren heeft. Dit betekent dat de behoeften binnen deze groep ook uiteenlopen. Bij de verdere lokale uitwerking is het daarom van belang: Oog te houden voor de diversiteit van deze groep gezins- en overige migranten; Maatwerk te kunnen bieden wanneer dat nodig is voor een gezins- of overige migrant; Financiële middelen hiervoor beschikbaar te hebben. Wat betekent dit voor de regionale samenwerking Gemeenten maken afzonderlijke keuzes welke ondersteuning zij willen en kunnen bieden aan de andere inburgeringsplichtige doelgroepen dan de statushouder vanaf 1 juli 2021.
3.4 Begeleiding bij inburgering De begeleiding bij inburgering bestaat uit een drietal zaken: Trajectregie Brede intake afnemen PIP vaststellen, advies, voortgangsgesprekken Hoe staan gemeenten hierin In de regio zien we 3 varianten waarop de gemeenten de begeleiding bij inburgering wil vormgeven.
18 Zie bijlage 2 voor definitie van deze twee doelgroepen
9
Alphen-Chaam, Baarle-Nassau, Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Hilvarenbeek, Oisterwijk en Tilburg
De trajectregie, het afnemen van de brede intake en PIP vaststellen etc. lokaal, door eigen klantregisseurs laten uitvoeren.
Heusden en Waalwijk
De trajectregie, afnemen van de brede intake en PIP vaststellen etc. op subregionaal niveau organiseren; te weten onder te brengen bij Baanbrekers19
Loon op Zand
Trajectregie: lokaal door eigen klantregisseur/casemanager Brede intake: lokaal i.s.m. baanbrekers PIP vaststellen etc: lokaal door eigen klantregisseur/casemanager
Het merendeel van de gemeenten geeft aan vroegtijdig, indien mogelijk al in het AZC, te willen starten. Hierbij is het wel van belang dat er sprake is van regioplaatsing20. Aangezien niet iedere inburgeraar via het AZC komt, moet er ook verkend worden op welke andere manier aan die vroegtijdigheid vorm gegeven kan worden. Gemeenten zien een centrale rol voor de klantregisseur die functioneert als spil in het web op alle leefgebieden van de inburgeraar. De adviesraad statushouders heeft bij dit onderwerp het volgende aangegeven: Voor sommige statushouders is het belangrijk is om vroegtijdig te kunnen starten, maar let op voor degenen voor wie dit nog niet haalbaar is vanwege persoonlijke omstandigheden; Begeleiding vanuit de gemeente is niet altijd een goed idee. Statushouders voelen zich namelijk niet altijd vertrouwd bij iemand vanuit de gemeente (belangenverstrengeling). Daarnaast ervaren ze een bureaucratische manier van denken binnen de gemeente. Bij de verdere uitwerking in het lokale beleidskader moet er aandacht zijn voor: Welke coördinatietaken zijn nodig om een brede intake op het AZC door lokale klantregisseurs te kunnen uitvoeren en hoe gaan we die regionaal organiseren; Hoe de vroegtijdigheid eruit ziet als er vnl. nareizigers in een gemeente komen wonen.
Zij verblijven nauwelijks op het AZC (indien de woning van de referent passend is); Hoe de vroegtijdigheid eruit ziet voor gezins- en overige migranten. Welke procesafspraken zijn er nodig met de gemeentelijke afdeling voor Basisregistratie Personen (BRP). Wat betekent dit voor de regionale samenwerking Verkend moet worden welke coördinatietaken nodig zijn om een brede intake op het AZC door lokale klantregisseurs te kunnen uitvoeren en hoe we die regionaal gaan organiseren; Verkend moet worden of er behoefte is aan een gezamenlijk deskundigheidsbevorderingstraject voor de klantregisseurs.
3.5 Maatschappelijke begeleiding Maatschappelijke begeleiding is ondersteuning die gemeenten aan de statushouders moet aanbieden. Dit doen zij op dit moment ook al. De inhoud van de maatschappelijke begeleiding wordt onder de nieuwe wet iets anders. In de lagere regelgeving, die voor het zomerreces bekend is, wordt de inhoud specifieker omschreven. Hoe staan gemeenten hierin Op basis van de huidige ervaringen met maatschappelijke begeleiding: • Gemeenten willen in de regio op inhoud met elkaar in gesprek gaan over maatschappelijke begeleiding:
19 T.t.v. het schrijven van de notitie (mei 2020) vinden hierover nog gesprekken plaats 20 De pilot regioplaatsing is gestart: deze pilot houdt in dat alle statushouders die aan gemeenten in de regio Hart van Brabant worden
gekoppeld (en daarna gehuisvest), worden opgevangen in het AZC Oisterwijk; "opvang in de regio = huisvesting in de regio". Wanneer statushouders, in aanloop naar de regioplaatsing, nog in AZC Gilze worden geplaatst kan ook al begonnen worden met de vroegtijdige intake. Dat wordt lastiger wanneer zij in bijvoorbeeld AZC Hoogeveen zitten; omdat de opvolging van de brede intake dan lastig is te realiseren. 10
-
Hoe kijken we naar maatschappelijke begeleiding? Hierbij is het belangrijk om de werkzaamheden rondom huisvesting en de maatschappelijke begeleiding uit elkaar te halen. Dit op inhoud nader te definiëren; Welke werkzaamheden willen we door professionals laten doen en wat door vrijwilligers; Hoe verhoudt maatschappelijke begeleiding zich tot ontzorgen (paragraaf 3.10); Hoe verhoudt maatschappelijke begeleiding zich tot de leerroutes (paragraaf 3.7).; • De gemeenten (m.u.v. Loon op Zand) willen maatschappelijke begeleiding door derden laten voeren; • De maatschappelijke begeleiding moet op diverse onderdelen lokaal worden uitgevoerd. De adviesraad statushouders geeft aan dat veel mensen stress hebben rondom verhuizen (van AZC naar gemeente) en gezinshereniging. Het is belangrijk dat de maatschappelijke begeleiding zo ingericht wordt dat deze stressfactoren zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast geeft de adviesraad aan dat er vaardigheden moeten worden aangeleerd, zodat statushouders onafhankelijk kunnen worden. Nu ervaren zij dat er zaken door de begeleider zelf worden gedaan i.p.v. de begeleidende rol die zij zouden moeten invullen. Wat betekent dit voor de regionale samenwerking We gaan regionaal de inhoud van de maatschappelijke begeleiding en de te behalen resultaten afstemmen. De uitvoering van de maatschappelijke begeleiding kan lokaal gekleurd zijn.
3.6 Oriëntatie De gemeente heeft de verplichting het participatieverklaringstraject (PVT) en module arbeidsmarkt en participatie (MAP) aan te bieden aan alle inburgeraars. Het PVT bestaat uit een inleiding in de kernwaarden van Nederland en de ondertekening van de participatieverklaring. De MAP is bedoeld om inzicht te krijgen in de Nederlands arbeidsmarkt. Inburgeringsplichtigen moeten hun eigen competenties en arbeidskansen in beeld brengen. Dit wordt gecombineerd met praktische inzet op de lokale arbeidsmarkt. De verdere inhoud en invulling van de PVT en MAP worden bij algemene maatregel van bestuur uitgewerkt21. Deze twee modules kunnen gezien worden als vorm van 'oriëntatie' op de Nederlandse samenleving en arbeidsmarkt. Vanuit de wet zijn er dus twee losse modules uit te voeren. Echter op basis van praktijkervaring en beleidsonderzoek weten we dat het 'los' aanbieden van modules minder goed werkt. Om de omslag vanuit een vaak totaal andere cultuur te kunnen maken naar de Nederlandse samenleving is tijd, aandacht en het opbouwen van een relatie nodig. Dat bereik je niet door een enkel gesprek te hebben of een losse module te volgen. En het hebben van een goede relatie en onderling vertrouwen is cruciaal om inzicht te krijgen in wie de inburgeraar is, wat hij kan en wil en om tot een gedragen PIP/plan te komen waar zowel de inburgeraar als de gemeente achter staat.
Om hier toe te komen is het nodig dat de inburgeraar gedurende een langere periode een zgn. oriëntatieprogramma doorloopt. Door te starten met het oriëntatieprogramma investeer je aan de voorkant, waardoor de vervolgroute in het inburgeringstraject beter passend is en vanuit gemotiveerdheid van de inburgeraars beter doorlopen kan worden. Dit oriëntatieprogramma kan starten kort nadat de inburgeringsplichtige in Nederland is. Dat kan dus zowel op het AZC als op een andere locatie worden uitgevoerd. Immers niet alle inburgeraars komen via het AZC22.
21 Naar verwachting zomer 2020 bekend. 22 De nareizigers wonen snel bij de referent, wanneer hij/zij al een passende woning heeft in de gemeente. De hervestigers komen vanuit
de UNHCR kampen rechtstreeks in de gemeente wonen. De gezinsmigranten gaan meteen bij hun Nederlandse partner in de gemeente wonen. 11
Hoe staan gemeenten erin? Alle gemeenten vinden dat er in het begin uitgebreider tijd nodig is om tot een goed PIP/plan van aanpak te komen dat ook het plan is van de inburgeraar zelf; Diverse gemeenten geven aan de PVT (op onderdelen) en de MAP opgenomen kunnen worden in het oriëntatieprogramma, juist om losse modules te voorkomen; De meeste gemeenten willen het PVT (op onderdelen) en de MAP (sub)regionaal organiseren; De meeste gemeenten willen het PVT en de MAP door derden uit laten voeren; De Langstraat gemeenten geven aan de uitvoering in nauwe samenwerking met Baanbrekers te willen doen. De adviesraad statushouders geeft aan dat de eerste kennismaking met de taal en de cultuur van Nederland op het AZC kan plaatsvinden. Dit kan gedaan worden aan de hand van activiteiten/vrijwilligerswerk, maar moet wel maatwerk zijn. De eerste drie maanden op het AZC moeten niet te druk zijn want de statushouders hebben al heel veel stress. Belangrijk dat de activiteiten aansluiten op hun interesses; zo worden er eerst stappen gezet om zich te openen ten aanzien van de gemeenschap. Er moet ook meer focus gelegd worden op empowerment. ➔ Advies aan het college: Brede intake en oriëntatie zien als een integraal programma dat doorlopen moet worden i.p.v. momentopnamen en losse modules, zodat het vervolgtraject van de inburgering efficiënt en effectief verloopt.
In het lokale beleidskader wordt de nadere uitwerking van dit oriëntatieprogramma opgenomen. Wat betekent dit voor de regionale samenwerking Dat we regionaal een oriëntatieprogramma ontwikkelen, waarbij duidelijk moet worden: Wat het doel en resultaat moet zijn van het oriëntatieprogramma; Wat de inhoudelijke elementen zijn (incl. taal, PVT, MAP); Hoe de instrumenten 'integratiegame' en 'softskills' opgenomen worden in het programma; Hoeveel weken dit programma duurt (in relatie tot de termijn van een PIP en start van de leerroutes); Op welke schaalniveau dit uitgevoerd gaat worden; Hoe de taalcomponent hierin opgenomen wordt; Welke elementen van het oriëntatieprogramma lokaal worden uitgevoerd; In hoeverre er een onderscheid in aanbod voor statushouders en gezinsmigranten nodig is; In hoeverre de kosten passen binnen de financiële middelen van de programmakosten (zie hoofdstuk 4).
3.7 Leerroutes In de nieuwe wet wordt een drietal leerroutes onderscheiden: Onderwijsroute B1-route Zelfredzaamheidsroute (Z-route) Daarnaast moeten er alfabetiseringsmogelijkheden beschikbaar zijn. De gemeente heeft een aanbodplicht om statushouders een passende route aan te bieden. 3.7.1. Onderwijsroute De onderwijsroute is bedoeld voor jonge inburgeraars (tot 28 jaar) met hoge leerbaarheid en die gemotiveerd zijn een opleiding in het Nederlandse onderwijs te voltooien. Het taalschakeltraject is een voltijds traject dat bestaat uit: Taal op minimaal B1 niveau (1000 uur); Schakelvakken, zoals rekenen, Engels en studievaardigheden (500 uur); Kennis van de Nederlandse Maatschappij; Loopbaanoriëntatie. Om via deze route aan de inburgeringsplicht te voldoen moet de inburgeraar: Het diploma van het taalschakeltraject behalen; 12
Het PVT hebben voldaan. Uitstroom: naar een opleiding met studiefinanciering. Er wordt landelijk een lijst opgesteld met criteria waaraan de inhoud van de onderwijsroute moet voldoen. Tevens worden er landelijke criteria opgesteld waaraan de aanbieders van de onderwijsroute moeten voldoen. Veel is/wordt dus landelijk vastgelegd. Hoe staan gemeenten hierin Alle gemeenten geven aan de onderwijsroute (boven)regionaal te willen/moeten organiseren gezien de aantallen inburgeraars en om voldoende diversiteit in het aanbod te kunnen hebben; Hierbij is aangegeven dat er bovenregionaal gekeken moet worden naar de regio's Den Bosch (de Langstraat gemeenten hebben een goede verbinding met Den Bosch) en Breda (statushouders uit de ABG gemeenten zijn (deels) op Breda georiënteerd en volgen daar vaak al les); Belangrijk aandachtspunt is dat bij doorstroom naar een opleiding met studiefinanciering het hebben van een bijbaan belangrijk is om geen financiële achteruitgang te hebben23. Daar moet in de onderwijsroute en de begeleiding van de klantregisseur aandacht voor zijn. Wat betekent dit voor de regionale samenwerking Gezamenlijk moeten we de samenwerking met de regio's Den Bosch en Breda opzoeken en nader verkennen welke afspraken we moeten maken om de onderwijsroute bovenregionaal beschikbaar te hebben.
3.7.2. B1- en Z-route en Alfabetisering B1-route De B1-route is bedoeld voor alle inburgeraars die taalniveau B1 (of onder voorwaarden A2) kunnen halen. De wettelijke B1-route bestaat uit: Taallessen: bestaande uit spreken, lezen, luisteren en schrijven (examenniveau A2,B1,B2); Module Kennis van de Nederlandse Maatschappij (KNM); Ter afronding dient er een examen op deze onderdelen plaats te vinden. Om via deze route aan de inburgeringsplicht te voldoen moet de inburgeraar: Geslaagd zijn voor de examens op niveau B1 of hoger (of onder voorwaarden afgeschaald naar A2); Het PVT en de MAP hebben voldaan. Uitstroom: voornamelijk24 naar betaald werk. Z-route De Z-route is voor inburgeraars met een lage leerbaarheid en die beperkte mate van zelfredzaam zijn. Dit zijn inburgeraars van wie wordt verwacht dat zij het niveau A2 niet binnen 3 jaar zullen halen. De wettelijke Z-route bestaat uit: Taal en KNM met extra aandacht voor mobiliteit, omgaan met geld en digitale vaardigheden (tenminste 800 uur). Om via deze route aan de inburgeringsplicht te voldoen moet de inburgeraar: Taal en KNM volgen voor 800 uur; Participatieactiviteiten verrichten voor 800 uur, waaronder de onderdelen PVT en MAP; Een eindgesprek voeren met de gemeente om te concluderen of de afspraken uit het PIP zijn nagekomen. Uitstroom: een deel kan naar betaald werk.
Voor een ander deel zal vrijwilligers werk het hoogst haalbare zijn. Alfabetisering Onder de inburgeraars zijn ook analfabeten. Voor hen moet een alfabetiseringsprogramma beschikbaar zijn. In de verder uitwerking van de routes wordt dit meegenomen.
23 Indien een persoon een opleiding volgt met studiefinanciering kan deze persoon geen p-wet uitkering ontvangen. 24 Een klein deel van deze inburgeringsplichtigen zal een opleiding gaan volgen - al dan niet met behoud van uitkering. Dit is een
gemeentelijke keuze. 13
Vanuit diverse onderzoeken25 blijkt dat de taal sneller geleerd wordt wanneer dit gecombineerd wordt met participatieactiviteiten in de Nederlandse samenleving. Leren door te doen. Dit is ook het gedachtegoed in de nieuwe inburgeringswet. Bij de B1-route zijn deze participatieactiviteiten niet expliciet genoemd om aan de inburgeringsplicht te voldoen. Gemeenten gaan inburgeringbudget ontvangen voor enkel de taalcomponenten (die nu uit de DUO-lening worden bekostigd). Daarnaast hebben zij participatiebudget om uitkeringsgerechtigden te ondersteunen in de toeleiding naar de arbeidsmarkt. Wanneer taal en participatie samen komen in de B1 en Z-route, zal de bekostiging ook uit beide budgetten plaats moeten vinden. Door vroegtijdig de participatie centraal te stellen in het inburgeringstraject, waardoor de taal aan gaat sluiten op de participatie, is de verwachting dat mensen korter afhankelijk blijven van de uitkering. Het vertrekpunt van hoe we naar de inburgeringsroutes kijken, is bepalend voor de in te kopen routes: alleen taaltrajecten of juist dualiteit door integrale trajecten met een combinatie van participatie en taal. Hoe staan gemeenten hierin? Gemeenten zijn nog zoekende hoe de B1- en Z-route (evt.
met alfabetisering ervoor) concreet vormgegeven kunnen worden met zowel participatie- als taalcomponenten; Gemeenten onderschrijven dat participatieactiviteiten essentieel zijn in de routes, en de taalles hier inhoudelijk op aan zou moeten sluiten; Gemeenten geven aan dat de B1-route op (sub)regionaal (Langstraat gemeenten) en regionaal verband georganiseerd moeten worden, mede gezien de aantallen; Voor de Z-route zien ze twee typen inburgeraars: mensen die wel naar betaald werk kunnen en mensen voor die dat naar verwachting nooit haalbaar zal zijn. Het aanbod op de eerste groep kan op (sub)regionaal niveau worden georganiseerd. Voor de laatste groep kan verkend worden wat er lokaal kan. Hierbij kunnen de kleine aantallen beperkend werken. ➔ Advies aan het college: In de B1- en Z-route de taalcomponent laten aansluiten op de participatiecomponent zodat er een integraal inburgeringstraject is, afgestemd op mogelijkheden van de inburgeraar. Iedere inburgeringsplichtige (in de P-wet of nugger) krijgt de gelegenheid om deel te nemen aan participatieactiviteiten. Wat betekent dit voor de regionale samenwerking Op basis van dit bestuurlijke besluit worden de B1-route en Z-route nader verkend met de marktpartijen via een marktconsultatie26.
In deze marktconsultatie worden ook lokale aanbieders meegenomen; Bij de verdere uitwerking van de B1- en Z-route worden de financiële geldstromen van de verschillende inburgeraars meegenomen.
25
O.m. SER-rapport ‘Integratie door werk: meer kansen op werk voor nieuwkomers’ (mei 2019)
26 Medio september: marktconsultatie. Eind september uitzetten schriftelijke vragen n.a.v. consultatie. Medio oktober antwoorden binnen.
Eind oktober zicht op: welke trajecten we formeel al kunnen gaan inkopen (met langere looptijd) en welke trajecten we via pilotcontracten willen gaan 'inkopen'. Tevens zicht op schaalniveau waarop we gaan inkopen en omvang van de bedragen die daarmee gemoeid zijn. Wat betreft de doorlooptijden: - Als we dienstverlening via een pilotcontract willen 'inkopen' = 2 maanden - Als we dienstverlening willen inkopen met een totaal bedrag voor 4 jaar dat lager is dan € 750.000,- dan kan het meervoudig onderhands aanbesteed worden = 2 maanden - Als we dienstverlening willen inkopen met een totaal bedrag voor 4 jaar dat hoger is dan € 750.000,- dan openbaar aanbesteden = 4 maanden Concluderend: met een marktconsultatie in september kunnen we iedere vorm van aanbesteding afgerond hebben voor 1 april 2021.
14
3.8 Ontzorgen Vanuit de wet worden gemeenten verplicht om statushouders gedurende de eerste 6 maanden te ontzorgen. Dit houdt in dat de gemeente de betalingen van de huur, gas, water, stroom en de verplichte zorgverzekering vanuit de toegekende bijstand uitvoert. Als blijkt dat in een bepaalde situatie het nodig is dat dit ook na 6 maanden nog doorloopt, dan biedt de Participatiewet daar een mogelijkheid voor. Naast dit 'technisch' ontzorgen, is er het begeleidingsaspect. Immers om financieel zelfredzaam te worden, is het belangrijk dat er begeleiding is gedurende die eerste 6 maanden zodat mensen bekend raken met hun financiële zaken. Hoe staan gemeenten hierin? Merendeel van de gemeenten wil naast het technisch ontzorgen ook de begeleiding bieden in het leren financieel zelfredzaam te worden; Het technisch ontzorgen willen gemeenten organiseren op het niveau van de huidige uitvoeringsorganisatie van de P-wet; Het begeleidingsaspect willen de gemeenten op lokaal, en de Langstraat gemeenten op subregionaal, niveau organiseren. Wat betekent dit voor de regionale samenwerking Iedere gemeente gaat voor zich organiseren dat het technisch ontzorgen ingeregeld wordt; Iedere gemeente bepaalt zelf hoe het begeleidingsaspect eruit ziet en op welke manier dat vormgegeven wordt (individuele begeleiding of collectieve begeleidingsvormen).
Hiermee kan goed worden aangesloten bij de lokale infrastructuur die er per gemeente is in het begeleiden van inwoners naar financiële zelfredzaamheid; Gemeenten kunnen elkaar informeren over de wijze waarop zaken zijn ingeregeld; Bij de regionale inhoudelijk discussie over maatschappelijke begeleiding wordt een verbinding gemaakt met ontzorgen.
15
4. Financiële paragraaf Op 24 april 2020 zijn er bestuurlijke afspraken27 gemaakt tussen SZW en VNG over de financiële middelen van de nieuwe Wet Inburgering. Dit bestuursakkoord heeft een lange aanloop gekend. Het ministerie van SZW heeft lang gesteld dat de nieuwe wet binnen de financiële kaders van de huidige wet inburgering moet passen. De VNG heeft aangegeven dat de ambities in de nieuwe wet veel hoger zijn dan de huidige situatie en dat er meer van gemeenten wordt verwacht. Na het vastlopen van de onderhandelingen in mei 2019 is er overeengekomen dat er een onafhankelijk onderzoek gedaan zou worden om de financiële gevolgen in kaart te brengen. Op basis van dit rapport28en de verder onderhandelingen tussen SZW en VNG is er nu gekomen tot het genoemde bestuursakkoord met extra financiële middelen. Onderstaande tabel geeft inzicht in de landelijke bedragen die beschikbaar zijn voor de nieuwe Wet inburgering. Incidenteel I. Implementatie budget
36,5 miljoen
II. Ondertussengelden 2021 Voor de 'ondertussen-groep', m.n. ELIP-ers29'
25,5 miljoen
Beschikbaar gesteld • Dit is het budget wat de gemeenten ontvangen om de nieuwe wet te implementeren. • Beschikbaar: Meicirculaire 2020 •
• • III. Verhoging taalniveau statushouders Structureel Totale budget 200 miljoen voor: I. Programmakosten II. Uitvoeringskosten
-
I.
Programmakosten
-
II. Uitvoeringskosten
-
Nog onduidelijk kosten voor: - informatievoorziening
27
20,0 miljoen
Omdat de wet is uitgesteld met een half jaar is de gemeenten wederom overbruggingsbudget toegekend voor de periode van 1-1-21 tot 1-7-21. Beschikbaar: 2021 De verdeling van dit budget +/- Prinsjesdag 2020.
Meicirculaire 2020 (ook reeds ontvangen in 201930)
Budget huidige inburgeringsstelsel Extra middelen regeerakkoord (70 miljoen) Extra middelen bestuursakkoord april 2020 (35,2 miljoen)
Dit zijn kosten die via een specifieke uitkering van het ministerie van SZW worden toegekend aan gemeenten. - Deze middelen fluctueren, omdat de hoogte van het bedrag afhangt van het aantal statushouders. Het gaat dan om het aantal trajecten PVT, maatschappelijke begeleiding (MB) en leerroutes. Voor MB wordt €2.375 aangehouden. Voor de leerroutes wordt met een gemiddelde gerekend van € 10.000 per statushouder. Dit zijn de kosten die via een integratie uitkering worden verstrekt. Deze middelen zijn 'vast' en niet afhankelijk van de instroom van statushouders. Het gaat om de kosten die gemeenten maken voor de uitvoering van de nieuwe Wet inburgering (FTE, infrastructuur, etc.). Wordt duidelijk na juli 2020 o.b.v. informatiekundige uitvoeringstoets door VNG Realisatie.
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/04/28/kamerbrief-bestuurlijke-afspraken-voi
28 Hiervoor is het AEF-rapport een belangrijk onderlegger. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/11/14/rapport-
veldonderzoek-kosten-wet-inburgering 29 ELIP: Einde Lening nog Inburgeringsplichtig 30 Bestuurlijk e afspraken SZW en VNG - extra impuls inburgering 'en ondertussen' d.d. 14 februari 2019. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/02/14/bijlage-bestuurlijke-afspraken-szw-en-vng-extra-impulsinburgering-%E2%80%98en-ondertussen%E2%80%99 16
Hoe deze macrobedragen zich vertalen naar de lokale en regionale situatie is deels duidelijk geworden met de meicirculaire 2020. Incidenteel*
Implementatie budget meicirculaire 2020
Verhoging taalniveau statushouders beschikbaar gesteld meicirculaire 2019
Alphen-Chaam
€
20.204
€
11.737
Baarle-Nassau
€
13.631
€
7.915
Dongen
€
51.862
€
30.006
Gilze en Rijen
€
52.618
€
30.630
Goirle
€
47.367
€
27.497
Heusden
€
87.863
€
50.897
Hilvarenbeek
€
30.527
€
17.887
Loon op Zand
€
46.439
€
26.913
Oisterwijk
€
52.039
€
30.420
Tilburg
€
432.515
€
250.882
Waalwijk
€
96.035
€
55.555
Midden-Brabant
€
931.100
€
540.339
*De financiële middelen voor de Ondertussengroep komen in 2021.
Structureel**
uitvoeringskosten 2021
2022
2023 e.v.
Alphen-Chaam
€
12.914
28.701
31.575
Baarle-Nassau
€
8.734
19.412
21.355
Dongen
€
35.854
79.686
87.664
Gilze en Rijen
€
38.179
84.854
93.349
Goirle
€
31.623
70.283
77.319
Heusden
€
60.827
135.190
148.725
Hilvarenbeek
€
19.467
43.265
47.597
Loon op Zand
€
30.670
68.166
74.990
Oisterwijk
€
35.010
77.811
85.601
Tilburg
€
355.491
790.087
869.192
Waalwijk
€
68.914
153.163
168.498
Midden-Brabant
€
697.683
1.550.618
1.705.865
** Exclusief programmakosten en kosten voor informatievoorziening.
Deze bedragen van de integratie-uitkering worden naar verwachting in de decembercirculaire 2020 bijgesteld op basis van het aantal inwoners en het aantal inwoners met een niet-westerse migratieachtergrond per gemeente. Op basis van het lokale beleidskader wordt de begroting 2021 e.v. opgesteld. ➔ Advies aan het college: Conform de afspraken in het bestuursakkoord tussen SZW en VNG, de (nog te) ontvangen financiële middelen in de gemeentelijke begroting oormerken voor de voorbereiding en de uitvoering van de nieuwe wet Inburgering en voor de ondersteuning van de zogenaamde ondertussen-groep.
17
5. Planning Onderstaande planning geeft op hoofdlijnen weer welke stappen de komende periode gezet moeten worden om op 1 juli 2021 klaar te zijn voor de uitvoering van den nieuwe wet. Iedere gemeente kan op basis hiervan zijn eigen lokale detailplanning maken. Processtap
Q 2020 Deelprocessen 2021 Beleid:
FASE 1: verkenning
Q2
Startnotitie vaststellen
Besluitvorming College d.d. 7 juli 2020
Financiën: Inventarisatie (o.b.v. meicirculaire) en vertaling in perspectiefnota (PPN) 2021 Inkoop: Inventarisatie Werkprocessen & ICT Systemen: inventarisatie SZW en VNG-R Beleid:
FASE 2: voorbereiding
Q3
Vertaalslag startnotitie naar beleidskader Opstellen verordening Financiën: Doorrekening en controle. Opnemen in perspectiefnota (PPN) 2021 Inkoop: Voorbereiden inkoop/aanbestedingstraject Inkoopstrategie opgesteld. Marktconsultatie Werkprocessen & ICT Systemen: start ontwerp en inrichting
Raad: vaststellen PPN 2021 College31
Voorlichting & Informatievoorziening: inventarisatie Beleid:
FASE 3: realisatie
Q4 2020 Q1 2021
Beleidskader vaststellen Q4 College/raad - nov. 2020 Participatiewet-verordening vaststellen32 Q1 (evt. Q2) Raad33 - februari 2021 Beleidsregels opstellen en vaststellen Q1 (evt. Q2) College - maart 2021 Financiën: Begroting 2022 vaststellen Inkoop:
Starten inkoop/aanbestedingstraject (Q4) Afronding aanbestedingstraject (Q1) Werkprocessen & ICT Systemen: ontwerp en inrichting gereed
College34
Voorlichting & Informatievoorziening: formuleren, bepalen en ontwikkelen Inkoop: FASE 4: implementatie
Q2 2021
Inregelen contractbeheer
Werkprocessen & ICT Systemen: test en opleiden personeel Implementatie Beleid, werkprocessen en informatievoorziening
FASE 5: beheer& onderhoud
Ondersteunen van geïmplementeerde werkprocessen Q3 - Q4 2021 Evalueren en bijstellen
31 Per gemeente is het anders geregeld welke besluitvorming rondom inkoop via het college gaat. 32 De Wet inburgering heeft geen verordeningsplicht, maar door het verplicht 'ontzorgen' bij statushouders moet de
participatieverordening worden aangepast. 33 Voor de Langstraat gemeenten ligt deze bevoegdheid die Baanbrekers. 34 idem 18
6. Regionale structuur Onderstaande afbeelding maakt inzichtelijk op welke manier we samenwerken in de regio om ervoor te zorgen dat we op 1 juli 2021 klaar zijn voor de uitvoering van de nieuwe Wet inburgering. Een toelichting op de afbeelding: • Pilots IB+: in de regio lopen diverse pilots om te ervaren hoe de verschillende onderdelen van de nieuwe wet in de praktijk gaan werken: vroegtijdige intake t.t.v. verblijf op het AZC (Welkomhuis) een uitgebreid starttraject duale inburgeringsroutes De werkzame elementen uit de pilots nemen we mee in het beleidskader. • Iedere gemeente heeft een eigen visie op de verschillende onderdelen van de inburgering. Ook deze landen in het lokale beleidskader. • We hebben regionale werkgroepen op de processen. Door juist in regionaal verband op onderwerp zaken uit te zoeken, voorkom je dat iedere gemeente zelf het wiel aan het uitvinden is.35 • Wet: op 29 mei jl. heeft de ministerraad ingestemd met het wetsvoorstel inburgering. Dat is nu naar de Tweede Kamer gestuurd. De behandeling van dit wetsvoorstel staat vooralsnog op 29 juni 2020 gepland. Voor het zomerreces is er naar verwachting ook meer bekend over de lagere regelgeving. • Iedere gemeente stelt een eigen beleidskader op voor de nieuwe Wet inburgering. De gemaakte keuzes in deze startnotitie vormen daar de basis voor. Een concretisering daarvan vindt plaats in het beleidskader.
Op basis daarvan kan de inkoopstrategie worden vastgesteld en kan de lokale implementatie vormgegeven worden.
35 Bijlage 5 maakt inzichtelijk wat de opdracht van de verschillende werkgroepen is, nadat deze startnotitie is vastgesteld.
19
7. Risico's Op dit moment zijn er 2 belangrijke risico's te melden: • Gemeenten weten nog niet hoeveel mensen met welke achtergrond en ontwikkelingsmogelijkheden er per 1 juli 2021 naar hun gemeente komen. Dit maakt de inkoop voor alle onderdelen van de nieuwe wet moeilijk; • Het is onduidelijk in hoeverre 'de markt' trajecten kan bieden vanuit het voorstelde uitgangspunt dat taal moet aansluiten op participatie zodat er een integraal inburgeringstraject ontstaat. Hiervoor is het noodzakelijk om een marktconsultatie te hebben.
8. Besluitvorming In deze startnotitie zijn diverse adviezen aan het college gegeven. Onder voorbehoud van het wetgevingstraject, de beschikbare middelen en andere ontwikkelingen op dit gebied stellen we aan het college voor: 1. Kennisnemen van de startnotitie Veranderopgave Inburgering; 2. Instemmen met de uitgangspunten Inburgering+ en deze leidend laten zijn in de verdere uitwerking van de Veranderopgave Inburgering (hoofdstuk 2); 3. Brede intake en oriëntatie zien als een integraal programma dat doorlopen moet worden i.p.v. momentopnamen en losse modules, zodat het vervolgtraject van de inburgering efficiënt en effectief verloopt (paragraaf 3.6); 4. In de B1- en Z-route de taalcomponent laten aansluiten op de participatiecomponent zodat er een integraal inburgeringstraject is, afgestemd op mogelijkheden van de inburgeraar (paragraaf 3.7); 5. Iedere inburgeringsplichtige (in de P-wet of nugger) krijgt de gelegenheid om deel te nemen aan participatieactiviteiten (paragraaf 3.7); 6. Conform de afspraken in het bestuursakkoord tussen SZW en VNG, de (nog te) ontvangen financiële middelen in de gemeentelijke begroting oormerken voor de voorbereiding en de uitvoering van de nieuwe Wet Inburgering, en voor de ondersteuning van de zogenaamde ondertussengroep (hoofdstuk 4).
20
Bijlage 1: Aantallen inburgeraars (indicatie op jaarbasis)
Statushouders Taakstelling 2020
Gezins- en overige migranten In 201937
Inburgeringplichtige SH 70% taakstelling36
Gezins-
Overig38
Alphen-Chaam
8
6
0
0
Baarle-Nassau
6
4
< 539
0
Dongen
19
13
<5
0
Gilze en Rijen
19
13
7
19
Goirle
17
12
<5
0
Heusden
31
22
10
<5
Hilvarenbeek
11
8
<5
<5
Loon op Zand
17
12
<5
0
Oisterwijk
19
13
<5
<5
Tilburg
147
103
96
<5
Waalwijk
33
23
10
<5
Regio
327
229
Baanbrekers - niveau
81
57
Overig M-br
246
172
Noord-Brabant
1.777
Nederland
12.000
9.00040
36 70% is het percentage dat het ministerie van SZW heeft gehanteerd bij de volumeramingen zie p. 13 van het AEF-rapport 'Veldonderzoek
kosten wet inburgering - https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/11/14/rapport-veldonderzoek-kosten-wetinburgering 37 DUO inburgeringsgegevens - aantal gezins- en overige migranten die in 2019 inburgeringsplichtig zijn geworden https://duo.nl/zakelijk/inburgeren/cijfers-over-inburgeren/cijfers-inburgeren.jsp 38 Onder de categorie 'overig' vallen o.m. de familieleden van kinderen die onder het kinderpardon vallen en de geestelijk bedienaren. 39 Bij aantallen minder dan 5 heeft DUO niet het precieze aantal weer i.v.m. de privacy 40 Dit aantal is voor 2021 e.v. geprognotiseerd door het ministerie van SZW in de volumeramingen - zie voetnoot 14 21
Bijlage 2: Doelgroepen in het inburgeringsbeleid
Vreemdelingen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en die anders dan voor een tijdelijk doel in Nederland verblijven, zijn inburgeringsplichtig. Er worden twee doelgroepen onderscheiden: •
Statushouders Statushouders zijn mensen met een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd Deze groep kan op verschillende manieren naar Nederland komen: Zelfstandig: dan verblijven zij tijdelijk in het AZC; Als nareiziger: gezinsleden van de statushouder asiel. De referent heeft gezinshereniging aangevraagd en heeft na toestemming zijn nareizende gezinsleden laten overkomen. Deze personen zitten vaak kort of helemaal niet in een AZC wanneer de woning van de referent passend is; Als hervestigers: dit zijn mensen die in buurlanden van hun oorspronkelijke land van herkomst beland zijn in vluchtelingenkampen. Nederland heeft ervoor gekozen om jaarlijks 500 hervestigers op te nemen. Hervestigers krijgen direct een verblijfstatus. Zij komen niet in een AZC terecht maar worden direct gehuisvest in een gemeente.
•
Gezinsmigranten en overige migranten Deze mensen hebben een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Dit betreft onder andere: Personen die hier voor gezinshereniging of gezinsvorming zijn, bijvoorbeeld omdat zij een Nederlandse echtgeno(o)t(e) of partner hebben; Geestelijk bedienaren; Vreemdelingen met een verblijfsvergunning voor een niet-tijdelijk humanitair verblijfsdoel, zoals bijvoorbeeld voortgezet verblijf nadat zij eerder een verblijfsvergunning voor een tijdelijk doel hadden; Familieleden van kinderen die onder het kinderpardon vallen.
Deze twee typen inburgeraars kunnen onder drie verschillende inburgeringswetten vallen: • • •
Wet inburgering 2007 - periode: 2007 t/m 2012 Wet inburgering 2013 - periode: 2013 t/m 30 juni 2021 Wet inburgering 2021 - vanaf: 1 juli 2021
22
Bijlage 3: Sociale woningvoorraad en mutatiegraad woningcorporatie Om aan de taakstellingsopgave van het rijk te kunnen voldoen, spelen o.m. de voldoende zaken: De hoeveelheid passende woningen in een gemeente. Het percentage sociale huurwoningen (t.o.v. de totale woningvoorraad in een gemeente) geeft daar inzicht in; De mutatiegraad van deze woningen. Onderstaande cijfers geven aan dat: Het percentage sociale huurwoningen per gemeente verschilt; Dat de mutatiegraad van de woningen van de corporatie verschilt per gemeente. Gemeenten met een hoger % sociale huurwoningen en/of een hogere mutatiegraad ondervinden minder problemen met het volbrengen van de taakstelling. Dus hoewel een taakstellingsopgave o.b.v. inwoneraantal gelijk kan zijn, zijn de mogelijkheden om deze taakstelling te realiseren per gemeente ongelijk.
Taakstelling (2020)
% sociale huurwoningen (2018)*
aantal sociale huurwoningen41 in de gemeente (2018)*
mutatiegraad corporatiewoning (2017)*
Alphen-Chaam
8
14,0%
599
10,6%
Baarle-Nassau
6
11,7%
330
4,2%
Dongen
19
22,9%
2.538
8,2%
Gilze en Rijen
19
29,7%
3.323
8,7%
Goirle
17
24,6%
2.492
6,7%
Heusden
31
26,2%
4.856
7,4%
Hilvarenbeek
11
14,8%
963
7,1%
Loon op Zand
17
24,8%
2.535
6,3%
Oisterwijk
19
21,8%
2.499
6,1%
Tilburg
147
33,2%
32.450
10,0%
Waalwijk
33
31,4%
6.764
8,3%
Noord-Brabant
1.777
27,9%
31.1531
8,2%
Nederland
12.000
29,6%
2.290.360
8,1%
*Bron: waarstaatjegemeente.nl / voorraad sociale huurwoningen en mutatiegraad
41 Dit zijn niet alleen woningen van de woningcorporaties
23
Bijlage 4: Inschatting aantallen leerroutes Het ministerie van SZW heeft een eerdere inschatting gemaakt over de verdeling van de routes: Onderwijsroute 25%, B1 60% en Z-route 15%. Hierbij is een belangrijke kanttekening gemaakt dat de verdeling afhankelijk is van de asielinstroom en de achtergrondkenmerken van de inburgeringsplichtigen 42. Op basis van de huidige statushouders is de praktijkervaring in deze regio dat de verdeling als volgt zou kunnen zijn: Inburgeringplichtige SH
Leerroutes
70% taakstelling
Onderwijs 10%*
B1-route 40%*
Z-route 50%*
Alphen-Chaam
6
1
2
3
Baarle-Nassau
4
0
2
2
Dongen
13
1
5
7
Gilze en Rijen
13
1
5
7
Goirle
12
1
5
6
Heusden
22
2
9
11
Hilvarenbeek
8
1
3
4
Loon op Zand
12
1
5
6
Oisterwijk
13
1
5
7
Tilburg
103
10
41
52
Waalwijk
23
2
9
12
Regio
229
21
91
117
Baanbrekers - niveau
57
5
23
29
Overig Midden-Brabant
172
16
68
88
*de aantallen zijn afgeronde percentage daardoor zit er een klein verschil in de totaaloptelling t.o.v. de inburgeringsplichtige statushouders.
42 https://www.divosa.nl/onderwerpen/veranderopgave-inburgering/vraag-en-antwoord-wet-inburgering
24
Bijlage 5: Regionale werkgroepen
Werkgroep beleid: Voorbereiden lokale beleidskader Uitwerking visie op maatschappelijke begeleiding Ontwikkelen oriëntatie programma Werkgroep Inkoop: Voorbereiden marktconsultatie Inrichten inkoopstappen voor regionaal voor te breiden en/of in te kopen ondersteuning Werkgroep Juridisch: Opstellen verordening Opstellen beleidsregels Werkgroep Informatievoorziening / ICT: Afhankelijk van de uitkomst van de uitvoeringstoets van VNG-Realisatie en de ketenarchitectuur die door het ministerie wordt opgesteld Werkgroep Financiën: nader te bepalen Werkgroep Ontzorgen: Gezien gemaakte keuzes van de gemeenten op dit onderwerp vervalt de regionale werkgroep. De uitkomsten van de lokale pilots worden in het regionale beleidsoverleg gedeeld. Werkgroep Onderwijsroute Ontwikkelen van regionale onderwijsroutes op MBO, HBO en Universitair niveau Aansluiting van de brede intake op de onderwijsroutes. Werkgroep Communicatie met statushouders Redigeren of ontwikkelen communicatiemateriaal (brieven, presentaties etc.) statushouders; beeldend, leesbaar en begrijpelijk. Werkgroep spilfunctionarissen: In samenwerking met het netwerk ontwikkelen van duale trajecten in B1- en Z-route en/of trajecten ter voorbereiding op deze routes.
25