Bijlage Nota van uitgangspunten
Tekst van het document
UITGANGSPUNTEN VOOR DE SAMENSTELLING VAN DE BEGROTING 2025 A.
CIJFERMATIG (INDEXERING en AANTALLEN), MET TOELICHTING
1
Personeelslasten
1.1
Voor de Begroting 2025 wordt uitgegaan van 3,3 % salarisverhoging, tenzij op dat moment CAO-afspraken voor dat jaar bekend zijn. In dat geval worden die financieel doorgerekend. Voor de jaren daarna wordt geen rekening gehouden met salarisverhogingen.
1.2 1.3
2025
2024
3,3 %
4,5 %
0%
0%
Wijzigingen in werkgeverspremies kunnen leiden tot beslag op begrotingsruimte. De salariskosten voor de Begroting 2025 zullen berekend worden met de kennis van dat moment over de hoogte van werkgeverspremies voor 2025.
Nadere toelichting op personeelslasten 1. Toegestane formatie en salaris De toegestane ambtelijke formatie is verbijzonderd naar functies / medewerkers en ingedeeld naar organisatieonderdeel. Voor de raming van de salarispositie naar 2025 toe wordt rekening gehouden met het recht op periodieke verhogingen en uitlopen in 2024 en per 1 januari en 1 juli 2025. De huidige CAO gemeenten loopt nog tot en met 1 april 2025 en kent verhogingen van 4,75% per 1 januari 2024 en 1,25% per 1 oktober 2024. De structurele effecten daarvan worden (ten opzichte van de in de Nota van Uitgangspunten 2024 opgenomen 4,5%) bij het Voorjaarsbericht 2024 (indicatief) verwerkt in de meerjaren begroting, met daarbij de verwachting dat vanuit het bijgestelde accres 2024 in de Meicirculaire 2024 daarvoor dekking beschikbaar komt. Voor 2025 zijn voor gemeenten nog geen CAO-afspraken gemaakt. Het Centraal Planbureau (CPB) raamt nu 4,4% voor 2025 (prijs overheidsconsumptie, beloning werknemers). Aangezien de nieuwe CAO gemeenten pas per 1 april 2025 ingaat, is het voorstel om voor 75% van de CPB-index op te nemen als te verwachten , zijnde 3,3%. Indien er op het moment van samenstelling van de Begroting 2025 nog geen CAO-gemeenten voor 2025 is, wordt voor 2025 dus gerekend met een te verwachten stijging van 3,3 % (4,5 % voor 2024).
De werkgeverslasten worden geraamd op basis van de laatst bekend zijnde gegevens. Voor zover deze voor 2025 niet bekend zijn, wordt rekening gehouden met een stijging van 3,3 %. Dit is gebaseerd op de volgende factoren: De ramingen van het Centraal Planbureau (CPB) uit het Centraal Economisch Plan 2024. De inschatting is dat CAO-onderhandelingen 2025 tot een ongeveer gelijke of iets lagere salarisstijging zullen leiden voor 2024, mede als gevolg van de dalende inflatie (t.o.v. vorige jaren). Bij onderhandelingen rondom CAO gemeenten zullen uitkomsten van de in de sector overheid af te sluiten CAO’s een rol spelen. 2. Overige salariscomponenten Dit overzicht bestaat uit een aantal categorieën: a. Salariskosten college; b. Vergoedingen raadsleden (en fractievolgers); c. Pensioenen en wachtgelden oud-bestuurders; d. Verplichtingen aan oud-medewerkers; e. Salariskosten van niet tot de toegestane formatie behorende medewerkers. f. Salaris gerelateerde componenten (onregelmatigheidstoeslag, piketvergoedingen, jubilea etc.) Basis voor de ramingen van de overige salariscomponenten zijn de werkelijke salariskosten (dus inclusief garanties, persoonlijke toelagen, uitlopen etc.) per maart 2024 (rekening houdend bijstelling van 1,25% per oktober 2024 uit de CAO-gemeenten 2023).
2
Prijscompensatie
2.1
Voor bepaling van het accres in de algemene uitkering wordt voortaan rekening gehouden met de volgende indexen: - Loonvoet sector overheid 60% => voor 2025: 4,4%; - Prijs materiële overheidsconsumptie 20% => voor 2025: 2,2 %; - Prijs bruto overheidsinvesteringen 20% => voor 2025: 2,0%. Rekening houdend met de weging van deze 3 factoren komt de verwachte index voor 2025 uit op 3,48 % (afgerond 3,5%). Voor 2024 zou die gewogen index nu uitkomen op 5,02%, dus nagenoeg gelijk aan de 5% waar wij voor 2024 mee hebben gerekend.
2025
2024
3,5 %
5,0 %
Dit betekent dat de ramingen 2025 ten aanzien van de categorieën 3.0 tot en met 3.4 en 6.0 de stortingen in reserves en voorzieningen, voor 2025 ten opzichte van 2024 met 3,5 % worden verhoogd (2024: 5%). In de langjarige doorrekening van grondexploitaties wordt met specifiek op de
Nota van Uitgangspunten 2025
pagina 1
UITGANGSPUNTEN VOOR DE SAMENSTELLING VAN DE BEGROTING 2025 2025
2024
3,5 %
5,0 %
3,5 %
5.0 %
4,15 % 3,5 % Wettelijk maximum
5,0% 4,4% Wettelijk maximum
3,5 % 0%
5,0 % 0%
+ 3%
n.v.t.
€ 274
€ 265
grondexploitatie gerichte percentages gerekend.
3 3a
Tarieven Tariefaanpassingen wegens inflatie
3.1
Alle gemeentelijke tarieven (zowel privaatrechtelijke als publiekrechtelijke) worden met het geraamde inflatiepercentage verhoogd. Zie verder hetgeen onder “opmerkingen” bij kostendekkende tarieven” onder 3c. staat vermeld).
3.2
Huurverhoging van de gemeentelijke panden (niet zijnde woningen), conform alle tariefaanpassingen, tenzij op basis van eerdere besluitvorming of contractueel anders is overeengekomen. Huurindexatie van gemeentelijke panden die gehuurd worden door een vereniging / instelling waarmee de gemeente een subsidierelatie heeft, wordt gelijkgesteld aan het indexatiepercentage van de subsidies. Voor budgetsubsidie is dit 4,15% en voor de overige subsidies is dit 3,5 % (zie voor verdere inhoudelijke toelichting hierna onder 4.1 Subsidie).
3.3
Huurverhoging woningen conform maximaal wettelijk toegestane percentage.
3b
Tariefaanpassingen op basis van ingezet beleid
3.4
In de bij de Begroting 2024 behorende jaarschijf 2025 is geen rekening gehouden met een tariefverhoging OZB die leidt tot een hogere opbrengst dan in 2024. De laatste jaren is de lijn gevolgd om tarieven alleen met inflatiecorrectie aan te passen; dit blijft ook voor 2025 het uitgangspunt. Inflatiecorrectie: OZB tariefaanpassing overig leidend tot een opbrengstverhoging van: Uitzondering op tariefverhoging met alleen inflatie is met ingang van 2025 de extra jaarlijkse tariefverhoging rioolrechten i.v.m. de in het Integraal Waterplan Waalwijk 2025 – 2027 opgenomen investeringen. Deze tariefverhoging komt bovenop de inflatie (onder voorbehoud van raadsbesluit over Integraal Waterplan Waalwijk, raad 27 juni 2024). Bedrag voor kwijtschelding (art.9 verordening afvalstoffenheffing)
3c
Nadere toelichting op tarieven Aanpassing van tarieven met het inflatiepercentage wordt in de begroting op de functionele posten verwerkt. Bij de berekening van de (kostendekkendheid van de) tarieven wordt de overhead (op grond van BBV-regelgeving) extracomptabel meegenomen. Uitgangspunt blijft kostendekkende tarieven, hoewel dat (nog) niet in alle gevallen haalbaar is. Alle voorstellen tot tariefaanpassingen dienen ten behoeve van de raad te zijn voorzien van een cijfermatige onderbouwing en zo nodig met een uitleg waarom tarieven (nog) niet kostendekkend zijn. Gemeentelijke dienstverlening, waarvoor door middel van de legesverordening tarieven worden geheven, geschiedt in principe tegen kostendekkende tarieven, waarvoor wel geldt dat prijs en prestatie tot elkaar in verhouding behoren te staan en dat waar van toepassing (bijvoorbeeld bij zwembadtarieven) rekening wordt gehouden met de concurrentiepositie. Kostendekking kan worden bereikt door middel van kostenreductie, dan wel door middel van tariefaanpassing. Van beide opties geniet kostenreductie de voorkeur. Verder is het mogelijk dat kostendekking middels het geleidelijk doorvoeren van tariefverhoging wordt bereikt. Voor afvalstoffenheffing en rioolrechten wordt rekening gehouden met de in de desbetreffende voorzieningen aanwezige middelen.
Met areaaluitbreiding en autonome groei dient zowel aan de inkomsten- als aan de kostenkant rekening te worden gehouden. In artikel 9 van de verordening afvalstoffenheffing 2024 is een maximumbedrag van € 265 per jaar aan kwijtschelding opgenomen. Voorgesteld wordt dat met 3,5 % te verhogen: afgerond € 274 voor 2025.
4
Subsidies aan instellingen
4.1
We maken een onderscheid tussen enerzijds de raming van subsidies in de begroting en anderzijds de uiteindelijke verlening van subsidies. Daarnaast maken we een onderscheid tussen enerzijds budget-subsidies en anderzijds overige subsidies. Voor de jaren 2022-2024 was oorspronkelijk een vast percentage van 1,85% voor budgetsubsidies en 1,6% voor overige subsidies bepaald bij de Nota van Uitgangspunten 2022 (meteen voor 3 jaar vast). In zowel 2023 als in 2024 is van de vaste percentages afgestapt en zijn deze hoger vastgesteld (als gevolg van loon- en prijsstijgingen). Voor 2025 wordt voorgesteld de budgetsubsidies voor 70% loongevoelig en 30% prijsgevoelig op basis van de CPB-ramingen te laten zijn. Overige subsidies volgen de prijsindex 2025 van het CPB. Voor budgetsubsidies wordt dat dan 70% van 4,4% + 30% van 3,5% = 4,13 %, afgerond 4,15%. Voor overige subsidies is dat voor 2025 3,5% (= prijsindex).
5
Budgetsubsidie 4,15 % Overige subsidies 3,5 %
Budgetsubsidie 5,0 % Overige subsidies 4,4 %
Specifieke indexeringen De begroting van de gemeente Waalwijk kent een aantal posten waarvoor een specifieke indexering geldt. De belangrijkste posten
Nota van Uitgangspunten 2025
pagina 2
UITGANGSPUNTEN VOOR DE SAMENSTELLING VAN DE BEGROTING 2025 2025
2024
betreffen de verbonden partijen en de budgetten jeugd, regiovervoer en onderwijshuisvesting. De verbonden partijen (zoals gemeenschappelijke regelingen) hanteren een eigen index, die meestal wel in buurt ligt van de door ons gehanteerde indexen. De nieuwe begrotingen van die verbonden partijen worden daarop getoetst en eventuele afwijkingen worden toegelicht in de raadsvoorstellen voor die begrotingen 2025. Voor de budgetten jeugd en regiovervoer wordt in het voorjaar de indexering voor 2025 bekend, waarop wij moeten aansluiten. Voor jeugd is die afkomstig van de regio Hart van Brabant op basis van hun Kadernota. Voor regiovervoer komt de indexering van bureau regiovervoer Midden-Brabant op basis van hun contractafspraken.
6
Rentepercentages
6.1
Bij de begroting 2024 is de rente-omslag herrekend en uitgekomen op 1,5% (was daarvoor 1,0%). Op basis van de huidige inzichten wordt voor 2025 een rente-omslag verwacht van 1,25%. Bij het samenstellen van de begroting 2025 zal op grond van de BBV-regels het exacte percentage worden berekend. Rente financieringspositie over de eerste € 16 miljoen (prognose kasgeldlimiet 2025; in 2024 was dit € 15 miljoen). Rente financieringspositie over het meerdere boven € 16 miljoen (in 2024 € 15 miljoen). N.B.: deze rente was in nota van Uitgangspunten 2024 oorspronkelijk geraamd op 4,0% en is op grond van de rentevisie in de Programmabegroting 2024 bijgesteld naar 3,25%.
6.2 6.3
2025
2024
1,25 %
1,5 %
3,75 %
3,5 %
2,75 %
3,25 %
Nadere toelichting op rentepercentages De rentetoerekening is gebaseerd op het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV). Ingeschat wordt dat de in de begroting 2025 te hanteren rente uitkomt rond 1,25%. De daling van 0,25% ten opzichte van 2024 wordt veroorzaakt door lagere rentelasten in verband met daling van de rente en hogere rentebaten in verband met schatkistbankieren. Voor nog in het jaar 2025 aan te trekken geld hebben wij ons qua rentepercentages gebaseerd op verwachtingen van deskundigen. De verwachting is dat de rente richting volgend jaar licht gaat dalen. Sinds de begroting 2024 is de rente voor kort geld licht gestegen en de rente voor lang geld licht gedaald. De huidige rente voor kort geld bedraagt ongeveer 4%. Voor de begroting 2025 gaan we uit van 3,75%. De huidige rente voor lang geld (10 jaar) bedraagt ongeveer 3%. Voor de begroting 2025 gaan we uit van 2,75%.
7
Aantallen inwoners en woonruimten
2025
2024
7.1
Aantal inwoners per 1 januari
50.690
50.100
7.2
Aantal woonruimten per 1 januari (zie toelichting onder 7.3.)
22.800
22.630
7.3
Nadere toelichting op inwoners en woonruimten In voorkomende gevallen wordt bij de raming van baten en lasten rekening gehouden met de hierna vermelde aantallen per 1 januari 2025 en de mutaties van 2024 naar 2025. Voor bepaling van het aantal woonruimten worden BAG-criteria gehanteerd. Ramingen zijn gebaseerd op de Regionale Agenda Wonen, waarin de regio met de provincie afspraken maakt over woningbouwafspraken. Deze zijn gebaseerd op vierjaarlijkse bevolkings- en woningbehoefte-prognoses. Voor de berekening van ramingen wegens OZB opbrengsten wordt gebruik gemaakt van de meest recente gegevens die op het moment van samenstellen van de begroting beschikbaar zijn. De algemene uitkering uit het gemeentefonds wordt opgenomen voor het bedrag volgens de berekeningen van de Meicirculaire. De reeksen van de afgelopen jaren c.q. de prognose zijn:
01-01-2019 01-01-2020 01-01-2021 01-01-2022 01-01-2023 01-01-2024 (raming/werkelijk) 01-01-2025 (raming)
Inwoners NVU 2024 48.240 48.637 48.815 49.342 49.953 50.100 n.v.t.
Inwoners NVU 2025 48.240 48.637 48.815 49.342 49.769 50.310 50.690
Woonruimten NVU 2024 21.782 21.948 21.996 22.363 22.580 22.630 n.v.t.
Woonruimten NVU 2025 21.782 21.948 21.996 22.363 22.580 22.613 22.800
Opmerkingen: - Het aantal inwoners per 1-1-2024 is een voorlopig aantal en is 210 hoger dan in de Nota van Uitgangspunten 2024 nog was verwacht. Dit definitieve cijfer van het CBS volgt later. Het aantal per 1-1-2025 is een schatting, deze is lastig te maken en een afgeleide van het extra aantal woonruimten. - Verschillende projecten worden vermoedelijk in 2024 opgeleverd. De grootste daarvan zijn de 2e fase van de Bloemenoordflats, woningen in Akkerlanen en woningen bij de Theresiakerk in Waspik. Daarnaast zijn er op verschillende plekken nog kleinere ontwikkelingen die opgeleverd worden. - Tegelijkertijd zijn er twee projecten van Casade waar in de nabije toekomst gesloopt gaat worden: Borksestichting in Waalwijk en Molenhoek in Sprang-Capelle. Het is nog niet helemaal duidelijk wanneer de woningen bij deze projecten precies gesloopt gaan worden. Bij bovenstaande cijfers is uitgegaan van sloop bij Borksesticht in 2024 (en Molenhoek in 2025). Als ook de woningen in het project Molenhoek in 2024 gesloopt worden, dan zal de netto toevoeging iets lager uitvallen.
Nota van Uitgangspunten 2025
pagina 3
UITGANGSPUNTEN VOOR DE SAMENSTELLING VAN DE BEGROTING 2025 B.
8
OVERIGE UITGANGSPUNTEN
Nieuw beleid en instandhouding bestaand beleid Naar aanleiding van het coalitieakkoord 2022-2026 “Samen werken aan de toekomst” en het debat over de Kadernota 2025 spreekt de raad zich uit met welke items het college rekening dient te houden bij de samenstelling van de begroting 2025. Indien het college andere maatregelen in de begroting wenst op te nemen, dan worden deze ten behoeve van de begrotingsvaststelling separaat via een voorstel tot actualisering van de begroting aan de raad voorgelegd en nog niet verwerkt in de (basis) Programmabegroting. Dekking van kapitaallasten nieuw beleid Voor de raming van kapitaallasten van nieuwe investeringen sluiten we aan bij het gemeenschappelijk financieel toezichtkader van de provincies. Dit betekent dat we in het te verwachten jaar van aanvang van de werkzaamheden (niet zijnde de voorbereiding daarvan) de volledige kapitaallasten van de investering op de begroting ramen en voor het bedrag dat in dat jaar niet benodigd is, onderuitputting ramen. Deze onderuitputting kan als incidenteel dekkingsmiddel op het betreffend begrotingsjaar worden ingezet. De volledige kapitaallasten zonder dat daar tegenover onderuitputting wordt geraamd, drukken op de begroting vanaf het jaar volgend op het jaar van ingebruikname van de investering.
9
Meerjarenbegroting en investeringsplan De meerjarenbegroting wordt op productniveau (functioneel) samengesteld. Daarnaast zal bij de begroting een overzicht worden gevoegd dat weergeeft op welke wijze de begrotingsresultaten van de onderscheidene jaren, op basis van de in de voorafgaande begroting weergegeven positie en het eerder gepresenteerde beeld, tot stand zijn gekomen. Het meerjaren investeringsplan bevat alle (vervangings-)investeringen welke zich aandienen in de periode 2025 tot en met 2028. In de begroting wordt de jaarschijf 2025 van dit overzicht opgenomen met inachtneming van het hiervoor over gemeentelijke tariefaanpassingen gestelde (=geen tariefverhogingen buiten inflatie, met uitzondering van rioolrechten). De vervangingsinvesteringen welke voorzien zijn voor 2025, worden geacht door de raad te zijn geaccordeerd middels vaststelling van de begroting 2025. In die zin geldt vaststelling van de begroting als formele kredietvotering voor het doen van de in dat begrotingsjaar voorziene vervangings-investeringen. De lasten die verband houden met de vervangingsinvesteringen zijn verwerkt in de begroting. De vervangingsinvesteringen 2026 – 2028 worden indicatief opgenomen.
Daarnaast bevat het meerjaren investeringsplan alle nieuwe investeringen (investeringen niet zijnde vervangingsinvesteringen) welke zich aandienen in de periode 2025 tot en met 2028, met inzicht in de bijbehorende kapitaallasten. Is een nieuwe investering voor het jaar 2025 naar de mening van het college voldoende voorgecalculeerd, dan geldt vaststelling van de begroting door de raad als formele kredietvotering. Is de investering onvoldoende voorgecalculeerd en/of is de investering van zodanige aard dat de kaderstellende* rol van de raad in het geding is, dan dient niet de begroting als kredietvotering, maar dan dient de raad op afzonderlijk voorstel van het college een krediet te voteren. Het onderscheid waaruit enerzijds blijkt voor welke investeringen bij de begroting een krediet wordt gevoteerd en anderzijds later separate voorstellen zullen worden voorgelegd, dient duidelijk in de begroting c.q. het meerjaren-investeringsplan voor de raad zichtbaar gemaakt te worden. * Met kaderstellende rol wordt o.a. bedoeld dat de investering leidt tot ingrijpende planologische maatregelen, grote maatschappelijke impact heeft of onderdeel uitmaakt van een groter geheel. Indien deze aspecten aan de orde zijn, dan is daardoor een integrale afweging door de raad noodzakelijk. Het is belangrijk dat de raad zijn budgetrecht in de meest brede zin ten volle kan benutten.
10
Toegestaan budget Het budget 2025 mag het budget 2024 niet overschrijden, anders dan door de raad geaccordeerde begrotingswijzingen (bv. bij Najaarsbericht of Voorjaarsbericht), door inflatie en n.a.v. besluitvorming in het kaderstellend debat. Verschuivingen van budgetten binnen een product / kostenplaats zijn toegestaan, mits de economische categorie niet wijzigt. Subsidies zijn verbonden met bepaalde instellingen en kapitaallasten met bepaalde investeringen. Hiermee mag niet worden geschoven. Verder is een verschuiving alleen toegestaan als de doelstelling van het product gehandhaafd blijft. Indien als gevolg van rijksbeleid extra middelen aan gemeenten worden toegekend die specifiek besteed moeten worden aan bepaalde taken, dan worden deze extra middelen ook uitsluitend daarvoor bestemd. Voor middelen die via de algemene uitkering uit het gemeentefonds beschikbaar komen, bestaat volledige vrijheid in de besteding. Dit geldt ook voor extra middelen die geoormerkt worden toegekend. De oormerkingen vanuit het gemeentefonds worden in eerste instantie op het product 915 algemene baten en lasten opgenomen. Vanuit de teams kunnen goed onderbouwde voorstellen worden gedaan om hierop een beroep te doen. Voorstellen worden via de P&C-cyclus aan de raad voorgelegd. Uitgangspunt is steeds dat de begroting toereikende taakstellende budgetten bevat voor de uitvoering van taken.
Over- en onderschrijdingen van budgetten leiden tot resultaten in de jaarrekening. Het is niet wenselijk om door middel van egalisatiereserves uitgaven te egaliseren. Dit leidt tot allerlei potjes en het onttrekken van middelen waaraan door de raad andere bestemmingen hadden kunnen worden gegeven. Bovendien moet de dekking uit die egalisatieserves worden verantwoord in het overzicht van incidentele baten en lasten.
Nota van Uitgangspunten 2025
pagina 4
UITGANGSPUNTEN VOOR DE SAMENSTELLING VAN DE BEGROTING 2025 Het hanteren van een egalisatiereserve / - voorziening is beperkt tot twee situaties: Er bestaat onzekerheid over de benodigde omvang van budgetten en daaraan gerelateerde ontvangen middelen van derden maken het mogelijk uitgaven te egaliseren; Er is sprake van bij inwoners en bedrijven geheven middelen voor een bepaald doel en er bestaat de verplichting die middelen voor dat doel te bestemmen. Dit is van toepassing voor de rioolrechten en afvalstoffen-/reinigingsrechten.
11
Begrotingspost voor onvoorziene uitgaven (€ 100.000) Op de begrotingspost onvoorziene lasten (6913010) komt de begrotingsruimte naar voren. De post onvoorzien bevat bij aanvang van het begrotingsjaar tenminste de ruimte die noodzakelijk wordt geacht om bij de begroting niet voorziene zaken te kunnen dekken. Net zoals in voorgaande jaren wordt Onvoorzien geraamd op € 100.000.
12
Kwantitatieve informatie Met betrekking tot ieder programma / hoofdstuk / paragraaf / activiteit dient voor college en raad relevante (stuur) informatie te worden vermeld. Deze informatie dient een antwoord te geven op de vraag wat we ermee willen bereiken en wat we als gemeente gaan doen om dit te bereiken. In de vorm van prestatie-indicatoren wordt een en ander zo concreet en meetbaar mogelijk weergegeven. Voor wat betreft de prestatie-indicatoren wordt tenminste voldaan aan de wettelijke vereisten c.q. aan het overzicht van prestatie-indicatoren dat het mogelijk maakt gemeenten onderling te vergelijken. Doel is dat gemeten kan worden ofwel dat achteraf verantwoording wordt afgelegd over het bereiken van de vooraf gestelde doelen. De verstrekte financiële informatie behorend bij de vraag “wat het programma mag kosten” dient te worden afgezet tegen die van de begroting 2024 voor zover er sprake is van een afwijking.
13
Aanpassing begroting op tussentijdse begrotingsresultaten Voor zover de begroting op grond van een raadsvoorstel tussentijds bijstelling behoeft en deze bijstelling niet budgettair neutraal verloopt, worden positieve resultaten gedurende het begrotingsjaar apart gezet op product 950 van de begroting als begrotingsruimte en voor negatieve bijstelling wordt dekking aangegeven. Als dekkingsmiddel dient in principe de algemene reserve. Aan een eventueel na laatste begrotingswijziging optredend positief resultaat wordt, in afwachting van het resultaat van de jaarrekening, geen bestemming gegeven.
14
Dekking begrotingstekort /resultaatbestemming begroting en jaarrekening Uitgangspunt is een sluitende begroting en zo mogelijk een daarbij behorend sluitend meerjaren perspectief; rekening houdend met de handreiking “verduidelijking incidentele en structurele baten en lasten” van de Provincies. Gelet op het ravijnjaar 2026 is al duidelijk dat het meerjarenperspectief niet sluitend zal zijn. In raadsinformatiebrief 131-23 is een procesvoorstel opgenomen om richting Kadernota 2026 nadere stappen te zetten om tot een verbeterd financieel meerjaren beeld te komen. Voor een begrotingstekort worden dekkingsmiddelen op de begroting gebracht ten laste van de post begrotingsruimte (die dan negatief is). In de prognose van de algemene reserve wordt dan rekening gehouden met een (voorlopige) onttrekking. Indien de begroting een positief resultaat geeft, wordt de raad een voorstel gedaan tot indicatieve bestemming van het resultaat. Uitgangspunt is dat de algemene reserve waar mogelijk geprioriteerd gevoed wordt. Gedurende het jaar wordt de prognose van het begrotingsresultaat gevolgd via het Voorjaarsbericht en het Najaarsbericht.
Indien bij de begroting of tussentijds het eventuele begrotingstekort wordt onttrokken uit de algemene reserve, wordt bij een overschot op de jaarrekening via de resultaatbestemming eerst dit uit de algemene reserve gedekte tekort in de algemene reserve aangezuiverd, alvorens er overige resultaatbestemmingen worden bepaald. Dit betekent dat bijvoorbeeld budgetoverhevelingen alleen kunnen worden geeffectueerd als er daarna nog voldoende te bestemmen resultaat overblijft.
15
Coalitieprogramma, kadernota en begroting Het coalitieprogramma 2022-2026 “Samen werken aan de toekomst” en de Kadernota 2025 vormen de basis voor de Programmabegroting 2025.
16
Nieuwe ontwikkelingen Op nieuwe ontwikkelingen zal in de Kadernota 2025 ingegaan worden.
C. PLANNING
Nota van Uitgangspunten 2025
pagina 5
UITGANGSPUNTEN VOOR DE SAMENSTELLING VAN DE BEGROTING 2025 2025
2024
17
Tijdschema
17.1
De Kadenota 2025 (2024) zal door het college na accordering aan de raad worden geaccordeerd op:
23-05-2024
25-05-2023
17.2
Het Kadernota 2025 (2024) wordt door de raad besproken op: 1e datum gespreksavond, 2e datum kaderstellend debat
20-06-2024 04-07-2024
08-06-2023 06-07-2023
17.3
Vanaf vermeld tijdstip worden begrotingswijzigingen, welke consequenties hebben voor het jaar 2025 en verder, als stelpost in de begroting, meegenomen. Dit impliceert, dat begrotingswijzigingen tot en met de raadsvergadering van juli 2024 functioneel in de begroting verwerkt worden. Daarna worden alle mutaties op product 915 verwerkt. Dit laatste geldt ook voor kapitaallasten van investeringen die op enig investeringsprogramma van een door de raad vastgestelde begroting behoren en waarvoor door de raad nog geen kredieten beschikbaar zijn gesteld. De Programmabegroting 2025 (2024) zal door het college ter aanbieding aan de raad worden geaccordeerd op En worden verzonden op De begrotingsvergadering vindt plaats op: 1e datum gespreksavond, 2e datum begrotingsvergadering
augustus
augustus
28-09-2024 30-09-2024 29-10-2024 07-11-2024
28-09-2023 30-09-2023 24-10-2023 02-11-2023
17.4
17.5
Nota van Uitgangspunten 2025
pagina 6