Bijlage Nota van uitgangspunten 2023
Tekst van het document
UITGANGSPUNTEN VOOR DE SAMENSTELLING VAN DE BEGROTING 2023 A.
CIJFERMATIG (INDEXERING en AANTALLEN), MET TOELICHTING
1
Personeelslasten
1.1
Voor de Begroting 2023 wordt uitgegaan van 3,0 % salarisverhoging, tenzij op dat moment CAO-afspraken voor dat jaar bekend zijn. In dat geval worden die financieel doorgerekend. Voor de jaren daarna wordt geen rekening gehouden met salarisverhogingen.
1.2 1.3
2023
2022
3,0 %
1,5 %
0%
0%
Wijzigingen in werkgeverspremies kunnen leiden tot beslag op begrotingsruimte. De salariskosten voor de Begroting 2023 zullen berekend worden met de kennis van dat moment over de hoogte van werkgeverspremies voor 2023.
Nadere toelichting op personeelslasten 1. Toegestane formatie en salaris De toegestane ambtelijke formatie is verbijzonderd naar functies / medewerkers en ingedeeld naar organisatieonderdeel. Voor de raming van de salarispositie naar 2023 toe wordt rekening gehouden met het recht op periodieke verhogingen en uitlopen in 2022 en per 1 januari en 1 juli 2023. Recent is de CAO gemeenten voor 2021 en 2022 in werking getreden. Voor 2023 zijn voor gemeenten nog geen CAO-afspraken gemaakt. Het Centraal Planbureau (CPB) raamt nu 3,3% voor 2023. Indien er op het moment van samenstelling van de Begroting 2023 nog geen CAO-gemeenten voor 2023 is, wordt voor 2023 gerekend met een te verwachten stijging van 3,0 % (1,5% voor 2022). De werkgeverslasten worden geraamd op basis van de laatst bekend zijnde gegevens. Voor zover deze voor 2023 niet bekend zijn, wordt rekening gehouden met een stijging van 3,0 %. Dit is gebaseerd op de volgende factoren: De ramingen van het Centraal Planbureau (CPB) uit het Centraal Economisch Plan 2022. De inschatting is dat CAO-onderhandelingen 2023 tot een hogere salarisstijging zullen leiden dan in de Nota van Uitgangspunten 2022 (toen 1,5%), mede als gevolg van de oplopende inflatie.
Zeer recent is een aantal CAO’s afgesloten, waarin voor 2023 salarisverhogingen rond de 3% zijn afgesproken (CAO’s Verzekeringsbedrijf, Groen / Grond en Infrastructuur, Meubelindustrie en Interieurbouw). Bij onderhandelingen rondom CAO gemeenten zullen uitkomsten van de in de sector overheid af te sluiten CAO’s een rol spelen. In 2022 is de pensioenpremie ABP gelijk gebleven aan 2021; hoewel het ABP eerder nog een stijging had verwacht. Mogelijk zal de pensioenpremie na 2022 stijgen; dit is nog onzeker. 2. Overige salariscomponenten Dit overzicht bestaat uit een aantal categorieën: a. Salariskosten college; b. Vergoedingen raadsleden (en fractievolgers); c. Pensioenen en wachtgelden oud-bestuurders; d. Verplichtingen aan oud-medewerkers; e. Salariskosten van niet tot de toegestane formatie behorende medewerkers. f. Salaris gerelateerde componenten (onregelmatigheidstoeslag, piketvergoedingen, jubilea etc.) Basis voor de ramingen van de overige salariscomponenten zijn de werkelijke salariskosten (dus inclusief garanties, persoonlijke toelagen, uitlopen etc.) per januari 2022. M.b.t. categorie c. , d. en e. wordt vermeld wat naar verwachting het laatste jaar zal zijn dat de kosten zich voordoen. Indien kosten zich maximaal 3 jaar voordoen worden zij als incidenteel beschouwd en kan dekking uit incidentele middelen plaatsvinden.
2
Prijscompensatie
2.1
Na de verkenning van het Centraal Planbureau (CPB) uit september 2021 voor de middellange termijn 2022-2025 is de prijsindex flink aan het oplopen. Voor 2022 is de verwachting dat deze voor de overheid uitkomt op 4,1%, dat is al 2,6% hoger dan de in onze Nota van Uitgangspunten 2022 gehanteerde prijsindex van 1,5%. Normaal
2023
2022
5,0 %
1,5 %
NvU begroting 2023
UITGANGSPUNTEN VOOR DE SAMENSTELLING VAN DE BEGROTING 2023 2023
2022
5,0 %
1,5 %
5,0 %
1.5 %
3,0% 2,4%
1,85% 1,60%
Wettelijk maximum
Wettelijk maximum
gesproken houden wij in onze Nota van Uitgangspunten geen rekening met een dergelijk “na-ijl”-effect. Gelet op de bijzondere situatie wordt deze 2,6% wel meegewogen bij bepaling van de prijsindex voor 2023 (dit effect is namelijk structureel). Voor 2023 zelf verwacht het CPB een prijsindex van 2,3%. Samen met de 2,6% uit 2022 wordt dit (afgerond) 5,0% voor 2023. Dit betekent dat de ramingen 2023 ten aanzien van de categorieën 3.0 tot en met 3.4 en 6.0 de stortingen in reserves en voorzieningen, voor 2023 ten opzichte van 2022 met 3,0 % worden verhoogd (2022: 1,5 %; 2021: 2,0; 2020: 2,0; 2019: 1,0 %). In de langjarige doorrekening van grondexploitaties wordt met specifiek op de grondexploitatie gerichte percentages gerekend.
3 3a
Tarieven Tariefaanpassingen wegens inflatie
3.1
Alle gemeentelijke tarieven (zowel privaatrechtelijke als publiekrechtelijke) worden met het geraamde inflatiepercentage verhoogd. Zie verder hetgeen onder “opmerkingen” terzake kostendekkende tarieven” onder 3c. is gesteld).
3.2
Huurverhoging van de gemeentelijke panden (niet zijnde woningen), conform alle tariefaanpassingen, tenzij op basis van eerdere besluitvorming of contractueel anders is overeengekomen. Huurindexatie van gemeentelijke panden die gehuurd worden door een vereniging / instelling waarmee de gemeente een subsidierelatie heeft, wordt gelijkgesteld aan het indexatiepercentage van de subsidies. Voor budgetsubsidie is dit 3,0% en voor de overige subsidies is dit 2,4% (zie voor verdere inhoudelijke toelichting hierna onder 4.1 Subsidie).
3.3
Huurverhoging woningen conform maximaal wettelijk toegestane percentage.
3b
Tariefaanpassingen op basis van ingezet beleid
3.4
In de bij de Begroting 2022 behorende jaarschijf 2023 is geen rekening gehouden met een tariefverhoging OZB die leidt tot een hogere opbrengst dan in 2022. De laatste jaren is de lijn gevolgd om tarieven alleen met inflatiecorrectie aan te passen; dit blijft ook voor 2023 het uitgangspunt. Inflatiecorrectie: OZB tariefaanpassing overig leidend tot een opbrengstverhoging van:
5,0 % 0%
1,5 % 0%
Bedrag voor kwijtschelding (art.9 verordening afvalstoffenheffing)
€ 252
€ 240
3c
Nadere toelichting op tarieven Aanpassing van tarieven met het inflatiepercentage wordt in de begroting op de functionele posten verwerkt. Bij de berekening van de (kostendekkendheid van de) tarieven wordt de overhead (op grond van BBV-regelgeving) extracomptabel meegenomen. Uitgangspunt blijft kostendekkende tarieven, hoewel dat nog niet in alle gevallen haalbaar is. Alle voorstellen tot tariefaanpassingen dienen ten behoeve van de raad te zijn voorzien van een cijfermatige onderbouwing en zo nodig met een uitleg waarom tarieven (nog) niet kostendekkend zijn. Gemeentelijke dienstverlening, waarvoor door middel van de legesverordening tarieven worden geheven, geschiedt in principe tegen kostendekkende tarieven, waarvoor wel geldt dat prijs en prestatie tot elkaar in verhouding behoren te staan en dat waar van toepassing (bijvoorbeeld bij zwembadtarieven) rekening wordt gehouden met de concurrentiepositie. Kostendekking kan worden bereikt door middel van kostenreductie, dan wel door middel van tariefaanpassing. Van beide opties geniet kostenreductie de voorkeur. Voorts is het mogelijk dat kostendekking middels het geleidelijk doorvoeren van tariefverhoging wordt bereikt. Met areaaluitbreiding en autonome groei dient zowel aan de inkomsten- als aan de kostenkant rekening te worden gehouden.
In artikel 9 van de verordening afvalstoffenheffing 2022 is een maximumbedrag van € 240,- per jaar aan kwijtschelding opgenomen. Voorgesteld wordt dat met 5% te verhogen: afgerond € 252 voor 2023.
4
Subsidies aan instellingen NvU begroting 2023
D16-0 1935 52
2
UITGANGSPUNTEN VOOR DE SAMENSTELLING VAN DE BEGROTING 2023 4.1
5
We maken een onderscheid tussen enerzijds de raming van subsidies in de begroting en anderzijds de uiteindelijke verlening van subsidies. Met nadruk wordt opgemerkt dat voor de bepaling van het subsidie niet het in de begroting geraamde bedrag bepalend is, maar daartoe de subsidieverordening en gemaakte afspraken met organisaties leidend zijn. Daarnaast maken we een onderscheid tussen enerzijds budgetsubsidies en anderzijds overige subsidies. Voor budgetsubsidie is de subsidie- en huurindexering 2022-2024 bij de Nota van Uitgangspunten 2022 op 1,85% vastgesteld. Voor de overige subsidies is de subsidie- en huurindexering op voor de jaren 2022-2024 op 1,60% bepaald. Over de laatste jaren (vanaf 2016) is op basis van de Nota’s van Uitgangspunten een analyse gemaakt waaruit is gebleken dat de gemiddelde indexering van de subsidies voldoende is geweest. Voor 2022 en 2023 is dat op basis van de bestaande systematiek niet meer zo. Voor budgetsubsidies wordt op grond van recente CAO’s Welzijn / Maatschappelijke Dienstverlening, Bibliotheken en Publieke Kunsteducatie voorgesteld in 2023 een index van 3,0% te hanteren. Voor de overige subsidies wordt op basis van gegevens van het CPB / overheidsconsumptie een index voorgesteld van 2,4%. Voor de periode 2018-2021 geeft het CPB 2,0% aan (was 1,7%), voor 2022 – 2025 2,8% (was 1,5%); gemiddeld wordt dit dan 2,4%.
Bij de samenstelling van de begroting 2023 zullen zoveel als mogelijk subsidies geraamd worden op basis van informatie die door het desbetreffende team zal worden verstrekt. Bij de Nota van Uitgangspunten 2024 zal opnieuw naar de indexering worden gekeken; vooralsnog houden we daar 1,85% en 1,6% aan.
2023
2022
Budgetsubsidie 3,0% Overige subsidies 2,4%
Budgetsubsidie 1,85% Overige subsidies 1,60%
Specifieke indexeringen De begroting van de gemeente Waalwijk kent een aantal posten waarvoor een specifieke indexering geldt. De belangrijkste posten betreffen de verbonden partijen en de budgetten jeugd, regiovervoer en onderwijshuisvesting. De verbonden partijen (zoals gemeenschappelijke regelingen) hanteren een eigen index, die meestal wel in buurt ligt van de door ons gehanteerde indexen. De nieuwe begrotingen van die verbonden partijen worden daarop getoetst en eventuele afwijkingen worden toegelicht in de raadsvoorstellen voor die begrotingen 2023. Voor de budgetten jeugd en regiovervoer wordt in het voorjaar de indexering voor 2023 bekend, waarop wij moeten aansluiten. Voor jeugd is die afkomstig van de regio Hart van Brabant op basis van hun Kadernota. Voor regiovervoer komt de indexering van bureau regiovervoer Midden-Brabant op basis van hun contractafspraken. Voor onderwijshuisvesting wordt, gelet op de voor die sector sterk stijgende (bouw)kosten en in vervolg op een toezegging aan het Auditcomité op 18 januari 2022, een extra indexering van 2% voorgesteld; deze komt bovenop de reguliere prijsindex (wordt 7%).
6
Rentepercentages
6.1
Bij de begroting 2022 is de rente-omslag herberekend en uitgekomen op 1,0% (was daarvoor 1,5%). Bij het samenstellen van de begroting 2023 zal op grond van de BBV-regels het exacte percentage worden berekend. De verwachting is overigens dat de rente-omslag voor 2023 op 1,0% zal blijven. Rente financieringspositie over de eerste € 13 miljoen (kasgeldlimiet) (in 2022 € 13 miljoen). Rente financieringspositie over het meerdere boven € 13 miljoen (in 2022 € 13 miljoen).
6.2 6.3
1,00%
1,00%
0,00%
0,00%
1,00%
1,00%
Nadere toelichting op rentepercentages De rentetoerekening is gebaseerd op het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV). Ingeschat wordt dat de in de begroting te hanteren rente uitkomt rond 1,0%. Voor nog in het jaar 2022 aan te trekken geld hebben wij ons qua rentepercentages gebaseerd op verwachtingen van deskundigen, waaraan wij een voorzichtige inschatting hebben toegevoegd. Dit leidt ertoe dat het rentepercentage over de eerste € 13 miljoen (2021 € 12 miljoen) die we moeten financieren (kort geld / kasgeldlimiet) daalt van 0,5% in 2021 naar 0,0% in 2022. De rente boven die € 13 miljoen wordt verlaagd van 1,50% naar 1,00%.
7
Aantallen inwoners en woonruimten
2023
2022
7.1
Aantal inwoners per 1 januari
49.511
49.311
7.2
Aantal woonruimten per 1 januari (zie toelichting onder 7.3.)
22.300
22.300
NvU begroting 2023
D16-0 1935 53
3
UITGANGSPUNTEN VOOR DE SAMENSTELLING VAN DE BEGROTING 2023 2023 7.3
2022
Nadere toelichting op inwoners en woonruimten In voorkomende gevallen wordt bij de raming van baten en lasten rekening gehouden met de hierna vermelde aantallen per 1 januari 2023 en de mutaties van 2022 naar 2023. Voor bepaling van het aantal woonruimten worden BAG-criteria gehanteerd. Ramingen zijn gebaseerd op de Regionale Agenda Wonen, waarin de regio met de provincie afspraken maakt over woningbouwafspraken. Deze zijn gebaseerd op vierjaarlijkse bevolkings- en woningbehoefte-prognoses. Voor de berekening van ramingen wegens OZB opbrengsten wordt gebruik gemaakt van de meest recente gegevens die op het moment van samenstellen van de begroting beschikbaar zijn. De algemene uitkering uit het gemeentefonds wordt opgenomen voor het bedrag volgens de berekeningen van de Meicirculaire. De reeksen van de afgelopen jaren c.q. de prognose zijn:
01-01-2016 01-01-2017 01-01-2018 01-01-2019 01-01-2020 01-01-2021 (raming/werkelijk) 01-01-2022 (raming/werkelijk) 01-01-2023 (raming)
Inwoners NVU 2022 47.021 47.410 47.725 48.240 48.637 48.847 49.311 n.v.t.
Inwoners NVU 2023 47.021 47.410 47.725 48.240 48.637 48.815 49.378 49.511
Woonruimten NVU 2022 20.952 21.242 21.538 21.782 21.949 22.090 22.300 n.v.t.
Woonruimten NVU 2023 20.952 21.242 21.538 21.782 21.948 21.996 22.240 22.300
Opmerkingen: - Het aantal inwoners per 1-1-2022 is een voorlopig aantal, het definitieve cijfer van het CBS volgt later. Het aantal per 1-1-2023 is een schatting. - Het werkelijk aantal woningen per 1-1-2022 volgt pas later vanuit het CBS. Op basis van cijfers tot en met november 2021 is een inschatting gemaakt voor 1-1-2022. - Omdat eind dit jaar de sloop van de tweede fase Bloemenoord wordt verwacht, zal het netto aantal woningen in 2022 niet heel hard stijgen.
B.
8
OVERIGE UITGANGSPUNTEN
Nieuw beleid en instandhouding bestaand beleid Naar aanleiding van het nieuwe nog op te stellen coalitieakkoord voorafgaand aan de Begroting 2023 spreekt de raad zich uit met welke items het college rekening dient te houden bij de samenstelling van de begroting. Indien het college andere maatregelen in de begroting wenst op te nemen, dan worden deze ten behoeve van de begrotingsvaststelling separaat aan de raad voorgelegd en nog niet verwerkt in de begroting. Dekking van kapitaallasten nieuw beleid Voor de raming van kapitaallasten van nieuwe investeringen sluiten we aan bij het gemeenschappelijk financieel toezichtkader van de provincies. Dit betekent dat we in het te verwachten jaar van aanvang van de werkzaamheden (niet zijnde de voorbereiding daarvan) de volledige kapitaallasten van de investering op de begroting ramen en voor het bedrag dat in dat jaar niet benodigd is, onderuitputting ramen. Deze onderuitputting kan als incidenteel dekkingsmiddel op het betreffend begrotingsjaar worden ingezet. De volledige kapitaallasten zonder dat daar tegenover onderuitputting wordt geraamd, drukken op de begroting vanaf het jaar volgend op het jaar van ingebruikname van de investering.
9
Meerjarenbegroting en investeringsplan De meerjarenbegroting wordt op productniveau (functioneel) samengesteld. Daarnaast zal bij de begroting een overzicht worden gevoegd dat weergeeft op welke wijze de begrotingsresultaten van de onderscheidene jaren, op basis van de in de voorafgaande begroting weergegeven positie en het eerder gepresenteerde beeld, tot stand zijn gekomen. Het meerjaren investeringsplan bevat alle (vervangings-)investeringen welke zich aandienen in de periode 2023 tot en met 2026. In de begroting wordt de jaarschijf 2023 van dit overzicht opgenomen met inachtneming van het hiervoor over gemeentelijke tariefaanpassingen gestelde (=geen tariefverhogingen buiten inflatie). De vervangingsinvesteringen welke voorzien zijn voor 2023 worden geacht door de raad te zijn geaccordeerd middels vaststelling van de begroting 2023. In die zin geldt vaststelling van de begroting als formele kredietvotering voor het doen van de in dat begrotingsjaar voorziene
NvU begroting 2023
D16-0 1935 54
4
UITGANGSPUNTEN VOOR DE SAMENSTELLING VAN DE BEGROTING 2023 vervangingsinvesteringen. De lasten die verband houden met de vervangingsinvesteringen zijn verwerkt in de begroting. De vervangingsinvesteringen 2024 – 2026 worden indicatief opgenomen. Daarnaast bevat het meerjaren investeringsplan alle nieuwe investeringen (investeringen niet zijnde vervangingsinvesteringen) welke zich aandienen in de periode 2023 tot en met 2026, met inzicht in de bijbehorende kapitaallasten. Is een nieuwe investering voor het jaar 2023 naar de mening van het college voldoende voorgecalculeerd, dan geldt vaststelling van de begroting door de raad als formele kredietvotering. Is de investering onvoldoende voorgecalculeerd en/of is de investering van zodanige aard dat de kaderstellende* rol van de raad in het geding is, dan dient niet de begroting als kredietvotering, maar dan dient de raad op afzonderlijk voorstel van het college een krediet te voteren. Het onderscheid waaruit enerzijds blijkt voor welke investeringen bij de begroting een krediet wordt gevoteerd en anderzijds later separate voorstellen zullen worden voorgelegd, dient duidelijk in de begroting c.q. het meerjaren-investeringsplan voor de raad zichtbaar gemaakt te worden. * Met kaderstellende rol wordt o.a.
bedoeld dat de investering leidt tot ingrijpende planologische maatregelen, grote maatschappelijke impact heeft of onderdeel uitmaakt van een groter geheel. Indien deze aspecten aan de orde zijn, dan is daardoor een integrale afweging door de raad noodzakelijk. Het is belangrijk dat de raad zijn budgetrecht in de meest brede zin ten volle kan benutten.
10
Toegestaan budget Het budget 2023 mag het budget 2022 niet overschrijden, anders dan door de raad geaccordeerde begrotingswijzingen (bv. bij Najaarsbericht of Voorjaarsbericht), door inflatie en n.a.v. besluitvorming rondom het nieuwe coalitieprogramma in het kaderstellend debat. Verschuivingen van budgetten binnen een product / kostenplaats zijn toegestaan, mits de economische categorie niet wijzigt. Subsidies zijn verbonden met bepaalde instellingen en kapitaallasten met bepaalde investeringen. Hiermee mag niet worden geschoven. Voorts is een verschuiving alleen toegestaan als de doelstelling van het product gehandhaafd blijft. Indien als gevolg van rijksbeleid extra middelen aan gemeenten worden toegekend die specifiek besteed moeten worden aan bepaalde taken, dan worden deze extra middelen ook uitsluitend daarvoor bestemd. Voor wat betreft de door middel van de algemene uitkering uit het gemeentefonds beschikbaar gestelde middelen bestaat volledige vrijheid in de besteding van deze middelen. Dit geldt ook voor in de algemene uitkering uit het gemeentefonds begrepen extra middelen die op geoormerkte wijze worden toegekend. De oormerkingen vanuit het gemeentefonds worden in eerste instantie op het product 915 algemene baten en lasten opgenomen. Vanuit de teams kunnen goed onderbouwde voorstellen worden gedaan om hierop een beroep te doen.
Voorstellen worden via de P&C-cyclus aan de raad voorgelegd. Uitgangspunt is steeds dat de begroting toereikende taakstellende budgetten bevat voor de uitvoering van taken. Over- en onderschrijdingen van budgetten leiden tot resultaten in de jaarrekening. Het is niet wenselijk om door middel van egalisatiereserves uitgaven te egaliseren. Dit leidt tot allerlei potjes en het onttrekken van middelen waaraan door de raad andere bestemmingen hadden kunnen worden gegeven. Bovendien moet de dekking uit die egalisatieserves worden verantwoord in het overzicht van incidentele baten en lasten. Het hanteren van een egalisatiereserve / - voorziening is beperkt tot twee situaties: • Er bestaat onzekerheid over de benodigde omvang van budgetten en daaraan gerelateerde ontvangen middelen van derden maken het mogelijk uitgaven te egaliseren; • Er is sprake van bij inwoners en bedrijven geheven middelen voor een bepaald doel en er bestaat de verplichting die middelen voor dat doel te bestemmen. Dit is van toepassing voor de rioolrechten en afvalstoffen-/reinigingsrechten.
11
Begrotingspost voor onvoorziene uitgaven (€ 100.000) Op de begrotingspost onvoorziene lasten (6913010) komt de begrotingsruimte naar voren. De post onvoorzien bevat bij aanvang van het begrotingsjaar tenminste de ruimte die noodzakelijk wordt geacht om bij de begroting niet voorziene zaken te kunnen dekken. Net zoals in voorgaande jaren wordt Onvoorzien geraamd op € 100.000.
12
Kwantitatieve informatie Met betrekking tot ieder programma / hoofdstuk / paragraaf / activiteit dient voor college en raad relevante (stuur) informatie te worden vermeld. Deze informatie dient een antwoord te geven op de vraag wat we ermee willen bereiken en wat we als gemeente gaan doen om dit te bereiken. In de vorm van prestatie-indicatoren wordt een en ander zo concreet en meetbaar mogelijk weergegeven. Voor wat betreft de prestatie-indicatoren wordt tenminste voldaan aan de wettelijke vereisten c.q. aan het overzicht van prestatie-indicatoren dat het mogelijk maakt gemeenten onderling te vergelijken. Doel is dat gemeten kan worden ofwel dat achteraf verantwoording wordt afgelegd over het bereiken van de vooraf gestelde doelen.
NvU begroting 2023
D16-0 1935 55
5
UITGANGSPUNTEN VOOR DE SAMENSTELLING VAN DE BEGROTING 2023 De verstrekte financiële informatie behorend bij de vraag “wat het programma mag kosten” dient te worden afgezet tegen die van de begroting 2022 voor zover er sprake is van een afwijking.
13
Aanpassing begroting op tussentijdse begrotingsresultaten Voor zover de begroting op grond van een raadsvoorstel tussentijds bijstelling behoeft en deze bijstelling niet budgettair neutraal verloopt, worden positieve resultaten gedurende het begrotingsjaar geparkeerd op product 950 van de begroting als begrotingsruimte en voor negatieve bijstelling wordt dekking aangegeven. Als dekkingsmiddel dient in principe de algemene reserve. Aan een eventueel na laatste begrotingswijziging optredend positief resultaat wordt, in afwachting van het resultaat van de jaarrekening, geen bestemming gegeven.
14
Dekking begrotingstekort /resultaatbestemming begroting en jaarrekening Uitgangspunt is een sluitende begroting en zo mogelijk een daarbij behorend sluitend meerjaren perspectief; rekening houdend met de handreiking “verduidelijking incidentele en structurele baten en lasten” van de Provincies Indien het meerjarenperspectief niet sluitend is, zal het college aan het eind van haar bestuursperiode een overdrachtsdocument vervaardigen waarin handreikingen worden gegeven om tot een sluitend meerjarenperspectief te komen. Voor een begrotingstekort worden dekkingsmiddelen op de begroting gebracht ten laste van de algemene reserve. Indien de begroting een positief resultaat geeft, wordt de raad een voorstel gedaan tot bestemming van het resultaat. Uitgangspunt is dat de algemene reserve waar mogelijk geprioriteerd gevoed wordt. Indien de jaarrekening van het betreffende jaar een positief resultaat geeft, wordt dit resultaat in ieder geval aangewend voor de aanvulling van de algemene reserve met de daaraan onttrokken middelen voor het sluitend maken van de begroting en voor de overheveling van budgetten naar het volgend begrotingsjaar. Indien de jaarrekening daarna nog een positief resultaat geeft, wordt de raad een voorstel gedaan tot bestemming van het resultaat. Uitgangspunt is dat de algemene reserve waar mogelijk geprioriteerd gevoed wordt.
15
Coalitieprogramma, kadernota en begroting Het nieuwe na de gemeenteraadsverkiezingen op te stellen coalitieprogramma 2022-2026 en de Programmabegroting 2022 vormen de basis voor de Programmabegroting 2023.
16
Nieuwe ontwikkelingen Op nieuwe ontwikkelingen zal in het financieel beeld bij het nieuwe coalitieprogramma ingegaan worden.
C. PLANNING
17
Tijdschema
17.1
Het (nieuwe) coalitieakkoord zal door het college ter aanbieding aan de raad worden geaccordeerd op (2021 was Kadernota 2022):
17.2
Het (nieuwe) coalitieakkoord wordt door de raad besproken op: (2021 was kaderstellend debat).
17.3
Vanaf vermeld tijdstip worden begrotingswijzigingen, welke consequenties hebben voor het jaar 2023 en verder, als stelpost in de begroting, meegenomen. Dit impliceert, dat begrotingswijzigingen tot en met de raadsvergadering van juli 2022 functioneel in de begroting verwerkt worden. Daarna worden alle mutaties op product 915 verwerkt. Dit laatste geldt ook voor kapitaallasten van investeringen die op enig investeringsprogramma van een door de raad vastgestelde begroting behoren en waarvoor door de raad nog geen kredieten beschikbaar zijn gesteld. De Programmabegroting 2023 (2022) zal door het college ter aanbieding aan de raad worden geaccordeerd op En worden verzonden op De begrotingsvergadering vindt plaats op: (20 oktober 2022: gespreksavond)
17.4
17.5
2023
2022
Nog nader te bepalen Nog nader te bepalen
18-05-2021
Augustus
augustus
27-09-2022 29-09-2022
28-09-2021 30-09-2021
20-10-2022 10-11-2022
14-10-2010 04-11-2021
24-06-2021 15-07-2021
NvU begroting 2023
D16-0 1935 56
6