Bijlage bij Inspreekbetoog S. Verbeek
Tekst van het document
FACTSHEET STANDERDMOLEN ‘DYE SPRANCKE’
De molen is gebouwd in 1747 te Vrijhoeve en in 1854 verplaatst naar zijn huidige locatie Het type van de molen is een standerdmolen (geheel houten constructie en extra kwetsbaar voor ‘valse winden’ en turbulentie) Het is de laatste originele standerdmolen van de gehele Langstraat en daardoor van grote culturele en historische waarde Het is ook de enig overgebleven molen in de gehele gemeente Waalwijk De molen is nu alleen korenmolen, maar was ooit ook schorsmolen tbv van de leerlooierijen en de schoenindustrie (sterke relatie met de geschiedenis van de streek) De spanwijdte (vlucht) van de wieken is 26 meter, de askop (kruispunt van de wieken) zit dus op ongeveer 13 meter; even hoog als het geprojecteerde appartementengebouw in de Molenhoek; wat betekent dat daar straks alleen de bovenste wiek nog bovenuit komt De gemeente is de eigenaar van de molen.
WINDRICHTINGEN / WINDGATEN Bij de eerste ruimtelijke ontwikkelingen rondom de molen heeft de vm. gemeente Sprang-Capelle de molenbiotoop willen waarborgen door het stedenbouwkundige concept van ‘windgaten’. Voor de richting zuidoost (richting de kerk) is daarom het Molenplein bedacht. Op het zuidwesten in de bebouwing aan de Esdoornlaan is ook een windcorridor aangelegd. Ondanks de goede bedoelingen bij het ontwerp zijn beide windgaten compleet dichtgegroeid met bomen. Werden de bomen aan het Molenplein door de vm. Gemeente Sprang-Capelle nog geregeld gesnoeid en onderhouden, sinds de gemeentelijke samenvoeging zijn de bomen doorgegroeid. Ondanks dat er ten gemeentehuize al diverse gesprekken over zijn gevoerd, wordt er steeds gezegd dat de bomen nu tot de ‘groene hoofdstructuur’ behoren en dat er geen mogelijkheden zijn om de bomen te snoeien dan wel te vervangen door andere (lager blijvende) bomen. Terwijl de ruimtelijke kwaliteit juist zou kunnen toenemen als ook de zichtbaarheid van de molen wordt vergroot! Voor het zuidwestelijke windgat geldt eveneens dat het is dichtgegroeid, de bomen die de ergste hinder geven staan ook in een gemeentelijk plantsoen (zie foto Google Maps, vanuit de Esdoornlaan richting molen)
NOORD: Historische molenerf molenaar Volkers. Oorspronkelijk lage bebouwing. Vlak achter het erf van Volkers ligt de bebouwing van Villa Dotterbloem (Landgoed Driessen, 3 verdiepingen gebouwen). In 2024 is de bebouwing op het erf van Volkers gesloopt. De ontwikkelaar mag hier niet hoger bouwen dan 3 meter vanwege de molenbiotoop, terwijl vlak daarachter dus panden van 10 meter hoog in het verleden wel zijn toegestaan. Met het verdwijnen van de historisch met de molen gerelateerde bebouwing en erf is de molen overigens losgerukt uit zijn historische context met zijn omgeving. NOORDOOST en OOST: Het Koetshuis, Landgoed Driessen. Ook hier overschrijdt de bestaande bebouwing de molenbiotoop ruim. Wel zijn op deze windrichting onlangs een rij bomen gekapt / gesnoeid ten behoeve van de molen, als ‘wisselgeld’ voor de ontwikkeling op het terrein van Volkers (genoemd onder ‘noord’.) ZUIDOOST EN ZUID: Het Molenplein, oorspronkelijk bedoeld als ‘windgat’ nu vol met grote bomen. Het plan Molenhoek (Molenstraat) verrijst hier vlak achter, met dus het hoogste (appartementen)gebouw in deze ontwikkeling het dichtst bij de molen ipv het verste ervan af. Hieronder een tweetal foto’s van hoe het Molenplein er vanuit de molen uitzag na de aanleg ervan als windgat.
ZUIDWEST: Woningen Esdoornlaan. Ook hier was een windgat waar nu bomen staan, zie eerdere foto over dit onderwerp WEST en NOORDWEST: Hier hield Sprang vroeger op en begon de polder. Nu is dit gebied ook in ontwikkeling gekomen bij de uitbreiding van Landgoed Driessen en aangesloten op de bestaande
bebouwing in de Esdoornlaan. Momenteel voor de molen nog een ‘redelijke’ windrichting omdat hier (nog!) geen hoge bomen staan (daarvoor is de ontwikkeling nog te jong). Wel is er zorgen om een plan dat ook gaat spelen in de toekomst, namelijk de enige open ruimte op de hoek van de Esdoornlaan / Oudestraat (ongeveer waar de Oudestraat over gaat in een fietsstraat) wordt ook nog volgebouwd. Conclusie windrichtingen / windroos: Geen enkele windrichting is onaangetast gebleven. Slechts 1 windrichting is (nog) redelijk te noemen, alle andere windrichtingen zijn te classificeren als matig, slecht en zelfs zeer slecht.
Molenplein vroeger
MOLENBIOTOOPINVENTARISATIE PROVINCIE NOORD-BRABANT Vijf jaar geleden heeft de Provincie voor alle Brabantse molens een biotooprapport gemaakt. (zie: https://noord-brabant.molenbiotoop.nl/) Hier is de windroos inzichtelijk gemaakt met alle overschrijdingen in hoogte van alle objecten in de omgeving (zowel bomen als gebouwen). Hierbij krijgt de molenbiotoop een waardering mee van ‘slecht’.
WAT BETEKENT DIT VOOR DE MOLEN EN DE MOLENAAR? De ernstig verminderde windvang heeft uiteraard gevolgen. Ten eerste is het aantal dagen dat de molen daadwerkelijk zijn functie kan uitoefenen (het malen van graan) gereduceerd tot gemiddeld 2 dagen per maand ipv 3 dagen per week. Dat precies die maalbare dagen op een zaterdag uitkomen gebeurt bijna nooit, zodat bezoekers eigenlijk nooit een malende molen kunnen zien. Het alleen laten draaien van de wieken (onbelast) lukt vaak nog wel, maar dan moet er onevenredig veel zeil op de wieken worden gespannen wat het risico met zich meebrengt dat de molen op hol kan
slaan als de wind er ineens wél door komt (om een gebouw heen of door de bomen die bij een bepaalde windkracht gaan meebuigen en wind doorlaten). De molen draait dan een zeer onregelmatig tempo waarbij de houten constructie erg te lijden heeft. De molen is een standerdmolen, wat betekent dat de gehele houten molenkast draaibaar is om een houten spil (de standerd) en eigenlijk op de top van de standerd balanceert. Omdat alleen de bovenste helft van de wiekencirkel nog maar winddruk heeft én de overgebleven wind erg turbulent is wordt de constructie verkeerd belast. Alle houtverbindingen in de molen zijn 18 e eeuws en gemaakt met pen-en-gat verbindingen en zwaluwstaarten (zonder schroeven en spijkers), wat erop neer komt dat de molen tijdens het in bedrijf zijn als het ware uit elkaar wordt getrokken. Een standerdmolen deint altijd wat op en neer tijdens het malen, maar de Sprangse molen wiebelt duidelijk veel harder dan zijn collega die wel de vrije (en constante) wind heeft. In de praktijk voor de molenaar geldt ook nog eens dat hij A; de werkelijke windsterkte boven de bomen en huizen nauwelijks meer kan inschatten. B: doordat het zicht op de horizon is verdwenen is het zien aankomen van weersveranderingen (zoals plots opkomende buien!) ook nagenoeg onmogelijk is geworden met alle gevaren van dien.
Het plezier en de zin om zaterdags naar de molen te gaan is voor (eender welke) molenaar nauwelijks meer aanwezig, omdat het meer op kunst- en vliegwerk lijkt dan op het malen met een molen.
WINDONDERZOEKEN Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling binnen de molenbiotoop moet worden aangegeven of die daarbinnen past, of moet worden aangetoond dat een eventuele overschrijding ‘acceptabel’ is. Dat laatste gebeurt vaak door een computermodel van een windtunnelonderzoek. Zulke rapporten zijn duur, en rechtvaardigen bijna altijd de voor ogen staande ontwikkeling omdat die maar op 1 plek in de 360 graden windroos plaatsvindt. En dan wordt er ook vaak gerekend met gemiddelde waarden van wind, en zodra je het gemiddelde van het gemiddelde neemt rolt er al vlug een waarde uit die klein genoeg is om als acceptabel te worden gezien. Er wordt nooit gekeken naar wat er al aan windhinder aanwezig is, het totaalplaatje dus. Sterker nog, het wordt juist nog wel eens als argument gebruikt in de zin van: ‘de windhinder is toch al groot, dan maakt dit ook niet meer uit’. Maar met de redenatie wordt sterk voorbijgegaan aan de zorgplicht die er is voor de molen, die ook nog Rijksmonument is.
WAAROM EEN MOLENPLAN / BELEID VOOR DE MOLEN? Nu moet bij iedere ontwikkeling opnieuw getoetst worden, moet er steeds een duur onderzoek worden gedaan, moeten de molenaars daar steeds weer op reageren, met iedere keer dezelfde uitkomst: het is acceptabel, zonder het totaal van de situatie te beoordelen. Indien er een molenplan ligt waarin is nagedacht wat we in de toekomst met de molen en zijn omgeving zouden willen, dan is er gewoon duidelijk wat wel en wat niet kan rondom de molen. Past een toekomstige ontwikkeling vlakbij de molen wel of niet in het toekomstscenario van de molen, waarover eerder gezamenlijk is nagedacht en een besluit genomen? Dan ligt er een duidelijk toetsingskader en zijn er geen dure onderzoeken of lastige procedures meer nodig.
SLOTOVERWEGINGEN Hieronder nog een aantal overwegingen tot besluit.
Samen met de kerktoren bepaalt de molen nog in hoge mate het dorpse karakter en de eigen identiteit van het dorp. Hoe meer een molen kan draaien / malen, hoe minder onderhoud hij kost. Een stilstaande molen moet eens in de 10-15 jaar een grote (dure) restauratie ondergaan, een malende molen eens in de 50 jaar. Dit heeft te maken met het tijdig kunnen constateren en herstellen van kleine gebreken omdat er iedere week een molenaar is. Ook hebben houtaantastende insecten geen kans in een werkende molen, ze houden niet van trillingen en bewegingen. Als de wieken geregeld draaien en de molenkast geregeld in een andere windrichting wordt gedraaid droogt de houten constructie beter omdat alle zijden in de wind en de zon komen te staan. Nu investeren in een betere molenbiotoop verdient zichzelf terug. Een actieve molen is veel veiliger; bij hevige buien en zware stormen zitten de molenaars er veel meer met hun neus bovenop en staat hij altijd met zn wieken in de goede windrichting. Een molen die kan werken vertelt zijn verhaal en is toegankelijk, beleefbaar, een ontmoetingsplek, mensen komen er een zakje (pannenkoeken)meel kopen. Een functionerende molen draagt bij aan educatie; er komen geregeld schoolklassen op de molen voor een excursie / rondleiding, en de molen fungeert ook als opleidingsplaats voor toekomstige molenaars
WAT ZIJN DE OPTIES? A: Niets doen en accepteren dat de molen nu steeds minder en in de toekomst helemaal niet meer draait is het makkelijkste, maar zeker niet het goedkoopst op lange termijn (zie hierboven). Bovendien gaat er een grote meerwaarde van dit bijzondere monument verloren als men hem langzaam in een standbeeld verandert. B: Een andere optie is het ophogen van de molenwerf tot een molenberg, en de molen een 3-4 meter hoger zetten. In plaats van 1 wiek steken er dan op de meeste windrichtingen weer 3 wieken boven de obstakels uit waardoor de molen veel beter maalbaar wordt en de belasting op de houten constructie veel aangenamer voor de molen. Bovendien wordt hij dan ook weer veel beter zichtbaar. Er is ook ruimte voor een molenberg. In combinatie met het in ere herstellen van de oorspronkelijke windgaten voor de molen ontstaat er dan weer een heel behoorlijke situatie waarmee de molen redelijk goed kan (blijven) functioneren. C: De meest rigoureuze optie zou kunnen zijn verplaatsen naar een nog te zoeken andere geschikte plek waar de molen de ruimte heeft, en een bijdrage zou kunnen leveren aan recreatie en toerisme. De gemeente Kessel in Limburg heeft bijvoorbeeld recent besloten haar enige standerdmolen op deze manier veilig te stellen.
De houten constructie van de molen (eigenlijk is het een grote houten bouwdoos) laat zowel verhogen als verplaatsen kostentechnisch ook vrij gemakkelijk toe (in vergelijking met een stenen / gemetselde molen). Als molenaars zijn wij van mening dat verhogen op de huidige plaats (optie B) de mooiste, minst ingrijpende, en op de lange termijn de goedkoopste optie zou zijn. Wij hopen op een veilige toekomst voor de Dye Sprancke en wensen de raad veel wijsheid toe om samen met ons te zoeken naar de beste oplossing. Uiteraard willen wij graag betrokken zijn en blijven meedenken en dit proces!