CConstaterende datWaalwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6. Transect Archeologischonderzoek

Raadsvergadering 9 oktober 2025, gemeente WaalwijkBij agendapunt: Adviesrecht gemeenteraad voor het bouwen van vier appartementen op de locatie Loonsestraat 7-9 te Sprang-Capelle9.815 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Transect-rapport 5570 Sprang-Capelle, Loonsestraat 7-9 Gemeente Waalwijk (NB) Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase

Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

Auteur Versie Projectcode Datum Opdrachtgever Uitvoerder

G. Laclé, J. van der Kroon Versie 1.1 24080031 20-11-2024 Goedehuizen Architectenbureau Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein T. Nales (Senior KNA Prospector) J. van der Kroon G. Laclé 5653885100 Gemeente Waalwijk S. de Kock Nog te beoordelen Transect, Nieuwegein Foto van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (29-10-2024)

Veldonderzoek

Onderzoeksmelding Bevoegde overheid Adviseur bevoegde overheid Status Beheer documentatie Voorblad

Autorisatie Naam Drs. T. Nales (Senior KNA Prospector)

T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl

Datum

Paraaf

20-11-2024

ISSN: 2211-7067

© Transect, Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

Samenvatting In opdracht van Goedehuizen Architectenbureau heeft Transect b.v. in oktober 2024 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Loonsestraat 7-9 in Sprang-Capelle (gemeente Waalwijk). Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend veldonderzoek (IVO). De vraagstelling van deze onderzoeken richt zich op het vaststellen en toetsen van de archeologische verwachting en de bepaling in hoeverre de voorgenomen ingrepen in het kader van de planvorming effect hebben op eventuele archeologische resten in het gebied. • Op basis van het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied een hoge archeologische verwachting heeft voor de periode Laat-Paleolithicum-Vroeg IJzertijd. Deze verwachting is gebaseerd op de vermoedelijke ligging van het plangebied op een dekzandwelving. Vanaf het Midden IJzertijd is het gebied bedekt geraakt met veen. Het is onbekend of het plangebied ook is bedekt geraakt met veen of dat het hoger in het landschap lag. Inzicht in de bodemopbouw ontbreekt namelijk. Als veenvorming is opgetreden in het plangebied, wijst dit erop dat het gebied te nat was voor bewoning. Er geldt dan een lage archeologische verwachting op de aanwezigheid van nederzettingsresten.

Indien binnen het plangebied geen sprake van veengroei is geweest, dan is de verwachting op archeologische resten uit de Midden IJzertijd-Vroege Middeleeuwen hoog. Het gebied rondom Sprang-Capelle maakte tot in de Late Middeleeuwen deel uit van een omvangrijke veengebied. De ontginning van dit gebied begon in de 11e of 12e eeuw vanaf de oeverwal van de Oude Maas, die oorspronkelijk ter hoogte van de Bergsche Maas gelegen heeft. Vanaf daar is het gebied in slagen zuidwaarts ontgonnen en deels afgegraven ten behoeve van de winning van turf. Het historische bewoningslint van Sprang-Capelle is waarschijnlijk in de 13e eeuw ontstaan tijdens een van de ontginningsslagen. Dit lint lag volgens de historische kaarten op circa 65 m ten zuiden van het historisch bewoningslint van Sprang-Capelle en is in ieder geval in het begin van de 19e eeuw onbebouwd geweest. Zodoende geldt een lage archeologische verwachting voor de periode Late Middeleeuwen-Nieuwe Tijd. • Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is de hoge verwachting voor de aanwezigheid van resten uit de periode Laat-Paleolithicum – IJzertijd niet bevestigd. In de ondergrond is dekzand aangetroffen vanaf een diepte van 70-150 cm -Mv (1,22-0,55 m +NAP). De top van het dekzand is omgewerkt. Dit blijkt uit de scherpe bovengrens van het dekzand met de erboven gelegen laag.

Ook zijn er zandbrokken uit de B- en C-horizont van het dekzand opgenomen in de bovenliggende laag. Het dekzand varieert in kleur van grijs tot grijsbruin. Het betreffen waarschijnlijk restanten van een voormalige gooreerdgrond. Ook zijn er boven het dekzand brokken veen aangetroffen. Hieruit blijkt dat het plangebied in een vlakte ligt. Gedurende de periode Neolithicum – Vroege IJzertijd kozen mensen voornamelijk hoge en droge locaties voor bewoning zoals hoger gelegen dekzandkoppen. Daarom is de verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode Neolithicum – Vroege IJzertijd laag. De verwachting voor de periode Midden-IJzertijd – Vroege Middeleeuwen is op basis van het veldonderzoek gesteld op laag. Het plangebied was bedekt geraakt met veen. Dit blijkt uit de kenmerken van het dekzand die wijzen op natte omstandigheden. Er zijn geen aanwijzingen gevonden om de lage verwachting voor de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd bij te stellen. Advies Voor het plangebied bestaat het voornemen een vergunning aan te vragen voor een BOPA ten behoeve van de sloop van de bestaande opstallen (202 m2) en de realisatie van een nieuwe woning (187 m2) in het gebied. Voor het plangebied geldt een lage verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Nieuwe Tijd. Wij adviseren deze verwachting

uit te werken in het toekomstige omgevingsplan. Voor het plangebied zijn in het kader van de voorgenomen sloop en nieuwbouw geen aanvullende maatregelen nodig. Wel geldt dat, op het moment onverhoopt tijdens de werkzaamheden toch archeologische zaken worden aangetroffen, er een wettelijke meldingsplicht geldt conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11. De aangetroffen zaken moeten daarbij direct bij de bevoegde overheid (gemeente Waalwijk) worden gemeld. Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Waalwijk) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.

Inhoud 1.

Aanleiding

1

2.

Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek

1

3.

Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied

2

4.

Planvorming en consequenties toekomstig gebruik

4

5.

Beleidskader

6

6.

Landschap, geomorfologie en bodem

7

7.

Beschrijving bekende archeologische kenmerken

10

8.

Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen

15

9.

Gespecificeerde archeologische verwachting

21

10.

Resultaten veldonderzoek

24

11.

Beantwoording onderzoeksvragen

26

12.

Conclusie en Advies

27

13.

Geraadpleegde bronnen

29

Bijlage 1: Archeologische periode-indeling voor Nederland

31

Bijlage 2: Plantekening

32

Bijlage 3: Archeologische beleidskaart van de gemeente Waalwijk

33

Bijlage 4: Geomorfologie

35

Bijlage 5: Hoogtekaart

36

Bijlage 6: Bodemkaart

38

Bijlage 7: Archeologische informatie

39

Bijlage 8: Bouwtekening

40

Bijlage 9: Verstoringskaart

41

Bijlage 10: Boorpuntenkaart

42

Bijlage 11: Foto’s van boringen

43

Bijlage 12: Boorbeschrijvingen

44

1. Aanleiding In opdracht van Goedehuizen Architectenbureau heeft Transect b.v.1 in oktober 2024 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Loonsestraat 7-9 in Sprang-Capelle (gemeente Waalwijk). De aanleiding voor het onderzoek vormt de aanvraag van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) ten behoeve van de realisatie van een nieuwe woning in het gebied. In het omgevingsplan van de gemeente Waalwijk staan de juridisch-planologisch vereisten vermeld voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente. De archeologische waarden zijn echter nog niet uitgewerkt in het omgevingsplan. Daarom is als tijdelijk omgevingsplan het ‘Gemeentelijke archeologische beleidskaart (2011)’ van toepassing, waarin het plangebied een hoge archeologische verwachting heeft. Vanwege deze aanduiding is een archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen die groter zijn dan 100 m2 en die dieper reiken dan 30 cm -Mv. Dit betekent dat gezien de omvang van de voorgenomen van de toekomstige bouwkavel (400 m2 met bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv) een archeologisch vooronderzoek nodig is.

1

Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij de RCE en de SIKB.

1

2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, bepalen van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) is opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit historische kaarten. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbare geologische en geomorfologische kaarten geraadpleegd. Daarnaast worden, indien nodig, worden contact opgenomen met heemkundekringen en amateur archeologen voor aanvullende informatie.

Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O). De toegepaste methodiek in het veld wordt beschreven bij de beschrijving van de veldresultaten (Hoofdstuk 10). Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen: • Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? •

Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze?

•

In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)?

•

Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog?

Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van dit rapport neemt het bevoegde overheid een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de – verwachte – aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.2 (KNA 4.2). Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 4.2 (KNA 4.2).

1

3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Gemeente

Waalwijk

Plaats

Sprang-Capelle

Toponiem

Loonsestraat 7-9

Kaartblad

44G

Centrumcoördinaat

129.187 / 409.314

Bij het archeologisch bureauonderzoek is onderscheid gemaakt in het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarin de geplande bodemingrepen zullen plaatsvinden. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied en wordt bij het onderzoek betrokken om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, (cultuur)historische en bodemkundige situatie in het plangebied. Het onderzoeksgebied beslaat in dit geval een straal van circa 500 meter rond het plangebied. Het plangebied ligt aan de Loonsestraat 7-9 in Sprang-Capelle (gemeente Waalwijk). De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1. Kadastraal gezien omvat het plangebied het perceel SPR01 Sectie B nummer 5174. Ten westen grenst het plangebied aan de Loonsestraat. De overige grenzen van het plangebied worden gevormd door de kadastrale begrenzing van de aanliggende percelen. Het plangebied is 400 m2 groot.

2

Figuur 1: Ligging van het plangebied (met rode lijnen aangegeven, bron: www.pdok.nl).

3

4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Kader

Aanvraag BOPA

Oppervlakte plangebied

400 m2

Planvorming

Nieuwbouw woning

Omvang verstoringen

187 m2 woning 202 m2 sloop

Bodemverstorende werkzaamheden

Graafwerkzaamheden

Diepte verstoring

80 cm -Mv.

Het voornemen bestaat om in het plangebied het perceel te splitsen in Loonsestraat 7 en 9 en zodoende een nieuwe woning te realiseren op het adres Loonsestraat 9. Om de nieuwe woning te kunnen realiseren moeten eerst de bestaande garage en het magazijn worden gesloopt. De bestaande garage en magazijn zijn samen 202 m2 groot en de toekomstige woning is 187 m2. De overlap tussen de bestaande garage en magazijn en de toekomstige woning is te zien in figuur 2. De plantekening met daarop de toekomstige inrichting van het gebied is te zien in bijlage 2. Om de sloop en nieuwbouw mogelijk te maken is een omgevingsvergunning nodig. De funderingen van de nieuwe woning worden tot op een diepte van 80 cm -Mv aangelegd (figuur 3). Er zijn geen effecten op het grondwaterpeil voorzien.

Figuur 2: Overlap tussen toekomstige woning en bestaande woning aan de Loonsestraat 7-9.

4

Figuur 3: Funderingsdiepte van de nieuwe woning aan de Loonsestraat 7-9.

5

5. Beleidskader Onderzoekskader

Aanvraag BOPA

Beleidskader

Tijdelijk omgevingsplan ‘Gemeentelijke archeologische beleidskaart (2011)’ Groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm –Mv

Onderzoeksgrens

In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds juli 2016 is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door Erfgoedwet, die de Monumentenwet 1988 vervangt. Het deel van het erfgoedbeheer dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving is sinds 1 januari 2024 opgenomen in de Omgevingswet. Hierin is bepaald dat gemeentes rekening moeten houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed bij het vaststellen van het omgevingsplan. Hieronder vallen dus ook bekende en/of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit is vastgesteld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) artikel 5.130, lid 1.

In het belang van de archeologische monumentenzorg kan een gemeente vanuit het Omgevingsplan lokale regels stellen door monumenten (concreet) in de bodem te beschermen of ze juist vakkundig op te laten graven (lid 3, 4 en 5). Ook kunnen ze vanuit het Omgevingsplan eisen stellen aan het onderzoek, waaronder het onderzoeksthema en de onderzoeksvorm. Gemeentes hebben tot 2031 om tot een Omgevingsplan op te stellen. De gemeentelijke beleidskaart vormt hiervoor de basis. Op de gemeentelijke beleidskaart (2011) staat dat het plangebied een hoge archeologische verwachting heeft (gemeente Waalwijk; bijlage 3). Dit betekent planologisch dat bij bouwwerken en/of bodemingrepen die groter zijn dan 100 m2 én dieper reiken dan 30 cm -Mv een archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is. Omdat het plangebied groter is dan deze planregels, is een archeologisch vooronderzoek ter onderbouwing van de plannen nodig voor de vergunningsaanvraag. In het kader van de BOPA dient de aanvrager een rapport aan de gemeente te overleggen, waarin de archeologische waarde van het plangebied naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Afhankelijk van de uitkomsten van het archeologisch (voor-)onderzoek dat hiervoor nodig is, kunnen aan de ontwikkeling regels worden verbonden ter behoud van belangrijke archeologische waarden.

Deze kunnen bestaan uit technische aanpassingen of een veiligstellende opgraving. Het archeologisch vooronderzoek kan hiertoe worden uitgebreid met een al dan niet gecombineerd karterend en waarderend onderzoek, zodat op basis van de KNAwaarderingssystematiek een waardestelling kan worden opgemaakt.

6

6. Landschap, geomorfologie en bodem Archeoregio

Brabants zandgebied

Geomorfologie

Bebouwd (waarschijnlijk op een dekzandwelving)

Maaiveld

1,9 tot 2,3 m +NAP

Bodem

Bebouwd (waarschijnlijk enkeerdgronden)

Grondwater

GWT-III* of V*

Landschapsgenese De omgeving van Sprang-Capelle ligt landschappelijk gezien in het Brabants of Zuid-Nederlandse zandgebied en maakt deel uit van het tektonisch dalingsgebied van de Centrale Slenk (Berendsen, 2005). De Centrale Slenk is een door tektonische bewegingen ontstane laagte, die zich tussen de Peelhorst (de lijn Roermond – Nistelrode – Lith) en de Kempenhorst bevindt (Gilze-Rijen – Oosterhout; Berendsen, 2005; De Mulder et al., 2003). Vanaf het midden van het Pleistoceen (circa 850000 jaar geleden) hielden de Rijn en de Maas op door de Slenk te stromen. Hierdoor werd het gebied niet langer opgevuld met sediment vanuit rivieren. Afzettingen die zich in deze periode vormden waren van meer terrestrische aard. Deze afzettingen vormden uiteindelijk een pakket met een dikte van circa 35 m (Berendsen, 2005; Schokker, 2003). Slechts de bovenste meters van dit pakket bestonden uit dekzand (Formatie van Boxtel; De Mulder et al., 2003). Dit dekzand is voornamelijk afgezet als het gevolg van een zeer koud klimaat tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien. In die periode konden sterke verstuivingen van zand optreden, met name tussen 50000 en 15000 jaar v. Chr. (het Pleniglaciaal). Er was namelijk vanwege het barre klimaat toen geen vegetatie aanwezig die dergelijke verstuivingen kon voorkomen.

Het zand verstoof dan met name vanuit de drooggevallen beddingen van beken en rivieren, maar ook vanuit het drooggelegen Noordzeebekken. De afzetting van het dekzand in de Slenk vond plaats in verschillende fasen. In de periode waarin het dekzand werd afgezet kon verder in perioden van verminderde afvoer fijner sediment worden afgezet, of zelfs bodemvorming optreden (Schokker, 2003). Met name in de periode tussen 40000 en 30000 v. Chr. verminderde de verstuivingen in het gebied. Er was toen sprake van een kleine klimatologische opleving (het Hengelo-Denekamp interstadiaal). De Slenk vernatte, en in het vochtige gebied kwamen permafrost en ondiepe kleine meren voor (Schokker, 2003). De afgenomen mate van verstuiving en de vochtigheid van het gebied leidden er ook toe dat silt verstoof en werd ingevangen in de meren in het gebied. De silt-afzettingen vormden een circa 1,0 tot 2,0 m dikke leemlaag, die geologisch gezien tot het Liempde Laagpakket wordt gerekend (De Mulder et al., 2003, in de volksmond “Brabants Leem”). Ook kon in die periode lokaal veenvorming optreden en werd klei afgezet nabij kleine beeklopen die het landschap van de toenmalige Slenk doorsneden. Deze klei behoort geologisch gezien tot het Best Laagpakket (Formatie van Boxtel; De Mulder et al., 2003). Vanaf het begin van het Holoceen (vanaf 9700 v. Chr.) trad een klimaatsopwarming op.

De gemiddelde jaartemperaturen stegen en het werd vochtiger. Hierdoor kon vegetatiegroei toenemen en werden zandverstuiving aan banden gelegd. In de top van het dekzand kon zo bodemvorming (podzolering) optreden. Er ontstond toen geleidelijk aan een landschap met daarin dichtbegroeide zandruggen en – koppen, met daartussen relatief vochtige, laaggelegen delen, waar zich veen kon ontwikkelen (Berendsen, 2005). Deze veenvorming trad met name op vanaf 3500 v. Chr., toen sprake was van een snelle stijging van de grondwaterspiegel (als gevolg van een hoge relatieve zeespiegelstijging; Berendsen, 2005). Dit leidde tot de vorming van veen, dat het plangebied circa 500 v. Chr. heeft afgedekt (Vos et al., 2018; niet afgebeeld). In de loop van de 13e eeuw is dit veen vrijwel volledig 7

ontgonnen en voor turfwinning afgegraven. Na de veenwinning veranderden de gebieden in heidevelden, die pas relatief laat in cultuur werden gebracht. De ontwatering van de natte gebieden leidde tot een verdroging van de hoger gelegen gronden. Door de verdroging moest de landbouwstrategie worden aangepast. Vanaf toen werd geprobeerd om door middel van plaggenbemesting en het aanbrengen van potstal de gronden vruchtbaar te houden (Van Doesburg et al. 2007; Berendsen, 2005). Het steken van de heideplaggen leidde echter tot toegenomen uitputting van de bodem. Door een combinatie van de ontginningen met toegenomen houtproductie ontstonden uiteindelijk kale vlaktes. De wind kreeg op de vlaktes door het ontbreken van vegetatie vrij spel. Zo traden opnieuw verstuivingen op, met name ten oosten van Kaatsheuvel. De verstuivingen leidden reeds in de Late Middeleeuwen tot het ontstaan van grote stuifzandgebieden, waarvan de Loonse en Drunense Duinen een voorbeeld zijn. Geologie Volgens boring B44G0132 uit het Dinoloket van TNO (190 m ten zuidoosten van het plangebied) is vanaf maaiveld tot 2,5 m -Mv (0,3 m -NAP) zand aanwezig van de Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wierden. Daaronder ligt vanaf 2,5 tot 7,2 m -Mv (5,0 m -NAP) zand van de Formatie van Kreftenheye. Vervolgens bevindt zich vanaf 7,2 m -Mv (5,0 m -NAP) zand van de Formatie van Sterksel (bron: www.dinoloket.nl).

Waarschijnlijk zijn deze geologische formaties ook in de ondergrond van het plangebied aanwezig. Geomorfologie Volgens de geomorfologische kaart van Maas et al. (2019) is het plangebied niet gekarteerd vanwege de ligging in bebouwd gebied (bijlage 4). Ten westen van het plangebied (op 60 m) ligt een dekzandwelving (kaartcode 3L51) met daaromheen een vlakte van ten dele verspoelde dekzand (kaartcode 2M53; bijlage 4; Maas et al., 2019). Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Op het AHN ligt het maaiveld in het plangebied tussen 1,9 tot 2,3 m +NAP ligt (bron: www.ahn.nl; versie 5; bijlage 5). In het plangebied is sprake van verschillen in het reliëf. Het maaiveld in het plangebied loopt op van westen naar oosten. Bodem en grondwatertrap Volgens de bodemkaart van Alterra (2019) is het plangebied onbebouwd vanwege de ligging in bebouwd gebied. Op basis van de aanwezige gronden in de omgeving van het plangebied zijn hier enkeerdgronden te verwachten (kaartcode zEZ21; bijlage 6; Alterra, 2019). Enkeerdgronden zijn zandgronden met een donker gekleurde bovengrond van minimaal 50 cm dik. De bovengrond is ontstaan door ophoging van de oorspronkelijke grond met aardmest, afkomstig uit potstallen (De Bakker, 1966). Enkeerdgronden zijn archeologisch gezien bijzonder, doordat hun aanwezigheid het oude, begraven oppervlak van voor de bemesting bewaard (Van Doesburg et al., 2007).

De grondwatertrap is een maat voor de vochttoestand in de bodem. Informatie hieromtrent is vanuit archeologisch optiek met name relevant met betrekking tot het bepalen van een verwachte mate van conservering van eventuele onverbrande organische resten (zoals hout, bot, leer) in het plangebied. In het plangebied wordt een grondwatertrap van III* of V* verwacht. Voor een grondwatertrap III houdt dit in dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen 40 cm -Mv voor kan komen. De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) ligt tussen 80 – 120 cm -Mv. Bij een grondwaterstand van V ligt het gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) ook binnen 40 cm -Mv en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) ligt beneden 120 cm -Mv. De asterisk als aanvulling op de grondwatertrap is een aanduiding voor sterke regulering van het grondwater in het gebied. Meestal zorgt deze 8

regulering voor een verdere verdroging van de bodem. De wisseling van grondwaterstanden betekent dat binnen 120 cm -Mv onverbrande organische vondsten vermoedelijk door oxidatie zijn gedegradeerd. Anorganische vondsten zoals vuursteen, metaal en aardewerk kunnen onafhankelijk van de grondwaterstand bewaard zijn gebleven.

9

7. Beschrijving bekende archeologische kenmerken Wettelijk beschermd monument

Nee

AMK terrein

Nee

Verwachting gemeentelijke kaart

Hoog

Archeologische waarden en/of informatie

Nee

Wettelijk beschermde status Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status. Archeologische Monumentenkaart (AMK) Het plangebied is niet opgenomen op de Archeologische MonumentenKaart (AMK). Archeologische verwachting Op de gemeentelijke beleidskaart heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting (gemeente Waalwijk; bijlage 3). Deze verwachting is gebaseerd op de ligging van het plangebied buiten de bewoningslint van Sprang-Capelle (op 65 m ten zuiden). Bekende archeologische waarden In het plangebied zijn voor zover bekend in het verleden geen archeologische waarnemingen gedaan en heeft in het verleden niet eerder onderzoek plaatsgevonden. In de omgeving van het plangebied is wel informatie bekend (bijlage 7). In tabel 1 is een overzicht gegeven van de verschillende onderzoeken in de omgeving van het plangebied, in tabel 2 zijn de verschillende vondstmeldingen weergegeven. Informatie uit overige bronnen Er is geen aanvullende informatie uit overige bronnen verkregen. Er zijn in de omgeving van het plangebied op grond van de uitgevoerde onderzoeken nog geen vindplaatsen ontdekt. Dit lijkt zijn grondslag te vinden in de hoge mate van verstoring, die het gevolg is van de veenwinning in de Nieuwe tijd in het gebied.

Hierbij is veen afgegraven en is bolster teruggestort en vermengd met de top van het dekzand. Archeologische resten zijn zodoende niet meer intact aanwezig. De kans is aanwezig dat dit ook het geval is geweest in het plangebied, maar zonder inzicht in de ondergrond is dit niet op voorhand te zeggen.

10

Tabel 1: Overzicht van de archeologische onderzoeken rondom het plangebied (<500 m).

Zaak-ID

Toponiem

Afstand-windrichting

Type onderzoek

Bevindingen

Bron

2358489100

Raadhuisstraat

207 m ten noordoosten

Booronderzoek

In 2011 is een booronderzoek uitgevoerd aan de Raadhuisstraat. Binnen het plangebied is de oorspronkelijke podzolbodem niet aangetroffen. In geen van de boringen zijn relevante archeologische indicatoren aangetroffen.

Exaltus (2011)

2115755100

De Kets West II

410 m ten zuidoosten

Booronderzoek

In 2008 is een booronderzoek uitgevoerd aan de Kets West II. Uit het booronderzoek blijkt dat de bodem uit laarpodzolgronden bestaat. Vermoedelijk bestond de bovengrond in het noordelijke deel van het plangebied oorspronkelijk uit veen. Dit veen is in de Nieuwe Tijd (vanaf de 16e eeuw) afgegraven tot op het onderliggende Pleistocene zand. Hierdoor is de mogelijke archeologische relevante niveau verstoord en/of verdwenen. Het plangebied was hierna in gebruik genomen als grasland en/of bouwland. Als gevolg van diepploegen is een deel van het oorspronkelijke bodemprofiel in de bovenlaag opgenomen. In het zuidelijk gedeelte is een intact podzolbodem aangetroffen. Dit podzolprofiel bleek nog goed bewaard zodat te betwijfelen is dat dit deel van het plangebied onder veen heeft gelegen. Op basis van de hoogtemetingen is bovendien gebleken dat het terrein in het zuiden aanmerkelijk hoger, en dus droger, ligt dan het noordelijke deel.

Vos en Janssens (2008)

11

4832569100

Julianalaan 4 en 6

174 m ten noorden

Booronderzoek

In 2020 is een booronderzoek uitgevoerd aan de Julianalaan 4 en 6. Uit het veldonderzoek blijkt dat tot een diepte van 55-95 cm -Mv (0,8 tot 1,2 m +NAP sprake van een humeuze verstoringslaag direct op het dekzand. Het dekzand maakt waarschijnlijk onderdeel uit van de voet van een dekzandrug of een dekzandvlakte. In de top van het dekzand is geen bodemvorming aangetroffen. Hierdoor geldt een lage archeologische verwachting voor de periode Laat-PaleolithicumBronstijd. De aangetroffen humeuze laag is ontstaan uit een combinatie van veenwinning, historisch landgebruik en het ruimen van de begroeiing in de tuin. Hierdoor geldt ook een lage verwachting voor de Late Middeleeuwen-Nieuwe Tijd.

Rap (2020)

4708800100

Julianalaan

265 m ten noorden

Booronderzoek

In 2019 is een booronderzoek uitgevoerd aan de Julianalaan. Uit het booronderzoek blijkt dat binnen het plangebied een 30 tot 40 cm dikke bouwvoor aanwezig is met daaronder de aangeploegde top van de C-horizont van het dekzand. Resten van podzolvorming is aangetroffen. Mogelijk is de bodem in het verleden altijd te nat geweest voor podzolvorming of zijn resten van podzolvorming verloren gegaan bij de vorming van de vlakte van ten dele verspoelde dekzandzanden waarop het plangebied ligt. Gedurende het booronderzoek waren geen archeologische indicatoren aangetroffen.

Exaltus (2020)

12

5507736100

Loonsestraat 1036

14 m ten westen

Booronderzoek

In 2024 is een booronderzoek uitgevoerd aan de Loonsestraat 10-36. Dit rapport is nog niet raadpleegbaar in Archis. Uit het booronderzoek blijkt dat het plangebied op een dekzandwelving ligt die lange periode van vernatting heeft gehad. Er is geen veenpakket aanwezig in het plangebied. Daarnaast zijn er geen sporen van bodemvorming aangetroffen in de top van het dekzand. Dit is vermoedelijk het gevolg van afgraving en/of egalisatie voorafgaand aan de huidige bebouwing. Een andere mogelijkheid is dat het plangebied te nat was geweest voor bewoning voor de ontwikkeling van het veen. Hierdoor geldt een lage archeologische verwachting voor de periode LaatPaleolithicum-Vroege Middeleeuwen.

Nog geen rapportage beschikbaar

13

Tabel 2: Overzicht van de vondstmeldingen rondom het plangebied (<500 m).

Zaak-ID

Toponiem

Afstandwindrichting

Datering

Type onderzoek

Omschrijving vondstmelding

2115755100

De Kets West II

410 m ten zuidoosten

Nieuwe Tijd

Booronderzoek

Roodbakkend geglazuurd aardewerk waren hier aangetroffen uit de Nieuwe Tijd.

14

8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen Landschapstype2

Brabants zandgebied 3

Cultuurhistorische elementen

Nee

Aard historisch landgebruik

Bouwland

Historische bebouwing aanwezig

Nee

Bebouwing van cultuurhistorische waarde

Nee

Het grondgebruik, dat over de jaren heen in het plangebied heeft plaatsgevonden, kan zijn sporen in de ondergrond hebben achtergelaten. Enerzijds herbergen oude kaarten informatie omtrent voormalig landgebruik die inzicht kan geven in de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen (bijvoorbeeld historische boerenplaatsen en wegen), maar anderzijds ook in de negatieve effecten, die landgebruik op de oorspronkelijke bodem heeft gehad (en daarmee op eventueel aanwezige archeologische resten). Met dit laatste wordt niet alleen gedoeld op omwerking van de bodem door omwoeling, egalisatie, ontgraving en sanering, maar ook ophoging en ontwatering die kunnen hebben geleid tot verkleuring, verdroging en verstikking van de bodem. Historische achtergronden van het cultuurlandschap en -situatie De cultuurhistorische situatie van het plangebied wordt bepaald door de ligging langs het bewoningslint van Sprang-Capelle. Het gebied was tot in de Late Middeleeuwen een omvangrijk veengebied, dat in de 11e of 12e eeuw ontgonnen werd vanaf de oeverwal van de Maas. Er werden door het veen sloten gegraven, haaks op de oeverwal, waardoor het gebied ontwaterde en begaanbaar werd. Er ontstonden hierdoor lange en smalle percelen, die werden begrensd door zij- en achterkades. Door ontwatering en ploegen veraarde het veen snel en dit zorgde voor bodemdaling.

Hierdoor vernatte het gebied en trokken mensen dieper het veengebied in om deze verder te ontginnen. De voormalige achterkades fungeerden hierbij als nieuwe voorkades en bewoningslinten. Het bewoningslint van Sprang-Capelle is ook op deze manier ontstaan, waarschijnlijk in de 13e eeuw. Vanwege de ligging op een dekzandwelving bleef de bodemdaling beperkt en bleef het bewoonbaar. De bewoningslinten in de omgeving volgen dan ook de structuren van de dekzandwelvingen. In de 14e en 15e eeuw is begonnen met het grootschalig turfsteken in het gebied. Hierdoor werden grote delen afgegraven tot op het dekzand, ook in de omgeving van het plangebied (Nales et al., 2007). De thans verveende gebieden zijn veelal te herkennen aan langgerekte, zogenaamde strookverkaveling. Dit verkavelingspatroon is kenmerkend voor veenontginningsgebieden. De bovenste laag van het veen werd vaak vermengd met het onderliggende dekzand. Veelal vormden deze gebieden goede en vruchtbare landbouwgrond (Stol, 2010). Op de oudst geraadpleegde kaart waarop het plangebied staat afgebeeld, de Kadastrale Minuut uit 1811-1832 (figuur 4), is het plangebied geheel in gebruik als weiland. Het plangebied ligt circa 65 m ten zuiden van het bebouwingslint van Sprang-Capelle. Het westelijk gedeelte van het plangebied grenst aan de historische weg de Loonsestraat.

De terreininrichting in het plangebied is in de loop van de tijd veranderd. Het landgebruik is echter niet gewijzigd. In het begin van de 19e eeuw is sprake van een smalle strokenverkaveling. Deze zijn rond 1900 deels samengevoegd tot bredere kavels. Ook verschenen toen twee bouwwerken ten zuiden en noorden van het plangebied. Het plangebied zelf is

2 3

Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant (CHW, 2010; herziening 2016) Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant (CHW, 2010; herziening 2016)

15

onbebouwd gebleven tot in 1965 het huidige gebouw in het plangebied is komen te staan (figuren 511; bronnen: www.topotijdreis.nl; bagviewer.kadaster.nl). Militair Erfgoed Op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) is het plangebied niet aangeduid als aandachtsgebied. Ook zijn er geen verwachtingen op militaire objecten, raketinslagen of aan de Wereldoorlogen gerelateerde verschijnselen (bronnen: www.ikme.nl; www.vergeltungswaffen.nl, www.bunkerinfo.nl; www.tracesofwar.com, www.explosievenopsporing.nl; bhic.nl). Huidig gebruik en bodemverstoringen Ten tijde van het onderzoek staan in het plangebied een garage en magazijn voor aardappelen, gebouwd in 1965 (figuur 11; bron: bagviewer.kadaster.nl). De bestaande garage en magazijn behoren tot de woning aan de Loonsestraat 7 ten noorden van het plangebied. Volgens de bouwtekening is de garage tot een diepte van 70 cm -Mv gefundeerd. De bouwtekening is weergegeven in bijlage 8 de verstoringskaart in bijlage 9. Het plangebied staat niet aangeduid op de provinciale ontgrondingenkaart (Noord-Brabant, 2005). Volgens de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant zijn geen aanwijzingen voor bodemsanering in het plangebied (bron:odzob.nl).

16

Figuur 4: Het plangebied (rood omlijnd) op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832 (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl).

Figuur 5: Uitsnede van een topografische kaart uit 1880 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.

17

Figuur 6: Uitsnede van een topografische kaart uit 1900 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.

Figuur 7: Uitsnede van een topografische kaart uit 1925 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.

18

Figuur 8: Uitsnede van een topografische kaart uit 1955 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.

Figuur 9: Uitsnede van een topografische kaart uit 1975 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.

19

Figuur 10: Uitsnede van een topografische kaart uit 1995 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.

Figuur 11: Uitsnede van een luchtfoto uit 2022. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.pdok.nl).

20

9.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Op basis van het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied een hoge archeologische verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum-Vroeg IJzertijd. Deze verwachting is gebaseerd op de vermoedelijke ligging van het plangebied op een dekzandwelving. Vanaf het Midden IJzertijd is het gebied bedekt geraakt met veen. Het is onbekend of het plangebied ook is bedekt geraakt met veen of dat het hoger in het landschap lag. Inzicht in de bodemopbouw ontbreekt namelijk. Als veenvorming is opgetreden in het plangebied, wijst dit erop dat het gebied te nat was voor bewoning. Er geldt dan een lage archeologische verwachting op de aanwezigheid van nederzettingsresten. Indien binnen het plangebied geen sprake van veengroei is geweest, dan is de verwachting op archeologische resten uit de Midden IJzertijd-Vroege Middeleeuwen hoog. Het gebied rondom Sprang-Capelle maakte tot in de Late Middeleeuwen deel uit van een omvangrijke veengebied. De ontginning van dit gebied begon in de 11e of 12e eeuw vanaf de oeverwal van de Oude Maas, die oorspronkelijk ter hoogte van de Bergsche Maas gelegen heeft. Vanaf daar is het gebied in slagen zuidwaarts ontgonnen en deels afgegraven ten behoeve van de winning van turf. Het historische bewoningslint van Sprang-Capelle is waarschijnlijk in de 13e eeuw ontstaan tijdens een van de ontginningsslagen.

Dit lint lag volgens de historische kaarten op circa 65 m ten zuiden van het historisch bewoningslint van Sprang-Capelle en is in ieder geval in het begin van de 19e eeuw onbebouwd geweest. Zodoende geldt een lage archeologische verwachting voor de periode Late Middeleeuwen-Nieuwe Tijd. Stratigrafische positie Archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum-Vroege Middeleeuwen bevinden zich in de top van het dekzand. Complextypen • Archeologische resten van vindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum-Neolithicum kenmerken zich door de aanwezigheid van fragmenten bewerkt vuursteen en houtskoolconcentraties. . Grondsporen uit deze periode komen sporadisch voor. • Indien archeologische resten uit de periode Neolithicum-Vroege Middeleeuwen aanwezig zijn, betreffen het waarschijnlijk huisplaatsen, die zich kenmerken door een spreiding van vuursteen en/of aardewerk, en huttenleem en grondsporen zoals paalgaten, afvalkuilen, greppels en waterputten. Deze archeologische waarden worden ook in de top van het dekzand verwacht. Een nederzetting of huisplattegrond kan enkele tot honderden vierkante meters beslaan. • Binnen het plangebied kan ook sporen van begraving aanwezig zijn. Deze komen voor in de vorm van inhumaties en crematies en kenmerken zich door grondsporen (kringgreppels, grafkuilen) en door vondstmateriaal (grafcontainers, grafgiften, gecalcineerd bot).

Dit is afhankelijk van de periode. Als laatst kunnen sporen van begraving ook aanwezig zijn in de top van het dekzand. In hoeverre nog daadwerkelijk archeologische resten en/of sporen aanwezig zijn, is mede afhankelijk van de mate van intactheid van de ondergrond. Ter plaatse van de bebouwing is de ondergrond in ieder geval tot 70 cm -Mv vergraven. Of hiermee het archeologische niveau is verdwenen is niet bekend. De gespecificeerde archeologische verwachting is nader weergegeven in onderstaande tabel 3. Prospectiekenmerken, zoekstrategie en advies Op basis van de tijdens het bureauonderzoek verworven resultaten is het in eerste instantie de vraag in hoeverre nog daadwerkelijk archeologische resten en/of sporen aanwezig zijn voor de periode LaatPaleolithicum-Vroege Middeleeuwen. Om dit te kunnen toetsen, dient de lithologische opbouw van de ondergrond en de mate van intactheid van de bodem te worden vastgelegd. Dit kan plaatsvinden door 21

middel van een verkennend booronderzoek. Op grond van dit onderzoek kan dan een uitspraak worden gedaan of en in hoeverre archeologische resten te verwachten zijn.

22

Tabel 2: Gespecificeerde archeologische verwachtingstabel.

1

Archeologische verwachting Datering

2 3 4 5

Complextype Omvang Diepteligging Gaafheid en conservering

6 7 8

Locatie Uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren) Mogelijke verstoringen

Reden Hoog Laat-Paleolithicum-Vroege IJzertijd Het plangebied ligt vanaf het Laat-Paleolithicum op een dekzandwelving. Vanwege de hogere ligging in het landschap geldt een hoge archeologische verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum-Vroege IJzertijd. Onbekend Midden IJzertijd-Vroege Vanaf het Midden IJzertijd was ter plaatse van het plangebied Middeleeuwen bedekt geraakt met veen. Het is onbekend of het plangebied ook is bedekt geraakt met veen of dat het hoog genoeg in het landschap lag om niet met veen bedekt te zijn geraakt. Laag Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd Tot in de Late Middeleeuwen was Sprang-Capelle een veengebied. Na het ontginningsperiode lag het plangebied ten zuiden van de bewoningslint van Sprang-Capelle en is onbebouwd gebleven. Hierdoor geldt een lage archeologische verwachting voor de periode Late Middeleeuwen-Nieuwe Tijd. Nederzettingen (jachtkamp), huisplaatsen, sporen van landgebruik, sporen van begraving 100-1000 m2 (omvang jachtkamp); 500-2000 m2 (omvang huisplaats, algemeen) Indien aanwezig; top van het dekzand -/+ De kans dat onverbrande organische resten binnen 120 cm -Mv bewaard zijn gebleven is matig. Anorganische resten zijn wel, indien aanwezig, goed bewaard gebleven. Als binnen het plangebied sprake is van intacte enkeerdgronden, is de kans hoog dat de mogelijk archeologische niveau in de top van het dekzand bewaard is gebleven.

Op dit moment het hele plangebied. Vindplaatsen kenmerken zich naar verwachting door vondsten en grondsporen. Het zuidelijk gedeelte van het plangebied is ten tijde van dit onderzoek bebouwd. De funderingen waren tot aan een diepte van 70 cm -Mv aangelegd.

23

10. Resultaten veldonderzoek Onderzoeksmethodiek In opdracht van Goedehuizen Architectenbureau heeft Transect b.v. in oktober 2024 een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen uitgevoerd in een plangebied aan de Loonsestraat 7-9 in Sprang-Capelle (gemeente Waalwijk). De aanleiding voor het onderzoek vormt de aanvraag van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) ten behoeve van de realisatie van een nieuwe woning in het gebied en is uitgevoerd conform het Plan van Aanpak (Laclé, 2024). Het doel van het booronderzoek is het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting in het plangebied, zoals deze is opgesteld in Hoofdstuk 9. De boringen zijn daarbij gebruikt om zowel de mate van intactheid van de bodem als de bodemopbouw zelf te bepalen. In totaal zijn in het plangebied vijf boringen gezet (boring 1-5). De boringen hebben een diepte tot maximaal 180 cm –Mv en zijn handmatig gezet met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. De boringen zijn doorgezet tot minstens 30 cm in de Chorizont van het dekzand. De boringen zijn beschreven volgens de NEN5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008). Deze beschrijvingen zijn terug te vinden in bijlage 12. De boringen zijn gelijkmatig in het plangebied uitgezet. De ligging van de boringen is opgenomen in bijlage 10.

De coördinaten van de boorpunten zijn bepaald aan de hand van de bestaande topografie en de hoogte is aan de hand van het AHN bepaald (bron: www.ahn.nl). Veldwaarnemingen Ten tijde van het veldonderzoek is het plangebied bebouwd. Het westen van het plangebied is in gebruik als grasveld. Het noorden van het plangebied is in gebruik als oprit en tuin. In het noordoosten van het plangebied ligt het maaiveld circa 20 cm hoger. Foto’s van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek zijn weergegeven in figuur 12.

Figuur 12: Foto's van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (29-10-2024).

24

Bodemopbouw en lithologie Onder in de boringen, vanaf 70-150 cm -Mv (1,22-0,55 m +NAP) is slecht gesorteerd, matig fijn, kalkloos zand aangetroffen. Het zand is vanwege de mediane korrelgrootte geïnterpreteerd als dekzand. Het dekzand varieert in kleur van wit tot grijsbruin. Het dekzand vertoond tekenen van verspoeling. Boven het dekzand, ter plaatse van boring 4 en 5, is zwak siltig zand met veen- en zandbrokken aangetroffen. De zandbrokken zijn afkomstig van de B-horizont en de C-horizont van het dekzand. Het is een opgebrachte laag waarin de top van het dekzand is opgenomen. Het betreft zodoende een verstoringslaag. Het dekzand is waarschijnlijk verstoord geraakt tijdens de vervening van het gebied. Boven het dekzand is in boring 1-3 en boven de omgewerkte laag in boring 4 en 5 zwak tot matig humeus, donkerbruin, matig fijn, kalkloos zand aangetroffen vanaf 0-50 cm -Mv (2,0-1,8 +NAP). Het zand is vanwege de humositeit geïnterpreteerd als een bouwlanddek. In het bouwlanddek zijn sintels en harde rode baksteenbrokken aanwezig. Hierboven ligt ter plaatse van boring 1-3 nog een recente ophoging en ter plaatse van boring 1 en 2 ligt een tegel aan het maaiveld. Archeologische indicatoren De opgeboorde grondmonsters zijn te velde doorzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen.

Interpretatie Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is de hoge verwachting voor de aanwezigheid van resten uit de periode Laat-Paleolithicum – IJzertijd niet bevestigd. In de ondergrond is dekzand aangetroffen vanaf een diepte van 70-150 cm -Mv (1,22-0,55 m +NAP). De top van het dekzand is omgewerkt. Dit blijkt uit de scherpe bovengrens van het dekzand met de erboven gelegen laag. Ook zijn er zandbrokken uit de B- en C-horizont van het dekzand opgenomen in de bovenliggende laag. Het dekzand varieert in kleur van grijs tot grijsbruin. Het betreffen waarschijnlijk restanten van een voormalige gooreerdgrond. Ook zijn er boven het dekzand brokken veen aangetroffen. Hieruit blijkt dat het plangebied in een vlakte ligt. Gedurende de periode Neolithicum – Vroege IJzertijd kozen mensen voornamelijk hoge en droge locaties voor bewoning zoals hoger gelegen dekzandkoppen. Daarom is de verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode Neolithicum – Vroege IJzertijd laag. De verwachting voor de periode Midden-IJzertijd – Vroege Middeleeuwen is op basis van het veldonderzoek gesteld op laag. Het plangebied was bedekt geraakt met veen. Dit blijkt uit de kenmerken van het dekzand die wijzen op natte omstandigheden. Er zijn geen aanwijzingen gevonden om de lage verwachting voor de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd bij te stellen.

25

11. Beantwoording onderzoeksvragen 1.

Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Het plangebied ligt op dekzand. Het dekzand is verspoeld en er is sprake van een gooreerdgrond. Het plangebied ligt zodoende in een lagergelegen dekzandvlakte. Hierboven ligt een humeuze ophoging.

2.

Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante niveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? Het dekzand getuigd van natte omstandigheden en is afgetopt.

3.

In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? Zie antwoord vraag 2.

4.

Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is vastgesteld dat in het plangebied sprake is van een lage archeologische verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum-Nieuwe tijd.

26

12. Conclusie en Advies Conclusie • Op basis van het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied een hoge archeologische verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum-Vroeg IJzertijd. Deze verwachting is gebaseerd op de vermoedelijke ligging van het plangebied op een dekzandwelving. Vanaf het Midden IJzertijd is het gebied bedekt geraakt met veen. Het is onbekend of het plangebied ook is bedekt geraakt met veen of dat het hoger in het landschap lag. Inzicht in de bodemopbouw ontbreekt namelijk. Als veenvorming is opgetreden in het plangebied, wijst dit erop dat het gebied te nat was voor bewoning. Er geldt dan een lage archeologische verwachting op de aanwezigheid van nederzettingsresten. Indien binnen het plangebied geen sprake van veengroei is geweest, dan is de verwachting op archeologische resten uit de Midden IJzertijd-Vroege Middeleeuwen hoog. Het gebied rondom Sprang-Capelle maakte tot in de Late Middeleeuwen deel uit van een omvangrijke veengebied. De ontginning van dit gebied begon in de 11e of 12e eeuw vanaf de oeverwal van de Oude Maas, die oorspronkelijk ter hoogte van de Bergsche Maas gelegen heeft. Vanaf daar is het gebied in slagen zuidwaarts ontgonnen en deels afgegraven ten behoeve van de winning van turf. Het historische bewoningslint van Sprang-Capelle is waarschijnlijk in de 13e eeuw ontstaan tijdens een van de ontginningsslagen.

Dit lint lag volgens de historische kaarten op circa 65 m ten zuiden van het historisch bewoningslint van Sprang-Capelle en is in ieder geval in het begin van de 19e eeuw onbebouwd geweest. Zodoende geldt een lage archeologische verwachting voor de periode Late Middeleeuwen-Nieuwe Tijd. • Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is de hoge verwachting voor de aanwezigheid van resten uit de periode Laat-Paleolithicum – IJzertijd niet bevestigd. In de ondergrond is dekzand aangetroffen vanaf een diepte van 70-150 cm -Mv (1,22-0,55 m +NAP). De top van het dekzand is omgewerkt. Dit blijkt uit de scherpe bovengrens van het dekzand met de erboven gelegen laag. Ook zijn er zandbrokken uit de B- en C-horizont van het dekzand opgenomen in de bovenliggende laag. Het dekzand varieert in kleur van grijs tot grijsbruin. Het betreffen waarschijnlijk restanten van een voormalige gooreerdgrond. Ook zijn er boven het dekzand brokken veen aangetroffen. Hieruit blijkt dat het plangebied in een vlakte ligt. Gedurende de periode Neolithicum – Vroege IJzertijd kozen mensen voornamelijk hoge en droge locaties voor bewoning zoals hoger gelegen dekzandkoppen. Daarom is de verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode Neolithicum – Vroege IJzertijd laag.

De verwachting voor de periode Midden-IJzertijd – Vroege Middeleeuwen is op basis van het veldonderzoek gesteld op laag. Het plangebied was bedekt geraakt met veen. Dit blijkt uit de kenmerken van het dekzand die wijzen op natte omstandigheden. Er zijn geen aanwijzingen gevonden om de lage verwachting voor de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd bij te stellen. Advies Voor het plangebied bestaat het voornemen een vergunning aan te vragen voor een BOPA ten behoeve van de sloop van de bestaande opstallen (202 m2) en de realisatie van een nieuwe woning (187 m2) in het gebied. Voor het plangebied geldt een lage verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Nieuwe Tijd. Wij adviseren deze verwachting uit te werken in het toekomstige omgevingsplan. Voor het plangebied zijn in het kader van de voorgenomen sloop en nieuwbouw geen aanvullende maatregelen nodig. Wel geldt dat, op het moment onverhoopt tijdens de werkzaamheden toch archeologische zaken worden aangetroffen, er een wettelijke meldingsplicht geldt conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11. De aangetroffen zaken moeten daarbij direct bij de bevoegde overheid (gemeente Waalwijk) worden gemeld.

27

Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Waalwijk) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.

28

13. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden: • Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007. • Archeologisch Informatie Systeem III (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2016. • www.ruimtelijkeplannen.nl • archis.cultureelerfgoed.nl • www.kadastralekaart.com • www.archieven.nl • www.pdok.nl • www.ahn.nl • Bodemkaart van Nederland 1:50.000 (Stiboka) • Geomorfologische kaart van Nederland • www.bodemloket.nl • bagviewer.kadaster.nl • www.kadaster.nl • www.dinoloket.nl • www.brabant.nl/onderwerpen/cultuur-en-erfgoed/erfgoed/cultuurhistorische-waarden-inbrabant • www.bhic.nl • beeldbank.cultureelerfgoed.nl • www.topotijdreis.nl • library.wur.nl/WebQuery/geoportal/raf • noordbrabant.omgevingsrapportage.nl • www.ikme.nl • www.tracesofwar.com • www.euroradar.nl/explosieven-opsporing/ruimingskaart/ • https://omgevingswet.overheid.nl Lijst met afbeeldingen Figuur 1: Ligging van het plangebied (met rode lijnen aangegeven, bron: www.pdok.nl). Figuur 2: Overlap tussen toekomstige woning en bestaande woning aan de Loonsestraat 7-9. Figuur 3: Funderingsdiepte van de nieuwe woning aan de Loonsestraat 7-9. Figuur 4: Het plangebied (rood omlijnd) op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832 (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl).

Figuur 5: Uitsnede van een topografische kaart uit 1880 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Figuur 6: Uitsnede van een topografische kaart uit 1900 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Figuur 7: Uitsnede van een topografische kaart uit 1925 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Figuur 8: Uitsnede van een topografische kaart uit 1955 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Figuur 9: Uitsnede van een topografische kaart uit 1975 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. 29

Figuur 10: Uitsnede van een topografische kaart uit 1995 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Figuur 11: Uitsnede van een luchtfoto uit 2022. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.pdok.nl). Figuur 12: Foto's van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (29-10-2024). Literatuur Bakker, H. de, 1966. De subgroepen van het systeem voor bodemclassificatie voor Nederland. In: Boor en Spade. Bakker, H. de en J. Schelling, 1989. Systeem van bodemclassificatie voor Nederland. De hogere niveaus. Wageningen. Berendsen, H.J.A., 2005. Landschappelijk Nederland. Assen (Fysische Geografie van Nederland). Derde, geheel herziene druk. Doesburg, J. van, M. de Boer, J. Deeben, B.J. Groenewoudt en T. de Groot (red.): Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid. Nederlandse Archeologische Rapporten 34, Amersfoort. Exaltus, R., 2011. Raadhuisstraat, Sprang Capelle. ArcheoPro-rapport 12004. Exaltus, R., 2020. Julanalaan, Sprang-Capelle. ArcheoPro-rapport 19043. Maas, G. J., W.M. van der Meij, S. P. J. v. Delft, A. H. Heidema., 2019. Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50 000. http://legendageomorfologie.wur.nl/. Wageningen, Wageningen Environmental Research. Mulder, E.F.J de., M.C. Geluk, I. Ritsema, W.E. Westerhof & T.E. Wong 2003, De ondergrond van Nederland, Groningen.

Nales, T., E.H. Boshoven, H.M.M. Geerts, 2007. Gemeente Waalwijk. Archeologische verwachtgingskaart. BAAC rapport 06.047. Rap, J., 2020. Transect-rapport 2712: Een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend Veldonderzoek Sprang-Capelle, Julianalaan 4-6. Transect-rapport 2712. Stol, T., 2010. Turfwinningslandschap, in S. Barends, H.G. Baas, M.J. de Harde, J. Renes, R. Rutte, T. Stol, J.C. van Triest, R.J. de Vries en F.J. van Woudenberg. Het Nederlandse landschap. Een historisch geografische benadering. Matrijs, Utrecht. TNO, 2020. Geologische Overzichtskaart van Nederland, schaal 1:600 000. Vos, S. de & M. Janssens, 2008. Loon op Zand Kaatsheuvel (NB), De Kets West II. Bureauonderzoek eninventariserend veldonderzoek (verkennende en karterende fase). BILAN-rapport 2008/2. Vos, P.C., 2015. Origin of the Dutch coastal landscape. Longterm landscape evolution of the Netherlands during the Holocene, described and visualized in national, regional and local palaeogeographical map series. PhD dissertation, Utrecht University, Barkhuis Groningen. Vos, P., M. van der Meulen, H. Weerts en J. Bazelmans, 2018, Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu, Amsterdam (Prometheus). 30

Bijlage 1: Archeologische periode-indeling voor Nederland Periode

Deel-/subperiode

Recent

Van

Tot

1945 na Chr.

2050 na Chr.

Nieuwe Tijd

Late-Nieuwe tijd Midden-Nieuwe tijd Vroege-Nieuwe tijd

1850 na Chr. 1650 na Chr. 1500 na Chr.

1945 na Chr. 1850 na Chr. 1650 na Chr.

Middeleeuwen

Late-Middeleeuwen B Late-Middeleeuwen A Vroege-Middeleeuwen D Vroege-Middeleeuwen C Vroege-Middeleeuwen B Vroege-Middeleeuwen A

1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr. 450 na Chr.

1500 na Chr. 1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr.

Romeinse Tijd

Laat-Romeinse tijd B Laat-Romeinse tijd A Midden-Romeinse tijd B Midden-Romeinse tijd A Vroeg-Romeinse tijd B Vroeg-Romeinse tijd A

350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr. 12 voor Chr.

450 na Chr. 350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr.

IJzertijd

Late-IJzertijd Midden-IJzertijd Vroege-IJzertijd

250 voor Chr. 500 voor Chr. 800 voor Chr.

12 voor Chr. 250 voor Chr. 500 voor Chr.

Bronstijd

Late-Bronstijd Midden-Bronstijd B Midden-Bronstijd A Vroege-Bronstijd

1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr. 2000 voor Chr.

800 voor Chr. 1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr.

Neolithicum

Laat-Neolithicum B Laat-Neolithicum A Midden-Neolithicum B Midden-Neolithicum A Vroeg-Neolithicum B Vroeg-Neolithicum A

2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr. 5300 voor Chr.

2000 voor Chr. 2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr.

Mesolithicum

Laat-Mesolithicum Midden-Mesolithicum Vroeg-Mesolithicum

6450 voor Chr. 7100 voor Chr. 8800 voor Chr.

5300 voor Chr. 6450 voor Chr. 7100 voor Chr.

Paleolithicum

Laat-Paleolithicum B Laat-Paleolithicum A Midden-Paleolithicum Vroeg-Paleolithicum

18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP -

8.800 voor Chr. 18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP

31

Bijlage 2: Plantekening

32

Bijlage 3: Archeologische beleidskaart van de gemeente Waalwijk

33

34

Bijlage 4: Geomorfologie

35

Bijlage 5: Hoogtekaart

36

37

Bijlage 6: Bodemkaart

38

Bijlage 7: Archeologische informatie

39

Bijlage 8: Bouwtekening

40

Bijlage 9: Verstoringskaart

41

Bijlage 10: Boorpuntenkaart

42

Bijlage 11: Foto’s van boringen Hieronder volgen enkele foto’s van boring 3 en boring 1. De boorkernen op onderstaande foto’s zijn van links naar rechts uitgelegd, waarbij de onderkanten van de boringen naar boven wijzen (per 50 cm). De guts is naar rechts (het diepste punt) uitgelegd.

Foto’s van boring 3 (boven) en boring 1 (onder).

43

Bijlage 12: Boorbeschrijvingen

44

Sprang-Capelle

boring: 408031-1 beschrijver: JVDK, datum: 15-11-2024, X: 129.184, Y: 409.324, hoogte: 1,92, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Waalwijk, opdrachtgever: Goedehuizen, uitvoerder: Transect

0 cm -Mv / 1,92 m + Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: niet benoemd, niet benoemd, grijs Bodemkundig: interpretatie: niet benoemd Opmerking: Tegel

10 cm -Mv / 1,82 m + Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, wit, humusvlekken, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: opgebrachte grond Opmerking: recent

20 cm -Mv / 1,72 m + Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, matig humeus, donkergrijszwart, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken, interpretatie: opgebrachte grond Opmerking: Sintels, harde baksteenbrokken

70 cm -Mv / 1,22 m + Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: diffuus (3-10 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, grijs, matig fijn, kalkloos, interpretatie: dekzand Bodemkundig: C-horizont Opmerking: Slechte sortering, verspoeld

90 cm -Mv / 1,02 m + Algemeen: aard bovengrens: diffuus (3-10 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, grijsbruin, matig fijn, kalkloos, interpretatie: dekzand

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15919300/1