Bijlage 6 Quickscan Wet natuurbescherming
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming Julianastraat ong. te Waalwijk Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2021-1132
Datum:
6 januari 2022
Samensteller:
ing. J. Dekkers
Collegiale toets:
ir. ing. K.J. Rebergen
Opdrachtgever:
Van den Berg ruimtelijke ordening
Contactpersoon:
J. van den Berg MSc
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
6
2 Methode
7
2.1
Uitvoering onderzoek
7
2.2
Soortenbescherming
7
2.3
Gebiedsbescherming
8
2.4
Houtopstanden
9
2.5
Houdbaarheid en toepassing
9
3 Beoordeling
10
3.1
Soortenbescherming
10
3.2
Gebiedsbescherming
14
3.3
Houtopstanden
16
4 Samenvatting
17
4.1
Soortenbescherming
17
4.2
Gebiedsbescherming
17
4.3
Houtopstanden
17
5 Conclusie
18
5.1
Conclusie
18
5.2
Uitvoerbaarheid
18
5.3
Vervolgstappen
18
5.4
Te treffen maatregelen
18
1 Inleiding Aan de Julianastraat ong. te Waalwijk (tussen nummer 11 en 17) is een woonperceel met onderhouden tuin gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens op de locatie van de bestaande tuin een woonhuis te realiseren. Hierbij worden een carport en houtopslag gesloopt, wordt er een westelijke hemlockspar gekapt en zullen enkele groenstructuren verwijderd worden. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Van den Berg ruimtelijke ordening begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art.
3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
Het plangebied is gelegen te Julianastraat ong. te Waalwijk.
4
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Julianastraat ong. te Waalwijk (figuur 1.2). De planlocatie bestaat uit een oprit en een onderhouden tuin waarin een vijver, monumentale beuk en verschillende groenstructuren aanwezig zijn. Op de oprit zijn een carport en een houtopslag aanwezig welke zijn opgebouwd uit een dakpannen dak. In de carport is een dakbeschot aanwezig. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Julianastraat ong. te Waalwijk. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door het centrum van Waalwijk. Op een afstand van circa 530 m ten noorden van de planlocatie ligt de A59. Op een afstand van circa 1,6 km ten westen van de planlocatie ligt de N261. Op een afstand van circa 2,8 km ten noorden van de planlocatie stroomt de Bergsche Maas.
Figuur 1.3 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie. 5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een woonhuis. Hierbij worden een carport en houtopslag gesloopt, een westelijke hemlockspar gekapt en enkele groenstructuren verwijderd. De monumentale beuk blijft behouden. De functie van het perceel dient te wijzigen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 1.4 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Van den Berg ruimtelijke ordening).
6
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 7 december 2021 en is uitgevoerd door ing. J. Dekkers. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 0/8 bewolkt, 5 Celsius en windkracht 0 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een Algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11) . Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen.
7
In de Omgevingsverordening van Noord-Brabant is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.1
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie NoordBrabant.
Vrijgestelde soorten Aardmuis
Gewone pad
Ree
Bastaardkikker
Haas
Rosse woelmuis
Bosmuis
Huisspitsmuis
Tweekleurige bosspitsmuis
Bruine kikker
Kleine watersalamander
Veldmuis
Dwergmuis
Konijn
Vos
Dwergspitsmuis
Meerkikker
Wild zwijn
Egel
Ondergrondse woelmuis
Woelrat
Gewone bosspitsmuis
2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Brabant Binnen het Natuurnetwerk Brabant geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingplan van toepassing op het Natuurnetwerk Brabant strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken. Binnen het Natuurnetwerk Brabant gelden regels omtrent nieuwe ontwikkelingen. Zo is bijvoorbeeld het realiseren van nieuwvestiging toegestaan als een deel van het desbetreffende NNB door stedelijke gebied loopt, en de nieuwvestiging geen aantasting geeft aan de ecologische waarden en kenmerken van het NNB.
Wanneer er sprake is van een groot openbaar belang en er geen alternatieven zijn, zijn ontwikkelingen binnen het NNB ook mogelijk. Bij verlies van ecologische waarden en kenmerken geldt een compensatieplicht. Groenblauwe mantel De provincie streeft naar samenhangende aanpak van natuur, landschap en water die de omgevingskwaliteit en recreatiemogelijkheden versterkt en waardoor de gevolgen van klimaatveranderingen voor de natuur en het watersysteem beter kunnen worden opgevangen. Om de robuustheid van het systeem te bevorderen, zijn er gebieden opgenomen als verbinding tussen het Natuurnetwerk Brabant en het Landelijk gebied; de Groenblauwe mantel. Het beleid in de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. Binnen de groenblauwe mantel is volop ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties zoals landbouw en recreatie, met een meer extensief karakter en als die bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap. 8
De ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve functies, zoals stedelijke ontwikkeling of intensieve vormen van recreatie of en landbouw (zoals de bouw van kassen, (bezoekers-)intensieve recreatie, of concentratiegebieden voor intensieve landbouwfuncties) passen minder bij het karakter van deze gebieden. Daarom geldt binnen de groenblauwe mantel soms aanvullende regels voor de ontwikkeling van die functies. Het concrete beleid in een gebied behorend tot de groenblauwe mantel is uitgewerkt door de desbetreffende gemeente.
2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.
4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
9
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2011-2021). De planlocatie bestaat deels uit een onderhouden tuin, waarin sprake is van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: adelaarsvaren, beuk, beukhaag, Engels raaigras, gewone klimop, hortensia, klimhortensia, laurierkers, paardenbloem, rododendron. Een westelijke hemlockspar zal worden gekapt. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Negatieve effecten ten aanzien van beschermde planten kunnen worden uitgesloten.
Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bosmuis, bunzing, das, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, rode eekhoorn, veldmuis, vos en woelrat (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, bunzing en rode eekhoorn. De bever leeft in het overgangsgebied van land en water, zoals langs grote rivieren, meren en moerassen (Zoogdiervereniging bever, 2021). Op de planlocatie is, op de vijver na, geen oppervlaktewater aanwezig. De planlocatie is geheel omheind en gelegen in stedelijk gebied. De aanwezigheid van de bever op de planlocatie is uitgesloten. De bunzing heeft een voorkeur voor een kleinschalig akker- en weidelandschap waarin voldoende dekkingsmogelijkheden zoals bosjes, heggen en houtwallen in aanwezig zijn (Zoogdiervereniging bunzing, 2021). De planlocatie is te midden van stedelijk gebied gelegen en derhalve ongeschikt voor de bunzing. De dichtstbijzijnde waarneming van de bunzing is bekend op een afstand van circa 730 m ten noordoosten van de planlocatie (NDFF 2011-2021). Negatieve effecten wegens de beoogde ruimtelijke ingreep op de bunzing zijn uitgesloten.
De rode eekhoorn leeft in bosgebieden en in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bosgebieden (Zoogdiervereniging eekhoorn, 2021). In de directe omgeving van de planlocatie is geen bosgebied aanwezig, tevens is de planlocatie gelegen in stedelijk gebied. Derhalve zijn negatieve effecten wegens de beoogde ruimtelijke ingreep op de rode eekhoorn uit te sluiten. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat de planlocatie een essentiële functie bevat voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. 10
Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10). Effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2011-2021). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de Algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. Op de planlocatie zijn geen voor vleermuizen geschikte boomholten aanwezig welke kunnen dienen als verblijfplaats.
De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De te slopen carport en houtopslag zijn nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De carport en houtopslag op de planlocatie zijn opgebouwd uit een dakpannen dak. In de carport is een dakbeschot aanwezig. Een luchtspouw is niet aanwezig. Vleermuizen hebben een vrije aanvliegroute nodig, derhalve dient bebouwing een hoogte van minimaal 3 m te hebben. Op de meeste plaatsen is er tussen de kantpannen geen ruimte aanwezig welke groot genoeg zijn om vleermuizen toegang te geven tot het dakbeschot. Op enkele plaatsen is een opening aanwezig tussen de kantpannen welke groot genoeg zijn om vleermuizen toegang te verlenen tot het dakbeschot.
Echter is de carport is op het hoogste punt circa 2,5 m hoog en derhalve niet van voldoende hoogte voor vleermuizen. Naast de noordzijde van de carport groeit een boom, waardoor er geen vrije aanvliegroute voor vleermuizen aanwezig is. Wegens het beperkte oppervlak van het dak van de carport is het dak onderhevig aan temperatuurschommelingen. Doordat er geen luchtspouw aanwezig is zijn er geen plaatsen aanwezig waarnaar vleermuizen kunnen uitwijken. Wegens de afwezigheid van een geschikte aanvliegroute, het gebrek aan voldoende hoogte van de bebouwing en het gebrek aan verschillende temperaturen onder het dak is de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen in de carport op de planlocatie uit te sluiten. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot een onderbreking in lijnvormige structuren. In de omgeving van de planlocatie zijn groenstructuren aanwezig welke kunnen dienen als foerageergebied. Van aantasting van een essentiële vliegroute of essentieel foerageergebied van vleermuizen wegens de beoogde ruimtelijke ingreep is derhalve geen sprake. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander (NDFF 2011-2021).
Voor al deze soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming, maar vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.
11
Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. In de vijver op de planlocatie is geen rijke oever- of onderwatervegetatie aanwezig. Tevens zijn er binnen een straal van 2 km van de planlocatie geen beschermde amfibiesoorten waargenomen. De aanwezigheid van beschermde amfibieënsoorten in de vijver op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2011-2021). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten.
Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote modderkruiper (NDFF 2011-2021). Op de planlocatie is enkel een vijver aanwezig welke niet in verbinding staat met een ander oppervlaktewater. De aanwezigheid van de grote modderkruiper op de planlocatie is derhalve uitgesloten. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: grote parelmoervlinder, grote vos en kleine ijsvogelvlinder (NDFF 2011-2021). De grote parelmoervlinder komt voor op duingraslanden, droge heischrale graslanden, blauwgraslanden en kalkgraslanden. De grote vos leeft in open bossen, bosranden, boomgaarden en plekken met grote vrijstaande bomen. Waardplanten bestaan voornamelijk uit iep, maar ook uit zoete kers en sommige wilgensoorten. De kleine ijsvogelvlinder leeft in gevarieerde, vochtige gemengde bossen of loofbossen (Vlinderstichting, 2021). Op de planlocatie zijn geen geschikte graslanden voor de grote parelmoervlinder aanwezig. Tevens zijn er geen bosgebieden of bomen zoals de iep, zoete kers of wilg op de planlocatie aanwezig.
Negatieve effecten wegens de beoogde ruimtelijke ingreep op de grote parelmoervlinder, grote vos en kleine ijsvogelvlinder zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: houtduif, kauw, koolmees en merel. Gedurende het veldbezoek zijn individuen, nesten en/of sporen niet aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2011-2021). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). 12
De carport en de houtopslag op de planlocatie zijn opgebouwd met een dakpannen dak. De carport bevat een dakbeschot. Onder de dakpannen is een beperkte ruimte aanwezig welke huismussen toegang kunnen geven tot de dakruimte. Het dak van de carport is van beperkte hoogte, tevens groeit er een boom direct naast de carport. Hierdoor is het dak van de carport goed bereikbaar voor predatoren van de huismus. Daarnaast is er voor huismussen te weinig ruimte onder het dak aanwezig om het nest voor predatoren te kunnen verbergen. Huismussen vermijden plaatsen welke goed bereikbaar zijn voor predatoren wanneer er in de omgeving voldoende mogelijkheden voor nestlocaties aanwezig zijn. De planlocatie is gelegen in een stedelijke omgeving. In de directe omgeving van de planlocatie zijn voldoende, betere plaatsen aanwezig waar huismussen kunnen broeden. Tevens zijn huismussen koloniebroeders, het dak van de carport beschikt hiervoor slecht over een minimaal oppervlak. Derhalve kan de aanwezigheid van nestplaatsen van huismussen op de planlocatie uitgesloten worden. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017).
Gezien de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten. Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn. Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. De carport en houtopslag zijn opgebouwd uit een dakpannen dak met. De carport bevat een dakbeschot. De ruimte tussen de kantpannen is niet groot genoeg om gierzwaluwen toegang te verlenen tot de dakruimte (figuur 3.1). Hierdoor kan de aanwezigheid van nestlocaties van de gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. In de carport en houtopslag zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. De planlocatie bestaat uit een onderhouden tuin welke gelegen is in stedelijk gebied. Op de planlocatie is derhalve geen sprake van functioneel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten. Vogels - Algemene broedvogels en cat.
5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kap- en sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
13
3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 1,6 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Langstraat’ (figuur 3.1).
Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,6 km tot het Natura 2000-gebied ‘Langstraat’ (bron: natura2000.nl). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een woonhuis. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase. Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wnb art. 2.9a).
De juridische status van deze partiële vrijstelling kan in de toekomst wijzigen. Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering):
14
a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. Gezien er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Brabant of de Groenblauwe mantel. Op een afstand van circa 1,6 km ligt het Natuurnetwerk Brabant (figuur 3.2). Op een afstand van circa 1,6 km ligt de Groenblauwe mantel (figuur 3.3). Ten aanzien van het Natuurnetwerk Brabant geldt dat externe werking (o.a. geluid, licht of betreding) een toetsingskader biedt. De afstand tussen het Natuurnetwerk Brabant en de planlocatie is te groot om te resulteren in negatieve effecten.
Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,6 km tot het Natuurnetwerk Brabant (bron: noordbrabant.tercera-ro.nl).
15
Figuur 3.3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,6 km tot de Groenblauwe mantel (bron: noordbrabant.tercera-ro.nl).
3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
16
4 Samenvatting 4.1
Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1
Overzicht van de Soortenbescherming.
Soortgroep
Bescherming Wnb
Soortspecifiek onderzoek
Planten
Nee
Grondgebonden zoogdieren
Nee
Vleermuizen
Nee
Amfibieën
Nee
Reptielen
Nee
Vissen
Nee
Insecten en andere ongewervelden
Nee
Vogels (cat. 1 t/m 4)
Nee
Vogels (Algemeen en cat. 5)
Nee
Mogelijke functie planlocatie
4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Tabel 4.2
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Effecten
Nader onderzoek
Natura 2000
1,6 km
Geen
N.v.t.
Natuurnetwerk Brabant
1,6 km
Geen
N.v.t.
Groenblauwe mantel
1,6 km
Geen
N.v.t.
4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
17
5 Conclusie 5.1
Conclusie De sloop van de carport en houtopslag, de kap van een westelijke hemlockspar en het verwijderen van groenstructuren aan de Julianastraat ong. te Waalwijk is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
5.3 Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.
5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli).
Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
18
Bronvermelding Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.natura2000.nl www.ndff.nl www.noord-brabant.tercera-ro.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl
Bijlage 1
Fotografische impressie
19
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Julianastraat ong. te Waalwijk en bestaat onder andere uit een carport welke gesloopt gaat worden.
Figuur 2
De houtopslag op de planlocatie welke gesloopt zal worden.
20
Figuur 3
De tuin van de planlocatie.
Figuur 4
De vijver in de tuin op de planlocatie.
21
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 22