Bijlage 5 Advies SAR Verordening Jeugdhulp Waalwijk 2025
Tekst van het document
Aan: College van B&W Waalwijk
Betreft: advies inzake verordening Jeugdhulp 2025 Datum: 6 januari 2025
Geacht College, De Sociale Adviesraad Waalwijk (SAR) is op 19 december jl. de concept-verordening Jeugdhulp gemeente Waalwijk 2025 voorgelegd met de mogelijkheid hierop te reageren voor 7 januari. Benadrukt is dat het gaat om een technische aanpassing van de bestaande verordening en dat in de loop van 2025 een geheel nieuwe integrale verordening wordt voorbereid. Gegeven de strekking van de voorgelegde verordening en de korte reactietijd, willen wij ook in onze reactie terughoudend zijn. Wij verzoeken u om ons de volle gelegenheid te geven meer fundamenteel betrokken te worden bij de voorbereiding van de nieuwe integrale verordening. In de ons nu voorgelegde verordening gaat het vooral om aanpassingen, voortvloeiend uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep van juni 2024, met name ten aanzien van de vraag wanneer sprake is van gebruikelijke respectievelijk boven-gebruikelijke hulp van ouders voor hun kinderen en het operationeel definiëren van het begrip ‘eigen kracht’. De SAR is overigens van mening dat het vastleggen door de Gemeenteraad van dit begrip in de verordening (zoals aanbevolen door de CRvB) minder technisch is dan gedacht. Voorts gaat een aantal voorgestelde bepalingen in op de tarieven voor het PGB, de te stellen kwaliteitseisen aan zorgverleners in de vorm van een PGB en de vervoersvoorzieningen in dit kader.
Vergelijking van de door u voorgelegde verordening met bijvoorbeeld de Modelverordening Jeugdzorg van de VNG leert dat uw verordening op onderdelen afwijkt van de landelijke Modelverordening. Wij kunnen dit in het licht van de beperkte reikwijdte van uw verordening plaatsen. Niettemin heeft de SAR de volgende 5 opmerkingen: 1. In de Modelverordening wordt uitdrukking gegeven aan de plaats van de onafhankelijke clientondersteuning, naar de beschikbaarheid waarvan het college in de Modelverordening al bij het begin van het onderzoekstraject verwijst. Een dergelijke bepaling ontbreekt in uw concept. Wij adviseren u dit aspect toe te voegen in de artikelen over het onderzoek voorafgaand aan het vaststellen van de hulpvraag. 2. In uw concept wordt jeugdhulp via het medisch domein uitsluitend verstrekt aan jeugdhulpaanbieders, waarmee u een contractuele relatie hebt. In de Modelverordening wordt van
een breder concept uitgegaan, waarbij jeugdhulp ook langs andere kanalen wordt vergoed, indien de contractuele relatie niet in staat is op een gelijkwaardige wijze in de zorgvraag te voorzien. Ook hiervoor vragen wij aandacht. 3. In de basis gaat het in het door u aangeboden concept om de artikelen 4.7 (beoordelingscriteria zorgvraag: eigen kracht, gebruikelijke zorg, voorliggende voorzieningen en overbelasting) en 4.9 t/m 4.12 ( tarieven PGB, eisen zorgverlening via PGB, vervoersvoorzieningen PGB en advisering). Bij de aangeboden stukken ontbreekt de toelichting bij deze onderdelen. Derhalve konden wij de afwegingen die gemaakt zijn bij bepaalde teksten in met name artikel 4.7 niet goed volgen. Wij nemen aan dat u nog een inhoudelijke toelichting toevoegt. 4. Ten aanzien van het nieuwe artikel 4.7 over de criteria voor afweging bij de toekenning hebben wij de volgende bezwaren. - De SAR vindt dit een complex artikel dat rammelt en veel vragen oproept. Het heeft niet heldere en toetsbare definiëringen in zich waar wij grote vragen bij en problemen mee hebben.
-Wij adviseren om hier nog heel grondig naar te kijken en te kiezen voor een benadering waarbij allereerst wordt ingegaan op de operationalisering van de vaststelling of er sprake is van gebruikelijke of boven-gebruikelijke hulp en goed onderscheiden daarvan en daarna op de vaststelling of er sprake is van disbalans tussen draagkracht en draaglast van ouders en jeugdige. In de verordening van de gemeente Gulpen-Wittem zoals die in december jl. door de Gemeenteraad is vastgesteld is een definitie en operationalisering opgenomen die wij helder en toetsbaar vinden in tegenstelling tot dit artikel 4.7. - In de aanhef van artikel 4.7 wordt bijvoorbeeld gesproken over het begrip “Overbelasting”. Wij adviseren dit begrip niet in de verordening op te nemen. Het is een subjectief begrip waarvan de operationalisering ontbreekt in de Waalwijkse verordening. Het begrip wekt de suggestie dat men pas in aanmerking komt voor een individuele voorziening als men kan aantonen dat men ‘overbelast’ is. Illustratief is dat in lid 11 in de uitwerking het adjectief ‘dreigende’ soms wel maar dan ook weer niet wordt gebruikt. Dit wordt nergens uitgewerkt. Wij adviseren derhalve de begrippen draagkracht en draaglast te hanteren.
- De passage in artikel 4.7 lid 2 over het vaststellen van gebruikelijke hulp in geval van een scheiding: deze uitwerking is erg gedetailleerd in een verordening en roept meer aanvullende vragen op dan je in een verordening kan/wil behandelen. Wat als de jeugdige de hulp van de andere ouder waar de jeugdige niet dagelijks verblijft niet accepteert? Wat als de ene ouder dat niet wil? Moet het kind daar de dupe van worden? Is het niet zo dat het begrip ‘ouder’ niet voorbehouden is aan de vraag of men wel of niet gescheiden is? Men blijft ook na een scheiding toch ‘ouder’ (uitgezonderd zeer exceptionele gevallen)? Daarmee is het ook voor de SAR logisch dat er bij een scheiding gekeken wordt naar de draagkracht/draaglast van beide ouders of ze nu bij elkaar wonen of niet. Tenslotte merken we op dat in dit lid opeens over ‘we’ gesproken wordt waar anders het College bedoeld wordt. - Het is opvallend dat in de passages over het sociale netwerk van ouders en jeugdigen (lid 9) nergens wordt benoemd dat een gemeente zo nodig eerst kan helpen om een sociaal netwerk te versterken indien zou blijken dat ouders en jeugdigen hier ondersteuning in de preventieve en direct toegankelijke sociale basis bij nodig hebben. Het sociaal netwerk wordt in dit lid als een statisch gegeven geformuleerd “waar je beroep op doet”.
- In lid 11 wordt onder e de stelling geponeerd dat “Het verlenen van hulp aan je kind voorgaat op sociale/maatschappelijke activiteiten”. Wij maken bezwaar tegen deze ongenuanceerde stelling. Wij kunnen ons er in vinden dat deze stelling bijvoorbeeld van toepassing is op de definitie van een kortdurende situatie van 3 maanden zoals in lid 5 wordt gedefinieerd. Maar de gemeente is met de Wet op de jeugdzorg ook verantwoordelijk geworden voor situaties waarin ouders individuele voorzieningen nodig hebben voor hun kind voor een hele lange tijd (zoals in lid 5 ook wordt gedefinieerd) en met deze stelling zou gesuggereerd kunnen worden dat deze ouders sociale/maatschappelijke activiteiten maar moeten laten lopen omdat zij eerst voor hun kind moeten zorgen. Het is een gegeven uit veel onderzoeken dat het overgrote deel van ouders met kinderen die een groot beroep doen op zorg/hulp en aandacht van hun ouders, juist te weinig tijd aan sociale/maatschappelijke activiteiten kunnen besteden en pas veel te laat vragen om hulp en zorg en daardoor overbelast raken. - Het valt de SAR op dat de aanhef van het artikel spreekt over gebruikelijke “zorg”, terwijl in de volgende leden gesproken wordt over gebruikelijke “hulp”. Vanwaar dit verschil? Als beleidsmatig geen verschil wordt beoogd, raden wij u aan de terminologie éénduidig te houden.
Tenslotte ontbreekt lid 12 en wordt in lid 13 wel een erg algemene bevoegdheid aan het College gegeven waarvan het de vraag is waarom die bij dit artikel wel en bij andere niet wordt benoemd. 5. In diverse artikelen m.b.t. (boven)gebruikelijke hulp/zorg wordt een relatie gelegd met de financiële gezinssituatie: “bovengebruikelijk, voorzover geen financiële problemen in het gezin ontstaan/ het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen /bij de financiële situatie van de ouders”. De vraag zal in de praktijk gesteld worden wanneer sprake is van een financiële noodsituatie, wanneer mag van één van de ouders verwacht worden dat hij/zij arbeidsuren inlevert om voor één van de kinderen te zorgen? Wanneer wordt de financiële ondergrens bereikt? Naar ons oordeel is het gewenst bij zo een uitwerking om dan in de verordening een juridisch objectief criterium in te voeren, hoe met vragen als hier gesteld wordt omgegaan. Bij het vooralsnog ontbreken van een Toelichting op deze bepalingen is het ons onduidelijk vast te stellen hoe deze begrippen worden gehanteerd, maar nog los daarvan heeft het de voorkeur de juridische aanknopingspunten in de verordening zélf op te nemen. Tot zover onze reactie, waarvan wij hopen dat deze bij de definitieve vaststelling van het raadsvoorstel wordt meegenomen.
Wij zien het definitieve raadsvoorstel, incl. Verordening en Toelichting graag tegemoet. Met vriendelijke groet, Lucas Middelhoff Voorzitter