Bijlage 4.1 Ecologische Quickscan
Tekst van het document
ECOLOGISCHE QUICKSCAN Onderzoek naar beschermde natuurwaarden ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling
Locatie: Winterdijk, Sprang Capelle Rapportnummer: 2022-BE-0247 In opdracht van: R & S Advies Lange gracht 4b 5091 SJ Middelbeers
Ecologische QuickScan Winterdijk 11 Sprang Capelle, BE-0247
Colofon Rapportage Brabant Eco Rapportnummer 2022-BE-0247 Opdrachtgever R & S Advies Contactpersoon Mevrouw I. Spapens-Reijnders Locatie Winterdijk 11 5161 PH Sprang Capelle Auteur Emma Heeren Collegiale controle Frenk van de Wal
Opleverdatum 24 februari 2022
De Lange Kant 27 5061 PX Oisterwijk 06-24218274 www.brabanteco.nl
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van dit rapport is niet toegestaan zonder vermelding van bron.
Dit rapport is met de grootste zorg samengesteld. Desondanks aanvaardt Brabant Eco geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek door toepassing van adviezen.
1
Ecologische QuickScan Winterdijk 11 Sprang Capelle, BE-0247
Inhoudsopgave SAMENVATTING ............................................................................................................... 3 1.
INLEIDING EN ONDERZOEK ........................................................................................ 4 1.1 Aanleiding......................................................................................................................... 4 1.2 Doelstelling ...................................................................................................................... 4 1.3 Centrale vraagstelling ...................................................................................................... 4 1.4 Criteria.............................................................................................................................. 4
2.
BELEIDSKADER .......................................................................................................... 5 2.1 Gebiedsbescherming ........................................................................................................ 5 2.2 Soortenbescherming ........................................................................................................ 5 2.3 Bescherming van houtopstanden .................................................................................... 7 2.4 Zorgplicht ......................................................................................................................... 8
3.
PLANGEBIEDSBESCHRIJVING ..................................................................................... 9 3.1 Huidige situatie ................................................................................................................ 9 3.2 Voorgenomen ontwikkeling ........................................................................................... 10
4.
PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN ....................................................................... 12 4.1 Bureauonderzoek ........................................................................................................... 12 4.2 Veldonderzoek................................................................................................................ 13 4.3 Beschrijving plangebied ................................................................................................. 13
5.
BESCHERMDE NATUURWAARDEN ........................................................................... 17 5.1 Gebiedsbescherming ...................................................................................................... 17 5.2 Soortenbescherming ...................................................................................................... 19
6.
RESULTATEN EN ADVIES .......................................................................................... 28 6.1 Resultaten ...................................................................................................................... 28 6.2 Advies en aanbevelingen ................................................................................................ 28
7.
BRONNEN ............................................................................................................... 31
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
2
Ecologische QuickScan Winterdijk 11 Sprang Capelle, BE-0247
SAMENVATTING
Initiatiefnemer heeft concrete plannen om de bestaande woning met een deel van de bedrijfsgebouwen aan de winterdijk 11 te Sprang Capelle te slopen, om daarna twee woningen met bijgebouwen en een mantelzorg woning te realiseren. Bij deze werkzaamheden is de opdrachtgever gebonden aan de Wet natuurbescherming. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten kan worden is aan Brabant Eco de opdracht gegeven voor het uitvoeren van een ecologische quickscan op de planlocatie in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Dit voorliggend rapport geeft een beschrijving van het plangebied en het uitgevoerde onderzoek. Daarnaast geeft dit rapport inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van de natuurwetgeving en beleid en de mogelijke effecten op beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden als gevolg van het project. Het rapport kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek. Op basis van uitgevoerd onderzoek zijn geen effecten met werkzaamheden te verwachten die van negatieve invloed zijn op de gunstige staat van instandhouding van de waargenomen soorten of mogelijk aanwezige soorten en hun functioneel leefgebied. Natuurgebieden worden niet aangetast door de ontwikkeling in het plangebied. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag is dan ook niet nodig.
De zorgplicht is altijd van toepassing. Natuur inclusief bouwen wordt aanbevolen. Emma Heeren en Frenk van de Wal Brabant Eco Februari 2022
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
3
Ecologische QuickScan Winterdijk 11 Sprang Capelle, BE-0247
1. INLEIDING EN ONDERZOEK
1.1 Aanleiding Volgens opdrachtgever R & S Advies is het voornemen om aan de Winterdijk 11 te Sprang Capelle in de gemeente Waalwijk het woonhuis met aanbouw en de achtergelegen voormalige rundveestallen met aanbouwen en garages/ loods te slopen. Daarna wil initiatiefnemer twee woningen realiseren op een oppervlakte van 1.750 m2 per perceel, met bijgebouwen en een mantelzorg woning. Bij deze werkzaamheden is opdrachtgever gebonden aan de Wet natuurbescherming. In opdracht heeft Brabant Eco een ecologische quickscan uitgevoerd voor de planlocatie in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
1.2 Doelstelling Het doel van dit verkennend onderzoek is om vast te stellen of de geplande ontwikkeling mogelijk effect heeft op de beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden. Er wordt een eerste inzicht verkregen in de mogelijke effecten op deze beschermde natuurwaarden in en om het plangebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden ondernomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Het doel van dit onderzoek is het vaststellen of uitsluiten van aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Naast soorten die bijzondere bescherming genieten, geldt er een algemene zorgplicht om planten en dieren niet onnodig te verstoren. Daarom dienen flora en fauna en eventuele effecten in kaart gebracht te worden om deze te kunnen toetsen aan de natuurwetgeving. Dit rapport geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en de mogelijke effecten als gevolg van het project en kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek.
1.3 Centrale vraagstelling Is de voorgenomen ontwikkeling op basis van de gevonden resultaten in strijd met de natuurwetgeving en dienen eventuele vervolgstappen genomen te worden voordat met de uitvoering gestart kan worden?
1.4 Criteria Op dit natuuronderzoek zijn de volgende criteria van toepassing: o Het onderzoek is uitgevoerd door deskundige ecologen volgens de definitie van de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (ecologisch deskundige/RVO.nl). o Het onderzoek is uitgevoerd door een onafhankelijk bureau. Brabant Eco en Frenk van de Wal verklaren hierbij geen enkel belang te hebben in de uitkomst van dit onderzoek. o De resultaten zijn zo objectief en betrouwbaar mogelijk verkregen. o Het onderzoek voldoet aan de interne proces- en kwaliteitseisen van Brabant Eco.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
4
Ecologische QuickScan Winterdijk 11 Sprang Capelle, BE-0247
2. BELEIDSKADER
De Wet natuurbescherming is de Nederlandse wet die de bescherming van natuurgebieden en soorten regelt. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de vogel- en habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. Bovendien sluit het instrumentarium van de Wet natuurbescherming aan op het huidige omgevingsrecht en de toekomstige Omgevingswet. Het eerste aanspreekpunt voor de aanvraag van een omgevingsvergunning is de gemeente. De bevoegdheden om te toetsen aan de Wet natuurbescherming is bij de provincie gelegd. Het uitgangspunt van de wet is dat er geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten, tenzij dit nadrukkelijk is toegestaan.
2.1 Gebiedsbescherming 2.1.1 Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Nederland worden deze gebieden aangewezen binnen de EU-vogelrichtlijn en de EU-habitatrichtlijn. In Natura 2000 gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. In het opgestelde beheerplan wordt beschreven hoe de instandhoudingsdoelstellingen bereikt dienen te worden. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000 gebieden. 2.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische hoofdstructuur genoemd (EHS), is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het bestaat uit gebieden die samen een netwerk vormen door Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. In het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ principe. Dit houdt in dat ruimtelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er geen alternatieven zijn en er sprake is van een groot openbaar belang. De effecten van de ingreep moeten bovendien worden gecompenseerd. Naast ongeveer 20 Nationale parken, meren, rivieren en de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee vallen alle Natura 2000 gebieden onder het NNN. De landbouwgebieden worden beheerd volgens agrarisch natuurbeheer.
2.2 Soortenbescherming De Wet natuurbescherming beschermt de in Nederland voorkomende wilde planten- en diersoorten via een zogenaamde zorgplicht. Voor deze beschermde soorten is het uitgangspunt dat activiteiten moeten worden voorkomen die deze beschermde soorten aantasten. Wanneer dit niet mogelijk is, dan is het uitvoeren van een dergelijke activiteit alleen toegestaan met een ontheffing van de provincie. 2.2.1 Beschermde planten en dieren De Wet natuurbescherming kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: Brabant Eco; ecologische dienstverlening
5
Ecologische QuickScan Winterdijk 11 Sprang Capelle, BE-0247
o o
o
Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.
Als aan deze drie vereisten voldaan is kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Bij het besluit of een afwijking van het verbod kan worden toegestaan, wordt evenwel niet naar de gevolgen van deze afwijking voor het individuele plant of dier gekeken, maar naar de gevolgen voor de instandhouding van de betrokken soort. Wel zal rekening gehouden moeten worden met de zorgplicht en het dierenwelzijn. 2.2.2 EU-Vogelrichtlijn Het doel van de Vogelrichtlijn is het in stand houden van alle natuurlijke, in Europa in het wild levende, vogelsoorten. De Vogelrichtlijn vereist dat EU-lidstaten alle nodige maatregelen nemen om de populatie van alle vogelsoorten op een niveau te houden of te brengen, dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen. Daarnaast moeten de lidstaten alle nodige maatregelen nemen om voor deze vogels een 'voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te beschermen, in stand te houden of te herstellen'. De richtlijn is dus van toepassing op vogels, hun eieren, hun nesten en ook hun leefgebieden. De EU-Vogelrichtlijn is in 1981 van kracht geworden. De Wet natuurbescherming bevat een aantal verboden handelingen die van toepassing zijn op alle inheemse vogels.
Deze verboden gelden in heel Nederland. De wet verbiedt: o Het opzettelijk doden of vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1); o Het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels, of het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2); o Het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels (artikel 3.1 lid 3); o Het opzettelijk storen van vogels (artikel 3.1 lid 4); o Het bezit, het vervoer en de handel in vogels, dood of levend, dan wel delen of producten daarvan (artikel 3.2). Van de soorten die beschermd worden onder de Vogelrichtlijn is geen limitatieve lijst beschikbaar. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature voorkomen op het grondgebied van de Europese Unie. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten. Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet natuurbescherming van toepassing. 2.2.3 EU-Habitatrichtlijn Het doel van de Habitatrichtlijn is het waarborgen van de biologische diversiteit in de Europese Unie door de natuurlijke habitat en wilde dier- en plantensoorten die van Europees belang zijn in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen.
Dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern en bijlage I van het Verdrag van Bonn, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten (zie bijlage 2) is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming van toepassing. De EU-Habitatrichtlijn is in 1992 van kracht geworden. 2.2.4 Overig beschermde soorten Dit zijn soorten genoemd in bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Het betreft een limitatieve lijst (zie bijlage 3). De beschermde status van soorten kan per
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
6
Ecologische QuickScan Winterdijk 11 Sprang Capelle, BE-0247
provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Voor soorten die niet in de bijlagen van de Wet natuurbescherming worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wet natuurbescherming) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.
Tabel: Beschermingsregime van de Wet natuurbescherming
2.3 Bescherming van houtopstanden De belangrijkste elementen m.b.t. de bescherming van houtopstanden zijn de meldingsplicht, de herplantplicht en het kapverbod. De provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Als het gaat om beplantingen van bomen groter dan 10 are of als het een rijbeplanting betreft die uit meer dan 20 bomen bestaat, dan valt bos, mits het buiten de bebouwde kom ligt, onder de Wet natuurbescherming. De gemeente kan voor de Wet natuurbescherming een andere ‘bebouwde kom Wet natuurbescherming’ vaststellen dan de bebouwde kom volgens de Wegenverkeerswet.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
7
Ecologische QuickScan Winterdijk 11 Sprang Capelle, BE-0247
2.4 Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet wettelijk beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor het in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun leefomgeving. Dit betekent dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren, niet mogen worden uitgevoerd.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
8
Ecologische QuickScan Winterdijk 11 Sprang Capelle, BE-0247
3. PLANGEBIEDSBESCHRIJVING
3.1 Huidige situatie De planlocatie is gelegen aan de Winterdijk 11 in het buitengebied van Sprang-Capelle in de gemeente Waalwijk. Waalwijk is een gemeente in de provincie Noord-Brabant en heeft een totale oppervlakte van 24,78km2. De gemeente telt 48.815 inwoners (juli 2021, CBS) en bestaat uit de plaatsen Waalwijk, Waspik en Sprang-Capelle. Sprang-Capelle ligt in de streek Langstraat ten westen van Waalwijk langs de Bergsche Maas, met ongeveer 9.765 inwoners en bestaat uit de kernen Sprang, Vrijhoeve-Capelle en Capelle. Het plangebied is gesitueerd omringd door natuurgebieden met burger dijkbebouwing. Ten noorden van de planlocatie bevindt zich op ongeveer 400m afstand de A59. Op ongeveer 1,2 km ten zuiden bevindt zich de kern van Vrijhoeve-Capelle, op 1 kilometer naar het westen Capelle. De ligging van het plangebied in de wijdere omgeving is weergegeven in onderstaande afbeelding.
Capelle
Vrijhoeve-Capelle Sprang
Satellietfoto omgeving plangebied, planlocatie is rood omcirkeld. Bron: Google Earth.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
9
Ecologische QuickScan Winterdijk 11 Sprang Capelle, BE-0247
Het plangebied bestaat voornamelijk uit bebouwing met verharding. Aan de overzijde van de winterdijk (ten noorden) en aan de achterzijde (ten zuiden) van het perceel bevindt zich het natuurgebied Langstraat. Op onderstaande afbeelding wordt het plangebied globaal aangegeven.
Globaal omlijnde planlocatie in blauw. Bron: Google Earth.
3.2 Voorgenomen ontwikkeling Het plangebied bestaat huidig uit een woning met aanbouw en voormalige stallen voor het houden van melkvee. Deze zijn uitbreidend gebouwd tussen 1965 en 1985. De voormalige melkveestallen zijn de laatste jaren in gebruik voor statische opslag. De inrit naar en tussen en ook achter de stallen is verhard met asfalt en betontegels. Achter de stallen bevinden zich twee voormalige sleufsilo’s verhard met betontegels. De totale overtollige verharding zal verwijderd worden. Het perceel zal verkleind worden tot 20 meter ten zuiden van de gevels van de stallen. De huidige bebouwing binnen het perceel wordt deels gesloopt. Een bestaande loods blijft behouden. Het woonhuis met aanbouw en de twee voormalige rundveestallen worden volledig gesloopt. Daarna wenst initiatiefnemer twee wooneenheden te realiseren met daarachter gelegen twee te bouwen schuren met een aangebouwde mantelwoning. De nieuwe bebouwing zal 20 meter van de dijk af gerealiseerd worden. Een en ander zal landschappelijk worden ingepast. In onderstaande afbeelding een schematische weergave van de beoogde situatie.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
10
Ecologische QuickScan Winterdijk 11 Sprang Capelle, BE-0247
Schematische weergave beoogde situatie. Bron: KG architectuur
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
11
Ecologische QuickScan Winterdijk 11 Sprang Capelle, BE-0247
4. PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN
Een ecologische quickscan is de eerste stap van ecologisch onderzoek dat uitgevoerd wordt in het kader van een ruimtelijke ingreep. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt getoetst aan de Wet natuurbescherming. In het kader van deze wet is het noodzakelijk te weten welke flora- en faunasoorten potentieel voorkomen in het plangebied. Naast het effect op beschermde soorten kan het nodig zijn om onderzoek te verrichten naar eventuele negatieve effecten van de ingreep op de kwaliteit van beschermde gebieden in de omgeving. Bij een ecologische quickscan worden de ecologische waarden van een omgeving in kaart gebracht middels een bureaustudie en veldonderzoek. De ingreep wordt goed en duidelijk omschreven. Er worden eventueel mitigerende en compenserende maatregelen aanbevolen waarmee de overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen wordt. De ecologische quickscan, ook wel quickscan flora en fauna genoemd, geeft de mogelijke effecten van een ruimtelijke ingreep weer op beschermde planten en dieren.
Door middel van een quickscan worden de volgende vragen beantwoord: o Welke beschermde soorten (flora en fauna) zijn in het plangebied aanwezig? o Wat zijn de effecten van de voorgenomen plannen op deze aanwezige soorten? o Wordt de Wet natuurbescherming overtreden? o Welke mogelijkheden zijn er om negatieve effecten op de beschermde soorten te minimaliseren of te voorkomen? o Is er een aanvullend onderzoek nodig naar soorten of functies? o Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen plannen een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen bij de provincie Noord-Brabant? De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van het plangebied en de directe omgeving en betreft geen volwaardig specifiek soortenonderzoek. Er zijn in dit onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie bestaat uit meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
4.1 Bureauonderzoek Het bureauonderzoek heeft zich gericht op bekende ruimtelijke plannen, zowel lokaal, provinciaal, nationaal als Europees. Door middel van literatuuronderzoek is onderzocht of zich in de nabijheid van de planlocatie gebieden bevinden die beschermd zijn in het kader van de natuurwetgeving en is er een inschatting gemaakt op het voorkomen van beschermde soorten. Hierbij is gebruik gemaakt van de database quickscanhulp.nl (bijlage 1), aangevuld met gegevens uit relevante recente verspreidingsatlassen en actuele websites, onder andere RAVON, Sovon, FLORON en Waarneming.nl. NDFF Verspreidingsatlas is een naslagwerk met afbeeldingen en informatie over duizenden soorten die in de Nederlandse natuur voorkomen. De verspreidingskaarten worden gemaakt met gevalideerde gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna. De inhoud van de atlas wordt mede verzorgd door zes verenigingen en stichtingen: de Nederlandse Mycologische Vereniging (NMV), FLORON, het Landelijk Informatiecentrum Kranswieren (LIK) en stichting ANEMOON, stichting RAVON en de Zoogdiervereniging. Voor de gebiedsgerichte bescherming is onderzoek uitgevoerd naar aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving, het betreft de Natura 2000 gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarvoor is o.a.
gebruik gemaakt van de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en die van de provincie Noord-Brabant
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
12
Ecologische QuickScan Winterdijk 11 Sprang Capelle, BE-0247
4.2 Veldonderzoek Op maandag 21 februari 2022 in de middag hebben medewerkster ecologie Emma Heeren en ecoloog Frenk van de Wal in het kader van het natuurwaardenonderzoek het veldonderzoek uitgevoerd aan het plangebied en de directe omgeving. De weersomstandigheden waren bewolkt met een noordwestenwind, met windkracht 5 en droog op een regenachtige dag. De gemiddelde temperatuur lag rond de 8 graden Celsius. Tijdens het veldonderzoek werd de ecologische potentie van de locatie en de directe omgeving in relatie met het mogelijk voorkomen van beschermde soorten onderzocht. Op de locatie werden alle aanwezige habitats opgenomen. De aanwezige habitats tijdens het veldbezoek en de waarnemingen uit het NDFF werden vergeleken met de habitatvereisten van beschermde planten- en diersoorten. Hierdoor werd ingeschat welke soorten potentieel voorkomen. Daarbij zijn de in het plangebied aanwezige ruimtelijke structuren en ecotopen geïnventariseerd. Naast de biotopen zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen die kunnen duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Behalve het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten is er ook gelet op bijv. holen, uitwerpselen, prooiresten, braakballen vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken.
Op basis van deze vergelijking en expert judgement is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen. De bebouwing is zowel aan de binnenzijde als buitenzijde uitgebreid visueel onderzocht.
4.3 Beschrijving plangebied
Bovenaanzicht plangebied met bebouwing genummerd. Bron: google maps
Het plangebied is gelegen aan Winterdijk 11 te Sprang-Capelle. Binnen het plangebied zijn een woonhuis met aanbouw en twee rundveeveestallen met aanbouw gesitueerd. De veestallen dateren van ongeveer 1960 waarna in de jaren 70 aan- en verbouwingen zijn gerealiseerd.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
13
Ecologische QuickScan Winterdijk 11 Sprang Capelle, BE-0247
Ten tijde van het onderzoek was het woonhuis bewoond en werden de oude rundveestallen gebruikt voor statische opslag. Aan de voorzijde van het woonhuis bevindt zich een dijk, aan de overzijde van de dijk bevindt zich het natuurgebied Langstraat. Het woonhuis (1) is een vrijstaand woning welke op ongeveer 80 centimeter afstand van de naastgelegen woning staat, vlak onder aan de dijk. De woning is opgebouwd uit rode en gele bakstenen en beschikt over een pannendak. Het pannendak heeft een overstek met trespa platen. Aan de westelijke kant van het woonhuis bevindt zich een naastgelegen woning waarvan de goot nagenoeg tegen deze woning is aangebouwd. Aan de achterzijde van het woonhuis is een badkamer van hout en een overkapping van kunststof aangebouwd.
Achterzijde woonhuis
Zijgevel woning onder aan de dijk
Ten zuidwesten van het woonhuis bevindt zich bijbouw (2), het gebouw bestaat totaal uit sandwichpanelen met een betonnen vloer. Het gebouw is te bereiken via een roldeur, heeft geen verdieping en een plat dak met bituum en kiezels. Het gebouw wordt gebruikt als werkplaats en stalling van tractoren. Ten zuidoosten van het perceel staat een garage (3) welke in het verleden als melkstal heeft dienstgedaan. De garage heeft bakstenen muren en een plat dak belegd met EPDM. De oostelijke oude melkveestal (5) bestaat uit steense muren met vanaf op twee meter hoogte aan de zijgevels een luchtinlaat, welke afgesloten is met gordijnen. De stallen beschikken over betonnen kozijnen, de muren zijn buiten van baksteen en van binnen van betonsteen. Het dak bestaat uit golfplaten met open nok. Deze is deels afgedekt met losse platen en vogelgaas. Aan de binnenzijde van de schuur bevinden zich stalen spanten, houten gordingen en lichtstraten. De westelijke oude veestal (4) bestaat uit half steense en steense muren met een dak van sandwichpanelen met open nok, afgedekt met platen en vogelgaas. Aan de westelijke zijde bevindt zich een aangebouwde loods (6) bestaande uit damwanden en een dak van sandwichpanelen. Aan de achterzijde van de loods bevindt zich een open overkapping met hierin opslag. Het voornemen is om deze loods in de toekomst te behouden.
Alle gebouwen zijn van de buitenzijde volledig afgesloten, in de bakstenen muren zijn geen stootvoegen en kieren aanwezig. Naast de loods (6) staan aan de westzijde enkele pruimen- en appelbomen. Het perceel is zo goed als volledig verhard met betontegels en asfalt. Twintig meter ten zuiden van de stallen bevinden zich twee sleufsilo’s gestraat met betontegels.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
14
Ecologische QuickScan Winterdijk 11 Sprang Capelle, BE-0247
Melkveestal (5)
Veestal (4)
Aanbouw (2)
Binnenzijde stal 5
Achterzijde loods
Binnenzijde loods
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
15
Ecologische QuickScan Winterdijk 11 Sprang Capelle, BE-0247
Huidige situatie
Beoogde situatie
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
16
Ecologische QuickScan Winterdijk 11 Sprang Capelle, BE-0247
5. BESCHERMDE NATUURWAARDEN Het volledig overzicht van de output van beschermde soorten van tabel 2 en 3 en vogels met mogelijk jaarrond beschermde nesten is door middel van quickscanhulp.nl opgenomen in bijlage 1. Bijlage 2 is een opsomming van beschermde soorten onder paragraaf 3.2 van de wet natuurbescherming. Bijlage 3 geeft een opsomming van de beschermde soorten onder paragraaf 3.3. Bij het veldonderzoek is het plangebied onderzocht op het voorkomen van beschermde soorten of resten hiervan. Er is met name geïnspecteerd op potentiële groei-, rust-, nest-, en verblijfplaatsen voor beschermde soorten. Per soortgroep wordt in onderstaande beschreven welke soorten er zijn waargenomen tijdens veldbezoek, welke soorten voorkomen in de omgeving, welke soorten worden verwacht in het plangebied, en welke effecten (mogelijk) aan de orde zijn.
5.1 Gebiedsbescherming 5.1.1 Natura 2000 Het plangebied ligt nagenoeg aangrenzend aan gronden die tot Natura 2000 gebied Langstraat behoren. Aan de overzijde van de Winterdijk ligt het Natura 2.000 gebied. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000 gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode stip aangegeven. Natura 2000 gebieden zijn in bauw gestreept aangegeven.
Het plangebied ligt nagenoeg aangrenzend aan gronden behorend tot Natura 2000 gebied Langstraat
Natura 2000 gebieden. De afstand tussen het plangebied en Natura 2000 is met een pijl aangegeven. Bron: Arc Gis
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
17
Ecologische QuickScan Winterdijk 11 Sprang Capelle, BE-0247
Natura 2000 gebied Langstraat bestaat uit een aantal natuurterreinen, het Labbegat, de Dullaert, de Dulver en de Hoven. Deze terreinen bestaan uit aangrenzende zangronden, het riviergebied en zeekleigronden. Er zijn gradiënten aanwezig van zand naar veen, van basenarme lokale kwel naar basenrijke regionale kwel. Het gebied bestaat uit een ontgonnen laagveenvlakte en een restant van een oud slagen landschap met zeer lange en smalle graslanden, begrensd door ezelhagen. Het gebied bestaat uit trilvenen, sloten, schrale, soortenrijke graslanden, zeggenmoerassen en plaatselijk vochtige heide. Doordat het plangebied buiten het Natura 2000 gebied ligt kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Ten aanzien van Natura 2000 gebieden dient er o.a. zekerheid geboden te worden betreffende het niet optreden van een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten. Negatieve effecten gezien de omvang, de aard, het effectbereik en de locatie van het voornemen, zijn op voorhand uit te sluiten. Een Aerius berekening kan dit staven. 5.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt aansluitend aan gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Dit NNNgebied maakt deel uit van natuurgebied de Langstraat met vooral het beheertype droog bos met productie.
Op 200 meter afstand ten zuiden van het plangebied loopt het Zuiderafwaterkanaal. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. De NNN-gebieden in de kleuren groen, geel, blauw en bruin
Het plangebied ligt aansluitend aan gronden behorend tot Natuurnetwerk Nederland
Natuur Netwerk Nederland gebieden. De afstand tussen het plangebied en NNN is met een pijl aangegeven. Bron: Kaartbank Brabant. In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten. Het plangebied ligt aan de overzijde van de dijk en daarmee nagenoeg aangrenzend aan Natura 2.000 gebied. De werkzaamheden zijn echter van een
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
18
Ecologische QuickScan Winterdijk 11 Sprang Capelle, BE-0247
zodanige aard en altijd op minimaal 20 meter afstand van het NNN-gebied zodat er geen deel van het NNN-gebied wordt aangetast. Met een compensatietoets kan bepaald worden of en welke aanvullende maatregelen getroffen moeten worden wegens de verstoring van het NNN-gebied maar de significante aanpassing van en negatieve effecten door externe werking op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN zijn, gezien de omvang, de aard, het effectbereik en de locatie van het voornemen, op voorhand uit te sluiten. 5.1.3 Conclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000 gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Het is niet aannemelijk dat de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op instandhoudingsdoelen van Natura 2000 gebied. Een toets met compensatieplicht is daarmee niet aan de orde.
5.2 Soortenbescherming 5.2.1 Flora Volgens de NDFF, project Winterdijk BE-0247, d.d. 21-02-2022 zijn er 3 beschermde plantensoorten waargenomen binnen een straal 5 kilometer van het plangebied. Deze planten staan op de rode lijst en zijn sinds 1 januari 2017 wettelijk beschermd. Deze beschermde plantensoorten zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort
Habitat
Knolspirea
Afstand plangebied 5 km
Schubzegge
5 km
Grasland en moerassen. Vochtig voedselarm kalkbodems
Stijve wolfsmelk
5 km
Akkers en bosranden, vochtig matig voedselrijke kalkbodems
Grasland, in bermen en bosranden
Het plangebied bestaat naast de bebouwing en veel verharding uit een gecultiveerde tuin en biedt vanwege de inrichting, het beheer en gebruik geen geschikt habitat voor beschermde plantensoorten. Conclusie Vanwege het ontbreken van geschikte habitats is het voorkomen van beschermde plantensoorten in het plangebied uit te sluiten. De oppervlakte van de te verwijderen vegetatie is te klein om te vallen onder houtopstanden. Een nadere toetsing voor houtopstanden is daarom niet nodig. 5.2.2 Zoogdieren Volgens de NDFF zijn er 17 zoogdiersoorten aangetroffen binnen een straal van 5 kilometer rond het plangebied. Hiertoe behoren 6 vleermuissoorten, 4 marterachtigen en 7 overige soorten. Vleermuizen Alle soorten vleermuizen vallen onder de groep strikt beschermde soorten. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: ‘het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort’. Dit houdt in dat niet alleen verblijfplaatsen, maar ook belangrijke verbindingen hiertussen (vlieg- en foerageerroutes) beschermd zijn. Voor alle vleermuissoorten geldt geen vrijstelling of ontheffingsverlening indien het puur gaat om een ruimtelijke ontwikkeling en inrichting.
De checklist vleermuisprotocol 2021 geeft voor gebouwen de volgende drie aandachtspunten: Zijn er potentieel
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
19
Ecologische QuickScan Winterdijk 11 Sprang Capelle, BE-0247
aanwezige ruimtes voor winter-, kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen, zijn er sporen van aanwezigheid en is er sprake van een foerageergebied? De vleermuissoorten die volgens het NDFF zijn waargenomen binnen een straal van 1 kilometer zijn te vinden in de onderstaande tabel. Vleermuis soort Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis Kleine dwergvleermuis
Afstand plangebied 1 km
Habitat en bescherming
5 km
Soms bebouwing, soms bomen, strikt beschermd
1 km 1 km 5 km
Vaak bebouwing, strikt beschermd Vooral bomen, strikt beschermd Vooral bomen, strikt beschermd
5 km
Vaak bebouwing, strikt beschermd
Vooral bebouwing, strikt beschermd
Het plangebied is beoordeeld op de geschiktheid als vleermuishabitat. Er zijn vleermuizen die in bomen hun verblijfplaatsen onderhouden en soorten die in gebouwen verblijven. In het plangebied zijn geen bomen met geschikte stamdiameter, holtes, gaten of loshangende schors waarin vleermuizen mogelijk verblijfplaatsen kunnen hebben. Vleermuisverblijfplaatsen in bebouwing kunnen aangetroffen worden onder dakpannen, tussen dakbeschot, boeiboorden, onder gevelbekleding, in spleten en kieren in muren of in de spouw door open stootvoegen. De bebouwing die voor sloop in aanmerking komt is onderzocht op verblijfsmoglijkheden. De woning in het plangebied beschikt over een holle spouw, maar er zijn geen potentiële invliegopeningen, zoals stootvoegen, in de buitengevels van de woning waargenomen. Het woonhuis toont alleen geschikte verblijfsmogelijkheden onder de dakpannen die aanvliegbaar zijn via overhangende gevelpannen. Echter de dakpannen hangen over op glad houtwerk waarop vleermuizen moeilijk grip kunnen krijgen bij aanlanding. Het dak , boeiboorden en overstek sluiten erg nauw aan op de muren waardoor er geen verblijfplaatsen voor vleermuizen in de te slopen woning zijn. Ook zijn de overstekbetimmeringen voorzien van trespa waardoor het te glad is om de spouw te betreden.
De stallen bestaan uit muren die steens of halfsteens zijn zonder openingen, zoals naden, kieren en stootvoegen of zijn van damwand profielen. De daken van golfplaten of sandwichpanelen. Hierdoor ontbreken de openingen welke door vleermuizen als verblijfplaats gebruikt zouden kunnen worden. Er zijn geen andere potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen, zoals een holle ruimte achter een vensterluik, dakpan, loodslab, windveer of boeiboord, in het plangebied waargenomen. Vleermuizen oriënteren zich op lijnvormige elementen in het landschap zoals bomenlanen, kanalen of houtwallen, om zich te verplaatsen van verblijfplaats naar foerageergebieden. In het plangebied zelf zijn geen lijnvormige elementen aanwezig die kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen. Alle structuren waren goed toegankelijk en visueel goed te onderzoeken.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
20
Ecologische QuickScan Winterdijk 11 Sprang Capelle, BE-0247
Gesloten overstek
Gesloten dak
Marterachtigen Marterachtigen hebben voor hun overleving drie zaken nodig: dekking, verbinding en rustplaatsen. Deze dieren zijn vooral ’s nachts actief waardoor het fysiek aantreffen van individuen tijdens een veldbezoek zeer onwaarschijnlijk is. Bij onderzoek naar marters wordt daarom vooral gekeken naar sporen van de aanwezigheid van marters. De aanwezigheid van de marterachtigen verraad zich vaak door uitwerpselen, prooiresten en stank. De marterachtigen die volgens het NDFF aanwezig kunnen zijn binnen een straal van 5 kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Marter soort Bunzing Das Steenmarter Wezel
Afstand plangebied 1 km 5 km 1 km 5 km
Bescherming Beschermd Beschermd Beschermd Beschermd
Bunzing Doordat ze niet kieskeurig zijn wat betreft hun voedsel, komen bunzings voor in vele verschillende landschapstypen. Ze komen vooral voor in bebost laagland nabij water, waaronder rivieroevers en moerassen. In de winter worden bebouwde gebieden opgezocht en is de bunzing te vinden in de buurt van boerderijen. Deze zoogdieren verplaatsen zich vooral via lijnvormige landschapselementen zoals hagen die tot aan de grond komen (geen opgesnoeide hagen) of greppels, en vinden er hun voedsel. Landschapselementen in een geschikt habitat voor kleine marterachtigen zijn o.a. struwelen, hoge graslandvegetatie, houtstapels, holle bomen, houtwallen, takkenrillen of stapels stenen of puin. Voor de bunzing is water in de nabijheid van belang. Das De das leeft in allerlei soorten biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Maar ook open terreinen, zoals vochtige heiden en rivierdalen zijn geschikte leefgebieden. Het leefgebied van de das moet voldoen aan voldoende dekking, weinig verstoring, een groot voedselaanbod en een bodem waarin ze goed een burcht kunnen graven, met een grondwaterstand van tenminste 1,5 m onder het maaiveld. Dassen foerageren in kort gras, omdat hier het voedsel het gemakkelijkst te vinden is. Steenmarter De steenmarter is een soort van steenachtige biotopen en schuilplaatsen.
De soort komt met name voor aan de rand van dorpen en steden, maar is ook te vinden nabij boerderijen en kleinschalige cultuurlandschappen. De steenmarter vindt vaste verblijfplaatsen in oude schuurtjes met weinig menselijke activiteit of woningen met toegankelijke zolder-, en of kruipruimten.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
21
Ecologische QuickScan Winterdijk 11 Sprang Capelle, BE-0247
Wezel De wezel zoekt graag dekking op, bijvoorbeeld bij bosschages, houtstapels of heggen. Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen die bekleed wordt met veren of haren van prooidieren. Goede schuilmogelijkheden en de aanwezigheid van voldoende geschikt voedsel zijn de enige eisen die de wezel aan zijn omgeving stelt. Landschapselementen die het plangebied tot een geschikt leefgebied maken voor marterachtigen ontbreken geheel. Het plangebied is te opgeruimd en de stallen worden bezemschoon gehouden. Daardoor zijn er voor marterachtigen geen ruigtehoekjes aanwezig om te schuilen. De aanwezigheid van marterachtigen verraad zich vaak door uitwerpselen, prooiresten en stank. Tijdens het veldbezoek is gelet op sporen van aanwezigheid van voornoemde marterachtigen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden die duiden op aanwezigheid van deze. Er zijn geen geschikte ingangen voor marterachtigen om de stallen te betreden, waardoor er geen schuilplaatsen voor marterachtigen aanwezig kunnen zijn in de stallen. Zodoende is het uitgesloten dat het plangebied een belangrijk onderdeel vormt van het leefgebied van marterachtigen. Overige beschermde soorten De overige beschermde soorten omvatten vooral knaagdieren en algemeen voorkomende soorten.
Sommige van deze soorten zijn beschermd, maar een aantal van deze soorten vallen er in de provincie Noord-Brabant tot de vrijgestelde soorten. Voor soorten uit deze categorie betekent dat bij ruimtelijke ontwikkeling er geen ontheffing hoeft te worden gevraagd en dat rust- of verblijfplaatsen verwijderd mogen worden, wanneer geen andere bevredigende oplossing bestaat. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. In de onderstaande tabel zijn de overige beschermde zoogdiersoorten te vinden die volgens het NDFF zijn waargenomen binnen een straal van 5 kilometer rond het plangebied. Overige soort
Bescherming
Bever Eekhoorn Egel Haas Konijn Rosse Woelmuis
Afstand plangebied 1 km 1 km 1 km 1 km 1 km 1 km
Waterspitsmuis
5 km
Beschermd
Beschermd Beschermd Vrijgesteld Vrijgesteld Vrijgesteld Vrijgesteld
Het plangebied is door de inrichting geen essentieel onderdeel van het leefgebied voor de bever. Het plangebied is gelegen in een vochtig gebied, omgeven door een natuurgebied met veel water. Desondanks is ontbreekt de juiste bebossing. Er zijn geen eekhoornnesten waargenomen in het plangebied. Het is daardoor uit te sluiten dat het plangebied essentieel onderdeel is van de habitat van een eekhoorn. Het is zeer aannemelijk dat er een enkel individu van een beschermde soort in de planlocatie kan worden aangetroffen, zoals egel, mol, veldmuis en bepaalde spitsmuizen. Deze soorten zijn weliswaar beschermd, maar behoren in de provincie Noord-Brabant tot de vrijgestelde soorten. Eekhoorn, haas en konijn Door het uitdijende akkerland met intensievere machinale bewerking is vooral in de jaren 70 de hazenen konijnenstand gedaald en is sindsdien niet echt meer hersteld. Sinds november 2020 staan de haas en konijn op de Rode Lijst van Nederlandse zoogdieren met de status ‘gevoelig’, de lichtste categorie, waarbij herstel nog vrij eenvoudig is.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
22
Ecologische QuickScan Winterdijk 11 Sprang Capelle, BE-0247
De staat van instandhouding is nog niet in gevaar. Daarom zijn er op dit moment geen consequenties voor de jacht. Voor de haas loopt het jachtseizoen van 15 oktober tot en met 31 december en voor het konijn vanaf 15 augustus tot en met 31 januari. De voorkeurshabitat voor eekhoorn bestaat uit gemengde bossen, bosrijke tuinen, parken en houtwallen, daar waar voedselmogelijkheden voorhanden zijn. In het plangebied valt weinig te foerageren voor de eekhoorn door het ontbreken van geschikte voedselbomen en bosrijk biotoop. Bever en rosse woelmuis Volgens verspreidingsgegevens van de nationale databank flora en fauna kunnen er binnen een straal van 1 kilometer van het plangebied mogelijk de bever en in een straal van 5 kilometer de rosse woelmuis. In 1988 is men begonnen met het uitzetten van bevers in Nederland en het lijkt erop dat de bever langzamerhand een vaste plek in onze fauna heeft heroverd. Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, langs beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rustige rivieren en meren omzoomd door broekbossen met bomen als wilg en es. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste. De Rosse woelmuis leeft bij voorkeur in loof- en gemengd bos met daaronder een struik- of kruid laag, maar hij komt ook voor in jonge aanplant en in naaldbos.
Ook leeft hij in houtwallen, heggen, bosranden en parken. Hij waagt zich zelden in open gebieden zonder beschutting. Conclusie Het plangebied beschikt over een woning zonder mogelijkheden tot verblijfplaatsen voor vleermuizen. De stallen beschikken over gesloten muren waarin voor de vleermuizen geen gelegenheden zijn om in te verblijven. Het woonhuis beschikt wel over een spouw. Aangezien het overstek van het dak voorzien is van gladde trespa platen is het invliegen van vleermuizen niet mogelijk. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord, verwond of gedood en wordt er geen rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Er is dus geen ontheffing nodig voor deze soortgroep. In het plangebied komen geen marterachtigen voor. Daarnaast is het uit te sluiten het plangebied onderdeel is van de essentiële leefomgeving van bevers en eekhoorns. Het is mogelijke dat er een enkele individu van een vrijgestelde soort aanwezig is in het plangebied. De zorgplicht is altijd van kracht. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde zoogdieren waargenomen. 5.2.3 Vogels In de Wet natuurbescherming worden alle broedende vogels strikt beschermd op grond van de Vogelrichtlijn waardoor alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van deze wet.
De Wet natuurbescherming hanteert geen standaardperiode voor het broedseizoen, maar voor de volledigheid wordt vaak gesproken van half maart tot half juli. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Men dient daarom gedurende kap- en sloopwerkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door bepaalde werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Van een aantal vogelsoorten worden de nesten ook buiten het broedseizoen beschermd. De zogenaamde ‘Jaarrond beschermde verblijfplaatsen’. Als deze nesten door een ruimtelijke ontwikkeling verdwijnen, kan afhankelijk van de soort die het nest gebruikt, een ontheffingsaanvraag noodzakelijk zijn. De bescherming van vogels kan worden opgedeeld in 5 categorieën. Categorie 1-4 De eerste 4 categorieën betreffen vogels welke zeer honkvast broeden en (1-4) of welke zelf niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen (4). De vogelsoorten die volgens het NDFF zijn waargenomen in een straal van 5 kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
23
Ecologische QuickScan Winterdijk 11 Sprang Capelle, BE-0247
Soort
Afstand Bescherming categorie* en habitat plangebied Boomvalk 1 km 4, boom bewonend Buizerd 1 km 4, boom bewonend Gierzwaluw 1 km 2, gebouw bewonend Grote gele kwikstaart 1 km 3, boom of gebouw bewonend Havik 1 km 4, boom bewonend Huismus 1 km 2, gebouw bewonend Kerkuil 1 km 3, gebouw bewonend Ooievaar 1 km 3, boom of gebouw bewonend Ransuil 1 km 4, boom bewonend Roek 1 km 2, boom bewonend Slechtvalk 5 km 3, gebouw bewonend Sperwer 1 km 4, boom bewonend Steenuil 1 km 1, gebouw bewonend Wespendief 1 km 4, boom bewonend Zwarte wouw 1 km 4, boom bewonend * Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming het gehele seizoen: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. 2.Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 4.
Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. Gierzwaluw De gierzwaluw is voor zijn voortplanting bijna uitsluitend gebonden aan menselijke bewoning en daarom komt hij in de zomer veelal in grotere dorpen en steden voor. Op de planlocatie is er voor gierzwaluwen geen mogelijkheid om te nestelen. Ook is de locatie voor gierzwaluwen te dun bebouwd. Waardoor het voor voorkomen van gierzwaluwen kan worden uitgesloten. Uilen Steenuil en kerkuil schuwen de menselijke omgeving niet en broeden ook onder daken en op zolders van huizen, loodsen en schuren, maar waarbij de aanwezigheid van geschikt foerageergebied in de directe omgeving noodzakelijk is. Nest- en rustplaatsen van steenuil en kerkuil zijn jaarrond beschermd. Binnen het plangebied ontbreekt het volledig aan geschikte ingangen voor uilen om nestplaatsen te vinden. Tevens is er uitgekeken naar sporen van aanwezigheid van kerkuil en steenuil zoals braakballen, krijtsporen tegen muren of rui veren. Er zijn geen sporen van aanwezigheid van uilen aangetroffen. Huismus Er zijn tijdens het veldbezoek geen huismussen gezien. Waar vee wordt gehouden en gevoerd, is voor huismussen een voedselbron aanwezig. Het stoppen van een veehouderij gaat vaak gepaard met het vertrek van een huismussenpopulatie populatie door het ontstaan van onvoldoende voedselbronnen.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
24
Ecologische QuickScan Winterdijk 11 Sprang Capelle, BE-0247
De foerageermogelijkheden en eventuele nestmogelijkheden ter plekke voor de huismus zullen naar verwachting niet afnemen met het slopen van de gebouwen. Met de landschappelijke inpassing zal het leefgebied voor huismussen verbeteren. Ooievaar, roek en grote gele kwikstaart Als carnivoor eet de ooievaar een breed scala aan dierlijke prooien, inclusief insecten, vissen, amfibieën, reptielen, kleine zoogdieren en kleine vogels. Hij pakt het meeste voedsel van de grond, tussen lage vegetatie en uit ondiep water. Het is een monogame broeder, maar vormt geen paar voor het leven. Het paar bouwt een nest bestaande uit grote takken, dat soms jaren wordt gebruikt. Het leefgebied van de roek is open akker- en weideland, afgewisseld met bomen, bosjes, bomenrijen en heggen. De vogel gedijt goed in menselijk cultuurland als hij niet wordt bejaagd. Vooral de aanwezigheid van akkers is gunstig. Roeken hebben voorkeur voor hoge bomen, bij voorkeur niet in een bos maar een losse opstand. Het boomtype maakt niet zoveel uit. Als in het voorjaar de boomkruinen nog kaal zijn, zijn alle nesten van een roekenkolonie goed zichtbaar. In het voorjaar en 's zomers is de grote gele kwikstaart te vinden in de buurt van waterstroompjes, vooral in de bergen en heuvels. De vogel nestelt in holten in de buurt van water. 's Winters bevinden ze zich bij lagergelegen water en aan de kust.
Geen van de biotopen van genoemde vogelsoorten komt echter voor in het plangebied waardoor het voorkomen van deze drie uitgesloten kan worden. Roofvogels De habitat van roofvogels bestaat, afhankelijk van de soort, uit een bos of een grote (half)open vlakte waar de vogels kunnen jagen. Daarnaast hebben ze in hun leefgebied een geschikte boom nodig waarin een nest gebouwd kan worden. In het plangebied is geen bos of open vlakte aanwezig. Daarnaast zijn er geen nesten van roofvogelsoorten aangetroffen in de bomen. Het is dus uit te sluiten dat het plangebied onderdeel is van de habitat van een boom bewonende roofvogelsoort. De slechtvalk broedt bij voorkeur in hoge gebouwen (>4 verdiepingen). Er is voor de slechtvalk geen geschikte habitat aanwezig in het plangebied. Categorie 5 Categorie 5- soorten zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In het algemeen geldt niet zozeer de bescherming van de nestplek zelf, maar meer de schaarste van dit type nestgelegenheid. Het betreft voornamelijk holenbroeders of vogels die een groot nest bouwen als zwarte kraai of ekster, waarvan enkele andere soorten vogels gebruik maken die niet in staat zijn om zelfstandig een nest te bouwen. (bijv. ransuil, torenvalk en boomvalk). Tijdens het veldbezoek zijn uit deze categorie geen nesten in bomen in het plangebied aangetroffen.
Ook zijn geen bomen met geschikte holtes aanwezig. Overige Vogelrichtlijnsoorten In het plangebied zijn mogelijkheden voor nestgelegenheid voor overige vogelrichtlijnsoorten waarvan de nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd zijn. Naast de westelijke loods zijn enkele fruitbomen. Er is rondom het plangebied veel geschikt opgaand groen aanwezig waarin algemene vogelrichtlijnsoorten broedgelegenheid vinden. Met de beoogde herontwikkeling en omgeven door het natuurgebied Langstraat zullen nest- en foerageergelegenheid voor overige tuin, - en struweelvogels toenemen. Conclusie In het plangebied zijn verschillende gebouwen aanwezig, maar geen van deze gebouwen is geschikt als nestlocatie voor beschermde vogelsoorten. Er zijn tijdens het veldbezoek geen nesten in bomen waargenomen waarvan beschermde soorten gebruik kunnen maken. De gecultiveerde tuin biedt wel schuil- en foerageer mogelijkheden voor kleine vogelsoorten, zoals de huismus. Indien deze vegetatie wordt verwijderd, zijn er nog voldoende schuil
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
25
Ecologische QuickScan Winterdijk 11 Sprang Capelle, BE-0247
en foerageermogelijkheden aanwezig in de omgeving van het plangebied. Als het verwijderen van deze bomen en struiken buiten het broedseizoen plaatsvindt, wordt voorkomen dat er negatieve effecten optreden ten aanzien van algemeen voorkomende vogelsoorten. Er zullen geen vaste rust- en verblijfplaatsen van huismussen, gierzwaluwen, uilen of roofvogels verloren gaan en er worden geen verbodsbepalingen uit de Wet Natuurbescherming overtreden. Een ontheffingsaanvraag is niet noodzakelijk. De aanwezigheid van algemene broedende vogelsoorten als duif en merel is bijna nooit uit te sluiten omdat deze soorten in struiken en onder kleine afdakjes als een uitstekende dakrand kunnen broeden. Een negatief effect op deze soorten is echter betrekkelijk eenvoudig te voorkomen door buiten het broedseizoen te werken. De planlocatie was visueel goed te onderzoeken. 5.2.4 Amfibieën, reptielen, vissen, vlinders en libellen Amfibieën, vissen en reptielen Amfibieën, reptielen en vissen zijn gedurende een groot deel van hun leven afhankelijk van waterstructuren. Vooral tijdens het voortplantingsseizoen is het erg belangrijk om waterstructuren in plangebieden te onderzoeken op de aanwezigheid reptielen en amfibieën die de waterstructuren als voortplantingslocatie gebruiken. Hierbij gaat het bij amfibieën en reptielen om een waterstructuur van maximaal 1,5 meter diep.
De soorten die volgens het NDFF zijn waargenomen in een straal van 5 kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort Bastaardkikker Heikikker Poelkikker Vuursalamander Levendbarende hagedis Grote modderkruiper
Afstand plangebied 1km 1 km 1 km 5 km 5 km
Soortgroep en bescherming
1 km
Vissen, beschermd
Amfibieën, beschermd Amfibieën, beschermd Amfibieën, beschermd Amfibieën, beschermd Reptielen, beschermd
De aanwezigheid van deze beschermde soorten is uit te sluiten. Beschermde amfibie- of vissoorten zullen geen gebruik maken van het plangebied als voortplantingsgebied, de ontwikkeling is land gebonden en er zullen geen waterstructuren worden aangetast. In theorie zou het mogelijk zijn dat er in het plangebied enkele algemene amfibiesoorten, zoals de bruine kikker of gewone pad in landfase voorkomen. Hoewel deze soorten beschermd zijn, worden ze niet bedreigd in hun voorkomen en staan ze vermeld als vrijgestelde soorten in de provincie Noord-Brabant. Voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen wordt vrijstelling verleend als de handeling verband houdt met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Dit is hier van toepassing. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient te worden gedaan om het doden van individuen te voorkomen. De ingreep leidt niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor deze soortengroepen. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Vlinders en libellen Volgens de NDFF zijn er 2 libellensoorten, 3 dagvlindersoorten en 1 nachtvlindersoort waargenomen binnen een straal van 5 kilometer rond het plangebied. Deze soorten zijn te vinden in de onderstaande tabel.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
26
Ecologische QuickScan Winterdijk 11 Sprang Capelle, BE-0247
Soort Gevlekte witsnuitlibel
Afstand plangebied 1 km
Sierlijke witsnuitlibel
5 km
Grote vos
5 km
Grote weerschijnvlinder Kleine ijsvogelvlinder
5 km
Teunisbloempijlstaart
5 km
1 km
Soortgroep en habitat Libellen, laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen Libellen, schone vegetatierijke vennen, plassen en dode rivierarmen Dagvlinders, vochtige open bossen, waardplant: Iep, kers en wilgen Dagvlinders, loofbossen, of bosjes in beekdalen, waardplant: boswilg Dagvlinders, vochtige gemengde bossen en loofbossen, waardplant: kamperfoelie Nachtvlinder, vochtige bossen en bosranden, waardplant: teunisbloem, wilgenroosje, basterdwederik en kattenstaart
In het plangebied ontbreekt het aan specifieke biotopen en waardplanten voor beschermde libellen en dagvlinders. Conclusie In het plangebied is geen geschikt leefgebied voor beschermde dagvlinders en libellen en deze zijn tijdens het veldbezoek ook niet waargenomen. Het voorkomen van beschermde dagvlinders en libellen kan uitgesloten worden. Ook voor overige soorten ongewervelden zoals beschermde kevers, kreeften of slakken vormt het plangebied geen geschikt habitat. Het plangebied biedt uitsluitend leefgebied voor algemene vlinder- en (zwervende) libellensoorten en overige algemene soorten ongewervelden. Door het ontbreken aan oppervlaktewater in het plangebied is het voorkomen van beschermde vissoorten uit te sluiten.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
27
Ecologische QuickScan Winterdijk 11 Sprang Capelle, BE-0247