Bijlage 3 Wettelijke kaders, richtlijnen en duurzaamheidscriteria
Tekst van het document
Bijlage 2: Wettelijke kaders, richtlijnen en duurzaamheidscriteria. Het realiseren van een duurzame installatie, waarbij een goed evenwicht is tussen veiligheid en leefbaarheid, duurzaamheid, materialen en kostenbeheersing zijn de belangrijkste thema’s van het beleid van de gemeente. De keuzes die de gemeente maakt op deze gebieden, worden hieronder beschreven. Deze keuzes zijn veelal overgenomen uit de voorgaande beleidsperiode.
1
Wettelijke kaders De openbare verlichting moet voldoen aan de wettelijke kaders die daarvoor zijn gesteld. Relevant zijn de Elektriciteitswet, de wet natuurbescherming, de Arbeidsomstandighedenwet (installatieverantwoordelijkheid), Wet Informatie-uitwisseling Boven en Ondergrondse netten + Netwerken (WIBON), regelgeving met betrekking tot werken in vervuilde grond (CROW 400) en Europese regelgeving aangaande te gebruiken producten. Aanvullend op de wettelijke kaders zijn er nog richtlijnen en aanbevelingen die het merendeel van de gemeenten als uitgangspunt voor hun (openbare verlichtings)-beleid hanteren, zoals de Nederlandse praktijk richtlijn voor de kwaliteitscriteria openbare verlichting (NPR 13201) en de richtlijn Lichthinder van de NSVV (beiden hierna te noemen Richtlijnen), en het PolitieKeurmerk (PKVW).
1.1
Aansprakelijkheid De gemeente is als eigenaar verantwoordelijk voor de verlichting van de openbare ruimte die in eigendom of in beheer zijn van de gemeente. De gemeente kan in het kader van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk gesteld worden voor het niet naar behoren functioneren van de openbare verlichting. Hoewel het wettelijk niet is vastgelegd dat een weg of openbare ruimte verlicht moet worden, kan het ontbreken van verlichting of onjuiste verlichting wel worden aangemerkt als het plegen van een onrechtmatige daad, waaruit schadeplichtigheid kan ontstaan. Het areaal in Waalwijk is relatief jong en goed onderhouden, waardoor de risico’s beperkt zijn. Het risico neemt toe als materialen verouderen en niet tijdig worden vervangen.
1.2
Elektriciteitswet Netbeheerders onderhouden het netwerk van kabels, ze transporteren elektriciteit en ze lossen storingen op. Hoe de netbeheerders dat moeten doen staat in zogeheten codes. Codes zijn uitwerkingen van de Elektriciteitswet en bevatten allerlei regels over hoe de netbeheerders zich moeten gedragen. Er staat ook in welke verantwoordelijkheid klanten van netbeheerders hebben. De procedure voor de totstandkoming van wijzigingen van de codes staat in de artikelen 31-39 van de Elektriciteitswet 1998.
1.3
Omgevingswet Per 1 januari 2024 is de omgevingswet in werking getreden, hiermee is onder andere de Wet natuurbescherming opgenomen in één geïntegreerde wet voor ruimtelijke ordening en milieu. De Omgevingswet heeft als doel een balans te vinden tussen het beschermen van leefgebieden voor diverse dieren- en plantensoorten, en tegelijkertijd de fysieke leefomgeving zo goed mogelijk te benutten. De omgevingswet legt, onder andere, een nadruk op de negatieve effecten van verlichting op natuur en milieu. Hierbij is de omgevingswet met name van belang in gebieden met kwetsbare flora en fauna, zoals onder andere Natura-2000 gebieden. Bij het ontwerp, plaatsing en het beheer van de openbare verlichting dient zorgvuldig worden afgewogen welke impact het te plaatsen licht heeft op de omgeving.
In de gemeente Waalwijk komen gebieden voor waar flora en fauna hinder van licht kan ondervinden. - Bij nieuw aan te leggen verlichting zal de gemeente in zulke gebieden de omgevingswet volgen, en de richtlijn NPR 13201 en richtlijn Lichthinder (Richtlijnen) meewegen in haar afweging of, en hoe, te verlichten. - Bij vervanging van bestaande verlichting zal de gemeente de omgevingswet volgen, en de Richtlijnen meewegen in het ontwerp van de verlichtingsinstallatie. - Voor bestaande verlichting in natuurgebieden zal per geval beoordeeld worden of de verlichting in strijd is met de omgevingswet of afwijkt van de Richtlijnen, en zo nodig gesaneerd of aangepast kan worden.
1.4
Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) De gemeente is verantwoordelijk voor de veiligheid van haar burgers en ambtenaren. Voor wat betreft het veilig werken met elektrische installaties is in de Arbowet vastgelegd hoe de veiligheid gewaarborgd moet worden. Onder deze installaties vallen onder meer de openbare verlichting, verkeerregelinstallaties maar ook bijvoorbeeld installaties in tunnels, sluizen, gemalen en rioleringsinstallaties. Op vrijwel alle installaties in de openbare ruimte zijn de laagspanningsnormen NEN1010 en NEN3140 van kracht, en op sommige installaties de Bedrijfsvoering van elektrische installaties Hoogspanning NEN 3840, NEN-EN-IEC 61936 en NEN-EN 50522. In de Arbowetgeving is voor elektrotechnische installaties voorgeschreven dat de eigenaar van deze installaties de verantwoordelijkheden die voortvloeien uit aanleg, beheer en onderhoud van deze installaties, moet vastleggen in schriftelijke procedures. Het is belangrijk om een zogenaamde installatieverantwoordelijke aan te wijzen. Hiermee wordt de verantwoording voor een veilige elektronische bedrijfsvoering bij een (rechts)persoon neergelegd. De aanwijzing dient door de bestuurder te worden gedaan en dient ook te worden geaccepteerd door de installatieverantwoordelijke. De installatieverantwoordelijke kan een persoon zijn uit de eigen organisatie of worden ingeleend.
Ook een rechtspersoon kan worden aangewezen als installatieverantwoordelijke. Indien er binnen de gemeente geen installatieverantwoordelijke expliciet is aangewezen en vastgelegd, dan valt die taak automatisch toe aan de hoogste functionaris. Voor gemeenten is dat de gemeentesecretaris. Hij of zij is persoonlijk aansprakelijk indien de installatie resulteert in een onveilige situatie op straat of als werkzaamheden onveilig worden uitgevoerd. De gemeente dient installatieverantwoordelijkheid op de juiste wijze te organiseren. Zij kan dit doen door: Een inventarisatie uit te voeren; Procedure handboek en veiligheidsmaatregelen vast te leggen; Instructies te verzorgen en te controleren op naleving; Een onderhoudssysteem op te zetten; Inspecties uit te voeren en rapportages te verzorgen. De gemeente Waalwijk heeft deze zaken deels georganiseerd. Er is een procedure handboek opgesteld, maar nog niet geïmplementeerd en er worden geen periodiek inspecties uitgevoerd. De onderhoudsaannemer in Waalwijk handelt nog niet volgens het veiligheidshandboek. De gemeente Waalwijk heeft haar installatieverantwoordelijkheid bij haar externe beheerpartner belegd. Deze partij verzorgd de benodigde handboeken en inspecties voor de gemeente Waalwijk.
1.5
WIBON / CROW 500 De Wet Informatie-uitwisseling bovengrondse netten en netwerken (WIBON), beter bekend als de grondroerdersregeling, is een Nederlandse wet die veiligheid en schadepreventie bij graafwerkzaamheden bevordert. De WIBON is op 31 maart 2018 in werking getreden en vervangt de eerdere Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION). Deze wet verplicht iedereen die mechanische grondroering uitvoert, zoals graafwerkzaamheden, om een graafmelding te doen bij het Kadaster. Deze verplichting is bedoeld om schade aan ondergrondse én bovengrondse netwerken, zoals elektriciteits- en telecomkabels, gasleidingen en waterleidingen, te voorkomen. De WIBON vormt de wettelijke basis voor het veilig uit voeren van graafwerkzaamheden en verplicht graafmeldingen en het verkrijgen van netinformatie. De CROW-500 vertaalt deze wetgeving naar een praktische richtlijn die beschrijft hoe deze verplichtingen in de praktijk kunnen worden nageleefd. De Check & go-kaart fungeert hierbij als een vereenvoudigd hulpmiddel dat de kernpunten van de CROW 500 inzichtelijk maakt voor uitvoerders.
1.6
CROW 400 De CROW 400 betreft regelgeving met betrekking tot werken in vervuilde grond. De opdrachtgever heeft een ongewijzigde verplichting om bij opdrachtverstrekking te kunnen verklaren dat de grond waarin gewerkt wordt “schoon” is of anderzijds aan te leveren wat de vervuilingsklasse is en dit te onderbouwen in een actueel rapport. Alle informatie met betrekking tot de overgang naar de CROW400 is terug te vinden op de website van de CROW: www.crow.nl.
1.7
Europese regelgeving Waar materialen aan moeten voldoen is beschreven in de Europese Regelgeving. Bepaalde producten mogen in Europa alleen op de markt worden gebracht als zij voorzien zijn van een CE-markering. Op het gebied van openbare verlichting dienen alle materialen te zijn voorzien van het CE-merkteken. De gemeente schaft alleen producten aan die voorzien zijn van het CE keurmerk. Vanuit Europese regelgeving is een afvalstoffenlijst opgesteld. Gasontladingslampen staan op deze lijst en behoren tot chemisch afval, dat via erkende verwerkingsbedrijven verwerkt moet worden. Het verantwoord verwerken van vrijgekomen gasontladingslampen , door de onderhoudsaannemer, is geregeld in het onderhoudsbestek.
2
Richtlijnen
2.1
Richtlijn openbare verlichting Naast de wettelijke kaders zijn er ook richtlijnen en aanbevelingen die als uitgangspunten voor het openbare verlichtingsbeleid dienen. In het bijzonder de richtlijnen die de Nederlandse Stichting Voor Verlichtingskunde (NSVV) uitvaardigt. De NSVV heeft in samenwerking met NEN de praktijkrichtlijn ‘Kwaliteitscriteria Openbare Verlichting’, NPR 13201:2017 opgesteld (hierna te noemen NPR). Deze NPR vervangt de Richtlijn Openbare Verlichting (ROVL) uit 2011. De richtlijn is gebaseerd op Europese normen (2015) en aangevuld met ervaringen uit de ROVL-2011. In de NPR is het standaard verlichten van een situatie als uitgangspunt verlaten. Er is ook aandacht voor donkergebieden. Ook de huidige techniek stelt ons in staat om meer maatwerk te leveren. Er is ruimte voor alternatieven in de toepassing van verlichting. Zo kan in een bepaalde wegsituatie in plaats van (oriëntatie)verlichting ook worden gekozen voor actieve markering. Met de nieuwe NPR zijn er voor beheerders praktische handvatten beschikbaar om beleidskeuzes in relatie tot diverse kwaliteitsaspecten en energiebesparing te kunnen maken voor verlichting in de openbare ruimte. De richtlijn wordt in veel gemeenten als leidraad voor de openbare verlichting gehanteerd.
2.2
Schijnveiligheid Wat weleens wordt vergeten is dat openbare verlichting ook schijnveiligheid kan bieden. Alleen maar licht op een sociaal onveilige plek zal weinig uitmaken. Sociaal toezicht zal dan de doorslag moeten geven voor echte veiligheid. De gemeente Waalwijk conformeert zich aan de NPR. De gemeente streeft de minimale uitkomsten uit de NPR na. Bij groot onderhoud en wijziging van de inrichting van de straat zal het nieuwe ontwerp voldoen aan de richtlijn.
2.3
Verlichtingsklasse op basis van het VSP De NPR kent een determinatietabel waarmee de verlichtingsklasse wordt bepaald aan de hand van de verkeersbewegingen (gemotoriseerd verkeer, conflicterend verkeer en voetgangers). De verlichtingsklasse geeft vervolgens aan wat de verlichtingsintensiteit moet zijn conform de richtlijn. De wegcategorisering staat aan de basis van de vormgeving van de weginrichting en is het uitgangspunt voor de gewenste verlichtingsklasse op een bepaald weggedeelte of gebied. De gemeente heeft de wegfunctie vastgelegd in het verkeerstructuurplan (VSP). Dit plan wordt op moment van schrijven herzien door de collega’s van verkeer. De wegcategorisering, zoals is vastgelegd in het VSP van de gemeente, is het uitgangspunt voor het bepalen van de verlichtingsklasse volgens de determineertabellen uit de NPR 13201.
3
Duurzaamheidscriteria
3.1
Klimaatakkoord Nationaal zijn er energiebesparingsdoelstellingen, het zogenaamde “Energieakkoord”, vastgesteld die impact hebben op het terugdringen van het energieverbruik van de openbare verlichtingsinstallatie. Naar schatting verbruikt openbare verlichting in ons land 1,5 procent van de elektriciteit, waarvan het overgrote deel voor de gemeentelijke openbare verlichting. Dit is dan ook voor de meeste gemeenten de grootste elektriciteitsverbruiker. Volgens het (voormalige) projectbureau energiebesparing in de GWW bestaat de gemeentelijke elektriciteitsrekening namelijk gemiddeld uit:
10% voor de gebouwen 60% voor de openbare verlichting 30% overige verbruikers.
Gemeenten kunnen dus zelf een concrete en realistische bijdrage leveren aan het realiseren van het Energieakkoord. In het SER-Energieakkoord staan de volgende doelstellingen genoemd voor openbare verlichting (OVL) en verkeersregelinstallaties (VRI's):
20% energiebesparing bij OVL en VRI's in 2020 ten opzichte van 2013; 50% energiebesparing bij OVL en VRI's in 2030 ten opzichte van 2013; 40% van de OVL is voorzien van slim energiemanagement in 2020; 40% van de OVL is energiezuinig in 2020.
In 2019 is het Klimaatakkoord tot stand gekomen. Hierin ligt de nadruk op CO2-reductie. Deze afspraken zijn met meer dan honderd partijen gemaakt, waaronder veel partijen uit het Energieakkoord. De nog lopende afspraken uit het Energieakkoord zijn integraal opgenomen in het Klimaatakkoord. Op dit moment heeft de gemeente Waalwijk 40% bespaard ten opzichte van 2013 en bestaat het areaal voor ruim 60% uit (grotendeels dimbare) LED verlichting. Wanneer de gemeente haar volledige areaal vervangen heeft voor dimbare LED-armaturen loopt dit op tot maximaal 57%. Wanneer dit gerealiseerd wordt vóór 2030 zijn daarmee de doelstellingen van het Klimaatakkoord behaald.
Terugdringen van het gebruik van energie en de daarmee gepaard gaande reductie van de CO2emmissie is een belangrijk thema van het milieubeleid van de gemeente. Het terugdringen van de milieubelasting door het energieverbruik kan grofweg op twee manieren: Inkoop van duurzame energie; Verminderen van het verbruik. Circa 60% van de gemeentelijke energierekening gaat naar openbare verlichting. Deze energie wordt middels een Europese openbare aanbesteding ingekocht. Energie besparen (verminderen van het gebruik) kan worden bereikt op verschillende manieren: Toepassing van zuinige ledverlichting, met behoud van verlichtingskwaliteit. Dimmen; Saneren van verlichting. De gemeente koopt uitsluitend duurzame “groene stroom” in. Ook gaat de gemeente met het toepassen van LED verlichting en past standaard een statisch dimregime toe. Het grootschalig saneren van openbare verlichting wordt op dit moment hiervoor niet toegepast omdat hier in het verleden geen draagvlak voor blijkt te zijn. Het incidenteel en kleinschalig van de gemeente kan, wanneer de beheerder hier voordelen van inziet, wel voorkomen.
3.2
Global Goals De gemeente Waalwijk onderschrijft alle 17 Sustainable Development Goals en zet zich actief in voor de realisatie hiervan. Ook binnen het beheer van de openbare verlichting zet de gemeente Waalwijk zich actief in voor deze doelen. SDG 7: Betaalbare en Duurzame Energie Door over te stappen naar LED-verlichting kan de gemeente aanzienlijk besparen op energieverbruik en energiekosten. Door het gebruik van statisch en dynamisch dimmen, waar mogelijk, zorgt de gemeente aanzienlijk voor verdere verduurzaming. SDG 11: Duurzame Steden en Gemeenschappen Openbare verlichting speelt een essentiële rol in het creëren van inclusieve, veilige en duurzame wijken. Door de openbare verlichting goed in te richten draagt dit bij aan de veiligheid van de bewoners. Door het gebruik van de beschikbare technieken kan lichtvervuiling en lichthinder worden beperkt. SDG 12: Verantwoorde consumptie en Productie De gemeente Waalwijk heeft een focus op verantwoorde productie, en dit word ook meegenomen in het beheer van de openbare verlichting. Door toe te passen materialen zorgvuldig te kiezen en duurzaam om te gaan met materialen verlengt de gemeente de levensduur en minimaliseert hierbij de vervangingskosten. Dit doet zij bijvoorbeeld door het toepassen van retrofit oplossingen en het structureel meten van stabiliteit van lichtmasten ten behoeve van het verlengen van de levensduur.
SDG 13: Klimaatactie Door de energie-efficiëntie van de openbare verlichting te verhogen door de toepassing van LEDverlichting en statisch en dynamisch dimmen verlaagt de gemeente Waalwijk hiermee haar energie uitstoot. SDG 9: Industrie, innovatie en infrastructuur Door goed na te denken over de implementatie van slimme verlichting kan de gemeente Waalwijk in de toekomst informatie verzamelen over het gebruik, onderhoud en energieverbruik van de openbare verlichting. Dit maakt het mogelijk om innovatief en efficiënt beheer te voeren SDG 15: Leven op het land Door natuurvriendelijke verlichting toe te passen in een aangepaste lichtkleur en progressievere dimregimes kan de gemeente Waalwijk de impact van de openbare verlichting rondom natuurgebieden beperken. Hiermee komt er minder druk op de biodiversiteit.
3.3
Lichthinder Lichthinder is de overlast die mensen en dieren hiervan ondervinden. Licht is een subjectief begrip. Wat de één als prettig ervaart, ervaart een ander als vervelend. De richtlijn NPR 13201 en Richtlijn Lichthinder van de NSVV geven een gemeente houvast om naar een standaard te werken. Het blijft natuurlijk vervelend als inwoners klagen over hinder van verlichting in woningen of weggebruikers verblind worden bij nieuw geplaatste verlichting. Deze lichthinder kan vaak voorkomen worden door in het ontwerp deze zaken goed te betrekken. De gemeente wil lichthinder voorkomen door bij het ontwerp instralen in woningen en verblinding van weggebruikers zo veel mogelijk te voorkomen, en weegt de Richtlijnen mee in het ontwerp. Wanneer door bewoners lichthinder wordt ervaren wordt dit per individueel geval beoordeeld of hier maatregelen benodigd zijn, en zo ja, welke maatregelen genomen worden. In gevallen van lichthinder naar aanleiding van renovatie (met name vervanging van conventionele verlichting naar LED) geldt een gewenningsperiode van twee maanden voor gevallen waar lichthinder wordt geconstateerd in behandeling wordt genomen.
3.4
Lichtvervuiling Lichtvervuiling is de verhoogde helderheid van de nachtelijke omgeving door gebruik van kunstlicht. Lichtvervuiling is een vrij recent fenomeen. Het overvloedig verlichten van allerhande plaatsen veroorzaakt ecologische schade. Nachtverlichting, zoals verlichting van snelwegen en straten, gebouwen, objecten en assimilatieverlichting in de glastuinbouw, kan het biologische dag- en nachtritme van mensen en dieren verstoren. Planten worden beïnvloed in hun groeiwijze. Ook astronomische waarnemingen worden erdoor bemoeilijkt. De Stichting Natuur en Milieu en de provinciale milieufederaties van Nederland houden sinds 2005 op de dag dat de wintertijd ingaat, eind oktober, een "Nacht van de nacht", met veel nachtelijke natuurexcursies en andere publieksactiviteiten. In de diverse bestemmingsplannen van buitengebieden zijn geen bindende regels over donkertegebieden opgenomen. Lichtvervuiling wordt tegengegaan door materialen te gebruiken die lichtvervuiling naar boven voorkomen.
3.5
Stabiliteitsmeting De openbare verlichting heeft een technische levensduur. De stalen masten worden financieel afgeschreven in maximaal 40 jaar, aluminium masten in 25 jaar. De technische levensduur van deze objecten is gelijk aan de afschrijvingstermijn. Het werkelijke vervangingsmoment wordt bepaald door het resultaat van de visuele en kwalitatieve inspectie van de mast door middel van stabiliteitsmeting, uitgevoerd door een gespecialiseerd bedrijf. Lichtmasten worden periodiek op stabiliteit beproefd, het meetbedrijf geeft maximaal zes jaar garantie op stabiliteit. Door stabiliteitsmeting structureel onderdeel van beheer en onderhoud te maken, wordt het vervangingsmoment van lichtmasten verantwoord uitgesteld op basis van de verleende garantie en duurzaamheid bevorderd.
3.6
Social return Social return wordt ingezet om meer arbeidsparticipatie en werkgelegenheid in Waalwijk te creëren voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.
Dit betekent dat aannemers niet alleen een opdracht uitvoeren, maar ook iets terug doen op maatschappelijk of sociaal gebied. Zo dragen inkopers en aanbesteden bij aan het creëren van maatschappelijke meerwaarde. De gemeente Waalwijk wil hiermee zorgen dat mensen die moeilijk een baan kunnen vinden, beter mee kunnen doen, ze wil sociaal ondernemen stimuleren en andere doelen in het sociaal domein bereiken zoals armoedebestrijding, onderwijs en zorg.
3.7
Maatschappelijk verantwoord inkopen Maatschappelijk verantwoord inkopen (MVI) betekent dat naast de prijs van de producten, diensten of werken ook wordt gelet op de effecten van de inkoop op milieu en sociale aspecten. Duurzaam inkopen wordt ook wel maatschappelijk verantwoord inkopen (MVI) genoemd. Via PIANOo, het expertisecentrum voor aanbesteden, worden deze criteria kenbaar gemaakt aan de gemeenten en periodiek bijgesteld. Deze criteria bieden de mogelijkheid om een energiebesparingsdoelstelling en een ontwerp- en inkooprichtlijn te definiëren. Voor de productgroep openbare verlichting betreft het hier in hoofdzaak: Toepassen van dimbare LED-verlichting als uitgangspunt; Levensduur van verlichting. Voor de ledverlichting geldt de volgende eisen: o LED-systemen die worden toegepast, dienen een verwachte levensduur van 100.000 branduren te hebben en te voldoen aan L90B10 en Tq 25°C; o De maximale stroom door de LEDs mag niet hoger zijn dan 500mA om de licht output op langere termijn te kunnen waarborgen. Beperking van lichthinder. De lichtuitstraling van de openbare verlichtingsinstallatie moet vallen binnen de grenswaarden als gesteld in de Richtlijn Lichthinder van de NSVV; De installatie is energiezuinig.
Vergelijking en beoordeling van het energieverbruik van armaturen in de gebruiksfase, uitgedrukt in kWh/jaar; Openbare verlichtingsinstallatie bestaat uit recyclebare of hernieuwbare materialen. Genoemde duurzaamheidscriteria worden als criteria meegenomen bij aanbesteding van werken voor de openbare verlichting.
3.8
Circulariteit De geleidelijke ontwikkeling naar een circulaire economie krijgt meer snelheid en klinkt ook door in de openbare verlichting. De ambitie van de Rijksoverheid is dat Nederland in 2050 100% circulair is. De circulaire economie is een economie waarin geen afval meer is, in tegenstelling tot de lineaire economie. Alles wordt in een circulaire economie opnieuw gebruikt als grondstof. Door schaarste wordt de noodzaak om grondstoffen in de keten te houden steeds groter. Circulariteit gaat verder dan recycling. Circulariteit kijkt verder de toekomst in. Kan het product aan het einde van de levensduur opnieuw in de keten worden genomen en daarna nogmaals. Er zijn meerder rollen/taken die een gemeente op zich kan nemen om de circulaire economie te stimuleren. Bijvoorbeeld bij het inkopen van producten en diensten. De gemeente Waalwijk vraagt op dit moment niet standaard circulariteitseisen uit bij aanbestedingen maar houdt wel ontwikkeling op dit gebied nauwlettend in de gaten om in de toekomst mogelijk duurzaamheidseisen scherper en verantwoordelijker uit te vragen.
3.9
Aanstraling en lichtarchitectuur Een gebouw, kunstwerk of andere kenmerkend object in de openbare ruimte kan bij donkerte worden aangelicht. Het doel hiervan is om de openbare ruimte bij donkerte aantrekkelijker te maken voor de gebruiker. Bij aanstraling of illuminatie is licht het middel om het object zichtbaar te maken. Aanstraling is onderdeel van lichtarchitectuur. Lichtarchitectuur is het verfraaien van de openbare ruimte en met name de bijzondere plekken en gebouwen. Met de komst van led en connectiviteit op afstand is het nu mogelijk om nieuwe creatieve technische toepassingen te bedenken.
Aanstraling van gebouwen kan in de gemeente Waalwijk gebeuren vanuit particulier initiatief of vanuit de gemeente. Een voorbeeld van een particulier initiatief is de ‘Wet Blue Route’. Het onderhoud van deze installaties valt in principe niet binnen het beheer van de openbare verlichting. Wanneer dit type verlichting is aangesloten is op het openbare verlichtingsnetwerk van Enexis valt dit binnen het beheer van de openbare verlichting. Over het algemeen dient aanstraalverlichting slechts in de avond te branden en uit te schakelen in de nachtelijke uren.
4
Regie en organisatie De gemeente is verantwoordelijk voor beleidsvorming en budgetbeheer met betrekking tot openbare verlichting. Als opdrachtgever is de gemeente verantwoordelijk voor het budget en worden overeenkomsten gesloten met derden voor projecten en onderhoud van openbare verlichting. Daarnaast is de gemeente het kenniscentrum voor strategisch beheer en verzorgt ambtelijke en bestuurlijke communicatie. De gemeente verzorgt tevens het operationele beheer. Dit operationeel beheer bestaat uit storingsmanagement en areaalmutaties. Het kan zijn dat een lichtmast wordt aangereden. Als de veroorzaker bekend is - of wordt - dan kan deze verhaald worden op zijn verzekeraar. Als de veroorzaker onbekend blijft en de gemeente kan aantonen dat de schade is veroorzaakt door een motorvoertuig, dan kan deze schade - onder bepaalde voorwaarden - worden verhaald bij het Waarborgfonds Motorverkeer. Voor deze schades wordt een eigen risico van € 250 per schade in rekening gebracht. De gemeente voert regie, bijgestaan door marktpartijen. Het dagelijkse administratieve beheer t.b.v. storingen is bij een externe partij belegd. Er vindt controle op de kosten van de aannemer plaats, en wordt er steekproefsgewijs controle gedaan op de uitvoering. Het schadeverhaal is extern belegd. Aanrijdschades worden – zoveel mogelijk – verhaald op de veroorzaker.
Als deze onbekend blijft, worden schades verhaald bij het Waarborgfonds Motorverkeer. De kosten die worden verhaald, zijn de concrete kosten uit het onderhoudsbestek.