Bijlage 1g bij toelichting Activiteitenplan ecologie
Tekst van het document
Activiteitenplan ecologie Mr. van Coothstraat 6, Waalwijk
Opdrachtgever Contactpersoon
Magna Capital Partners B.V. dhr. F. Ponjé
Kernmerk Datum
27.21.08 3 december 2021
Opsteller Projectleider
Glenn Lelieveld Glenn Lelieveld
Averti Ecologie Postbus 3 6870 AA Renkum averti@averti-ecologie.nl 06-16548063
Averti Ecologie is een klein ecologisch adviesbureau, opgericht in 2014. Averti Ecologie is kandidaatlid van de brancheorganisatie Netwerk Groene Bureau’s.
Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd, gewijzigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, internet, druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven en Averti Ecologie noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Averti Ecologie is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Averti Ecologie. De opdrachtgever vrijwaart Averti Ecologie voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.
-2-
Inhoudsopgave 1
Inleiding ........................................................................................................................................... 4 Aanleiding ................................................................................................................................ 4 Projectgebied .......................................................................................................................... 4 Beoogde ingrepen ................................................................................................................... 5 Impressie van het projectgebied ............................................................................................. 6
2
Resultaten ecologisch onderzoek .................................................................................................... 8 Ecologische quickscan ............................................................................................................. 8 Vaatplanten ............................................................................................................................. 8 Grondgebonden zoogdieren ................................................................................................... 8 Vleermuizen............................................................................................................................. 9 Vogels .................................................................................................................................... 10 Amfibieën .............................................................................................................................. 10 Overtreding van verbodsbepalingen zonder maatregelen ................................................... 10
3
Effecten voorkomen door maatregelen ........................................................................................ 11 Effectenanalyse ..................................................................................................................... 11 Mitigerende maatregelen ..................................................................................................... 11
4
Voorwaarden voor ontheffingverlening........................................................................................ 15 Ontheffing voor verbodsbepaling ......................................................................................... 15 Alternatieven afweging ......................................................................................................... 15 Belangenafweging ................................................................................................................. 15 Staat van instandhouding ...................................................................................................... 16
-3-
1 Inleiding Aanleiding De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing te amoveren en de vijver, een deel van de bomen en begroeiing te verwijderen. Op deze locatie worden drie luxe appartementencomplexen gerealiseerd. Vanwege werkzaamheden kunnen natuurwaarden beschermd onder de Wet Natuurbescherming in het geding komen. In dit activiteitenplan wordt inzicht gegeven in de beoogde werkzaamheden, het gedane ecologisch onderzoek, de mogelijke effecten van de werkzaamheden, de maatregelen om deze effecten te voorkomen en diverse afwegingen.
Projectgebied Het projectgebied betreft een grote tuin voorzien van een vijver en een aantal bijgebouwen. De bijgebouwen zijn opgetrokken uit bakstenen met spouw. Het perceel kenmerkt zich verder door gevarieerd groen met diverse soorten bomen, grote grove dennen, goed uitgegroeide struiken en takkenrillen. Direct grenzend aan het projectgebied is een wandelpark, een begraafplaats en een jeude-boules-baan gelegen. Het projectgebied ligt in een woonwijk ten westen van het centrum van Waalwijk. De gehele omgeving is sterk verstedelijkt met weinig aaneengesloten groenstructuren.
Figuur 1 Ligging projectgebied Meester van Coothstraat 6 te Waalwijk (rode stip). Bron: Zoom.earth
-4-
Figuur 2 Luchtfoto van het projectgebied Meester van Coothstraat 6 te Waalwijk (bron: initiatiefnemer).
Beoogde ingrepen De initiatiefnemer is voornemens drie appartementencomplexen met in totaal 28 appartementen te realiseren. Er wordt zoveel mogelijk groen behouden en extra groene verbindingen gerealiseerd naar het naastgelegen park en begraafplaats.
Figuur 3 Nieuwe situatie (bron: initiatiefnemer)
-5-
Impressie van het projectgebied
Plein bij de entree
Plein bij de entree
Werkloods in noordelijk deel
Werkloods in noordelijk deel
Mogelijke toegang voor marters
Oude spechtenhol
-6-
Centraal gelegen werkloods, houtopslag en reigernest hoog in boom
Achterzijde centrale werkloods
Eekhoornnest in grove den
Grote vijver in zuidelijk deel
-7-
2 Resultaten ecologisch onderzoek Ecologische quickscan In de ecologische quickscan uitgevoerd door Averti Ecologie d.d. 26 maart 2021 is geconcludeerd dat op voorhand de aanwezigheid van enkele beschermde soorten niet uitgesloten kan worden en waarvoor nader onderzoek nodig is. Het gaat hierbij om beschermde vaatplanten, zoogdieren (bunzing, eekhoorn, steenmarter, vleermuizen en wezel), vogels (boomvalk, buizerd, gierzwaluw, huismus, ransuil, roek, sperwer en torenvalk) en amfibieën (alpenwatersalamander).
Vaatplanten In het projectgebied zijn geen beschermde vaatplanten aangetroffen tijdens het veldonderzoek. Het voorkomen van beschermde plantensoorten is uitgesloten. Er zijn geen gevolgen voor het vervolg van het project ten aanzien van beschermde plantensoorten.
Grondgebonden zoogdieren 2.3.1 Marterachtigen In het cameravalonderzoek naar de aanwezigheid van marterachtigen zijn geen van de aandachtssoorten (bunzing, steenmarter en wezel) aangetoond. Het is onwaarschijnlijk dat deze beschermde marterachtigen in het projectgebied aanwezig zijn. 2.3.2 Overige grondgebonden zoogdieren In één van de te kappen bomen in het projectgebied is een nest van een eekhoorn vastgesteld tijdens de quickscan en het nader onderzoek. Voor het behoud van deze beschermde soort zullen maatregelen genomen moeten worden en een ontheffing van de Wet Natuurbescherming moeten worden aangevraagd.
Figuur 4 Locatie van eekhoornnest in een te kappen boom (rode stip) in het projectgebied Meester van Coothstraat 6 te Waalwijk (bron: initiatiefnemer).
-8-
Vleermuizen 2.4.1 Zomeronderzoek Tijdens het onderzoek in de zomer zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen. Wel is tijdens alle onderzoeksrondes een jachtgebied van gewone dwergvleermuizen en laatvliegers aangetoond in het zuidwestelijke deel van het projectgebied. Hier vlogen in de avond van 28 mei de meeste vleermuizen, namelijk 15 tot 20 gewone dwergvleermuizen en 6-8 laatvliegers. Op beide avonden kwamen de gewone dwergvleermuizen ongeveer 20 minuten na zonsondergang en de laatvliegers vanaf ongeveer 45 minuten na zonsondergagng. Allen kwamen uit de richting van de woonwijk ten westen van het projectgebied. Voor vleermuizen geldt dat zij op korte afstand van kraamkolonies foerageergebieden hebben. Hoe korter deze afstand en hoe minder alternatieven, hoe belangrijker een foerageergebied is. De gewone dwergvleermuizen en laatvliegers waren kort na het gebruikelijke moment van uitvliegen uit verblijfplaatsen al in het projectgebied aan het jagen op insecten. Dit in combinatie met de aantallen vleermuizen indiceert kraamkolonies van beide soorten op korte afstand. In de omgeving van het projectgebied is weinig alternatief groen aanwezig van vergelijkbare kwaliteit voor insecten. Daardoor wordt dit jachtgebied beoordeeld als een essentieel foerageergebied.
Figuur 5 Locatie van het jachtgebied voor vleermuizen (rode cirkel) in het projectgebied Meester van Coothstraat 6 te Waalwijk (bron: initiatiefnemer).
2.4.2 Najaarsonderzoek Tijdens het onderzoek in het najaar zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen. Enkele keren zijn gewone dwergvleermuizen al jagend waargenomen in het projectgebied, dit betroffen korte bezoeken van een enkel dier. Er zijn geen aanwijzingen dat het projectgebied een essentieel foerageergebied of vliegroute vormt in het najaar.
-9-
Vogels 2.5.1 Vogels met jaarrond beschermde nesten In het plangebied zijn geen (indicaties van) nesten van roeken, roofvogels, uilen, huismussen of gierzwaluwen waargenomen. Wel zijn gierzwaluwen hoog overvliegend waargenomen en is tijdens het vleermuisonderzoek op afstand een bosuil gehoord. De verblijfplaatsen van deze vogelsoorten liggen buiten de beïnvloedingssfeer van de beoogde werkzaamheden. 2.5.2 Aanwezige broedvogels waarvan het nest niet jaarrond beschermd is Tijdens het onderzoek zijn broedende vogels waargenomen waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. Het gaat hierbij om blauwe reiger, boomklever, houtduif, merel, roodborst, vink, winterkoning, zanglijster en zwarte kraai. 2.5.3 Overige waargenomen vogels Daarnaast zijn incidenteel andere vogels waargenomen. Het gaat hierbij om ekster, gaai, groenling, holenduif, huismus, koolmees, pimpelmees, tjiftjaf en zwartkop.
Amfibieën Er zijn in de vijver en op het land geen beschermde amfibieën zoals alpenwatersalamander waargenomen. Wel is tijdens het onderzoek een bastaardkikker waargenomen. Het voorkomen van beschermde amfibieën is uitgesloten. Er zijn geen gevolgen voor het vervolg van het project ten aanzien van beschermde amfibieën.
Overtreding van verbodsbepalingen zonder maatregelen Het projectgebied is van essentieel belang voor eekhoorns vanwege de aanwezigheid van voortplantingsplaatsen en voor gewone dwergvleermuizen en laatvliegers door de aanwezigheid van essentieel foerageergebied. Het aantasten van deze beschermde natuurwaarden is een overtreding van de Wet Natuurbescherming artikelen 3.10 respectievelijk 3.5.
- 10 -
3 Effecten voorkomen door maatregelen Effectenanalyse Met het kap van de bomen verdwijnt een verblijfplaats van eekhoorns en door de kap van de bomen en verwijderen van de vijver verdwijnt essentieel foerageergebied van gewone dwergvleermuis en laatvlieger. In regel hebben eekhoorns binnen een territorium meerdere verblijfplaatsen, maar de locatie en de staat van deze verblijfplaatsen is onbekend. Het wegvallen van de huidige nestlocatie van de eekhoorn kan tot gevolg hebben dat het gehele territorium wordt verlaten. Door te allen tijde te zorgen voor alternatieve geschikte verblijfplaatsen binnen een zo kort mogelijke afstand van de oorspronkelijke verblijfplaats blijft het territorium van de eekhoorn behouden. Vleermuizen hebben dicht bij de kraamkolonies locaties nodig waar veel insecten vliegen om op te jagen. Hoe groter de afstand tot geschikt foerageergebied, hoe minder energie gestoken kan worden in het opnemen van voedsel en het zogen van de jongen. Het wegvallen van essentieel foerageergebied heeft daarmee gevolgen voor de overleving van de jongen en de functionaliteit van de kraamverblijfplaats. Door te allen tijde te zorgen voor een goed foerageergebied nabij de kraamverblijfplaats blijft de kraamkolonie behouden.
Mitigerende maatregelen 3.2.1 Eekhoorn Tijdelijke mitigatie aan nabijgelegen bomen Voor de te kappen boom met een verblijfplaats zijn twee nieuwe (tijdelijke) verblijfplaatsen gecreëerd en in de vorm van eekhoornkasten (ZK EE 01) aangebracht aan twee bomen die behouden blijven. Deze tijdelijke verblijfplaatsen zijn op 10 juni 2021 zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke verblijfplaatsen, doch binnen 200 meter van de oorspronkelijke verblijfplaats, en buiten de invloedsfeer van de sloop- en bouwwerkzaamheden geplaatst. Door de kasten aan verschillende zijden van de bomen te hangen wordt er gezorgd voor verschillende microklimaten. De kasten zijn op minimaal 3 meter hoogte gehangen waarbij rekening gehouden wordt met verlichting en het bereik van predatoren (zoals huiskatten). De verblijfplaatsen zijn tijdig voor de werkzaamheden geplaatst zodat de dieren kunnen wennen aan deze voorzieningen.
- 11 -
Figuur 6 Plaatsing van de tijdelijke eekhoornkasten (gele stippen) aan nabije bomen in de buurt van oorspronkelijke nestboom (rode stip).
3.2.2 Vleermuizen Extra vleermuisvoorzieningen Voorafgaand aan het vleermuisonderzoek zijn reeds 12 nieuwe (tijdelijke) verblijfplaatsen gecreëerd in de vorm van 4 bolle vleermuiskasten (Faunus Sofia) en 8 platte vleermuiskasten (type A; VK MP 05 Vleermuizenkast). De bolle kasten zijn aangebracht aan twee bomen die behouden blijven. De platte kasten zijn aangebracht aan gevels die behouden blijven. Deze tijdelijke verblijfplaatsen zijn op 10 juni 2021 zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke verblijfplaatsen, doch binnen 200 meter van de oorspronkelijke verblijfplaats, en buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden geplaatst. Door de kasten aan verschillende zijden te hangen wordt er gezorgd voor verschillende microklimaten. De kasten zijn op minimaal 3 meter hoogte gehangen waarbij rekening gehouden wordt met aanvliegroutes, verlichting en het bereik van predatoren (zoals huiskatten). De verblijfplaatsen zijn tijdig voor de werkzaamheden geplaatst zodat de dieren kunnen wennen aan deze voorzieningen. Inrichten van nieuwe groenvoorziening ten behoeve van foerageergebied In het projectgebied wordt zoveel mogelijk groenoppervlakte gerealiseerd met inheemse plantensoorten om de sterk diverse insectenrijkdom te behouden en te versterken. Daarnaast worden de daken voorzien van daktuinen voorzien van inheemse planten en kruiden.
De uitwerking van de groene buitenruimte is te vinden in afbeeldingen 7 en 8. Hierdoor blijft binnen het projectgebied de functionaliteit als essentieel foerageergebied voor vleermuizen behouden.
- 12 -
Figuur 7 Inrichtingsplan buitenruimte (bron: initiatiefnemer)
Figuur 8 Bomenplan nieuwe situatie (bron: initiatiefnemer)
- 13 -
Verlichtingsregime Er wordt in het projectgebied zo min mogelijk nieuwe verlichting gerealiseerd. Op de plaatsen waar dit noodzakelijk is vanwege bouwvoorschriften, wordt deze verlichting vleermuisvriendelijk aangebracht door zo min mogelijk verlichtingspunten te gebruiken, deze zo laag mogelijk te plaatsen, gebruik te maken van amberkleurig licht en/of door de lichtintensiteit zo laag mogelijk te houden in de actieve uren voor vleermuizen middels een verlichtingsplan. Permanente voorzieningen in de nieuwbouw In de nieuwbouw wordt aan alle zijden van de gebouwen de spouwmuur toegankelijk gemaakt voor vleermuizen. Hierbij zal de spouwmuur minimaal 15 millimeter breed zijn en worden er invliegopeningen worden gecreëerd door middel van stootvoegen van 15 tot 20 millimeter breed, bij voorkeur op minimaal 3 meter hoogte. Bij gebruik van isolatieplaten in de spouw is het relevant deze platen op te ruwen of stevig kunststof gaas met een maaswijdte van 3 tot 10 millimeter te bevestigen. Wanneer glaswol (en dergelijke) als isolatie wordt gebruikt, is het nodig dunne ruwe platen tegen het isolatiemateriaal aan te brengen, bijvoorbeeld houtwolcement. Ecologische begeleiding en werkprotocol Alle werkzaamheden moeten worden uitgevoerd onder begeleiding van een ecoloog die deskundig is op het gebied van de eekhoorn, gewone dwergvleermuis en laatvlieger.
De ecologische begeleiding omvat ook het opstellen van een ecologisch werkprotocol, welke wordt opgesteld na verkrijgen van de ontheffing. Dit ecologisch werkprotocol moet op de locatie (digitaal) aanwezig zijn en onder betrokken werknemers bekend zijn. Werkzaamheden moeten conform dit protocol worden uitgevoerd. In het ecologisch werkprotocol staat omschreven welke maatregelen getroffen worden om effecten op beschermde soorten te voorkomen en hoe te handelen wanneer ze onverhoopt toch optreden. Er staat onder andere in vermeld: • in welke periode de sloop- en bouwwerkzaamheden plaatsvinden, • welke ingrepen worden gepleegd, • welke maatregelen waarom worden genomen, • wanneer begeleiding door een deskundige noodzakelijk is, • wie die deskundige is en wat de deskundige exact gaat doen. Planning Er wordt een ontheffing aangevraagd voor vijf jaar gedurende de periode 1 juli 2022 t/m 30 juni 2027. In onderstaande tabel worden de periode van uitvoering van de diverse activiteiten nader geduid. ACTIVITEIT
ACTOR
PERIODE
Ophangen tijdelijke kasten
Averti Ecologie
Juni 2021
Ontheffing indienen
Initiatiefnemer
November 2021
Ontheffing verlenen
Provincie Noord-Brabant
Mei 2022
Ecologisch werkprotocol op basis van de ontheffing
Averti Ecologie
Juni 2022
Start werkzaamheden
Initiatiefnemer
Augustus 2022
Einde werkzaamheden
Initiatiefnemer
December 2026
Verwijderen van de tijdelijke kasten na controle op afwezigheid
Averti Ecologie
December 2026
- 14 -
4 Voorwaarden voor ontheffingverlening Ontheffing voor verbodsbepaling Het aanvragen van een ontheffing is nodig vanwege het verwijderen van een verblijfplaats van een soort genoemd in de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wet Natuurbescherming en het aantasten van essentieel foerageergebied van soorten genoemd in de Habitatrichtlijn bijlage IV. De initiatiefnemer vraagt daarom aan het bevoegd gezag, in deze de Provincie Noord-Brabant, een ontheffing voor de verbodsbepaling aangaande het beschadigen en/of vernielen van verblijfplaatsen en het verstoren van de eekhoorn, gewone dwergvleermuis en laatvlieger.
Alternatieven afweging Voor ontheffingsverlening is het noodzakelijk om aan te tonen dat de best mogelijke werkwijze gekozen is. In deze paragraaf wordt uitgelegd waarom in deze context de hierboven beschreven maatregelen voor de gewone dwergvleermuis het best uitpakkende alternatief is. Locatie Het slopen van de gebouwen en kappen van bomen is locatiegebonden en is onderdeel van het verbinden van het naastgelegen park, woonwijk, kerkhof, jeu-de-boulesbaan en het stadscentrum. Hierdoor is het niet mogelijk de werkzaamheden uit te voeren op een locatie die beter zou uitpakken voor beschermde soorten. Inrichting Door ecologische inrichting van de groene buitenruimte blijft het territorium van de eekhoorn en het foerageergebied binnen het projectgebied behouden. Bovendien wordt er een natuurplus gecreëerd door de gebouwen geschikt te maken voor bewoning door vleermuizen. Werkwijze Er worden zo min mogelijk aanpassingen gedaan aan de buitenruimte. In de bomen die blijven staan zijn ruim voordat de werkzaamheden beginnen alternatieve verblijfplaatsen gerealiseerd. Verder zal de kap van de bomen plaatsvinden in de minst kwetsbare periode voor eekhoorns, namelijk in de periode juli t/m november. De werkzaamheden worden begeleid door een ter zake deskundige ecoloog en er wordt gebruik gemaakt van een ecologisch werkprotocol.
Belangenafweging De herontwikkeling van het perceel zorgt voor een toename in woonruimte en verbindingen tussen het naastgelegen park, kerkhof, woonwijk, jeu-de-boulesbaan en het stadscentrum. Door de wijze van werken kan deze ontwikkeling plaatsvinden zonder dat dit ten koste gaat van de openbare ruimte of het landschap buiten de stad. Deze vorm van inbreiding is antwoord op de maatschappelijke vraag naar meer woonruimte. Bovendien worden de appartementen gebouwd conform de nieuwste regels aangaande isolatie en duurzaamheid.
- 15 -
Er wordt ontheffing gevraagd voor de voorgenomen werkzaamheden onder het in de Wet Natuurbescherming genoemde belang van de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten.
Staat van instandhouding Door het kappen van bomen wordt het territorium mogelijk tijdelijk minder geschikt voor eekhoorns. Dit wordt zoveel als mogelijk gemitigeerd door het realiseren van tweemaal zoveel alternatieve verblijfplaatsen zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke verblijfplaats, doch buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Door deze maatregelen blijft de functionaliteit gewaarborgd en is er geen verslechterend effect op de staat van instandhouding van de lokale populatie eekhoorns. Door de ontwikkeling van de drie appartementencomplexen wordt het projectgebied mogelijk tijdelijk minder geschikt als foerageergebied voor gewone dwergvleermuizen en laatvliegers. Dit wordt zoveel mogelijk gemitigeerd door het realiseren van zoveel mogelijk water- en groenvoorzieningen met inheemse plantensoorten binnen het projectgebied. Door deze maatregelen blijft de functionaliteit gewaarborgd en is er geen verslechterend effect op de staat van instandhouding van de lokale populatie gewone dwergvleermuizen en laatvliegers.
- 16 -