CConstaterende datWaalwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a Actualistie schetsontwerp

Raadsvergadering 21 december 2023, gemeente WaalwijkBij agendapunt: Haalbaarheid ontwikkeling Kerkvaartse haven20.725 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Optimalisatie uitbreiding Kerkvaartse haven Actualisatie en optimalisatie schetsontwerp uitbreiding Kerkvaartse haven

Gemeente Waalwijk 24 februari 2023

Project Opdrachtgever

Document Status Datum Referentie

Projectcode Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Optimalisatie uitbreiding Kerkvaartse haven Gemeente Waalwijk

Actualisatie en optimalisatie schetsontwerp uitbreiding Kerkvaartse haven Definitief 02 24 februari 2023 133990/23-003.519

133990 Ing. A.F. Hofmeijer Ir. P. Quist

Ir. L. de Vito Ing. A.F. Hofmeijer Ing. A.F. Hofmeijer

Paraaf

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

6

1.1

Aanleiding

6

1.2

Doel van het rapport

7

1.3

Leeswijzer

7

2

REFERENTIEDOCUMENTEN

8

3

UITGANGSPUNTEN

9

3.1

Uitgangspunten Kerkvaartse haven

9

3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4 3.1.5 3.1.6 3.1.7 3.1.8 3.1.9

9 10 10 10 11 11 11 11 12

3.2

3.3

Huidige horizontale afmetingen Bodemniveaus Bodemkwaliteit watergang Bodemkwaliteit agrarisch terrein Archeologie NGE onderzoek Westelijk oever Havenkop Oostelijk oever

Hydraulische randvoorwaarden

12

3.2.1

12

Waterstanden Kerkvaartse haven

Nautische aspecten

14

3.3.1 3.3.2 3.3.3 3.3.4

14 14 14 15

Huidige maatgevende schepen Toekomstige maatgevende schepen Vaarroute Oude Maasje Scheepvaartpassages

3.4

Toegestane diepgang schepen ten opzichte van NAP waterstand

15

3.5

Keersluis Schipdiep

16

3.6

Ecologische en natuur aspecten

16

3.7

Geotechnische uitgangspunten

17

3.7.1 3.7.2

17 18

Beschikbaar grondonderzoek en gebruikte grondopbouw Bodem opbouw agrarische terrein

4

NAUTISCHE EISEN

20

4.1

Algemene richtlijnen insteekhavens

20

4.1.1 4.1.2

Breedte van insteekhavens Invaren bij insteekhavens

20 21

4.2

Breedte Kerkvaartse haven

21

4.3

Diepte Kerkvaartse haven

22

5

ONTWERP NAUTISCHE INRICHTING

24

5.1

Nautische ontwerp

24

5.2

Havenmond

24

5.3

Havenkanaal

25

5.4

Diepte haven

25

5.5

Maatregelen bestaande kades

25

6

ONTWERP OOSTELIJKE KADEMUUR

27

6.1

Kenmerken kademuur

27

6.2

Conclusie en aanbevelingen

28

7

ONTWERP WATERKERING

29

7.1

Kenmerken waterkering

29

7.2

Legger waterkering

30

7.3

Aansluiting op huidige waterkering

30

7.4

Bekleding en oeverbescherming

30

7.5

Aanbevelingen

30

8

GRONDBALANS

32

8.1

Uitgangspunt grondbalans

32

8.2

Type grond en kwaliteit

32

8.2.1 8.2.2

32 32

Waterbodem Bodem agrarische terrein

8.3

Grond hoeveelheden

33

9

KOSTENRAMING

35

9.1

Systematiek

35

9.2

Uitgangspunten

35

9.3

Samenvatting kostenraming

35

9.4

Risico’s profiel

36

9.5

Aanbevelingen

36

9.5.1 9.5.2

36 37

Risico vrijkomende klei Benaderen ontplofbare oorlogsresten en detectie verstorend gebied

Laatste pagina

Bijlage(n)

37 Aantal pagina's

I

Waterstandenanalyse

3

II

Grondonderzoek

23

III

Tekening nautisch ontwerp

1

IV

Kademuur ontwerp

23

V

Regionale waterkering ontwerp

18

VI

Tekening gesloten grondbalans

1

VII

Kostenraming

9

VIII

Toetsing Keersluis Schipdiep

70

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding

Ten noorden van Waspik, in de gemeente Waalwijk, ligt de Kerkvaartse haven. De haven is gelegen aan het Oude Maasje, dat weer verbonden is met de Bergsche Maas. Aan de westzijde van de Kerkvaartse haven ligt het bedrijventerrein Maasoever-Scharlo. Aan deze zijde zijn verschillende kades aanwezig, die tevens de waterkering vormen. Aan de oostzijde ligt een regionale waterkering, in de vorm van een dijklichaam, met daarachter agrarische gronden. In het zuiden wordt de haven begrensd door een jachthaven. Bij de T-splitsing met het Oude Maasje is aan de noordzijde ook een jachthaven aanwezig (zie afbeelding 1.1).

Afbeelding 1.1 Projectlocatie Kerkvaartse haven in Waspik

In 2013 heeft waterschap Brabantse Delta (WHBD) de oostelijke regionale kering van de Kerkvaartse haven afgekeurd op beheerdersoordeel. De beschoeiing is slecht en de oever van stortstenen is deels beschadigd. Het herstellen van de stortstenen is geen haalbare optie omdat dit ten koste gaat van de breedte van de haven. Hierdoor wordt de haven te smal en daarmee minder toegankelijk voor binnenvaartschepen.

6 | 37

Witteveen+Bos | 133990/23-003.519 | Definitief 02

De gemeente Waalwijk is voornemens de Kerkvaartse haven uit te breiden en aan de oostzijde van de Kerkvaartse haven ook een bedrijventerrein te ontwikkelen. De wens van de gemeente is een verbreding te realiseren die de haven toekomstbestendig maakt voor de binnenvaart en tegelijkertijd de mogelijkheid biedt om de oostzijde te ontsluiten en geschikt te maken voor watergebonden bulkbedrijven. Daarvoor dient de Kerkvaartse haven ter plaatse van het te ontwikkelen bedrijventerrein (zie afbeelding 1.1) in oostelijke richting te worden verbreed en te worden voorzien van een kade.

1.2

Doel van het rapport

De gemeente Waalwijk heeft voor het ontwikkelingsproces van het oostelijke terrein en de verbreding van de haven al meerdere studies laten uitvoeren. Om het ontwikkelingsproces een stap verder te brengen heeft de gemeente Waalwijk aan Witteveen+Bos gevraagd het schetsontwerp en de kostenraming van de Kerkvaartse haven te actualiseren en optimaliseren. De resultaten zijn in het voorliggende rapport beschreven.

1.3

Leeswijzer

Na deze inleiding zijn in hoofdstuk 2 de gebruikte referenties opgesomd. In hoofdstuk 3 zijn de uitgangspunten voor het ontwerp beschreven. De relevante nautische eisen vanuit de Richtlijnen Vaarwegen 2020 (RVW 2020) zijn opgenomen in hoofdstuk 4. Het nautisch ontwerp van de haven is in hoofdstuk 5 gepresenteerd. In hoofdstuk 6 is het ontwerp van de nieuwe oostelijk kademuur samengevat. In hoofdstuk 7 is het ontwerp van de nieuwe waterkering beschreven. De uitgangspunten en de beschrijving van de grondbalans zijn opgenomen in hoofdstuk 8. Tenslotte is in hoofdstuk 9 de kostenraming van het ontwerp gepresenteerd.

7 | 37

Witteveen+Bos | 133990/23-003.519 | Definitief 02

2 REFERENTIEDOCUMENTEN In dit rapport is gebruik gemaakt van de volgende referenties: Normen en richtlijnen [ref. 1] NEN-EN9997-1+C2, Geotechnisch ontwerp van constructies- Deel1: Algemene regels, d.d. december 2018, NEN. [ref. 2] NEN-EN 1990:2002, Eurocode 0: Grondslag voor het constructief ontwerp, d.d. november 2019, NEN. [ref. 3] CUR166 Damwand constructies 6e herziene druk (deel 1 en deel 2),d.d. juli 2012, CUR Bouw en Infra. [ref. 4] CUR211 handboek kademuren + erratum (2018), d.d. 2014, SBRCURnet. [ref. 5] Leidraad toetsen op veiligheid regionale waterkeringen, STOWA, voorjaar 2015. [ref. 6] Rijkswaterstaat, 2020, Richtlijn vaarwegen november 2020 (RVW 2020). Rapporten [ref. 7] Deltares, Kenmerkende waarden Kustwateren en Grote Rivieren, Versie 4, d.d. 6 november 2013, definitief, kenmerk 1207509-000-ZKS-0010. [ref. 8] Tauw, Keersluis Schipdiep, 12 juli 2022, Kenmerk R002-1281060FMA-V04-pws-NL. [ref. 9] Anteagroep, Berekeningen damwanden Kerkvaartse Haven v4, d.d. 22 september 2022. [ref. 10] Gemeente Waalwijk, Ontwikkeling plan Kerkvaartse Haven. [ref. 11] AGEL adviseurs, Verkennend bodem- en waterbodemonderzoek, Versie D01, d.d. 23 maart 2021. [ref. 12] Antea Group Archeologie, Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen, revisie 01, d.d. 18 mei 2022. [ref. 13] Witteveen+Bos, BPRW-toets, versie definitief, d.d. 25 oktober 2021. [ref.

14] Witteveen+Bos, Nee-tenzij-toets Natuurnetwerk Brabant, versie definitief, d.d. . 5 oktober 2021. [ref. 15] Witteveen+Bos, Quickscan Natuur, versie definitief, d.d. 27 mei 2021. [ref. 16] WSP, Indicatief Ruimtebeslag Regionale Kering Kerkvaartse Haven, 7 juli 2021. [ref. 17] Technische Adviescommissie voor de Waterkeringen (TAW), Technisch Rapport Waterspanningen bij Dijken, 1 september 2004. [ref. 18] Bepaling geotechnische parameters regionale keringen, Antea Group, mei 2017 (projectnummer, 0409505.00). [ref. 19] Grondonderzoek nabij de Polanenweg 1 te Waspik 22WP0064-RG-01 versie 1.0, d.d. 4 maart 2022, Inpijn Blokpoel. [ref. 20] IDDS Explosieven B.V., Detectierapport, versie 1.0, d.d. 28 februari 2022. [ref. 21] Handboek Kademuren, SBRCURnet, 2014. Tekeningen [ref. 22] Martens en Van Oord, Peiling Havens Waalwijk, 26-03-2021, definitief. [ref. 23] Waterschap Brabantse Delta, leggerprofiel DWK00693. Websites [ref. 24] Rijkswaterstaat, https://vaarweginformatie.nl/frp/main/#/geo/map. [ref. 25] https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens. [ref. 26] https://www.ahn.nl/ahn-viewer. [ref. 27] https://geoportaal.brabantsedelta.nl/portal/apps/webappviewer.

8 | 37

Witteveen+Bos | 133990/23-003.519 | Definitief 02

3 UITGANGSPUNTEN In dit hoofdstuk zijn de uitgangspunten voor het schetsontwerp van de Kerkvaartse haven beschreven. Voor de uitgangspunten met betrekking tot de nieuwe kademuur en de regionale waterkering wordt verwezen naar bijlage IV ‘Kademuur ontwerp’ en bijlage V ‘Regionale waterkering ontwerp’.

3.1

Uitgangspunten Kerkvaartse haven

3.1.1

Huidige horizontale afmetingen

De Kerkvaartse haven is een insteekhaven die vrijwel haaks aansluit op het Oude Maasje. Uit luchtfoto’s blijkt dat het Oude Maasje nabij de insteek een waterspiegelbreedte heeft van 60 m. De havenmond heeft ter plaatse een breedte van 50 m op de waterlijn. De insteekhaven is ongeveer 1,2 km lang (waarvan de noordelijke 700 m voor beroepsvaart) en heeft een breedte die varieert tussen de 22 en 29 m. In de onderstaande afbeelding is de Kerkvaartse haven weergegeven.

Afbeelding 3.1 Breedte noordelijk deel van de Kerkvaartse haven (bron: Google Earth)

9 | 37

Witteveen+Bos | 133990/23-003.519 | Definitief 02

3.1.2

Bodemniveaus

Uit bodemdiepte peilingen (van 26 maart 2021) [ref. 22] blijkt dat het noordelijke deel van de Kerkvaartse haven een gemiddeld bodemniveau van NAP -2,75 m heeft (zie afbeelding 3.2). Op een aantal plekken voor de bestaande kades (zie paragraaf 3.1.7) ligt het bodemniveau lager, gemiddeld tussen de NAP -2,9 m en NAP -3,3 m. Het zuidelijk deel is ondieper (circa NAP -2,0 m). Het Oude Maasje nabij de insteekhaven heeft een gemiddeld bodemniveau van NAP -3,5 m.

Afbeelding 3.2 Bodemdiepte peilingen (van 26-03-2021) van de Kerkvaartse haven [ref. 22]

3.1.3

Bodemkwaliteit watergang

Uit het rapport ‘Verkennend bodem- en waterbodemonderzoek’ [ref. 11] blijkt dat de waterbodem (sliblaag en vaste waterbodem) van de Kerkvaartse haven niet toepasbaar is als landbodem. Dit betekent dat de waterbodem niet kan worden (her)gebruikt voor ophoging van het naastgelegen bouwterrein. Verder dient er rekening te worden gehouden met een sterk verontreinigde vaste waterbodem laag. Deze laag bevindt zich onder de eerste sliblaag. De sliblaag is circa 0,4 m dik en is deels verontreinigd. Dit betekent dat indien er baggerwerkzaamheden worden uitgevoerd, er rekening gehouden dient te worden met de verschillende kwaliteitsklassen van de waterbodem. Indien de werkzaamheden plaatsvinden in de sterk verontreinigde waterbodem, dient rekening gehouden te worden met het apart ontgraven en verwerken hiervan.

3.1.4

Bodemkwaliteit agrarisch terrein

Uit het rapport ‘Verkennend bodem- en waterbodemonderzoek’ [ref. 11] blijkt dat van het oostelijk gelegen agrarische terrein zowel de boven- als ondergrond deels beoordeeld is als klasse industrie en deels als altijd toepasbaar. Dit betekent dat de grond kan worden hergebruikt als aanvulling, echter niet onder het grondwaterniveau. Verder blijkt uit het rapport dat op het agrarische terrein achter de waterkering, op vier locaties asbesthoudend plaatmateriaal is aangetroffen. Gezien het voormalige en huidige gebruik, het feit dat het materiaal zeer verspreid over de locatie is aangetroffen en er geen vermenging met puin en/of asbest is waargenomen, wordt een onderzoek naar asbest in de bodem vooralsnog niet noodzakelijk geacht. Wel wordt aanbevolen voor het agrarische terrein een maaiveldinspectie conform de NEN 5707 uit te voeren om te bepalen of meer asbestverdacht plaatmateriaal aanwezig is. Op basis daarvan kan een inschatting worden gemaakt of een onderzoek naar asbest in de bodem conform de NEN 5707 noodzakelijk is.

10 | 37

Witteveen+Bos | 133990/23-003.519 | Definitief 02

Het verrichten van een onderzoek naar asbest in de bodem conform de NEN 5707 is wel aanbevolen ter plaatse van regionale kering waar puin aangetroffen is (zie ook paragraaf 3.1.9). Ten slotte geeft het onderzoeksrapport [ref. 11] aan dat als er bij de uitbreiding van de haven grond vrijkomt, er rekening dient te worden gehouden met beperkingen ten aanzien van hergebruik en afzet van de grond. Voor de definitieve kwaliteitsbepaling van de vrijkomende grond kan, afhankelijk van de bestemming en toepassing, een partijkeuring noodzakelijk zijn (AP04). De gemeente is bevoegd gezag inzake grondverzet en toepassing van grond binnen de restricties en voorwaarden van de bodemkwaliteitskaart. Hiervoor geldt een meldingsprocedure.

3.1.5

Archeologie

Uit het rapport ‘Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek’ [ref. 12] blijkt er geen sprake is van grootschalige bodemverstoringen, maar evenmin van kansrijke zones voor archeologische vindplaatsen. Tijdens het booronderzoek zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen, evenmin als vegetatiehorizonten. De kans op het aantreffen van intacte archeologische resten is ingeschat als laag.

3.1.6

NGE onderzoek

Uit het rapport ‘Detectierapport’ [ref. 20] blijk dat de waterbodem van de haven en de landbodem van de agrarische terrein verdacht zijn ten aanzien van het aantreffen van Niet Geëxplodeerde Explosieven (NGE). Tijdens het onderzoek zijn meerdere significante objecten geïdentificeerd en meerdere verstoreningen in het gebied gedetecteerd. Om het risico op het aantreffen en mogelijk ongewenst detoneren van ontplofbare oorlogsresten te verkleinen dienen de significante objecten benaderd en het verstorend gebied onderzocht te worden.

3.1.7

Westelijk oever

Aan de westzijde van de Kerkvaartse haven zijn verschillende kades aanwezig waar beroepsschepen aan kunnen meren. Conform de legger zijn deze kades onderdeel van de regionale kering. Tijdens het locatiebezoek van 10 november 2022 is geconstateerd dat dit vijf verschillende kades zijn. In de memo ‘Berekeningen damwanden Kerkvaartse Haven’ [ref. 9] zijn de vijf kades doorgerekend. Uit de constructieve analyse blijkt dat deze kades zijn uitgevoerd als een verankerde damwand. De constructieve onderdelen verschillen per kade. Verder blijkt uit de berekening dat twee kades onstabiel worden bij een bodemdiepte van NAP -2,5 m en twee kades bij een bodemdiepte van NAP -3,2 m. Eén kade blijft rekentechnisch stabiel bij een bodemdiepte van NAP -3,2 m. Echter uit de laatste bodempeiling (zie paragraaf 3.1.2) blijkt dat op een aantal plekken voor de kade nu al een bodemdiepte van NAP -3,2 m aanwezig is. Verder in de memo [ref. 9] zijn ook beperkte maatregelen uitgewerkt en geraamd om de kades stabiel te houden bij de gewenste bodemniveaus.

3.1.8

Havenkop

Langs het Oude Maasje is aan de westzijde van de haveningang een kade met een lengte van circa 20 m aanwezig. Deze kade sluit aan op de noordelijkste westelijke kade langs de Kerkvaartse haven. Tijdens het locatiebezoek van 10 november 2022 is geconstateerd dat aan de noordwestzijde van de haveningang een beroepsschepen is aangemeerd (zie afbeelding 3.3). De gemeente Waalwijk heeft navraag gedaan bij Rijkswaterstaat, het betreft geen formele ligplaats maar er wordt al jarenlang mondeling toestemming verleend voor het afmeren van ongeladen schepen. Het is echter niet wenselijk om hier schepen aan te meren omdat deze bij invaren het zicht op de haven en bij uitvaren het zicht op de vaarweg blokkeren. Om deze reden wordt in het ontwerp geen rekening gehouden met een afgemeerd schip aan de westzijde van de havenkop.

11 | 37

Witteveen+Bos | 133990/23-003.519 | Definitief 02

Afbeelding 3.3 Beroepsschip aangemeerd aan de noordwest zijde van de haveningang Kerkvaartse haven (bij project bezoek van 10 november 2022)

3.1.9

Oostelijk oever

Aan de oostzijde van de Kerkvaartse haven ligt een regionale waterkering. De huidige geometrie bestaat voor het deel langs de Kerkvaart uit een dijk met een 3,5 m brede kruin op NAP +2,4 m en aan beide zijden een talud van 1:3. Langs het Oude Maasje wijzigt de geometrie van de waterkering iets (kruin van circa 5 m breed op NAP +2,9 m). Uit het beschikbare grondonderzoek ‘Verkennend bodem- en waterbodemonderzoek’ [ref. 11] blijkt dat de bovenste meter van de dijk bestaat uit klei. Daarom is het de verwachting dat de bestaande waterkering uit klei is opgebouwd. Het maaiveld aan de binnenzijde direct achter de dijk varieert tussen NAP +1,2 m en NAP +1,5 m. Het huidige waterbodemniveau is NAP -2,75 m (zie ook paragraaf 3.1.2), de legger diepte is echter NAP -2,5 m.

Afbeelding 3.4 Huidige geometrie regionale waterkering

Het buitentalud van het dijklichaam is uitgevoerd als een ‘natuurlijke’ oever. Er is een steenbestorting aanwezig. Uit het rapport ‘Ontwikkeling plan Kerkvaartse Haven’ [ref. 10] blijkt dat het waterschap Brabantse Delta (WSBD) deze regionale kering afgekeurd heeft op het beheerdersoordeel. Over de steenbeschoeiing zijn bij WSBD geen gegevens beschikbaar. Aan de hand van het projectlocatiebezoek van 10 november 2022 wordt ingeschat dat de beschoeiing 0,40 m dik en 2,5 m lang is en is uitgevoerd met een steenbestorting van 5-40 kg en puin.

3.2

Hydraulische randvoorwaarden

3.2.1

Waterstanden Kerkvaartse haven

De Kerkvaartse haven is gelegen aan het Oude Maasje dat weer verbonden is met de Bergsche Maas. Deze twee vaarwegen vallen onder het benedenrivierengebied. De waterstanden worden door zowel het getij als de rivier afvoer beïnvloed.

12 | 37

Witteveen+Bos | 133990/23-003.519 | Definitief 02

Vanwege de beperkte diepte in de Kerkvaartse haven (zie paragraaf 3.1.2) is voor de beroepsvaart de laagwaterstand maatgevend. Conform de RVW 2020 [ref. 6] dient voor de maatgevende lage waterstand (MLWS) bij een benedenrivierengebied de overeengekomen lage waterstand (OLW) als referentievlak. Conform het rapport ‘Kenmerkende waarden Kustwateren en Grote Rivieren’ [ref. 7] is de OLW voor de Bergsche Maas NAP +0,13 m. In de haven is het effect van het getij duidelijk te zien. In onderstaande afbeelding is de waterhoogte van het meetpunt Keizersveer ten opzichte van NAP gepresenteerd. Dit meetpunt bevindt zich 3,75 km ten noordwesten van de Kerkvaartse haven op het kruispunt van de Bergsche Maas en het Oude Maasje.

Afbeelding 3.5 Waterhoogte (t.o.v. NAP) van het meetpunt Keizersveer (bron: https://waterinfo.rws.nl/#!/kaart/waterhoogte/)

Om de waterstanden te bepalen zijn de historische data (van 2012 tot en met 2022) van de waterhoogte bij het meetpunt Keizersveer geanalyseerd. Voor de volledige analyse wordt verwezen naar bijlage I. Aan de hand van deze analyse zijn de volgende waterstanden berekend met de bijhorende de tijd dat deze onderschreden worden.

Tabel 3.1 Resultaten waterstanden meetpunt Keizersveer met de bijhorende % van de tijd waarin deze onderschreden worden Waterstand

Waarde [NAP m]

onderschrijding in % van de tijd

lage waterstand

+ 0,10

1%

gemiddelde waterstand

+ 0,50

50 %

hoge waterstand

+ 1,30

99 %

Uit het rapport ‘Indicatief Ruimtebeslag Regionale Kering Kerkvaartse Haven’ [ref. 16] blijkt dat bij het Oude Maasje de waterstand achter de sluis (en tegen de regionale kering) kan oplopen tot NAP +1,80 m, ondanks het sluitpeil van NAP +1,50 m van de keersluis Schipdiep. De peilstijging van NAP +1,50 m tot NAP +1,80 m na sluiting van de sluis wordt veroorzaakt door de wateraanvoer vanuit het stroomgebied van het Oude Maasje. Om het globale ontwerp ook voor latere zichtjaren (2070) te laten voldoen, wordt een waakhoogte van 30 cm bij het peil opgeteld. Zetting en klink zijn hierbij niet meegenomen, hier dient in latere ontwerpfase rekening mee te worden gehouden. Daarmee komt de maatgevende hoge waterstand (MHWS) ten behoeve van de waterveiligheid op NAP +2,10 m.

13 | 37

Witteveen+Bos | 133990/23-003.519 | Definitief 02

De volgende peilen zijn van belang voor het ontwerp van de kadeconstructie en waterkering: - maatgevende lage waterstand (MLWS) : NAP +0,10 m; - gemiddelde waterstand: NAP +0,50 m; - maatgevende hoge waterstand (MHWS): NAP +2,10 m.

3.3

Nautische aspecten

3.3.1

Huidige maatgevende schepen

Conform de ViN [ref. 24] is de Kerkvaartse haven momenteel toegankelijk voor schepen met de volgende maximum afmetingen: - lengte = 95,0 m; - breedte = 11,5 m; - diepgang (geladen) = 2,5 m.

3.3.2

Toekomstige maatgevende schepen

De gemeente heeft de wens om de Kerkvaartse haven toegankelijk te maken voor scheepvaartklasse CEMT Va (RWS klasse M8). De afmetingen van het maatgevend CEMT-klasse Va (RWS klasse M8) schip zijn in tabel 3.2 gepresenteerd.

Tabel 3.2 Afmetingen van het maatgevend CEMT-klasse Va schip (RWS klasse M8) [ref. 6] Afmeting

Waarde [m]

lengte

110,0

breedte

11,4

diepgang geladen

3,5

diepgang ongeladen

1,8

3.3.3

Vaarroute Oude Maasje

Alle beroepsschepen die op het Oude Maasje varen hebben als bestemming de Kerkvaartse haven. Er varen geen beroepsschepen onder de Abraham Kampbrug door (zie afbeelding 3.6). Verder is aan de noordoever van het Oude Maasje, tegenover de aansluiting met de Kerkvaartse haven een jachthaven aanwezig. Hiermee dient rekening te worden gehouden bij het invaren van de haven. Een nautisch onveilige situatie moet worden voorkomen. De minimale breedte van het Oude Maasje is 67,0 m. Dit is aangegeven in onderstaande afbeelding.

14 | 37

Witteveen+Bos | 133990/23-003.519 | Definitief 02

Afbeelding 3.6 Breedte Oude Maasje (bron: Google Earth)

3.3.4

Scheepvaartpassages

Beroepsvaart In 2020 heeft de gemeente aan de bestaande bedrijven gevraagd een inschatting te maken van de hoeveelheid bulk die zij denken te gaan vervoeren over het water in de komende jaren. Deze bedrijven verwachten dat door de uitbreiding van de haven het transport van bulk over het water zal toenemen. De bestaande bedrijven die langs de Kerkvaartse haven zijn gevestigd hebben een inschatting gemaakt van het (bulk) tonnage dat ze komende jaren verwachten te vervoeren. Het is lastig in te schatten hoeveel vaarbewegingen de toekomstige bedrijven aan de oostzijde gaan veroorzaken. Voor deze bedrijven heeft de gemeente een inschatting gedaan op basis van de gesprekken die ze in 2020 hebben gevoerd met geïnteresseerde bedrijven. Aan de hand van deze inschatting is het aantal te verwachten vaarbewegingen bepaald. Hierbij is aangenomen dat de te vervoeren bulk met alleen CEMT-klasse Va (RWS klasse M8) met de huidige diepgang beperking van 2,5 m (conservatieve aanname) getransporteerd zal worden. Dit leidt totaal tot ongeveer 1.500 beroepsvaartbewegingen per jaar. Omgerekend zijn dit ongeveer vier beroepsvaartbewegingen per dag door de Kerkvaartse haven. Vanwege deze intensiteit wordt de haven volgens de RVW 2020 gezien als een zeer rustige vaarweg. Recreatievaart Zowel ten noorden als ten zuiden van de Kerkvaartse haven zijn twee jachthavens aanwezig.

De jachthaven aan de noordzijde heeft ongeveer 300 ligplaatsen, die aan de zuidzijde ongeveer 250. Bij de gemeente zijn helaas geen gegevens bekend met betrekking tot het aantal recreatievaartpassages. De meerderheid van de recreatievaartpassages vindt plaats tijdens het vaarseizoen (tussen april en oktober). Dit betekent dat de Kerkvaartse haven tijdens het vaarseizoen ook door recreatievaart wordt bevaren. Kanttekening hierbij is dat tijdens het vaarseizoen de pieken van de recreatievaart in het weekend zullen liggen, terwijl de intensiteit van de beroepsvaart dan juist lager is. In ieder geval moet bij het ontwerp van de Kerkvaartse haven rekening worden gehouden met een situatie waarbij zowel recreatievaart als beroepsvaart door de haven zal varen.

3.4

Toegestane diepgang schepen ten opzichte van NAP waterstand

Zoals beschreven in de paragraaf 3.2 worden de waterstanden in Kerkvaartse haven beïnvloed door het getij en de rivierafvoer. Dit zorgt ervoor dat de waterstanden in de haven sterk fluctueren. Momenteel geldt er in

15 | 37

Witteveen+Bos | 133990/23-003.519 | Definitief 02

de haven een diepgangbeperking van 2,5 m ongeacht de waterstand. De wens van de gemeente is om de toegestane diepgang te koppelen aan de waterstanden (ten opzichte van NAP). Daarbij kunnen schepen bij hogere waterstanden een grotere diepgang hanteren en dus een grotere hoeveelheid lading vervoeren. Om de toegestane diepgang te koppelen aan de waterstanden is rekening gehouden met de volgende uitgangspunten en beperkingen: - waterstanden en bijhorende frequentie (zie paragraaf 3.2.1); - huidige bodemdiepte van het Oude Maasje (zie paragraaf 3.1.2) en van de keersluis Schipdiep; - waterbodemkwaliteit van de Kerkvaartse haven (zie paragraaf 3.1.3); - toelaatbare bodemdiepte bestaande kades aan de westzijde (zie paragraaf 3.1.7); - diepgang en kielspeling van de maatgevende schepen (zie paragraaf 3.3.2). Aan de hand van bovenstaande punten wordt geadviseerd om bij waterstanden tot NAP +0,20 m de huidige diepgang beperking van 2,5 m te handhaven. Bij elke 0,10 m boven deze waterstand (NAP +0,20 m) kunnen schepen met 0,10 m extra diepgang worden toegelaten. Dit betekent dat in de Kerkvaartse haven bij een waterstand van NAP +0,5 m, die 50 % van het jaar voorkomt (zie tabel 3.1 en bijlage I), schepen met een diepgang van 2,8 m zijn toegestaan.

3.5

Keersluis Schipdiep

Om de Kerkvaartse haven te bereiken, moeten de schepen de keersluis Schipdiep in het Oude Maasje passeren. Dit kunstwerk is onderdeel van de primaire waterkering en is circa 40 jaar geleden aangelegd. De remming- en geleidewerken van de keersluis zijn in 2019 vervangen. Om te bepalen of deze constructies en de bestaande bodembescherming ter plaatse van de keersluis de belasting van de grotere schepen aan kunnen is een toets uitgevoerd. Deze toets is beschreven in bijlage VIII. Uit de toetsing blijkt dat de remming- en geleidewerken van de Keersluis Schipdiep voldoen aan de hogere belasting van de grotere schepen. De bodembescherming ter plaatse van de Keersluis Schipdiep voldoet aan de hogere hoofdschroef belasting door het passeren van de grotere schepen. De bodembescherming voldoet bij een waterstand van NAP +1,0 m of hoger ook aan de grotere boegschroef belasting van de grotere schepen. Echter bij het gebruik van de boegschroef onder de NAP +1,0 m voldoet de bodembescherming niet aan de hogere boegschroef belastingen van de grotere schepen. De verwachting is dat de meeste schippers hun schepen door de sluis varen zonder daarbij de boegschroeven te gebruiken, de boegschroef zal alleen worden gebruikt om de koers van het schip te corrigeren bijvoorbeeld tijdens harde zijwind.

Dit betekent dat er incidenteel sprake zal zijn van hoge maatgevende boegschroef belasting op de bodembescherming. Het advies is om in nauw overleg met de beheerder de bodembescherming te monitoren en op basis van de resultaten te beoordelen of de bodembescherming versterkt dient te worden. Om de bodembescherming wel te laten voldoen aan de optredende belasting kan deze worden gepenetreerd met beton, of de bodembescherming kan worden vervangen door een andere bodembescherming die deze hydraulische belasting in alle voorkomende situaties wel kan weerstaan.

3.6

Ecologische en natuur aspecten

De maatregelen in de Kerkvaartse haven en aan de oever van het Oude Maasje hebben lokaal een negatief effect op de waterkwaliteit. Vanwege het vervangen van de ‘natuurlijke’ oever langs het Oude Maasje en Kerkvaartse haven door kades wordt de verbeterdoelstelling die is opgesteld voor de oevers van het Oude Maasje op deze locatie niet gehaald. In rapport ‘BPRW-toets’ [ref. 13] is beschreven dat volgens het toetsingskader van RWS en het toetsingskader van waterschap Brabantse Delta er om deze redenen compensatiemogelijkheden gezocht moeten worden voor de ‘natuurlijke’ oever die verloren gaat.

16 | 37

Witteveen+Bos | 133990/23-003.519 | Definitief 02

Het voornaamste uitgangspunt uit het rapport ‘BPRW-toets’ [ref. 13] is dat er voor het Oude Maasje (vanuit de Kaderrichtlijn Water) een verbeterdoelstelling wordt nagestreefd waarbij er geen kwaliteit verslechtering van het waterlichaam mag optreden. Als voorbeeld kunnen voor de ontwikkeling van onderwater flora en fauna nabij de nieuwe kade hangende structuren met waterplanten, hangende plantenbakken of vishotels worden aangelegd (zie [ref. 13]). Daarnaast heeft de uitbreiding van de haven mogelijk negatieve effecten voor broedvogels door geluidsverstoring en voor vissen en bevers door trillingen [ref. 14]. De conclusies ten aanzien van de beschermde soorten zijn opgenomen in het rapport ‘Quickscan natuur’ [ref. 15]. Negatieve effecten dienen vanuit de Wnb (artikel 3.1 lid 4 en algemene zorgplicht) zoveel mogelijk voorkomen te worden. De negatieve effecten van het plan moeten daarom waar mogelijk gemitigeerd worden. Tijdens de werkzaamheden voor de verbreding van de Kerkvaartse haven treedt mogelijk verstoring op van kwalificerende broedvogels voor de NNB-beheertypen N16.04 - Vochtig bos met productie, N16.03 - Droog bos met productie en N05.04 Dynamisch moeras. Negatieve effecten op broedvogels worden door het nemen van mitigerende maatregelen (bijvoorbeeld werken buiten het broedseizoen) zoveel mogelijk voorkomen.

Ook is de verstoring tijdelijk waardoor kwalificerende broedvogels van het NNB het gebied niet permanent mijden. De uitbreiding van de haven kan hierdoor worden uitgevoerd zonder dat er ecologische waarden en kenmerken van het NNB worden aangetast [ref. 14].

3.7

Geotechnische uitgangspunten

3.7.1

Beschikbaar grondonderzoek en gebruikte grondopbouw

Ten zuiden van het projectgebied (agrarisch terrein) zijn er in 2022 twee sonderingen en zes handboringen uitgevoerd [ref. 19]. Verder zijn in Dinoloket [ref. 25] drie sonderingen en vier boringen ter plekke van het projectgebied beschikbaar. In afbeelding 3.7 is een overzicht gegeven van het hiervoor beschreven beschikbare grondonderzoek.

Afbeelding 3.7 Overzicht beschikbaar grondonderzoek

Aanvullend op het hiervoor beschreven grondonderzoek zijn er ter plekke van het projectgebied 114 milieukundige boringen uitgevoerd [ref. 11]. Deze boringen zijn hoofdzakelijk tot een diepte van 1,0 m

17 | 37

Witteveen+Bos | 133990/23-003.519 | Definitief 02

onder maaiveld of bodemniveau uitgevoerd. Boringen 01 tot en met 17 zijn uitgevoerd nabij de locatie van de toekomstige kering, zie [ref. 11]. Deze boringen zijn gebruikt om te bepalen wat het materiaal is van de bovenste grondlagen.

Afbeelding 3.8 Aanvullend uitgevoerde boringen Angel Adviseurs projectgebied [ref. 11]

3.7.2

Bodem opbouw agrarische terrein

Globaal bestaat de bodem in het agrarische terrein uit een pakket van klei en soms veenlagen van in totaal 2 m tot 5 m dik. Daaronder bevindt zich een doorlopend zandpakket. In het noorden is het pakket aan slappe lagen dikker dan in het zuiden van het projectgebied. Bodem opbouw ten behoeve van kadeconstructie Op basis van het grondonderzoek dat in het noorden van het projectgebied is uitgevoerd, nabij de voorziene locatie van de kadeconstructie, is een representatieve bodemopbouw afgeleid voor de nieuwe oostelijke kadeconstructie. Deze bodemopbouw is opgenomen in tabel 3.3.

Tabel 3.3 Representatieve bodemopbouw kadeconstructie o.b.v. CPT98857 aangevuld met omliggend grondonderzoek Geïnterpreteerde grondsoort (classificatie NEN-EN9997-1)

Ligging bovenkant laag [m + NAP]

klei, sterk zandig

maaiveldniveau

klei schoon, slap

1,9

veen, matig voorbelast

-1,3

zand, schoon, los

-2,1

18 | 37

Witteveen+Bos | 133990/23-003.519 | Definitief 02

Bodem opbouw ten behoeve van waterkering Voor de verlegging van de dijk is een bodemopbouw afgeleid gebaseerd op het grondonderzoek in het zuiden van het project gebied. Deze bodemopbouw is opgenomen in tabel 3.4. Hierbij komen de grondsoorten overeen met de grondsoorten zoals opgenomen in de memo ‘bepaling Geotechnische parameters regionale keringen’ van WSBD [ref. 18]. Het volledige grondonderzoek is opgenomen in de bijlage van dat rapport.

Tabel 3.4 Representatieve bodemopbouw achterland dijk o.b.v. HB006 aangevuld met omliggend grondonderzoek Geïnterpreteerde grondsoort (classificatie NEN-EN9997-1)

Grondsoort regionale kering WSBD [ref. 18]

klei, zwak zandig, matig

klei, zandig

maaiveldniveau

klei, zwak zandig , slap

klei, zandig

-0,2

klei, organisch, matig

klei, humeus

-1,1

veen, niet voorbelast, slap

veen

-1,5

zand, schoon, los

zand

-1,9

19 | 37

Witteveen+Bos | 133990/23-003.519 | Definitief 02

Ligging bovenkant laag [m + NAP]

4 NAUTISCHE EISEN Dit hoofdstuk beschrijft de nautische afmetingen van insteekhavens volgens de RVW 2020 [ref. 6] en op basis daarvan het advies voor de afmetingen van de Kerkvaartse haven.

4.1

Algemene richtlijnen insteekhavens

4.1.1

Breedte van insteekhavens

Conform de RVW 2020 [ref. 6] dient de breedte van een havenkanaal met een tweerichtingsprofiel tenminste gelijk te zijn aan vier keer de breedte van het maatgevende schip (B). De beschikbare breedte tussen de kades (effectieve breedte) inclusief het havenkanaal is bij tweerichtingsverkeer in de haven en twee breed liggende schepen tenminste zeven keer de breedte van het maatgevende schip. Dit betekent dat bij een insteekhaven met een tweerichtingsverkeerprofiel de afstand tussen de kade en de rand van de vaarweg minimaal gelijk is aan de breedte van het maatgevende schip plus een veiligheidsstrook (S). Deze veiligheidsstrook is dus gelijk aan de helft van de breedte van het maatgevende schip (S = 0,5*B = (7*B - 4*B - 2*B)/2). De vormgeving van de havenmond komt overeen met die van een splitsingspunt (zie afbeelding 4.1). In het algemeen is het wenselijk het kanaal zo breed mogelijk te maken omdat dit nautisch makkelijker is.

Afbeelding 4.1 Vormgeving van de havenmond conform de RVW 2020 [ref. 6]

In onderstaande tabel zijn de afmetingen van de havenmond voor het maatgevende schip (CEMT-klasse Va (RWS-Klasse M8)) bepaald, conform de RVW 2020 [ref. 6].

Tabel 4.1 Afmetingen van tweerichtingsverkeer insteekhavens conform de RVW 2020 [ref. 6] Afmetingen

Factor

minimale breedte van het havenkanaal

4 x breedte van het maatgevende (B)

45,6

effectieve breedte van het havenkanaal bij tweerichtingsverkeer en dubbel afmeren

7 x B breedte van het maatgevende (B)

79,8

minimale bochtstraal havenmond

1,5 x lengte van het maatgevende (L)

165

20 | 37

Witteveen+Bos | 133990/23-003.519 | Definitief 02

Waarde [m]

4.1.2

Invaren bij insteekhavens

De as van de insteekhaven staat meestal loodrecht op de as van het doorgaande vaarwater. In het geval van stromend water dient de vormgeving van de havenmond zodanig te zijn dat het schip de haven ook voorstrooms kan aanlopen en achteruit varend de haven kan verlaten en op het hoofdvaarwater kan zwaaien. Als alternatief kan bij de keuze van de hoek van de invaart en de vormgeving van de havenmond ook uitgegaan worden van overstuur (achterwaarts) invaren van de haven. Het in- en uitvaren moet ook bij hoge waterstanden en hoge stroomsnelheden op veilige wijze mogelijk zijn. Verder moet er aandacht zijn voor de zichtlijnen en voorkoming van windhinder bij het invaren en manoeuvreren.

4.2

Breedte Kerkvaartse haven

Conform RVW 2020 [ref. 6] kan bij beroepsvaartintensiteiten van minder dan 5.000 passages per jaar een krap profiel worden toegepast. Echter in uitzonderlijke gevallen kan over korte vaarweggedeeltes (niet langer dan 2 km), en een lage verkeersintensiteit van de maatgevende schepen (minder dan 5.000 passerende schepen per jaar) het enkelstrooks vaarwegprofiel worden toegepast. Dit betreft een profiel waarbij twee maatgevende schepen elkaar niet kunnen passeren. In dit enkelstrooksprofiel kan het maatgevende schip slechts veilig varen met een beperkte snelheid. In een dergelijk profiel zijn ontmoetingen van maatgevende schepen niet meer mogelijk, zodat een vorm van verkeersregeling nodig is. Veelal zijn in het enkelstrooksprofiel ontmoetingen van beroepsvaartschepen - en recreatievaart wel mogelijk. Vanwege de lage intensiteit (zie paragraaf 3.3.4) en de vaarweglengte van 700 m (voor beroepsvaart), kan volgens de RVW 2020 [ref. 6] voor de Kerkvaartse Haven een enkelstrooks vaarwegprofiel worden toegepast. Volgens de RVW 2020 [ref. 6] is voor een vaarweg met CEMT-klasse Va (RWS-Klasse M8) de bevaarbare breedte bij een enkelstrookprofiel op het kielvlak van het geladen schip (de waterlijn) 22,8 m. De aangemeerde schepen mogen het vrije zicht in de haven en op de aansluiting met de doorgaande vaarweg niet blokkeren.

Om het zicht van scheepvaart vanuit de haven niet te hinderen moet de aanmeerlijn van de kades ruim achter de rand van de vaarweg liggen. Volgens de RVW 2020 [ref. 6] is de afstand tussen een kade en de rand van de vaarweg minimaal gelijk aan de breedte van het maatgevende schip (CEMTklasse Va) plus een veiligheidsstrook (S). Volgens de RVW 2020 [ref. 6] moet de veiligheidsstrook voor een CEMT-klasse V 5,7 m (= breedte van het maatgevende schip/2) zijn. Dit betekent dat de totale breedte van de Kerkvaartse haven op de waterlijn tenminste 57,0 m (= 22,8 m + 2x 11,4 m + 2x (11,4/2 m)) dient te zijn. Dit is gepresenteerd in onderstaande afbeelding.

Afbeelding 4.2 Breedte van de Kerkvaartse haven op de waterlijn conform de RVW 2020

21 | 37

Witteveen+Bos | 133990/23-003.519 | Definitief 02

In het zuidelijke deel van de Kerkvaartse haven wordt alleen aan de westkades afgemeerd. Aan de oostzijde zal de regionale kering worden verlegd (zie paragraaf 5.1). Dit betekent dat op dit stuk de totale breedte van de Kerkvaartse op de waterlijn kleiner is. Deze dient tenminste 39,9 m (= 22,8 m + 1x 11,4 m + 1x (11,4/2 m)) te zijn. In onderstaande tabel zijn de breedtes van de Kerkvaartse haven samengevat.

Tabel 4.2 Vaarwegprofiel met bijhorende breedte van de Kerkvaartse haven Afmeting

Factor

effectieve breedte van de Kerkvaartse haven met enkelstrooks profiel en aan beide zijden één afmeerplek

5 x breedte van het maatgevende (B)

57,0

effectieve breedte van de Kerkvaartse haven met enkelstrooks profiel en aan één zijde een afmeerplek)

3,5 x breedte van het maatgevende (B)

39,9

4.3

Totaal benodigde breedte [m]

Diepte Kerkvaartse haven

Volgens de RVW 2020 [ref. 6] is in het benedenrivieren gebied bij OLW een minimum waterdiepte van 1,1 maal de maximale diepgang de norm. Weliswaar is de kielspeling dan klein (10 %), maar de natte doorsnede van de vaargeul is relatief groot en de getijdenwerking resulteert in dagelijks variërende waterstanden; gemiddeld over een tijcyclus is de kielspeling enkele tientallen procenten groter. Dit betekent dat de minimale vaarwegdiepte van de Kerkvaartse haven gelijk moet zijn aan NAP -2,65 m (= NAP +0,10 m (OLW) - 1,1x2,5 m). Het advies is om daarboven een onderhoudsmarge van 0,45 m (= 0,25 m sedimentatie buffer +/- 0,20 bagger tolerantie) aan te houden. Dit betekent dat de geadviseerde onderhoudsdiepte gelijk is aan NAP -3,10 m. Voor het nieuwe kade ontwerp (zie hoofdstuk 6 ) dient rekening te worden gehouden met de eroderende kracht van de boegschroeven van de schepen. Om die reden wordt in de berekeningen een extra marge van 1,0 m voor ontgronding toegepast. Dit betekent dat voor de nieuwe kade een constructiediepte van NAP -4,3 m wordt aangehouden. In afbeelding 4.3 zijn de verschillende gehanteerde dieptes gepresenteerd.

Afbeelding 4.3 Schematische weergave opbouw vaarwegdiepte voor de nieuwe oostelijke kade

22 | 37

Witteveen+Bos | 133990/23-003.519 | Definitief 02

In onderstaande tabel is de opbouw van de vaarwegdiepte voor het oostelijke deel van de Kerkvaartse haven samengevat.

Tabel 4.3 Dieptes voor het oostelijke deel van de Kerkvaartse haven Parameter

Waarde

Eenheid

minimale vaarwegdiepte

-2,65

NAP m

sedimentatie buffer

0,25

m

onderhoudsdiepte (gewenste)

-3,10

NAP m

bagger tolerantie

+/- 0,20

m

onderkant baggerdiepte

-3,3

NAP m

erosie marge t.b.v. nieuwe kade

1,0

m

constructie diepte nieuwe kade

-4,3

NAP m

23 | 37

Witteveen+Bos | 133990/23-003.519 | Definitief 02

5 ONTWERP NAUTISCHE INRICHTING Dit hoofdstuk presenteert het nautisch ontwerp van de Kerkvaartse haven.

5.1

Nautische ontwerp

Om grotere beroepsschepen te ontvangen en deze aan beide zijden van de Kerkvaartse haven aan te meren dienen zowel het havenkanaal als de havenmonding verruimd te worden. In afbeelding 5.1 is het nautische ontwerp van de Kerkvaartse haven op hoofdlijnen gepresenteerd. Voor het meer uitgewerkte ontwerp wordt verwezen naar bijlage III.

Afbeelding 5.1 Overzicht nautisch ontwerp van de Kerkvaartse haven

5.2

Havenmond

Om de maatgevende schepen bij lichte wind en stroming meer ruimte te geven bij het invaren van de haven, wordt de havenmond verbreed tot 80,0 m. Dit is (afgerond) zevenmaal de scheepsbreedte en vergelijkbaar met de breedte van een tweerichtingsprofiel bij tweezijdig aangemeerde schepen (zie ook paragraaf 4.1.1). Dit is aanzienlijk breder dan de huidige havenmond (50 m) maar voldoet daarmee nog niet aan de vormgeving conform RVW 2020 [ref. 6] (zie paragraaf 4.1). Daarom wordt geadviseerd om dit in de vervolg fase verder te onderzoeken. Het onderzoek moet uitwijzen of met deze inrichting de maatgevende schepen ook bij zware weersomstandigheden de haven kunnen in- en uitvaren. Daarmee kunnen ook de nautische risico’s op de omgeving (jachthaven en oevers aansluitende vaarwegen) worden bepaald. De aansluiting van de oostelijke kade op de oever van het Oude Maasje wordt afgeschuind om extra ruimte te creëren bij de invaart vanaf de oostzijde. Nadere detaillering dient plaats te vinden in de vervolgfase.

24 | 37

Witteveen+Bos | 133990/23-003.519 | Definitief 02

5.3

Havenkanaal

Het havenkanaal begint relatief breed bij de havenmond en wordt smaller verder in de haven. Uitgangspunt daarbij is dat de snelheid lager wordt naarmate de haven verder wordt ingevaren. Vanaf de havenmond gezien loopt het kanaal recht over een afstand van ongeveer 150 m. Daarna maakt het kanaal een knik en loopt de oostelijke kade parallel aan de bestaande westelijke kade over een afstand van ongeveer 176 m. Dit is met een breedte van 57,0 m (zie paragraaf 4.2) en aanmeerruimtes aan beide zijden, het smalste deel van het kanaal. Daarna maakt het kanaal nogmaals een knik en loopt dan weer recht over een afstand van ongeveer 137 m. Ter plaatse van de aansluiting op de bestaande dijk knikt de oostelijke kade weer, loopt nog ongeveer 26 m door en sluit aan op de nieuwe dijk. Vanaf de overgang tussen de nieuwe kade en de nieuwe dijk wordt het havenkanaal versmald omdat daar alleen aan de westzijde beroepsschepen aanmeren. Om die reden heeft het zuidelijk deel van het havenkanaal een breedte van (afgerond) 40,0 m (zie paragraaf 4.2).

5.4

Diepte haven

Zoals beschreven in paragraaf 4.3 moet de Kerkvaartse haven een minimale vaarwegdiepte hebben van NAP -2,65 m. Hierbij dient de marge voor onderhoud opgeteld worden. Dit betekent dat de onderhoudsdiepte van de Kerkvaartse haven gelijk is aan NAP -3,10 m. Deze diepte kan stabiliteitsproblemen veroorzaken voor de bestaande kades aan de westzijde van de Kerkvaartse haven (zie paragraaf 3.1.7). Dit betekent dat er maatregelen nodig zijn om deze kades stabiel te houden. Deze maatregelen zijn kort beschreven in de volgende paragraaf. Het advies is om de oostelijke kade toekomstbestendig te maken door uit te gaan van de maximale ontwerpdiepte en niet de stabiliteitsproblemen van de westelijke kade leidend te laten zijn voor het ontwerp van de oostelijke kade. Dit geeft in de toekomst, bij vervanging van de westelijke kades, de mogelijkheid om de westelijke kades zwaarder te ontwerpen waardoor dan een vlak bodemprofiel over de gehele breedte van de haven mogelijk is.

5.5

Maatregelen bestaande kades

Door het verdiepen van de Kerkvaartse haven kunnen de bestaande kades aan de westzijde van de Kerkvaartse haven instabiel worden (zie paragraaf 3.1.7). Daarom dienen maatregelen genomen te worden om de stabiliteit van de kades te garanderen. In de memo ‘Berekeningen damwanden Kerkvaartse Haven’ [ref. 9] zijn beperkte maatregelen uitgewerkt en geraamd om de kades stabiel te houden en het gewenste bodemniveau te bereiken. Een andere maatregel is om een schuin bodemprofiel in de haven aan te leggen, met aan de westzijde een hoger bodemniveau dan aan de oostzijde (zie afbeelding 5.2). Een andere mogelijke maatregel is om het vrijkomende stortsteen (zie paragraaf 3.1.9) te hergebruiken als bodembescherming voor de westelijke kades om erosie van de bodem te voorkomen. Deze maatregelen kunnen ook worden gecombineerd zoals gepresenteerd in afbeelding 5.2. Voor beide maatregelen geldt dat voor de afgemeerde schepen aan de westzijde een kleinere diepgang geldt dan voor de aangemeerde schepen aan de oostzijde.

25 | 37

Witteveen+Bos | 133990/23-003.519 | Definitief 02

Afbeelding 5.2 Schematische weergave van schuin bodemprofiel en bodembescherming

Deze maatregelen dienen samen met de geotechnische berekeningen van de bestaande kades integraal te worden beschouwd. Momenteel zijn er onvoldoende gegevens om de maatregelen verder te beschouwen en de haalbaarheid vast te leggen. In een volgende fase dienen deze maatregelen verder te worden uitgewerkt.

26 | 37

Witteveen+Bos | 133990/23-003.519 | Definitief 02

6 ONTWERP OOSTELIJKE KADEMUUR Dit hoofdstuk presenteert de resultaten van het ontwerp van de nieuwe kademuur aan de oostzijde van de Kerkvaartse haven. De kade heeft ook de functie van waterkering. Voor het volledige ontwerp van de kademuur wordt verwezen naar bijlage IV.

6.1

Kenmerken kademuur

Uitgangspunt voor het ontwerp van de nieuwe oostelijke kade is de toepassing van verankerde stalen damwanden. Het ontwerp is gebaseerd op de eerder beschreven uitgangspunten. Een principe doorsnede van de nieuwe kade is gepresenteerd in afbeelding 6.1. Voor de volledige tekening wordt verwezen naar bijlage III.

Afbeelding 6.1 Principe doorsnede nieuwe kademuur

In tabel 6.1 is het damwandontwerp inclusief verankering samengevat. Voor het volledige ontwerp wordt verwezen naar bijlage IV.

Tabel 6.1 Damwandontwerp inclusief verankering Uitgangspunt

Eenheid

Kade

profiel

[-]

AZ14-700

staalkwaliteit

[-]

S270 GP

eigenschappen damwand

27 | 37

Witteveen+Bos | 133990/23-003.519 | Definitief 02

Uitgangspunt

Eenheid

Kade

bovenkant damwand

[m NAP]

+ 2,4

onderkant damwand

[m NAP]

- 12,0

type ankerstang

[mm]

60,3 X 12,5

staalkwaliteit ankerstang

[-]

E470

aangrijpingspunt verankering

[m NAP]

+ 1,5

h.o.h. afstand verankering

[m]

2,8

hoek verankering

[°]

20

bovenkant groutlichaam

[m NAP]

- 4,0

lengte groutlichaam

[m]

9,0

diameter groutlichaam

[mm]

260

eigenschappen verankering

6.2

Conclusie en aanbevelingen

Conclusie Een AZ14-700 damwand met een inheidiepte van NAP -12,0 m voorzien van een stalen gording (in deze fase nog niet ontworpen) en 60,3 x 12,5 mm groutinjectieankers voldoet voor de gestelde uitgangspunten. Het type damwand en verankering is sterk afhankelijk van de toegepaste belastingen en waterstanden. Aanbevelingen Ter plaatse van het toekomstige bedrijventerrein is een dik pakket cohesieve lagen aanwezig. Initiële ophoging van het terrein in de bouwfase en de belasting van bulkgoederen in de gebruiksfase zal resulteren in zetting van de bodem. De verwachtte zettingen moeten in een volgende ontwerpfase beschouwd worden. De zettende grond kan aan de ankerstang gaan hangen wat resulteert in een aanvullende ankerkracht. De invloed van zettende grond op de ankerstangen is niet meegenomen in dit schetsontwerp, maar dient in een volgende fase wel in beschouwing te worden genomen.

28 | 37

Witteveen+Bos | 133990/23-003.519 | Definitief 02

7 ONTWERP WATERKERING Dit hoofdstuk presenteert de resultaten van het ontwerp van de nieuwe regionale waterkering (dijk) aan de oostzijde van de Kerkvaartse haven. Voor de volledige ontwerp van de regionale waterkering wordt verwezen naar bijlage V.

7.1

Kenmerken waterkering

De nieuwe regionale waterkering kan worden uitgevoerd met een kleilichaam. Een principe doorsnede van de nieuwe regionale waterkering is gepresenteerd in afbeelding 7.1. Voor de volledige tekening wordt verwezen naar bijlage III.

Afbeelding 7.1 Principe doorsnede van de nieuwe regionale waterkering aan de oostzijde van de haven

De afmetingen van de dijk zijn hieronder kort beschreven. Voor het volledige ontwerp wordt verwezen naar bijlage V. Buitentalud De maximale steilheid van het buitentalud is 1:3. Het talud sluit aan op een onderhoudsdiepte dat ligt op NAP -3,1 m (zie paragraaf 4.3). Echter voor de berekeningen wordt de onderkant van de baggertolerantie gehanteerd op NAP -3,3 m. Kruinhoogte Conform het rapport ‘Indicatief Ruimtebeslag Regionale Kering Kerkvaartse Haven’ [ref. 16] is de benodigde kruinhoogte van de waterkering NAP +2,4 m. Deze hoogte is benodigd om weerstand te bieden tegen overslag door scheepsgolven. De kruinhoogte van het leggerprofiel DWK00693 is gelijk aan NAP +2,05 m [ref. 23]. Hiermee voldoet de ontwerphoogte aan de minimale hoogte uit de legger. Binnentalud De maximale helling van het binnentalud is 1:3. Dit is gelijk aan de helling van het binnentalud van het leggerprofiel (zie profiel DWK00693 [ref. 23]). Het binnentalud sluit aan op het huidige achterland. Achterland Het niveau van het huidige achterland ligt tussen NAP +0,7 m en NAP +1,5 m.

29 | 37

Witteveen+Bos | 133990/23-003.519 | Definitief 02

Het achterland ligt voornamelijk hoger dan NAP +1,0 m. In de stabiliteitsberekeningen wordt uitgegaan van een maaiveldniveau van NAP +1,0 m.

7.2

Legger waterkering

Het ontwerp van de waterkering voldoet aan de minimumeisen van de legger: een kruinhoogte van NAP +2,05 m en een binnen- en buitentalud van 1:3. Door de verschuiving van de waterkering veranderen de zoneringen. Het waterstaatswerk wordt begrensd door de nieuwe dijktenen, de beschermingszone A komt aan weerszijden op 10 m afstand van de teen van het waterstaatswerk te liggen. Dit is conform de Keur van WSBD [ref. 10].

7.3

Aansluiting op huidige waterkering

De nieuwe waterkering moet aansluiten op de huidige kering. De kruin van de huidige kering ligt tussen NAP +2,7 en NAP +3,1 m. Deze ligt dus tussen de 0,3 en 0,7 m hoger dan de nieuwe kering waardoor een overgang gerealiseerd dient te worden. Deze overgang wordt uitgevoerd met een hoogteverloop van 1:20. De kruin komt in dit overgangsgebied hoger te liggen dan het niveau dat in de berekeningen voor de oostelijke kering is aangehouden. Dit kan lokaal leiden tot een lagere macrostabiliteit. In de vervolgfase dient dit nader beschouwd te worden.

7.4

Bekleding en oeverbescherming

De bekleding van de dijk en de eventueel benodigde oeverbescherming is in deze fase niet beschouwd. De dijkbekleding heeft een grote invloed op het verloop van de freatische lijn in het dijklichaam. De oever dient beschermd te zijn tegen golfbelastingen veroorzaakt door passerende schepen. Hiervoor kan mogelijk het vrijkomende stortsteen (zie paragraaf 3.1.9) worden gebruikt. Momenteel zijn er onvoldoende gegevens om de haalbaarheid van het hergebruik te beschouwen. In vervolgfasen dient beschouwd te worden of het vrijkomende stortsteen kan worden toegepast als steenbekleding of dat er eventueel verschillende typen steenbekleding op het buitentalud benodigd zijn.

7.5

Aanbevelingen

In de vervolgfase dient op basis van aanvullend onderzoek (hierna nader beschreven) het ontwerp verder te worden uitgewerkt tot een voorlopig ontwerp (VO) en definitief ontwerp (DO). Op basis van het aanvullende onderzoek kunnen de gehanteerde uitgangspunten worden geverifieerd en indien nodig aangepast. Inmeting terrein Voor een nauwkeurigere bepaling van de hoeveelheden en het ontwerp van de overgang van het nieuwe dijklichaam op de aangrenzende waterkering en het toekomstige bedrijventerrein, is een gedetailleerde inmeting van het huidige terrein benodigd. Dit geeft tevens inzicht in de precieze hoogte van het achterland. Deze hoogte is ook relevant voor de macrostabiliteit binnenwaarts en het opbarsten van de deklaag. Grondonderzoek dijkkern en achterland Het advies is om in de vervolgfasen het volgende aanvullende grond- en laboratoriumonderzoek uit te voeren: de grond die vrijkomt uit de huidige waterkering kan worden hergebruikt in de nieuwe waterkering, mits deze grond niet vervuild is. Om het waterveiligheidsniveau van de nieuwe waterkering vast te stellen, is een beter beeld benodigd van het kernmateriaal dat in de nieuwe dijk wordt toegepast; er zijn op dit moment slechts zes boringen beschikbaar in het achterland ter hoogte van de nieuwe oostelijke waterkering. De dikte en het materiaal van de deklaag is daarom nog onzeker. Door meer

30 | 37

Witteveen+Bos | 133990/23-003.519 | Definitief 02

onderzoek in het achterland uit te voeren ontstaat een beter beeld van de deklaag ter plaatste van de nieuwe kering. Peilbuizen De stijghoogte in het watervoerend pakket is gelijkgesteld aan het toetspeil, ofwel NAP +2,1 m. Gezien de beperkte informatie betreffende de deklaagdikte en het niveau van het achterland, is het advies om peilbuizen te plaatsen. Hiermee kan bepaald worden in hoeverre demping van de stijghoogte in het watervoerend pakket optreedt. Dit geeft inzicht in de mate van conservatisme van het uitgangspunt dat er geen demping optreedt.

31 | 37

Witteveen+Bos | 133990/23-003.519 | Definitief 02

8 GRONDBALANS Dit hoofdstuk presenteert op hoofdlijnen de grondbalans van de uitbreiding van de Kerkvaartse haven en het te ontwikkelen oostelijke bedrijventerrein. Voor een nadere onderbouwing wordt verwezen naar bijlage VI.

8.1

Uitgangspunt grondbalans

Het uitgangspunt voor de ontwikkeling van de haven en het bedrijventerrein is een gesloten grondbalans. De geschikte vrijkomende grond (milieu- en geotechnisch) wordt zoveel mogelijk (her)gebruikt voor ophoging van het bedrijventerrein. Er wordt geen grond van buiten het gebied aangevoerd voor extra ophoging. Het is aan de bedrijven om hun terreinen op de gewenste hoogte te brengen.

8.2

Type grond en kwaliteit

Bij de uitbreiding van de Kerkvaartse haven komen verschillende types grond vrij.

8.2.1

Waterbodem

De waterbodem (sliblaag en vaste waterbodem) is niet toepasbaar als landbodem (zie paragraaf 3.1.3). Dit betekent dat de waterbodem niet kan worden (her)gebruikt voor ophoging van het bedrijventerrein en dient te worden afgevoerd.

8.2.2

Bodem agrarische terrein

De bodem van het achterliggende agrarische terrein is deels beoordeeld als klasse ‘industrie’ en deels als ‘altijd toepasbaar’ (zie paragraaf 3.1.4). Globaal bestaat de bodem van het agrarische terrein uit een pakket van klei en soms veenlagen van in totaal 2 tot 5 m dik. Daaronder bevindt zich een doorlopend zandpakket. In het noorden is het pakket aan slappe lagen dikker dan in het zuiden van het projectgebied (zie paragraaf 0). Voor het bepalen van de dikte van de verschillende grondlagen zijn de boringen (A7, A8, A15, A21, A22, A28, A38, A39, A41, A52, A54, A56, A57 en A64) in het onderzoeksrapport [ref. 11], die zijn uitgevoerd ter plekke van het agrarische terrein, beschouwd. Deze boringen zijn hoofdzakelijk tot een diepte van 3,5 m onder maaiveld of bodemniveau uitgevoerd. Op basis van de boringen is er een representatieve bodemopbouw afgeleid die als basis dient voor de gesloten grondbalans. Deze bodemopbouw is opgenomen in tabel 8.1.

32 | 37

Witteveen+Bos | 133990/23-003.519 | Definitief 02

Tabel 8.1 Representatieve bodemopbouw van het agrarische terrein t.b.v. de gesloten grondbalans Geïnterpreteerde grondsoort

Ligging bovenkant laag [m + NAP]

klei

1,5

veen, matig voorbelast

-1,2

zand, schoon, los

-1,6

8.3

Grond hoeveelheden

De hoeveelheden van de gesloten grondbalans zijn berekend op basis van de volgende stappen. Baggeren slib uit bestaand kanaal Om de hoeveelheid slib te berekenen wordt aan de dieptemeting van het bestaande kanaal (zie paragraaf 3.1.2) de dikte van de sliblaag (0,40 m) afgetrokken. De diepte kan niet groter worden dan de onderhoudsdiepte (NAP -3,10 m). De totale hoeveelheid slib die gebaggerd moet worden bedraagt 6.478 m3. De werkelijke hoeveelheid slib kan anders worden wanneer het bodemniveau voor de bestaande kades niet gebaggerd wordt. Baggeren verontreinigde vaste bodem uit bestaand kanaal De hoeveelheid verontreinigde vaste bodem uit het bestaande kanaal bestaat uit de overige grond die gebaggerd moet worden om de onderhoudsdiepte (NAP -3,10 m) te bereiken. De totale hoeveelheid verontreinigde vaste bodem die gebaggerd moet worden bedraagt 14.403 m3. De werkelijke hoeveelheid verontreinigde vaste bodem kan lager zijn wanneer het bodemniveau voor de bestaande kades niet gebaggerd wordt. Ontgraven bestaande regionale waterkering (noordelijk deel) Voordat het achterliggende agrarische terrein ontgraven kan worden moet de bestaande regionale kering verwijderd worden. Het kernmateriaal van de huidige dijk is niet bekend (zie paragraaf 3.1.9). Voorlopig wordt uit gegaan van een kleilichaam.

De huidige hoogte van de waterkering verschilt langs de Kerkvaartse haven (zie paragraaf 3.1.9). Het maaiveld aan de binnenzijde direct achter de dijk varieert tussen NAP +1,2 m en NAP +1,5m. Om de kruinhoogte te bepalen zijn de hoogtemetingen van het AHN [ref. 26] gebruikt. Het achterliggende maaiveld is vastgesteld op NAP +1,5 m. Alle grond die boven deze waarde ligt wordt beschouwd als de bestaande regionale kering. De totale hoeveelheid klei die vrijkomt uit de bestaande regionale waterkering bedraagt 4.285 m3. Ontgraven klei en veen ten behoeve van ontgraven nieuw kanaal Nadat de bestaande regionale kering ontgraven is kunnen de klei- en veenlagen ontgraven worden voor het realiseren van het nieuwe havenkanaal. De gehanteerde diktes van deze lagen zijn opgenomen in tabel 8.1. De totale hoeveelheid klei en veen die vrijkomt als gevolg van het ontgraven van het nieuwe havenkanaal bedraagt respectievelijk 53.435 m3 en 10.678 m3. Ontgraven zand ten behoeve van ontgraven nieuw kanaal Nadat de bestaande de klei- en veenlagen zijn ontgraven kan de zandlaag worden ontgraven. De gehanteerde bovenkant van deze zandlaag is opgenomen in tabel 8.1. De onderkant van de zandlaag is de onderhoudsdiepte (NAP -3,10 m). De totale hoeveelheid zand die vrijkomt als gevolg van het ontgraven van het nieuwe haven kanaal bedraagt 31.027 m3.

Aanvullen zand achter de nieuwe kade Het zand dat vrijkomt (31.027 m3) door het ontgraven van het nieuwe havenkanaal wordt gebruikt als ophoogmateriaal achter de nieuwe kade. De hoogte van het huidig maaiveld achter de kade wordt bepaald aan de hand van metingen van het AHN [ref. 26]. Het maaiveld kan over een lengte van circa 47 m worden opgehoogd tot NAP +2,40 m. In de vervolg fase kan ervoor worden gekozen om het maaiveld op een andere manier in te richten, bijvoorbeeld een kleinere gelijkmatige ophoging over het gehele terrein.

33 | 37

Witteveen+Bos | 133990/23-003.519 | Definitief 02

Verlegging bestaande regionale waterkering (zuidelijk deel) Het zuidelijke deel van de bestaande regionale waterkering moet verlegd worden. Het kernmateriaal van de huidige dijk is niet bekend (zie paragraaf 3.1.9). Voorlopig wordt uitgegaan van een kleilichaam. De vrijkomende klei kan hergebruikt worden voor de aanleg van de nieuwe regionale waterkering. De totale hoeveelheid klei die vrijkomt uit het verleggen van de regionale waterkering bedraagt 8.053 m3. In tabel 8.2 is een overzicht gegeven van de verschillende grondsoorten en de bijhorende hoeveelheden die vrijkomen bij de uitbreiding van de Kerkvaartse haven.

Tabel 8.2 Overzicht grondsoorten en -hoeveelheden bij uitbreiding Kerkvaartse haven Grondsoort

Hoeveelheid [m3]

slib

6.478

verontreinigd vaste bodem

14.403

klei

64.248*

veen

10.687

zand

31.027

* 1.525 m3 klei worden hergebruikt t.b.v. het verleggen van de nieuwe waterkering.

34 | 37

Witteveen+Bos | 133990/23-003.519 | Definitief 02

Bijlage(n)

I BIJLAGE: WATERSTANDEN ANALYSE

Witteveen+Bos | 133990/23-003.519 | Bijlage I | Definitief 02

NOTITIE

Onderwerp

Projectcode Datum Referentie Auteur(s) Bijlage(n)

-

Aan Kopie

1

Analyse van de historische waterhoogte data van het meetpunt Keizersveer tussen 2012 en 2022 133990 29 november 2022 133990/22-017.276 Ir. L. de Vito -

INLEIDING

In deze notitie is de analyse van de historische waterhoogte data van het meetpunt Keizersveer gepresenteerd.

2

ANALYSE

2.1

Meetpunt Keizersveer

Het meetpunt Keizersveer bevindt zicht 3,75 km ten noordwesten van de Kerkvaartse haven bij het kruispunt tussen de Bergsche Maas en het Oude Maasje.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13491582/1