Bijlage 11 Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
A
OS
BOSADVIES
QUICK-SCAN FLORA EN FAUNA Schotse Hooglanderstraat 17, Waspik VERSIE: 1.0 PROJECTNR: QSFF-1905 DATUM: 16-05-2019
A
OS
BOSADVIES
Status: Finaal Opdrachtgever: Hetty Wenting, Agel Adviseurs Namens de familie Meijs Opdrachtnemer: Avos Bosadvies De heer A. Vos Huisvenseweg 16 5591 VD Heeze Telefoon & fax: 040 - 20 27 118 Mobiel: 06 - 30 989 281 E-mail: avos@bosadvies.com Website: www.bosadvies.com Veldwerk en rapportage: De heer A. Vos
Betrouwbaarheid: Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van de natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Avos Bosadvies accepteert daarom op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Avos Bosadvies uitgevoerde onderzoek neemt.
2
A
BOSADVIES
OS
Inhoudsopgave 1
Inleiding ........................................................................................................................................... 4 1.1
Aanleiding ................................................................................................................................ 4
1.2
Doel natuurtoets ..................................................................................................................... 5
1.3
Werkwijze ................................................................................................................................ 5
2
Huidige situatie en ontwikkeling ..................................................................................................... 7
4
Natuurwetgeving ........................................................................................................................... 13
5
6
7
8
4.1
Wet Natuurbescherming ....................................................................................................... 13
4.2
Provinciale uitwerking ........................................................................................................... 17
Methode ........................................................................................................................................ 18 5.1
Bureaustudie ......................................................................................................................... 18
5.2
Veldonderzoek....................................................................................................................... 20
Gebiedsbescherming ..................................................................................................................... 21 6.1
Europese Natura 2000-gebieden .......................................................................................... 21
6.2
Nationaal Natuurnetwerk (NNN) & houtopstanden ............................................................. 21
Soortenbescherming ..................................................................................................................... 22 7.1.1
Flora ............................................................................................................................... 22
7.1.2
Vogels ............................................................................................................................ 22
7.1.3
Grondgebonden zoogdieren ......................................................................................... 24
7.1.4
Vleermuizen................................................................................................................... 24
7.1.5
Vlinders en libellen ........................................................................................................ 26
7.1.6
Mieren en kevers ........................................................................................................... 26
7.1.7
Vissen............................................................................................................................. 26
7.1.8
Reptielen en amfibieën ................................................................................................. 26
Conclusies en vervolg .................................................................................................................... 27 8.1.1
Werken buiten kwetsbare periode ............................................................................... 27
8.1.2
Werken in kwetsbare periode ....................................................................................... 28
8.2 9
Tot slot ................................................................................................................................... 28
Bronnen ......................................................................................................................................... 29
3
A
OS
BOSADVIES
1 INLEIDING 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer, de familie Meijs, is voornemens om de bestaande schuur op het perceel kadastraal bekend: gemeente Waspik, sectie O, nr. 961 (Schotse Hooglanderstraat 17 in Waspik) te slopen ten behoeve van de bouw van een burgerwoning. Op onderstaande afbeelding is de te slopen schuur weergeven. Voor deze nieuwe ontwikkeling moet een nieuw bestemmingsplan worden opgesteld. De toelichting van het bestemmingsplan dient duidelijk te maken dat het beoogde plan aanvaardbaar is. Een ecologisch onderzoek maakt, samen met andere onderzoeken, onderdeel uit van deze toelichting. Deze natuurtoets geeft inzicht in het effect van de beoogde ingreep op de aanwezige natuurwaarden.
Afbeelding 1: planlocatie
4
A
OS
BOSADVIES
De Wet Natuurbescherming (Wnb) verplicht daarbij de initiatiefnemer om bij ruimtelijke ingrepen om op de hoogte te zijn van mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden in het projectgebied. De Wnb heeft als voornaamste doel het instandhouden van de inheemse flora en fauna. Wanneer van tevoren bekend is om welke natuurwaarden het gaat, kan onnodige schade aan beschermde soorten worden voorkomen of worden beperkt. In sommige gevallen is schade onvermijdelijk en dient een ontheffing van de Wnb te worden aangevraagd.
1.2 Doel natuurtoets Het doel van deze natuurtoets is het beoordelen of de ruimtelijke ingreep in strijd is met het beschermingsregime van planten- en diersoorten dat wordt opgelegd door de Wet Natuurbescherming en, daaruit voortvloeiende, of de aanvraag van een ontheffing noodzakelijk is. Daarnaast geeft de natuurtoets inzicht in de maatregelen die genomen kunnen worden om de zorgplicht na te leven.
1.3 Werkwijze Om eventuele strijdigheden met de Wet Natuurbescherming op te sporen dienen de volgende vragen te worden beantwoord: 1. Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben deze soorten? 2. Welke invloed heeft de geplande ingreep op de (strikt) beschermde soorten in het plangebied? 3. Door welke maatregelen kunnen negatieve effecten op beschermde soorten worden voorkomen of verzacht? 4. Indien de duurzame staat van instandhouding van strikt beschermde soorten in gevaar komt, welk vervolgtraject dient dan doorlopen te worden? 5. Voor welke beschermde soorten moet een ontheffing aangevraagd worden? Om bovenstaande vragen te beantwoorden zijn de volgende stappen doorlopen: Stap 1. Bureaustudie Op basis van literatuuronderzoek en verspreidingsatlassen is nagegaan of er wettelijk beschermde planten- of diersoorten in het plangebied voorkomen of worden verwacht. Hierbij is o.a. gebruik gemaakt van het Natuurnetwerk Brabant, Natuurloket/Quickscanhulp, Nationale Databank Flora en Fauna en de RAVON-site.
5
A
OS
BOSADVIES
Stap 2. Gebiedsbezoek Op basis van de bureaustudie is een beeld verkregen van de beschermde soorten die voorkomen en worden verwacht. Het gebiedsbezoek heeft als doel om op locatie te bekijken welke planten- en diersoorten voorkomen, uit welke biotopen/habitats het gebied bestaat en welke soorten verder verwacht mogen worden. Stap 3. Effectenonderzoek Op basis van de beschrijving van de voorgenomen ingreep en de verzamelde gegevens van stap 1 en 2 zijn de (mogelijke) effecten (vernietiging, versnippering, verstoring, etc.) worden de eventuele verwachte beschermde soorten beschreven. Voor de verwachte negatieve effecten op de beschermde soorten worden indien nodig mitigerende maatregelen voorgesteld. Stap 4. Conclusies en advies met betrekking tot de ontheffingsaanvraag Op basis van stap 1 tot en met 3 zijn conclusies getrokken met betrekking tot eventuele overtredingen van verbodsbepalingen zoals genoemd in de Wet Natuurbescherming, en de te nemen vervolgstappen.
6
A
OS
BOSADVIES
2 HUIDIGE SITUATIE EN ONTWIKKELING De onderzoekslocatie ligt in de gemeente Waalwijk en is bebouwd met stal die medio 20ste eeuw gebouwd is als grubstal en hooiopslag. Aan de stal is een lage schuur aangebouwd die dienst doet als opslag. In dit hoofdstuk wordt de huidige situatie afgezet tegen de voorgenomen ontwikkeling om in kaart te brengen welke wijzigingen eventueel van invloed kunnen zijn op beschermde planten- of diersoorten. Het hoofdgebouw zijnde de stal is opgebouwd uit een dubbelsteensmuur zonder spouw en heeft een omvang van 12 x 12 meter. De stal is al geruime tijd niet meer in gebruik en heeft een instabiele en onveilige indruk. De stal heeft een betonnen vloer en in het midden is een betonnen voergang aanwezig, met aan beide zijden een mestput. In de mestput is een waterige mestsubstantie aanwezig. De stal heeft geen dakbedekking meer, geen spouw en gedeeltelijk metalen muurbekleding. De stal biedt hierdoor geen beschutting en vormt daardoor geen geschikt habitat o.a. als voor verblijfplaats voor broeden of overwintering van diersoorten. De aanbouw aan de noordzijde van de stal bestaat uit damwand en hout. De daken zijn van damwandprofiel. Door het metalen bouwmateriaal is het gebouw niet geschikt als verblijfplaats voor dieren en planten. Het erf bestaat uit beton en halfverharding. Er zijn geen bijzondere planten aanwezig.
7
A
OS
BOSADVIES
Voor- en zijaanzicht hoofdgebouw (stal) en aanbouw
Achteraanzicht hoofdgebouw (stal)
8
A
OS
BOSADVIES
Kapconstructie hoofdgebouw (geen dakbeplating aanwezig)
Zijgevel hoofdgebouw met metalen beplating
9
A
OS
BOSADVIES
Vooraanzicht bijgebouw
Zijaanzicht bijgebouw
10
A
OS
BOSADVIES
Achteraanzicht bijgebouw
Metalen dakbeschot bijgebouw (damwand)
11
A
OS
BOSADVIES
Rij knotwilgen (Salix alba) achter bijgebouw (blijft behouden)
12
A
OS
BOSADVIES
4 NATUURWETGEVING 4.1 Wet Natuurbescherming De Flora- en Faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en Boswet zijn per 1 januari 2017 opgegaan in de nieuwe Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming kent drie aparte beschermingsregimes, te weten: Soorten van de Vogelrichtlijn; Soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en; Andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd dienen te worden Elk beschermingsregime kent zijn eigen bepalingen en vereisten. Natura 2000-gebieden In Nederland hebben meerdere natuurgebieden een beschermde status als ‘Natura 2000’- gebied. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa en bestaat uit gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn. Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen, waarbij de kern van de bescherming is dat de instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Regels omtrent de Natura 2000-gebieden zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming, hoofdstuk 2. In de Natura 2000-gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van: -
De leefgebieden voor vogelsoorten, voor zover nodig ter uitvoering van de vogelrichtlijn, of De natuurlijke Habitats en de Habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn.
Gedeputeerde Staten moeten ervoor zorgdragen dat in hun provincie voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan wordt opgesteld. Soorten en Zorgplicht Hoofdstuk 3 van de Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van soorten: - §3.1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, - §3.2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn, - §3.3. Beschermingsregime andere soorten Of dier- of plantensoorten wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe omgeving. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor de in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun directe leefomgeving. De Wet Natuurbescherming gaat uit van de intrinsieke waarde van alle dieren en planten. De mens moet daar zorgvuldig mee omgaan en daarom is de zorgplicht in de wet opgenomen. Dit houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild 13
A
OS
BOSADVIES
voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. Naar redelijkheid moeten nadelige effecten voorkomen of beperkt worden of ongedaan gemaakt kunnen worden. Onder de Wet Natuurbescherming vallen alle vogels die van nature in het wild voorkomen op het grondgebied van de Europese Unie. Alle vogels, in totaal ruim 700 soorten, zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Van deze bepalingen mag onder voorwaarden worden afgeweken. Vogels die gekweekt of gehouden worden of nakomelingen van gedomesticeerde vogels, vallen niet onder deze bescherming. Exoten die ontsnapt zijn en zich in het wild hebben kunnen voortplanten zijn geen beschermde diersoort maar vallen wel onder de algehele zorgplicht. De verbodsbepalingen voor vogels en habitatrichtlijnsoorten in de Wet natuurbescherming sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de gelijknamige richtlijnen. Zie hiervoor bijgaande tabel dat inzicht biedt in de relatie van de beschermingsregimes en de Wet natuurbescherming (Wnb). Tabel 4.1. Verband beschermingsregimes soorten Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en beschermings richtlijn andere soorten in relatie tot de Wet natuurbescherming (Wnb).
Vangen, doden
Verstoring
Plukken, verzamelen,
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Habitatrichtlijn § 3.2. Wnb Wnb Art 3.1 lid 1: Het is verboden in Art 3.5 lid 1: Het is het wild levende vogels verboden soorten in opzettelijk te doden of te vangen hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen Art 3.1 lid 2: Het is verboden Art 3.5 lid 4: Het is opzettelijk nesten, rustplaatsen verboden de en eieren van vogels te vernielen voortplantingsplaatsen of te beschadigen, of nesten van of rustplaatsen van vogels weg te nemen dieren te beschadigen of te vernielen. Art 3.1 lid 4 en 5: Het is verboden n.v.t. vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. n.v.t. Art 3.5 lid 5: Het is verboden
14
Andere soorten §3.3 Wnb Art 3.10 lid 1a: Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.
Art 3.10 lid 1b: Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen. n.v.t.
Art 3.10 lid 1c: Het is verboden
A
OS
BOSADVIES
afsnijden, ontwortelen, vernielen
plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Natuurwet Nederland / Ecologische hoofdstructuur Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden, in de wet bekend als de Ecologische hoofdstructuur (EHS). Doel is dat natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarische gebied verbonden worden. Hiermee is het Natuurnetwerk te beschouwen als de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van deze gebieden. In of in de directe nabijheid van de NNN/EHS geldt het ‘nee, tenzij’- principe. Hiermee wordt bedoeld dat er geen ontwikkelingen worden toegestaan als deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Als er bij ontwikkelingen mogelijk effecten denkbaar zijn, is een NNN/EHS-toetsing raadzaam en soms noodzakelijk. Rode Lijst Rode lijsten vestigen de aandacht op planten- en dierensoorten die bedreigd worden of al verdwenen zijn. Een Rode Lijst geeft een opsomming van soorten die in een bepaald gebied in de problemen zitten. Nederland heeft een eigen Rode Lijst. De Rode Lijsten bevatten een overzicht van soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Sinds november 2012 wordt de lijst in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken opgesteld.
In oktober 2015 zijn nieuwe Rode Lijsten voor korstmossen, mossen, vaatplanten, libellen, sprinkhanen en krekels, en voor vissen opgesteld. De bescherming is vanaf 1 januari 2016 van kracht. Voor opname op de Rode Lijsten zijn twee criteria gehanteerd, namelijk zeldzaamheid en de trend in het verloop van de talrijkheid. Rode lijsten hebben geen juridische status. Plaatsing op de Rode Lijst betekent dus niet dat de soort beschermd is. De Rode Lijsten hebben een belangrijke signaalfunctie. Immers, vermelding op een Rode Lijst geeft een indicatie over hoe het met een soort gaat, het is geen indicatie over de zeldzaamheid. Binnen deze rapportage wordt alleen ingegaan op soorten die beschermd zijn en worden de Rode Lijst-soorten niet aangehaald. Jaarrond beschermde vogelnesten De opgestelde lijst met jaarrond beschermde nesten voor vogels is een beleidsdocument dat voortvloeit uit de voormalige Flora- en faunawet en meegenomen is onder de Wet natuurbescherming. Van de onderstaande soorten zijn de nesten jaarrond beschermd en moeten er
15
A
OS
BOSADVIES
mitigerende maatregelen getroffen worden indien er een activiteit plaatsvindt die de nestlocatie kan beschadigen of de gunstige staat van instandhouding in gevaar kan brengen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in vijf categorieën, waarbij nesten van vogelsoorten van categorie 1 t/m 4 jaarrond beschermd zijn en de nesten van soorten onder categorie 5 beschermd zijn als er onvoldoende alternatieven zijn. Onderstaande categorieën gelden voor alle provincies behalve Limburg. Provincie Limburg heeft een andere indeling van categorieën Categorie 1: Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. Categorie 2: Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Categorie 3: Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Categorie 4: Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.
Categorie 5: Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.
16
A
OS
BOSADVIES
4.2 Provinciale uitwerking Verordening natuurbescherming Noord-Brabant Op de dag dat de Wet Natuurbescherming in werking is getreden is ook de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant in werking getreden. Deze verordening is de provinciale vertaling van de Wet Natuurbescherming voor de provincie Noord-Brabant. Voor de agrarische activiteiten in de directe omgeving van een Natura 2000 gebied geldt een vergunningplicht. Deze activiteiten mogen de kwaliteit van de natuurlijke Habitats en de Habitats van soorten in een Natura 2000-gebied niet verslechteren of verstoren. Er is een uitzondering voor ‘bestaand gebruik’. Op grond van de Wet Natuurbeheer zijn Provinciale Staten bevoegd bij verordening categorieën van projecten en andere handelingen aan te wijzen waarvoor het verbod, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, niet van toepassing is. In deze verordening is in §2 ingegaan op het beschermingsregime van soorten als bedoeld in de Wet Natuurbescherming in de artikelen in hoofdstuk 3. In artikel 2.2 van de provinciale verordening wordt het toegestaan de soorten, als benoemd in bijlage bij de verordening, te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen.
In artikel 2.3 is het tijdelijk – tot 1 oktober 2017 - toegestaan om de soorten bunzing, hermelijn en wezel te vangen en de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen. De vrijstelling die onder de Flora- en Faunawet gold voor de bescherming van vogels, hun eieren en niet vliegvlugge jongen tegen landbouwwerkzaamheden en vee, is in de provinciale verordening beleidsneutraal overgenomen. Dit geldt tevens voor de vrijstelling voor het vangen en overzetten van beschermde amfibieën langs wegen. Voor ganzen en smienten mogen de rust- en foerageergebieden niet worden verstoord. Voor schadeveroorzakende soorten geldt onder voorwaarden een vrijstelling.
17
A
OS
BOSADVIES
5 METHODE 5.1 Bureaustudie In het kader van deze quickscan heeft een bronnenonderzoek plaatsgevonden, waarbij is gekeken naar gebiedsgerichte bescherming en mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in de plangebieden. Er is voor het soortenonderzoek gebruikgemaakt van gegevens van Quickscanhulp (NDFF) geraadpleegd op 16 mei 2019, landelijke verspreidingsatlassen en provinciale gegevens. Daarbij is onderstaand plangebied ingegeven.
De Quickscanhulp vervangt de noodzaak diverse verspreidingsatlassen te moeten raadplegen om te weten welke soorten qua verspreiding mogelijk in het plangebied voorkomen. De gegevens zijn afkomstig uit de databanken van talloze organisaties, verenigd in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Het Natuurloket verzorgt het beheer en de exploitatie van de NDFF in opdracht van BIJ12. Alle ingevoerde gegevens in de NDFF worden per soortgroep gevalideerd door een validatieteam (landelijke soortexperts) van de NDFF. Het voorkomen van wettelijk beschermde soorten binnen een bepaalde afstand betekent niet dat deze soorten zich in de directe omgeving van het plangebied bevinden. Het plangebied omvat slechts een klein gedeelte van het onderzochte gebied en daarmee ook een beperkt aantal verschillende biotopen en habitats. Uit de Quickscanhulp is gebleken dat de volgende soorten binnen een afstand van 5 kilometer hemelsbreed rondom het plangebied zijn waargenomen.
18
A
OS
BOSADVIES
Soort Wespendief Steenuil Sperwer Roek Ransuil Poelkikker Ooievaar Laatvlieger Kerkuil Huismus Havik
Soortgroep Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Amfibieën Vogels Zoogdieren Vogels Vogels Vogels
Bescherming wnb-vrl wnb-vrl wnb-vrl wnb-vrl wnb-vrl wnb-hrl wnb-vrl wnb-hrl wnb-vrl wnb-vrl wnb-vrl
Afstand 0 - 1 km 0 - 1 km 0 - 1 km 0 - 1 km 0 - 1 km 0 - 1 km 0 - 1 km 0 - 1 km 0 - 1 km 0 - 1 km 0 - 1 km
Grote modderkruiper Gierzwaluw Gewone dwergvleermuis
Vissen Vogels Zoogdieren
wnb-andere soorten wnb-vrl wnb-hrl
0 - 1 km 0 - 1 km 0 - 1 km
Eekhoorn Buizerd Boomvalk Bever Slechtvalk Ruige dwergvleermuis Rosse vleermuis Heikikker Grote Gele Kwikstaart
Zoogdieren Vogels Vogels Zoogdieren Vogels Zoogdieren Zoogdieren Amfibieën Vogels
wnb-andere soorten wnb-vrl wnb-vrl wnb-hrl wnb-vrl wnb-hrl wnb-hrl wnb-hrl wnb-vrl
0 - 1 km 0 - 1 km 0 - 1 km 0 - 1 km 1 - 5 km 1 - 5 km 1 - 5 km 1 - 5 km 1 - 5 km
Alpenwatersalamander
Amfibieën
wnb-andere soorten
1 - 5 km
Voor de gebiedsgerichte bescherming is gekeken naar de aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving. De ligging van Habitat- en Vogelrichtlijngebieden en het Natuurnetwerk Nederland in de nabijheid van het plangebied zijn onderzocht.
19
A
OS
BOSADVIES
5.2 Veldonderzoek Er heeft een veldbezoek plaatsgevonden op 17 april 2019 in de namiddag. Het was licht bewolkt met een matige noordwestenwind en een temperatuur van 12°C. Daarbij zijn de aanwezige biotopen in het plangebied opgenomen. Aan de hand van de aanwezige biotopen kan worden bepaald of er mogelijk beschermde soorten voorkomen. Naast de biotopen zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen, die kunnen duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Behalve het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten is er ook gelet op bijv. holen, uitwerpselen, prooiresten, braakballen vraat-, loop- en veegsporen. Deze mogelijke waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken. De aanwezige biotopen zijn vergeleken met de habitateisen van beschermde planten- en diersoorten. Op basis van deze vergelijking is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen.
20
A
OS
BOSADVIES
6 GEBIEDSBESCHERMING 6.1 Europese Natura 2000-gebieden Het plangebied bevindt zich in de nabijheid van een gebied dat is aangewezen in het kader van de natuurbeschermingswet 1998. Op een afstand van ca. 1 kilometer ten noordoosten van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied “Langstraat”. Het Natura 2000-gebied betreft een habitatrichtlijngebied en PAS-gebied. Het plangebied is gelegen binnen de mogelijke effectenafstand voor stikstofdepositie. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling betreft de sloop van een veestalling en de realisatie van een burgerwoning. Significant negatieve effecten door stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied zijn dan ook niet te verwachten. Andere verstorende factoren zoals oppervlakteverlies, versnippering, verdroging en verstoring door trilling, licht en geluid zijn met de voorgenomen planontwikkeling niet van toepassing.
6.2 Nationaal Natuurnetwerk (NNN) & houtopstanden Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Nationaal natuurnetwerk of Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het dichtstbijzijnde gebied dat behoort tot het NNN betreft het natuurgebied ‘Polder De Binnenbijster’ aangeduid als type ‘N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland’ ten noordoosten van het plangebied. Met de voorgenomen planontwikkeling is er geen sprake van directe vernietiging van het NNN. Aangezien het beoogde plan geen directe relatie heeft met een gebied dat is aangewezen als NNN, tussen gelegen graslanden en geen verbindende functie vervult zijn negatieve effecten uit te sluiten. Van negatieve uitstralingseffecten door geluid, licht en verdroging op het Nationaal Natuurwerk of Natuurnetwerk Brabant is geen sprake. In het plangebied staan geen beschermde houtopstanden.
21
A
OS
BOSADVIES
7 SOORTENBESCHERMING De aangetroffen soorten en het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in het plangebied wordt beschreven. Per soortgroep wordt beschreven welke soorten er zijn waargenomen tijdens veldbezoek, welke soorten worden verwacht, wat de mogelijke effecten van de ingreep zijn en of er vervolgstappen nodig zijn.
7.1.1 Flora Bronnenonderzoek Conform de Quickscanhulp zijn is er binnen een afstand van één km geen beschermende flora bekend. Op een afstand van 1-5 km van het plangebied is Knolspirea, beschermde vaatplant, bekend bij de Quickscanhulp. Bij de provincie Noord-Brabant zijn met betrekking tot de aanwezigheid van flora in het plangebied geen waarnemingen bekend. Veldinventarisatie De omgeving heeft een dorps karakter met veel verharding. Het hoofdgebouw is gelegen aan de doorgaande weg tussen Waspik en Kaatsheuvel. Het plangebied is in gebruik als erf in de vorm van beton of halfverharding. Aan de achterzijde van de opstallen, aan de oostzijde, staat een rij knotwilgen die behouden blijft. Binnen het plangebied zijn geen beschermde flora aangetroffen. Effecten en vervolg Negatieve effecten en vervolgstappen zijn niet aan de orde.
7.1.2 Vogels Bronnenonderzoek Conform de Quickscanhulp zijn er binnen een afstand van één km van het plangebied de volgende vogels aanwezig: Wespendief, Steenuil, Sperwer, Roek, Ransuil, Ooievaar, Kerkuil, Huismus, Havik, Gierzwaluw, Buizerd en de Boomvalk De meeste van genoemde soorten verblijven voornamelijk in bomen, waar ze voor hun verblijf gebruik maken van vogelnesten, al of niet zelfgebouwd. Het plangebied biedt als klein boerenerf een inrichting die voor deze soorten van geen belang is; bij afwezigheid van geschikte houtbegroeiingen ontbreken voor de meeste soorten verblijfs- en nestelmogelijkheden. Wel uit deze beschermingscategorie kunnen en aantal soorten verwacht worden die als uitgesproken cultuurvolgers gelden en voor hun verblijfsmogelijkheden geheel afhankelijk van bebouwing zijn. Uitgezonderd van de Gierzwaluw zullen deze soorten het grote oppervlak aan landbouwgronden vermijden en zich verplaatsen en voedsel zoeken binnen de bebouwde linten en langs groenstructuren.
22
A
OS
BOSADVIES
Nesten De Wet Natuurbescherming verbiedt het vernietigen of beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels. Vogelnesten van jaarrond beschermde vogelsoorten zijn niet in het plangebied aangetroffen en worden vanwege het ontbreken van geschikte nestellocaties in de aanwezige bomen en bedrijfsbebouwing ook niet verwacht. Voorkomen De mogelijkheid bestaat dat (roof)vogels op een andere manier gebruik maken van het plangebied, bijvoorbeeld als foerageergebied en/of als vaste aanvliegroute tussen verblijfplaats en foerageergebied. Direct buiten en in het plangebied zijn meerdere groene elementen aanwezig welke met de voorgenomen planontwikkeling ongewijzigd blijven. Het aantasten van het foerageergebied en/of groene elementen zal gezien de aard van de voorgenomen ruimtelijke ingreep, afname verharding en toename groen en het omliggend groen geen negatieve invloeden uitoefenen op het leefgebied van (roof)vogels. Daarnaast is er voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de omgeving van het plangebied. Er zijn geen zwaluwsoorten zoals gierzwaluw of eventueel boerenzwaluw of andere te verwachten soorten zoals huismus of kerkuil waargenomen. Het hoofdgebouw is niet bedekt met dakbeplating en het bijgebouw is bedekt met metalen beplating. De zijkanten zijn van houten beplating zonder mogelijkheden voor nestelruimtes en zodanig strak afgewerkt.
Gezien de nu heersende biotoop (ontbreken ruigte, ontbreken voedselbronnen) is niet de verwachting dat huismussen gebruik maken van het plangebied. Overige soorten Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten van broedvogels aangetroffen. Gezien de onbegroeide terreingesteldheid zijn geen broedvogels te verwachten. Werkzaamheden die broedbiotopen van vogels verstoren of beschadigen dienen buiten het broedseizoen van de aanwezige vogels te worden gestart. Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Voor de meeste te verwachten soorten kan de periode tussen half maart en eind juli worden aangehouden als broedseizoen. De broedperiode verschilt per soort en soms ook per jaar. Effecten en vervolg In het plangebied zijn geen vaste rust- of verblijfplaatsen (nestlocaties)aanwezig van jaarrond beschermde vogels of broedvogels. Door sanering van de stal en het bijgebouw en de landschappelijke inpassing van de woning onstaat meer rust en zullen foerageermogelijkheden en nestgelegenheden voor diverse boom- en struweelbroedende vogelsoorten verbeteren.
23
A
OS
BOSADVIES
7.1.3 Grondgebonden zoogdieren Bronnenonderzoek Uit de Quickscanhulp blijkt dat er binnen een afstand van één km van het plangebied een aantal soorten uit het beschermingsregiem van nationale beschermde soorten bekend zijn waarvoor geen vrijstelling geldt. Dit betreffen Eekhoorn en Bever. Voorkomen Vanwege het ontbreken van geschikte oudere dennen en een waterpartij worden geen beschermde soorten in het plangebied verwacht. Binnen het onderzoeksgebied is hooguit een enkele vaste verblijfplaats van een laag beschermde zoogdiersoort als huisspitsmuis, bosmuis of rosse woelmuis aanwezig. Een geschikt biotoop is vooral buiten de planlocatie te vinden. De eekhoorn komt hoofdzakelijk in bebost gebied met een voorkeur voor naaldbos of gemengd bos voor; soms ook in meer open terrein, mits voldoende bosjes en lijnvormige elementen als heggen en houtwallen aanwezig zijn. Op basis van de huidige situatie van het onderzoeksgebied is het voorkomen van de soorten niet te verwachten binnen het plangebied. Veldinventarisatie Er zijn tijdens het oriënterende veldbezoek geen zoogdieren waargenomen. Gedurende het veldbezoek is grondig gezocht naar sporen zoals uitwerpselen, vraatsporen zoals afgebeten veren of loopsporen van marterachtigen. Deze zijn niet aangetroffen. Waarnemingen betroffen sporen van katten en enkele hondensporen.
Gezien het biotoop in het plangebied worden zwaarder beschermde grondgebonden zoogdieren uitgesloten. Het perceel bevat geen geschikte biotopen. Effecten en vervolg Het plangebied biedt uitsluitend leefgebied voor enkele lichtbeschermde soorten. Hiervoor geldt een vrijstelling. Negatieve effecten en vervolgstappen zijn niet aan de orde.
7.1.4 Vleermuizen Alle in Nederland voorkomende vleermuizen zijn strikt beschermd. Alle vleermuizen staan vermeld in Tabel 3 bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: ”het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort”. Dit houdt in dat niet alleen verblijfplaatsen, maar ook belangrijke verbindingen hiertussen (vlieg- en foerageerroutes) beschermd zijn. Bronnenonderzoek Conform de Quickscanhulp is binnen een afstand van één km van het plangebied de Laatvlieger en de Gewone dwergvleermuis bekend. Op iets grotere afstand van 1 tot 5 km worden Ruige dwergvleermuis en Rosse vleermuis vermeld.
24
A
OS
BOSADVIES
Belangrijke vliegroutes en foerageergebied Vleermuizen oriënteren zich op lijnvormige elementen in het landschap zoals lanen, kanalen en houtwallen om zich te verplaatsen en om te jagen op insecten. Binnen de onderzoekslocatie zijn geen lijnvormige elementen aanwezig die kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen. In het gehele plangebied, dat bestaat uit stal met omliggend erf, zijn de foerageermogelijkheden minimaal. De onderzoekslocatie vormt geen geschikt leefgebied (habitat) voor vleermuizen. Verblijfplaatsen Er zijn vleermuizen die in bomen hun vaste rust- en verblijfplaatsen hebben en soorten die in gebouwen verblijven. Tijdens het veldbezoek is de staat van de te slopen bebouwing onderzocht. Hieruit blijkt dat: Hoofdgebouw is uitgevoerd met een dubbelsteensmuur zonder spouw en zonder dakbedekking. Hierdoor ontstaat een grote open ruimte met veel lichtinval en zonder beschutting tegen weersinvloeden en temperatuurverschillen waardoor het ongeschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen. Tijdens het veldonderzoek zijn in deze ruimte geen verblijfplaatsen, baltsplekken of overige sporen aangetroffen; Bijgebouw (aanbouw) is uitgevoerd met houtenbeplating en een dak van damwandbeplating.
Tijdens het veldonderzoek zijn in deze ruimte geen verblijfplaatsen, baltsplekken of overige sporen aangetroffen; Gezien de grote open ruimtes in de bedrijfsbebouwing en de afwezigheid van spouwen dan wel de mogelijkheid voor vleermuizen om hierin terecht te komen en te verblijven kan het voorkomen van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen binnen de te slopen bebouwing worden uitgesloten. Tijdens het veldbezoek zijn er geen holtes aangetroffen in de aanwezige bomen in de directe omgeving van het plangebied (knotwilgen). Daarom wordt het voorkomen van holenbroeders zoals vleermuizen (en spechten) niet verwacht. De aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen in bomen kan redelijkerwijs uitgesloten worden. Effecten en vervolg In het plangebied zelf zijn geen aaneengesloten lijnvormige groene structuren aanwezig die benut kunnen worden als vaste vliegroutes voor vleermuizen. Het plangebied vormt geen foerageergebied voor vleermuizen. Vaste rust- en verblijfplaatsen in bomen kunnen worden uitgesloten door het ontbreken van geschikte bomen. Vaste rust- en verblijfplaatsen in gebouwen kunnen worden uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk
25
A
OS
BOSADVIES
7.1.5 Vlinders en libellen Voorkomen Tijdens het veldbezoek zijn geen dagvlinders of libellen waargenomen, in deze periode van het jaar vliegen er geen vlinders en libellen. In het plangebied zelf komen geen voedselarme wateren of vegetaties voor die geschikt leefgebied vormen voor beschermde libellen en dagvlinders. Het voorkomen van beschermde dagvlinders en libellen kan uitgesloten worden.
7.1.6 Mieren en kevers Voorkomen Beschermde soorten mieren en houtkevers zijn afhankelijk van bijzondere habitattypen als oude (naald)bossen. Deze biotopen zijn niet aanwezig in het plangebied. Conclusie Er komen geen beschermde soorten mieren en kevers voor in het plangebied.
7.1.7 Vissen Voorkomen In het plangebied zelf is geen oppervlaktewater aanwezig. Hierdoor ontbreekt het aan een geschikt leefgebied voor vissoorten. Conclusie Er komen geen (beschermde) vissen voor in het plangebied.
7.1.8 Reptielen en amfibieën Voorkomen In het plangebied is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. Er worden geen strikt beschermde amfibieën verwacht vanwege het ontbreken van geschikt habitat voor deze soorten. Effecten en vervolg Negatieve effecten en vervolgstappen zijn niet aan de orde. De zorgplicht is altijd van kracht.
26
A
OS
BOSADVIES
8 CONCLUSIES EN VERVOLG Gelet op de gevonden en te verwachten ecologische waarden voor de beoogde planontwikkeling worden geen nadelige effecten verwacht voor de aanwezige flora- en fauna. Met betrekking tot beschermde gebieden worden, mede gezien de afstand en/of de aard van de voorgenomen plannen in vergelijking met de huidige situatie, geen bezwaren voorzien ten aanzien van de uitvoering van het beoogde bestemmingplan. Verder is een tweetal algemene voorwaarden vanuit de wetgeving altijd van toepassing: In het broedseizoen van vogels (half maart tot half juli) mogen de vegetatie, bosjes en opstallen in het plangebied niet worden verwijderd. Werkzaamheden tijdens deze periode zouden leiden tot directe verstoring van broedvogels en het broedsucces. Alle vogels zijn beschermd. Er is hiervoor geen vrijstelling te verkrijgen. Op basis van de in de Wet natuurbescherming opgenomen zorgplicht dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor de in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit houdt in dat bij het uitvoeren van werkzaamheden altijd rekening moet worden gehouden met dan aanwezige planten en dieren. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen.
Zo dienen maatregelen te worden getroffen om bijvoorbeeld verstoring tot een minimum te beperken. Dieren moeten de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood. Dit kan door: Voortijdig maaien van het plangebied zodat dieren de mogelijkheid hebben weg te trekken; Het beperken van verlichting tijdens de avonduren in zomer, voorjaar en herfst voor vleermuizen en andere nachtdieren; Het slopen en rooien starten buiten het voortplantings- en het winter(slaap)seizoen.
8.1.1 Werken buiten kwetsbare periode De kwetsbare perioden voor de verschillende soortgroepen zijn niet allen gelijk. Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Indien voorbereidende werkzaamheden, bijvoorbeeld bouwrijp maken, in die periode worden uitgevoerd, kan daarna gedurende het winterseizoen en het daarop volgende voorjaar probleemloos worden gewerkt.
27
A
OS
BOSADVIES
8.1.2 Werken in kwetsbare periode Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie gedurende het groeiseizoen kort gemaaid worden, zodat er geen vogels gaan broeden en het tegen de winter ook ongeschikt is voor kleine zoogdieren die in winterslaap gaan. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen, dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen.
8.2 Tot slot De natuurtoets is gebaseerd op bureau-onderzoek, een gebiedsbezoek en inventarisatiegegevens van derden. Een dergelijk onderzoek kan niet geheel uitsluiten dat tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden aangetroffen. Gezien het gebruik van en de kennis van de aanwezige natuurwaarden in het plangebied worden de risico's op verstoring van beschermde soorten als zeer minimaal ingeschat. Eventueel aangetroffen soorten dienen verplaatst te worden naar geschikt leefgebied in de omgeving.
28
A
OS
BOSADVIES
9 BRONNEN • • • • • • • • • • • • •
Atlas van de Nederlandse Broedvogels, verspreiding aantallen verandering, SOVON 2002; geraadpleegd op 16 mei 2019 De amfibieën en reptielen van Nederland, Nederlandse fauna 9, RAVON 2009; geraadpleegd op 16 mei 2019 Natuurbeheerplan Provincie Noord-Brabant; geraadpleegd op 16 mei 2019 Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, Ministerie van Economische Zaken geraadpleegd op 16 mei 2019 http://wetten.overheid.nl geraadpleegd op 16 mei 2019 http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/XHTMLoutput/Historie/NoordBrabant/600901/CVDR600901_1.html geraadpleegd op 16 mei 2019 www.rvo.nl geraadpleegd op 16 mei 2019 www.quickscanhulp.nl geraadpleegd op 16 mei 2019 www.ravon.nl geraadpleegd op 16 mei 2019 www.vleermuis.net geraadpleegd op 16 mei 2019 http://www.libellennet.nl geraadpleegd op 16 mei 2019 http://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan/ geraadpleegd op 16 mei 2019 http://decentrale.regelgeving.overheid.nl geraadpleegd op 16 mei 2019
29