Bijlage 1 Toelichting en regels
Tekst van het document
Het project valt onder de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)', namelijk in de categorie 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg. Derhalve is het niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren voor dit bestemmingsplan. Met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland van het RIVM is de luchtkwaliteit in beeld gebracht om te bepalen of ter plaatse van de nieuwe woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In het plangebied en de omgeving bedraagt ten aanzien van PM 2,5 de concentratie <10 ug/m3. Voor PM10 en NO2 bedraagt de concentratie respectievelijk <18 ug/m3 en 15-20 ug/m3. Hiermee wordt ruimschoots aan de streefwaarden voldaan (20 ug/m3 voor PM2,5, 40 ug/m3 voor PM10 ug/m³ en 40 ug/m3 voor NO2). De kaarten voor 2030 laten zien dat dit nog verder gaat verbeteren. Ook vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening en gelet op de luchtkwaliteit gaat dan ook sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat in de nieuwe woningen.
Uitsnede Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland: PM2,5 in 2030
29
Uitsnede Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland: PM10 in 2030
Uitsnede Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland: NO2 in 2030
4.1.6 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer, de Wet ruimtelijke ordening en de Wabo de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. 30
Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt (verder: PR-contour). Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.
Uitsnede risicokaart met het plangebied in rood omkaderd Ten zuidwesten van het plangebied, op circa 800 meter, is een aardgasleiding en een Bevi-bedrijf aanwezig. Het bedrijf is op ruime afstand gelegen en heeft geen risicocontouren die relevant zijn voor deze ontwikkeling De buisleiding (Z-517-01) heeft geen plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jaar. Het groepsrisico is gelegen ruim onder de oriëntatiewaarde (OW). Wel geldt de (beperkte) verantwoordingplicht voor het groepsrisico. Hiervoor wordt verwezen naar Bijlage 3. Voor het plangebied is verder het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A59 relevant. Het plangebied ligt in het invloedsgebied voor het groepsrisico en niet voor het plaatsgebonden risico. Het plangebied ligt op circa 450 meter afstand van de A59. Uit de Beleidsvisie Externe Veiligheid Gemeente Waalwijk 2017 volgt dat binnen een afstand van meer dan 200 meter en tot 750 meter de externe veiligheidsrisico’s bij nieuwe ontwikkelingen dusdanig beperkt zijn dat volstaan kan worden met de standaardverantwoording van het groepsrisico en dat het standaardadvies van de veiligheidsregio geldt. Externe veiligheid staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg. De standaardverantwoording van het groepsrisico is opgenomen als Bijlage 3. Het standaardadvies van de veiligheidsregio is opgenomen als Bijlage 4.
In de Beleidsvisie Externe Veiligheid Gemeente Waalwijk 2017 is aangegeven dat over de Nieuwe Provinciale weg en de Schoutstraat gevaarlijke stoffen worden vervoerd, vanwege de bevoorrading van het tankstation aan de Schoolstraat 9a. Dit tankstation verkoopt echter geen LPG. Dit is conform de geldende beheersverordening daar ook niet toegestaan. Volgens een inventarisatie van de OMWB uit 2018 vindt over deze wegen nog beperkt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het gaat om 4 transporten van brandbare gassen (stofgroep GF3) per jaar richting Dongen. Ook voor deze wegen kan worden volstaan met de standaardverantwoording omdat het plangebied op meer dan 200 meter afstand ligt. Externe veiligheidsrisico’s staan de uitvoerbaarheid van dit plan niet in de weg.
31
4.1.7 Milieueffectrapportage In de bijlage van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig (onderdelen C en D), project-m.e.r.-plichtig (onderdeel C) of m.e.r.-beoordelingsplichtig (onderdeel D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. In de bijlage van het Besluit m.e.r. is in categorie D (11.2) opgenomen: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Een formele m.e.r.-beoordeling is nodig in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Het planvoornemen ligt ruimschoots onder de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. en is daarmee niet rechtstreeks plan-m.e.r.-, project-m.e.r. of m.e.r.-beoordelingsplichtig. Dit plan voorziet in 13 nieuwe woningen, op een locatie waar in de bestaande situatie een stedelijke functie, een café aanwezig is. De locatie is tevens gelegen in bestaand stedelijk gebied. Daarmee is geen sprake van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ in de zin van het Besluit m.e.r. Daarom is voor dit bestemmingsplan ook geen ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordeling nodig.
4.2
Archeologie, cultuurhistorie en monumenten
De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Onderzoek Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart ligt het plangebied in een gebied aangeduid als ‘Categorie 2 Gebied van archeologische waarde’. Hiervoor geldt een onderzoeksplicht voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm onder het maaiveld.
Voor dit initiatief is daarom door Laagland Archeologie een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 5. Hierna worden de conclusies uit dit onderzoek besproken. Bureauonderzoek Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een matige archeologische verwachting voor archeologische resten vanaf het Laat-Paleolithicum tot Laat-Neolithicum/Vroege Bronstijd. De archeologische verwachting geldt omdat voor de dekzandondergrond niet duidelijk is binnen welke landschapseenheid het plangebied gelegen was voordat het overgroeid werd met het Hollandveen. Vanaf de Bronstijd tot Volle Middeleeuwen heeft het plangebied en zijn directe omgeving een lage verwachting omdat het in een veengebied lag. Vanaf de Volle Middeleeuwen werd het plangebied mogelijk in gebruik genomen. Nadat het oorspronkelijke Waspik was weggevaagd door de St. Elizabethvloed, werd de nieuwe kern van Waspik verplaatst en maakt het plangebied er deel van uit. Om die reden is er een matige archeologische verwachting vanaf de Volle Middeleeuwen en een hoge archeologische verwachting vanaf de Late Middeleeuwen. Verkennend booronderzoek Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zo nodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet.
In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen. Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans groot dat het plangebied archeologische sporen bevat. In de tuin zijn cultuur- en ophooglagen aangetroffen met een hoge archeologische verwachting voor de periode Late Middeleeuwen tot Nieuwe tijd vanaf ca. 70 cm -mv (0,04 m +NAP). Ter hoogte van de huidige bebouwing bestaat tenminste de bovenste 110 à 120 cm (1,33 à 1,40 m +NAP) uit subrecente ophogingslagen. Onder de subrecente ophogingslagen zijn mogelijke cultuurlagen aanwezig. 32
Advies Gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een eventuele vindplaats wordt geadviseerd dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Door de aanwezigheid van het bestaande café is het nog niet mogelijk om het proefsleuvenonderzoek uit te voeren in het kader van dit bestemmingsplan. Het onderzoek zal ik het kader van de uitvoering gebeuren. Voor het proefsleuvenonderzoek laat de initiatiefnemer een Programma van Eisen maken, wat hij ter goedkeuring zal aanbieden bij de gemeente. Na de sloop van het café kan het proefsleuvenonderzoek dan uitgevoerd worden, al dan niet gevolgd door verdere onderzoeken. De sloop van het café zal onder archeologische begeleiding plaatsvinden. Uit het proefsleuvenonderzoek kan naar voren komen dat er een opgraving gedaan moet worden. Archeologische waarden in situ behouden is dan alleen mogelijk, als de waarden onder de fundering van het nieuwe gebouw zitten. Naar schatting van Laagland Archeologie bedragen de kosten voor het meest ingrijpende scenario, een algehele opgraving tussen de € 20.000,- en € 30.000,-. In het ergste geval lopen de kosten op tot € 50.000,-. Dit brengt de uitvoerbaarheid het project echter niet in gevaar.
Ten opzichte van het totale project is het namelijk een beperkte kostenpost. In de exploitatie van het project is hiervoor een reservering opgenomen. Dit betreft nu overigens grotendeels een reservering in verband met een risico, niet direct voor daadwerkelijke kosten. Kortom, dit zorgt er niet voor dat de haalbaarheid van het project in gevaar komt. Het proefsleuvenonderzoek kan overigens ook uitwijzen dat verder onderzoek niet nodig is.
4.3
Ecologie
Per 1 januari 2017 zijn de Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000- gebieden en het Natuurnetwerk Nederland en de Groene contour. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Door Blom Ecologie B.V. is in het kader van de Wet natuurbescherming een quickscan naar beschermde soorten en gebieden uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 6.
Hierna worden de conclusies uit dit onderzoek besproken. Soortenbescherming De planlocatie heeft mogelijk een essentiële betekenis voor gebouwbewonende vleermuizen en de huismus. Derhalve dient er aanvullend onderzoek uitgevoerd worden om de aan- of afwezigheid van beschermde soorten vast te stellen. Dit aanvullend onderzoek is opgenomen als Bijlage 7. Uit dit aanvullend onderzoek blijkt dat de beoogde ingrepen niet leiden tot overtredingen van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming. Ontheffing is dan ook niet nodig. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Brabant. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Brabant geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het plangebied ligt niet in een van deze gebieden. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Gelet op de aard, omvang en de ligging ten opzichte van beschermde gebieden zijn bij voorbaat geen effecten te verwachten. Dat met uitzondering van effecten door de depositie van stikstof.
Daarom is voor dit plan met Aerius een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd door Teus’ Advies. De uitkomsten hiervan zijn opgenomen als Bijlage 8 bij deze toelichting. Hieruit blijkt dat er geen negatieve effecten aan de orde zijn door stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door deze ontwikkeling. 33
Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Ook op de Bomenstructuurkaart uit het bomenbeleid is het plangebied niet gelegen in een hoofdstructuur met cultuurhistorische, ecologische of klimaatadaptieve waarde. In de Algemene Plaatselijke Verordening is aangegeven dat het verboden is zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstanden te vellen die op grond in eigendom van de gemeente staan. Het plangebied betreft geen gemeentegrond. Het kapverbod uit de APV vormt dan ook geen belemmering voor dit plan.
4.4
Afval
Al het afval dient (in eventueel desbetreffende inzamelmiddel) op eigen perceel te worden opgeslagen en op de dag van inzameling, deze dag wordt gecommuniceerd met de afval-app, te worden aangeboden op een clusterplaats/ containerverzamelplaats centraal gelegen in de straat. Inwoners willen de container vaak in een afgesloten ruimte kunnen opslaan. Restafval De beleidsregels is als volgt: Voor woningen in de gestapelde bouw tot 15 woningen is het inzamelmiddel voor restafval een minicontainer van 240 liter”. Hiervoor moet dus een containerruimte voor worden aangelegd. Deze is gepland op de begane grond, is het westelijke gedeelte van het nieuwe complex. De afvalcontainers dient men op de dag van lediging aan te bieden op de containerverzamelplaats, die aan de westzijde van het plangebied aangelegd wordt. Die plaats is aangegeven op de inrichtingstekening, zoals in paragraaf 2.2.2 weergeven. GFT-afval Bij appartementencomplexen wordt in Waalwijk geen gft-afval ingezameld. PMD-Afval De nieuwe bewoners kunnen het PMD-afval in een speciale afvalzak aanbieden. Ook voor de opslag van PMD moet er een ruimte worden gereserveerd. Deze afvalzak dient men op de dag van lediging aan te bieden op de containerverzamelplaats voor het appartementen complex. Oud Papier In Waalwijk wordt oud papier los gebundeld aangeboden en niet in een container.
De nieuwe bewoners kunnen het oud papier in dozen aanbieden op de containerverzamelplaats. Deze afvalzak dient men op de dag van lediging aan te bieden op de containerverzamelplaats voor het appartement.
4.5
Kabels en leidingen
Voor dit plan is een oriëntatieverzoek ondergrondse kabels en leidingen gedaan. Hieronder is een overzichtskaart weergeven.
34
Overzichtsk aart met een projectie van het inrichtingsplan In het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig waarmee specifiek rekening gehouden dient te worden bij het aanpassen van bouwmogelijkheden in het plangebied. Op de plek van de nieuwbouw zijn alleen huisaansluitingen aanwezig en de kabels en leidingen langs de Diepenbrockstraat (onder de parkeerplaatsen) kunnen blijven liggen. Enkel de gasleiding in de noordwestelijke hoek en datakabels in de noordoostelijke hoek zullen verlegd moeten worden, zodat die niet onder de grond van de initiatiefnemer komen te liggen.
4.6
Verkeer en parkeren
Verkeersgeneratie Het perceel blijft ontsloten door de Diepenbrockstraat en de Veerstraat. Beide wegen hebben een doorgaande functie binnen de dorpskern en één rijbaan, die breed genoeg is om twee voertuigen elkaar probleemloos te laten passeren. Op basis van ervaringsgegevens is de maximale, theoretische capaciteit van een dergelijke weg 12 duizend motorvoertuigen per etmaal. Door het bochtige verloop van de wegen, de diverse kruisingen in de omgeving, aangrenzende parkeervoorzieningen, overstekende voetgangers, fietsers op de rijbaan zal de werkelijke capaciteit beduidend lager liggen. Ook weer op basis van ervaringsgegevens wordt verwacht dat de wegen bij een intensiteit van 5 duizend motorvoertuigen per etmaal tegen hun limiet aanlopen. Uit het akoestisch onderzoek dat voor dit bestemmingsplan is uitgevoerd, zie Bijlage 2, blijkt dat de intensiteit (rekening houdend met autonome groei van autoverkeer) op de Veerstraat in 2031 naar verwachting circa 1700 motorvoertuigen per etmaal zal bedragen. Voor de Diepenbrockstraat is dat getal ongeveer 1200. Met de komst van 13 nieuwe woningen nemen deze de motorvoertuigbewegingen met 76 toe, op basis van CROW-publicatie 381. De toename kan goed verwerkt worden binnen de bestaande, nog onbenutte capaciteit van de wegen. In de nieuwe situatie zal, net als in de bestaande situatie, de intensiteit op beide wegen nog 35
steeds minder dan de helft van de capaciteit bedragen. Parkeren In de ‘Nota Parkeernormen Waalwijk 2015’ is beschreven wat de parkeernormen zijn per functie en woningtype. In de gemeentelijke parkeernota is verder voor het wijzigen van functies en vervangende nieuwbouw beschreven dat in beginsel parkeren op eigen terrein moet plaatsvinden. Wanneer dit niet mogelijk is, moet een parkeeroplossing in de openbare ruimte gevonden worden. In dat geval wordt de parkeerbehoefte van de bestaande functie bepaald die op dat moment op de openbare parkeerplaatsen wordt afgewenteld. Deze parkeerbehoefte mag vervolgens in mindering worden gebracht op de parkeereis van de nieuwe functie. Bestaande situatie In de gemeentelijke parkeernota is de parkeernorm voor een café in Waspik 6 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Het café heeft een bvo van circa 250 m2 bvo. Dit komt neer op een bestaande parkeerbehoefte van 15 parkeerplaatsen. Daarnaast is er nog een appartement boven het café, in de categorie ‘koop, etage, duur’. Hiervoor geldt de parkeernorm van 2 parkeerplaatsen. De totale parkeerbehoefte komt daarmee neer op 17 parkeerplaatsen. Op eigen terrein zijn geen parkeerplaatsen aanwezig. Parkeren vindt plaats in de openbare ruimte. Zo is op de direct naastgelegen openbare parkeerstrook langs de Diepenbrockstraat ruimte om 9 auto’s te parkeren.
Volgens de overlevering is de deze parkeerruimte voor het café aangelegd. Nieuwe situatie De nieuw te bouwen appartementen krijgen een v.o.n.-verkoopprijs tussen de € 259.000 - € 340.000, en zijn daarmee te plaatsen onder de categorie ‘koop, etage (appartement), midden’, gelegen in de bebouwde kom van Waspik. Daarvoor geldt een parkeernorm van 1,9 per woning. De dertien appartementen houden daarmee een nieuwe (bruto) parkeerbehoefte in van (maximaal) 24,7, afgerond 25, parkeerplaatsen. Volgens het gemeentelijke parkeerbeleid mag de bestaande parkeerbehoefte in mindering van de nieuwe parkeerbehoefte mag worden gebracht. Omdat op eigen terrein nu geen parkeerplaatsen aanwezig zijn, is de bestaande parkeerbehoefte in zijn geheel een zogenoemd historisch tekort aan parkeerplaatsen. Hiermee komt de nieuwe parkeerbehoefte netto neer op (afgerond) 8 parkeerplaatsen (24,7 – 17). Aan de noordzijde van het plangebied wordt de parkeerstrook aangekocht door initiatiefnemer. Hierdoor worden deze 9 parkeerplaatsen beschikbaar voor parkeren op eigen terrein. Daarnaast worden hier nog twee parkeerplaatsen bijgemaakt, waardoor er in totaal 11 parkeerplaatsen zijn. Hiermee wordt geheel op eigen terrein voorzien in de nieuwe (netto) parkeerbehoefte. Voldaan wordt aan het gemeentelijke parkeerbeleid.
Het aankopen van de parkeerstrook zorgt er echter wel voor dat openbare parkeerplaatsen verdwijnen. Met een parkeeronderzoek zijn de gevolgen daarvan ingeschat. Parkeeronderzoek Door Dufec is een parkeeronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 9 bij deze toelichting. De parkeercapaciteit is voorafgaand aan de metingen geïnventariseerd. Hierbij zijn alle openbare parkeervoorzieningen binnen een loopafstand van 100 meter meegenomen. Hiervoor is een sectie-indeling gemaakt. Een sectie is doorgaans een wegvak van hoek tot hoek. Binnen een sectie zijn de volgende categorieën openbare parkeerplaatsen afzonderlijk geïnventariseerd: Buiten voorzieningen (langsparkeren) In voorzieningen (vakken) Het onderscheid tussen parkeervakken en -havens enerzijds en langsparkeren anderzijds wordt bepaald door het feit of er een voorziening is aangelegd (vak of haven) of niet (op de rijbaan langsparkeren). Het verschil tussen vakken en havens wordt bepaald door de aanwezigheid van een vorm van vakindeling. Voor de benodigde ruimte van een personenauto is 6 meter gehanteerd. Bij langsparkeren is de beschikbare straatlengte opgemeten en deze gedeeld door 6 om tot de parkeercapaciteit te komen. Verder is de straatbreedte opgemeten (aan de hand van de uitgangspunten van de gemeente) om te bepalen of langsparkeren (aan één of beide zijden) toegestaan is.
De metingen zijn uitgevoerd tijdens de volgende perioden: Vrijdag 25 september 2020: 00:00 - 01:00 uur. Dinsdag 28 september 2020: 0:00 - 01:00 uur. Tijdens elke periode is één meting uitgevoerd. Tijdens de meetmomenten zijn per sectie de geparkeerde voertuigen geregistreerd op het volgende detailniveau: Goed geparkeerd. 36
Fout geparkeerd (op het trottoir, buiten de vakken e.d.). Obstakel (container, aanhanger, caravan e.d.). De parkeerdruk is berekend door het aantal goed en fout geparkeerde voertuigen en het aantal obstakels op openbare parkeerplaatsen te delen door de capaciteit van de sectie. Voor de gemeente dient te worden aangetoond dat er voldoende parkeergelegenheid is binnen het afgebakende gebied. Daarbij geldt dat de bestaande bezetting samen met de parkeerbehoefte van het plan een maximale parkeerdruk van 85% opleveren. In aanvulling hierop is de restcapaciteit bepaald. De restcapaciteit beschrijft het aantal vrije plaatsen uitgaande van een maximaal aanvaardbare parkeerdruk van 85%. Tijdens het drukste meetmoment (in de nacht van maandag op dinsdag tussen 00:00 en 01:00 uur) is er een restcapaciteit van 74 parkeerplaatsen beschikbaar, op een totaal van 109 parkeerplaatsen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat, ook na het verdwijnen van 9 openbare parkeerplaatsen, de parkeerdruk in de omgeving nog steeds ruimschoot lager zal zijn dan de maximaal aanvaardbare parkeerdruk van 85%. Na het verdwijnen van de 9 parkeerplaatsen zal de parkeerdruk, bij eenzelfde bezetting, namelijk neerkomen op 35%.
Vermeldingswaardig hierbij is dat uit het parkeeronderzoek blijkt dat de betreffende parkeerstrook aan de Diepenbrockstraat een parkeerdruk had van respectievelijk 11% en 22% op de dinsdag en vrijdag dat het parkeeronderzoek werd uitgevoerd. Dit betekent dus dat er 7 respectievelijk 8 (van de 9) parkeerplaatsen vrij waren. Kortom, het aankopen van de parkeerstrook ten behoeve van parkeren op eigen terrein zal niet zorgen voor een significante toename van de parkeerdruk in de openbare ruimte.
Parkeerplaatsen in de omgeving op loopafstand
4.7
Waterparagraaf
Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. 37
Voor dit plan is via de digitale vergunningschecker van het waterschap Brabantse Delta een vergunningscheck gedaan. Het resultaat hiervan is opgenomen als Bijlage 10 bij deze toelichting. Uit de vergunningscheck blijkt dat er geen juridische verplichtingen volgen. Met dit plan neemt de bebouwing op het oppervlak toe. Dit zorgt echter niet voor een significante toename in het verhard oppervlak. Het plangebied bestaat grotendeels namelijk al uit bebouwing en bestrating. Enkel een stuk tuin van circa 50 m2 is momenteel nog niet verhard. Voor deze toename zijn geen compenserende maatregelen voor waterberging nodig. Het beleid van het waterschap stelt namelijk dat elke afname van het waterbergend vermogen in een bergingsgebied gecompenseerd moet worden. Het plangebied is echter niet gelegen in een bergingsgebied. Op basis van het gemeentelijk Integraal Waterplan 2020-2024, wordt bij nieuwbouw alleen het huishoudelijk afvalwater aangesloten op de gemeentelijke riolering en afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het huishoudelijk afvalwater afkomstig van het nieuwe appartementencomplex zal aangesloten worden op het bestaande rioleringssysteem aan de Chopinlaan. Hemelwater moet volgens het waterplan opgevangen en verwerkt worden op het eigen perceel. Voor het hemelwater geldt dat er wordt getoetst volgens de trits vasthouden-bergen-afvoeren.
Op grond van het waterplan bedraagt de benodigde bergingscapaciteit 60 liter per m2 verharding. Het totale verhardingsoppervlak bedraagt in de nieuwe situatie maximaal 660 m2. Hierbij is er rekening mee gehouden dat de tuinen bij de appartementen op de begane grond geheel verhard kunnen worden (wat in de praktijk niet te verwachten valt). De bergingsopgave komt daarmee neer op 39.600 liter. Voor het project is een infiltratieplan gemaakt. Het infiltratieplan is opgenomen als Bijlage 11. De hemelwaterafvoeren van het dak zullen aangesloten worden op infiltratiekratten die onder de terrassen aan de parkzijde worden geplaatst. Het gebouw bestaat uit drie bouwblokken. Per bouwblok wordt een infiltratievoorziening gemaakt. In totaal zullen er 137 kratten geplaatst worden, opgebouwd in deels 1 en deels 2 lagen. Elke krat heeft een capaciteit van 291 liter, waarmee de totale bergingscapaciteit neerkomt op 39.867 liter. Met dit infiltratieplan wordt voldaan aan de eis van de gemeente Waalwijk voor het opvangen en verwerken van hemelwater op het eigen perceel. Doordat het hemelwater grotendeels op eigen terrein blijft zullen openbare straatkolken ook beter functioneren. De terreinhoogte van het plangebied loopt van 0,75 m + NAP tot 2,6 m + NAP.
Uit het bodemonderzoek (zie paragraaf 4.1.2) blijkt dat de gemiddelde grondwaterstand 0,75 m onder het maaiveld ligt aan de westzijde, en richting het oosten lager. Ongeveer in het midden van het plangebied is een grondwaterstand van 1,2 m onder het maaiveld gemeten. Hiermee is grondwaterstand voldoende laag om de geplande infiltratiekratten te realiseren. Op basis van het bodemonderzoek is de verwachting dat de bodem voldoende doorlatend is voor de infiltratievoorziening. Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Negatieve effecten op de waterhuishouding zijn niet aan de orde.
38
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Dit plan leidt tot de bouw van een appartementencomplex waarin voorzien wordt in 13 wooneenheden. Het betreft een particulier initiatief. De economische uitvoerbaarheid voor de gemeente wordt geborgd in de af te sluiten anterieure overeenkomst. Op basis van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), dient een exploitatieplan te worden vastgesteld op gronden waarop een bouwplan voorkomt dat in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is aangewezen. Dit plan voorziet in een bouwplan in de zin van het Bro. Op grond van artikel 6.12.2a Wro hoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld wanneer het verhaal van kosten op andere wijze verzekerd is. De initiatiefnemer zal namelijk met de gemeente Waalwijk een anterieure overeenkomst sluiten. Hierdoor kan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan. Dit plan is dan ook financieel-economisch uitvoerbaar. Het kostenverhaal is namelijk verzekerd middels de anterieure overeenkomst. Initiatiefnemer heeft een begroting laten opstellen, waarin de reeds gemaakte en nog te verwachten kosten in mindering zijn gebracht van de te verwachten opbrengsten. De begroting is seperaat aan de gemeente toegestuurd.
De kosten betreffen voornamelijk de kosten voor het bouwrijp maken, bouwkosten, aansluitingen, verkoopkosten en kosten voor dit bestemmingsplan en bijbehorende onderzoeken en eventuele aanvullende onderzoeken. Ook is een kostenpost voor planschade opgenomen. Uit de begroting komt een batig saldo van € 50.893,5. Dit saldo kan positiever uitvallen als minder kosten gemaakt worden, bijvoorbeeld door het niet nodig zijn van een nader archeologisch onderzoek na het proefsleuvenonderzoek.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1 Omgevingsdialoog Initiatiefnemer heeft met de buurtbewoners een omgevingsdialoog gevoerd. Initiatiefnemer heeft daarvoor de methode van de gemeente Oosterhout gebruikt. De bewoners van de volgende adressen zijn hierbij betrokken geweest: Chopinlaan 1 & 2, Schubertlaan 1, Diepenbrockstraat 4 & 6, Havendijk 2 & 4, Raadhuisstraat 2, Roonlaan 2, ’t Vaartje 2 & 3 en de Veerstraat 3. Ook is Stichting Platform Waspik betrokken bij de omgevingsdialoog. Dit platform vertegenwoordig meer dan 300 bewoners van Waspik. Vanuit het platform is veel draagvlak voor dit plan, mede vanwege het grote tekort aan betaalbare woningen in de omgeving. In verband met het coronavirus is ervoor gekozen om geen bijeenkomst te organiseren, maar de buurtbewoners aan huis te bezoeken om zogenoemde keukentafelgesprekken te voeren. Uit de omgevingsdialogen is gebleken dat enkele buurtbewoners bezwaar hebben tegen een aantal aspecten. Ook zien enkele buurtbewoners dat een aantal aspecten graag opgelost worden. Het gaat om het volgende: Aspect
Bezwaar
Geen bezwaar, mits opgelost
Geen bezwaar
Parkeren
1
5
7
Hoogte
3
10
Waterafvoer
2
11
Heien
1
12
Aanzicht achterzijde
1
Containerplaatsen
12 3
10
Schaduw
1
12
Inkijk achtertuin
1
12
Planschade
2
11
Hierna wordt per aspect beschreven hoe hieraan al dan niet tegemoet wordt gekomen. 39
Parkeren Uit de omgevingsdialogen komt naar voren dat een deel van de omwonenden graag aanvullende parkeerruimte gerealiseerd zou willen zien. Het gaat dan om de aanleg van nieuwe parkeerplaatsen langs de Chopinlaan en twee extra parkeerplaatsen in de parkeerstrook langs de Diepenbrockstraat. . Ook heeft één bewoner het verzoek gedaan om een parkeerverbod aan de rechterkant van de Veerstraat te realiseren. De rechterkant van de Veerstraat en de Chopinlaan behoren niet tot het plangebied. In paragraaf 2.2.1 is reeds vermeld dat de parkeerstrook aan de Diepenbrockstraat gekocht wordt door initiatiefnemer. Vervolgens worden hier twee extra parkeerplaatsen gerealiseerd. Hierdoor zijn er voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig. Hoogte Hier is deels op geanticipeerd. Initiatiefnemer heeft eerder afgezien van een 4e bouwlaag en later van een hoekappartement op de 2e verdieping. Bij een verdere inperking van het initiatief is het vanwege de nieuwe bouweisen, gestegen grondstof- en materiaalkosten niet financieel haalbaar. Waterafvoer Hier wordt aan tegemoet gekomen en opgelost door een eigen filtratiesysteem. Heien Hier wordt aan tegemoet gekomen en er zal dus niet geheid worden. Aanzicht achterzijde Door middel van gevelgroen en het planten van bomen tegen de gevel van de eerste verdieping en een daktuin i.p.v.
een appartement op de 2e verdieping wordt hier deels aan tegemoet gekomen. Containerplaatsen Er zal, conform het gemeentelijke beleid, geen ondergrondse afvalcontainer komen. De beleidsregels is namelijk dat voor woningen in de gestapelde bouw tot 15 woningen het inzamelmiddel voor restafval een minicontainer van 240 liter is. Al het afval dient op eigen perceel te worden opgeslagen en op de dag van inzameling, deze dag wordt gecommuniceerd met de afval-app, te worden aangeboden op een clusterplaats/containerverzamelplaats centraal gelegen in de straat. Schaduw Eén perceel heeft alleen in de winter, en dus bij lage zon, enkel in de middaguren (12:00 – 15:00), schaduw. In het voorjaar, de zomer en het najaar is daar geen sprake van. Er zijn namelijk bezonningstekeningen gemaakt waarmee dit aangetoond is. De bezonningstekeningen zijn opgenomen als Bijlage 12 bij deze toelichting. Inkijk achtertuin Het gaat hier om één appartement waarbij men eventueel door het keukenraam in de achtertuin van de buren kan kijken. Het balkon is om deze reden aan de oostzijde gesitueerd zodat men uitkijkt op het park en niet in andermans achtertuin. Planschade Het gaat hier om schade aan de omliggende gebouwen die zou kunnen ontstaan tijdens de bouw en waardevermindering van de omliggende huizen door het weghalen van het café en vervangen door deze nieuwbouw.
In de plannen is rekening gehouden met dit bezwaar en men kiest er voor om niet te heien. Waardevermindering is zeer moeilijk te bepalen en is tevens nog maar de vraag of dit daadwerkelijk ontstaat. Initiatiefnemer zal zijn verantwoordelijkheid nemen als het gaat om planschade gaat en dat vergoeden.
5.2.2 Vooroverleg Het concept van dit bestemmingsplan is toegezonden aan de provincie Noord-Brabant en het Waterschap Brabantse Delta in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. [P.M.].
5.2.3 Ontwerpfase Van [P.M.] tot en met [P.M.] heeft het ontwerp van dit bestemmingsplan ter inzage gelegen. Toen zijn [P.M.] zienswijzen ingediend. 40
Hoofdstuk 6
Juridische planopzet
In hoofdstuk 2 is de voorgestane invulling van het plangebied beschreven. Hoofdstuk 4 toont aan dat deze invulling uitvoerbaar is. De volgende stap is het treffen van een juridische regeling die de invulling mogelijk maakt. Dit hoofdstuk beschrijft deze regeling. Voor de regels van dit plan zijn de regels uit het geldende bestemmingsplan als basis gebruikt. Die regels zijn vervolgens ontdaan van overbodige elementen, geactualiseerd op gewijzigde wetgeving en op onderdelen aangepast in verband met de beoogde situatie in het plangebied. De bestemming Gemengd komt te vervallen en maakt plaats voor een woonbestemming. Het overige gedeelte van het perceel krijgt een groenbestemming. De gegeven bestemmingen worden hierna kort besproken.
6.1
Groen
Een klein strookje aan de oostzijde van het plangebied krijgt de bestemming 'Groen'. Hiermee worden deze gronden in hoofdzaak bestemd voor groenvoorzieningen. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van nutsvoorzieningen, voorzieningen ten behoeve van duurzame energieopwekking in de vorm van warmtepompen behorend bij de naastgelegen woonbestemming en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
6.2
Wonen
Met de bestemming 'Wonen' krijgt het plangebied een passende bestemming. Hiermee worden deze gronden bestemd voor wonen in een hoofdmassa. Er zijn 13 gestapelde wooneenheden toegestaan. Voor de hoofdmassa geldt een maximale bouwhoogte van 11 meter. Hoewel het nieuwe gebouw een bouwhoogte van 9,5 meter krijgt, is het peil in het plangebied in het oostelijke deel lager dan het westelijke deel. Daarom wordt een maximale bouwhoogte van 11 meter aangehouden. Verder zijn ook beroepsmatige en bedrijfsmatige activiteiten in de vorm van dienstverlening in de hoofdmassa toegestaan. Hierbij geldt een maximum van 50 m2 bruto vloeroppervlak per woning incl. bijbehorende berging.
6.3
Waarde - Archeologie 2
Verder is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' overgenomen uit het geldende bestemmingsplan. Naar verwachting aanwezige, archeologische waarden worden hiermee beschermd.
41
42
Bijlagen bij de toelichting
43
Bijlage 1 Verkennend en aanvullend bodemonderzoek
44
2021 Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Veerstraat 1 te Waspik
MM21063 Montferland Milieu B.V. 2-6-2021
Montferland Milieu B.V. Lindestraat 11 7039 AW Stokkum (Gld) Tel: 0314-640414 info@montferlandmilieu.nl www.montferlandmilieu.nl
TITELBLAD
Projectnaam Projectnummer
Adres Postcode en plaats
Aanleiding
Versienummer
Veerstraat 1 te Waspik MM21063
Veerstraat 1 5165 VG Waspik
Bestemmingsplanwijziging
1
Status
Definitief
Datum
2-6-2021
Plaats
Stokkum
Opsteller
Montferland Milieu B.V.
INHOUDSOPGAVE 1.
INLEIDING ...................................................................................................................................................... 3 1.1
Achtergrond .......................................................................................................................................... 3
1.2
Kwaliteit ................................................................................................................................................ 3
1.3
Betrouwbaarheid .................................................................................................................................. 3
1.4
Onafhankelijkheid ................................................................................................................................. 3
1.5
Leeswijzer ............................................................................................................................................. 3
2.
VOORONDERZOEK ......................................................................................................................................... 4 2.1
Geraadpleegde bronnen ....................................................................................................................... 4
2.2
Huidige situatie ..................................................................................................................................... 4
2.3
Historie ................................................................................................................................................. 5
2.4
Asbest ................................................................................................................................................... 6
2.5
PFAS ...................................................................................................................................................... 6
2.6
Voorgaande onderzoeken .................................................................................................................... 6
2.7
Geohydrologie ...................................................................................................................................... 6
2.8
Locatie inspectie ................................................................................................................................... 6
2.9
Conclusie vooronderzoek ..................................................................................................................... 6
3.
HYPOTHESE EN ONDERZOEKSOPZET ............................................................................................................. 7 3.1
Hypothese ............................................................................................................................................. 7
3.2
Onderzoeksopzet .................................................................................................................................. 7
4.
RESULTATEN .................................................................................................................................................. 8 4.1
Uitvoering veldwerk.............................................................................................................................. 8
4.2
Samenstelling (meng)monsters en chemische analyses ...................................................................... 9
4.3
Interpretatie analyseresultaten ............................................................................................................ 9
4.4
Uitsplitsing mengmonster .................................................................................................................. 10
4.5
Aanvullend onderzoek boring 03 ........................................................................................................ 10
5.
CONCLUSIE .................................................................................................................................................. 11 5.1
Algemeen ............................................................................................................................................ 11
5.2
Conclusie en aanbevelingen ............................................................................................................... 11
BIJLAGEN BIJLAGE 1 BIJLAGE 2 BIJLAGE 3 BIJLAGE 4 BIJLAGE 5 BIJLAGE 6 BIJLAGE 7 BIJLAGE 8 BIJLAGE 9 BIJLAGE 10 BIJLAGE 11 BIJLAGE 12
Topografische kaart Kadastrale kaart met gegevens Situatietekening met monsternamepunten Boorprofielen Analysecertificaten grond Analysecertificaten grondwater Toetsingstabellen Projectfoto's Informatie vooronderzoek Onafhankelijkheidsverklaring Toegepaste normen Toelichting toetsingskader
1.
INLEIDING
1.1 Achtergrond In opdracht van initiatiefnemer heeft Montferland Milieu B.V. een verkennend en aanvullend bodemonderzoek verricht aan de Veerstraat 1 te Waspik (gemeente Waalwijk). Het bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van een voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Het onderzoek heeft tot doel vaststellen of er een grond- of grondwaterverontreiniging aanwezig is en welke mogelijk een belemmering kan vormen. 1.2 Kwaliteit De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door Montferland Milieu B.V. conform de beoordelingsrichtlijn BRL-SIKB 2000. Montferland Milieu B.V. is gecertificeerd en erkend voor het uitvoeren van milieuhygiënisch bodemonderzoek conform deze beoordelingsrichtlijn. Het toepassingsgebied van dit certificaat betreft de BRLSIKB protocollen 2001 (plaatsen handboringen en peilbuizen, nemen grondmonsters), 2002 (nemen van grondwatermonsters) en 2018 (maaiveldinspectie en monsterneming asbest in bodem). De grond- en grondwatermonsters zijn (voor)behandeld door middel van de AS3000-methode in het door de Raad voor Accreditatie erkende laboratorium Eurofins Analytico B.V. te Barneveld. Montferland Milieu B.V. werkt volgens een kwaliteitssysteem, zoals beschreven in het kwaliteitshandboek. Ons kwaliteitssysteem is gecertificeerd volgens de kwaliteitsborgingsnormen van de NEN-EN-ISO 9001:2000.
1.3 Betrouwbaarheid Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de Nederlandse Norm NEN5740 (NEN5740:2009+A1:2016 nl ͚ŽĚĞŵ - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de ŵŝůŝĞƵŚLJŐŝģŶŝƐĐŚĞ ŬǁĂůŝƚĞŝƚ ǀĂŶ ďŽĚĞŵ ĞŶ ŐƌŽŶĚ͛Ϳ͘ Het nader bodemonderzoek is uitgevoerd conform de Nederlandse Technische Afspraak NTA5755 (NTA5755:2010 Ŷů ͚ŽĚĞŵ - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek - Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging͛). Het vooronderzoek, dat parallel loopt aan deze norm, is uitgevoerd conform de Nederlandse Norm NEN5725 (NEN 5725:2017 nl 'Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek'). Ondanks de zorgvuldigheid waarmee het onderzoek is uitgevoerd, is het altijd mogelijk dat eventueel lokaal voorkomende verontreinigingen niet zijn ontdekt. 1.4 Onafhankelijkheid Tussen Montferland Milieu B.V. en de opdrachtgever is geen sprake van een relatie, die de onafhankelijkheid en de integriteit zouden beïnvloeden en/of haar werkzaamheden zou kunnen belemmeren. De onafhankelijkheidsverklaring van het uitgevoerde veldwerk is opgenomen in bijlage 10. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door erkende medewerker van Montferland Milieu B.V. 1.5 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is de voorinformatie beschreven.
Aan de hand van deze gegevens is in hoofdstuk 3 de hypothese gedefinieerd en is de onderzoeksopzet vastgesteld. Hoofdstuk 4 behandelt de resultaten van het onderzoek. Ten slotte zijn in hoofdstuk 5 de conclusies en aanbevelingen gedefinieerd.
MM21063 3
2.
VOORONDERZOEK
2.1 Geraadpleegde bronnen Voor aanvang van het bodemonderzoek zijn de (historische) gegevens, die relevant zijn voor het onderzoek verzameld. In bijlage 9 is de informatie van het vooronderzoek opgenomen. Bij het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: informatie van de opdrachtgever informatie uit het Bodembeheer gemeente Waalwijk informatie uit het Provinciaal informatiesysteem informatie van de website topotijdreis.nl informatie van de website bodemloket.nl informatie van de website DINOloket.nl informatie van de website ruimtelijkeplannen.nl locatie inspectie 2.2 Huidige situatie De onderzoekslocatie is gelegen aan de Veerstraat 1 te Waspik (gemeente Waalwijk). De locatie is kadastraal bekend als gemeente WPK01, sectie G, nummer 1369. De totale onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 670 m2. In bijlage 1 is de topografische kaart weergegeven. Bijlage 2 bevat de kadastrale kaart met kadastrale gegevens en in bijlage 3 is de situatietekening met monsternamepunten weergegeven. De onderzoekslocatie is gelegen in het centrum van Waspik. Op de onderzoekslocatie is een horecagelegenheid gevestigd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing te slopen en nieuwbouw op het perceel te realiseren.
Figuur 1: Weergave ruimtelijkeplannen.nl
Figuur 2: Weergave nieuwbouwlocatie
MM21063 4
2.3 Historie Informatie uit het provinciaal informatiesysteem en Bodembeheer gemeente Waalwijk Er zijn geen relevante gegevens van de historie van het terrein bekend welke van invloed zouden kunnen zijn op de onderzoeksstrategie. Op de locatie hebben zich in het verleden, voor zover bekend, geen calamiteiten voorgedaan. De onderzoekslocatie ligt binnen de kwaliteitszone 3 (bovengrond) en 7 (ondergrond) ͚tŽŶĞŶ voor 1945͛ waarvoor de gemeente Waalwijk achtergrondgehalten heeft vastgesteld. Binnen deze regio kunnen verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK, PCB en minerale olie worden verwacht. De locatie is volgens de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart gelegen in de kwaliteitszone wonen (bovengrond) en AW2000 (ondergrond) met als bodemfunctieklasse wonen. Informatie van de website topotijdreis.nl Uit historisch kaartmateriaal is gebleken dat het perceel vanaf 1920 bebouwd is geraakt. De historische kaarten uit 1920 en 1950 zijn enigszins verschoven en geven geen goed beeld van de locatie.
Figuur 3: Historische kaart (1920)
Figuur 4: Historische kaart (1950)
Figuur 5: Historische kaart (1980)
Figuur 6: Historische kaart (2015)
Informatie uit de omgevingsrapportage Noord-Brabant Uit informatie uit de omgevingsrapportage blijkt dat er geen historische activiteiten van het perceel (in de nabije omgeving) bekend zijn. Het bodemrapport is opgenomen in bijlage 9.
Figuur 7: Weergave bodemloket.nl
MM21063 5
2.4 Asbest Bij het vooronderzoek zijn geen gegevens naar voren gekomen die kunnen duiden op de aanwezigheid van asbest op of in de bodem van de onderzoekslocatie. Uit informatie van de omgevingsdienst Veluwe IJssel blijkt echter wel dat er in de nabij omgeving in 2017/2018 een sanering asbest in grond heeft plaatsgevonden. 2.5 PFAS Er zijn geen specifieke aanwijzingen voor de aanwezigheid van PFAS ter plaatse van de onderzoekslocatie. Atmosferische depositie kan de enige (beperkte) bron van PFAS-verontreiniging op het de locatie zijn. Van atmosferische depositie is bekend dat dit beperkt tot verhoogde PFAS-gehaltes voornamelijk in de bovengrond. 2.6 Voorgaande onderzoeken Op en in de nabije omgeving van de onderzoekslocatie hebben voorzover bekend geen voorgaande bodemonderzoeken plaatsgevonden. 2.7 Geohydrologie Op basis van de geologische overzichtskaarten en grondwaterkaart van Nederland kan het volgende beeld van de bodemopbouw worden geschetst. Het maaiveld bevindt zich volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) aan de oostzijde op een hoogte van circa 2,6 m +NAP en aan de westzijde op een hoogte van circa 0,75 m +NAP. De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt ± 0,0 m +NAP, waardoor het grondwater zich aan de westzijde op ± 0,75 m -mv zou bevinden.
Uit de grondwaterkaarten van TNO blijkt dat de regionale grondwaterstromingsrichting noordwestelijk is gericht. De lokale grondwaterstromingsrichting kan plaatselijk worden beïnvloed door sloten, beken, rivieren, rioleringen, onttrekkingen e.d. 2.8 Locatie inspectie Bij de locatie inspectie zijn geen bijzonderheden waargenomen. De onderzoekslocatie werd aangetroffen zoals op basis van het vooronderzoek kon worden verwacht.
Figuur 8: Overzichtsfoto onderzoeklocatie voorzijde
Figuur 9: Overzichtsfoto onderzoeklocatie achterzijde
2.9 Conclusie vooronderzoek De onderzoekslocatie is op basis van het vooronderzoek onverdacht op het voorkomen van bodemverontreinigingen. De onderzoekslocatie is eveneens onverdacht op het voorkomen van PFAS en asbest in de bodem.
MM21063 6
3.
HYPOTHESE EN ONDERZOEKSOPZET
3.1 Hypothese Op basis van de beschikbare informatie omtrent het historisch en huidig gebruik van de locatie, kan de gehele onderzoekslocatie als niet verdacht worden beschouwd. De gehele locatie conform de strategie 'Onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie (ONV)' onderzocht. Deze hypothese gaat ervan uit dat op een locatie geen of slechts licht verhoogde gehalten worden gemeten. De resultaten uit het vooronderzoek geven geen aanleiding het standaard NEN-analysepakket voor grond en grondwater uit te breiden. 3.2 Onderzoeksopzet In de onderstaande tabel is de onderzoeksopzet weergegeven. Aantal boringen (excl. peilbuizen) Aantal peilbuizen 4 tot ± 0,5 m -mv 1 1 tot ± 2,0 m -mv AS3000-pakket grond: x Lutum en organische stof x Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni, Zn) x PCB's x Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen x Minerale olie (C10-40)
Analyses grond 1 * AS3000-pakket bovengrond 1 * AS3000-pakket ondergrond
Analyses water 1 * AS3000-pakket grondwater
AS3000-pakket grondwater: x Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni, Zn) x Vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, styreen, naftaleen) x Vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (vinylchloride, chloorethenen, chloormethaan, chloroform, chloorethanen, chloorpropanen en bromoform) x Minerale olie (C10-40)
Opgemerkt wordt dat de gehanteerde onderzoeksstrategie (NEN 5740) niet geschikt is om de eventuele aanwezigheid van asbest in de bodem aan te tonen. Onderzoek naar asbest in de grond dient plaats te vinden conform de NEN 5707. Uit het vooronderzoek is gebleken dat de locatie onverdacht is met betrekking tot asbest. Opgemerkt wordt dat bij de uitvoering van het veldwerk aandacht is besteed aan het eventueel zintuiglijk voorkomen van asbest op en in de bodem.
MM21063 7
4.
RESULTATEN
4.1 Uitvoering veldwerk De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 13-04-2021 en op 21-04-2021 is de peilbuis bemonsterd. Op de tekening in bijlage 3 staan de diverse boringen weergegeven. Tijdens het opstellen van het boorplan is rekening gehouden met de doelstellingen en de richtlijnen, welke geformuleerd zijn in de inleiding. Daarnaast is rekening gehouden met de onderzoeksprotocollen en de ligging van kabels en leidingen. Van het opgeboorde materiaal is een boorbeschrijving conform de NEN 5104 gemaakt en zijn er grondmonsters genomen over trajecten van ten hoogste 0,5 m, waarbij bodemlagen met verontreinigingskenmerken of een afwijkende textuur separaat bemonsterd zijn. Hierbij is gebruik gemaakt van de olie/watertest (O/W-test) en is gelet op afwijkende kleur of geur van de bodem. In de vaste bodem is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. De complete omschrijvingen van de boorprofielen staan vermeld in bijlage 4. In onderstaande tabel zijn de zintuiglijk waargenomen bijzonderheden weergegeven: Boring 01 01A 01B
Diepte boring (m -mv) 0,50 0,50 0,50
Traject (m -mv) 0,50 0,50 0,50
Waargenomen bijzonderheden Boring gestaakt i.v.m. massief Boring gestaakt i.v.m. massief Boring gestaakt i.v.m. massief
Voor de geplaatste peilbuis geldt dat het onderste gedeelte van de peilbuis (het peilfilter) is geperforeerd. Boven het filter is een laag zwelklei aangebracht, zodat er géén verontreinigingen van bovenaf in de peilbuis kunnen migreren. De filterstelling is bepaald op basis van de grondwaterstand en/of storende laag, zoals deze tijdens de veldwerkzaamheden is ingeschat. De peilbuis is direct na plaatsing afgepompt en na een wachttijd van minimaal een week is het grondwater bemonsterd. In de onderstaande tabel staan de meetresultaten van het grondwater weergegeven: Peilbuis 04
Filterstelling (m -mv) 1,20 - 2,20
Grondwaterstand (m -mv) 0,64
Zuurgraad (pH) 6.20
Geleidbaarheid EGV (µS/cm) 230
Troebelheid (NTU) 85
Toelichting: Geen van de gemeten waarden van de zuurgraad en de geleidbaarheid wijkt duidelijk af van de waarde, welke gezien de natuurlijke omstandigheden verwacht kan worden. De waarde van de troebelheid is verhoogd t.o.v. de natuurlijke achtergrondwaarde (tussen 0 en 10 NTU). Door deze hoge troebelheid kan een overschatting van organische parameters ten gevolg hebben.
MM21063 8
4.2 Samenstelling (meng)monsters en chemische analyses Op basis van de zintuiglijke waarnemingen zijn (meng)monsters samengesteld van de grond. De zintuigelijke waarnemingen geven geen aanleiding het standaard NEN-analysepakket voor grond en grondwater uit te breiden. In onderstaande tabel staan de mengmonsters weergegeven. Grond(meng)monster(s) MM01 MM02 Grondwatermonster(s) 04
Samenstelling 02: 0.10 - 0.50, 03: 0.00 - 0.50, 04: 0.00 0.50, 05: 0.10 - 0.50, 06: 0.00 - 0.50 03: 0.50 - 1.00, 03: 1.00 - 1.50, 03: 1.50 2.00, 04: 0.50 - 1.00, 04: 1.00 - 1.30
Traject (m -mv) 0,00 - 0,50
Analyse AS3000-pakket grond
0,50 - 2,00
AS3000-pakket grond
04-1-1
1,20 - 2,20
AS3000-pakket grondwater
Motivatie: MM01 is samengesteld uit de individuele grondmonsters van de bovengrond. MM02 is samengesteld uit de individuele grondmonsters van de ondergrond. 4.3 Interpretatie analyseresultaten In bijlage 5 zijn de analyserapporten van de grond opgenomen en in bijlage 6 van het grondwater. De toetsingstabellen zijn weergegeven in bijlage 7. De gemeten gehalten zijn met behulp van het organisch stof- en lutumgehalte, omgerekend naar gehalten in een standaardbodem en vervolgens getoetst. In algemene zin wordt opgemerkt dat bij analyse van mengmonsters het gehalte in de individuele deelmonsters zowel hoger als lager kunnen zijn dan het aangetoonde gehalte in het betreffende mengmonster. In de onderstaande tabel worden de concentraties aangegeven die de geldende toetsingskaders overschrijden, daarnaast is een indicatie van de te verwachten bodemkwaliteitsklasse volgens het Besluit Bodemkwaliteit weergegeven. Grond (meng)monster(s)
Traject (m -mv)
Gehalte > AW/S
Gehalte > T
Gehalte > I
Indicatie BBK
MM01
0,00 - 0,50
-
-
Industrie
MM02
0,50 - 2,00
Cadmium (0,6185) Kwik (0,2033) Lood (130,1) Zink (299,6) PAK (6,855) Cadmium (0,662) Kwik (0,2003) Lood (243,7) Minerale olie (937) PCB (0,0765)
Koper (115,5)
Zink (1283) PAK (106,7)
NT
Grondwatermonster(s) 04-1-1 1,20 - 2,20 Betekenis van de tekens en afkortingen WBB: S = streefwaarde AW = achtergrondwaarde (licht verontreinigd) T = tussenwaarde (matig verontreinigd) I = interventieaarde (sterk verontreinigd) - = onder achtergrondwaarde of detectiegrens
-
N.v.t. Betekenis van de afkortingen BBK: AW= toepasbaar voldoet aan Achtergrondwaarde Wonen= toepasbaar (functieklasse Wonen) Industrie= toepasbaar (functieklasse industrie) NT= niet toepasbaar
Toelichting: Het is bekend dat in de grond zware metalen in sterk fluctuerende gehalten kunnen voorkomen, zowel door natuurlijke bronnen als door menselijke activiteiten veroorzaakt. De gehalten betreffen dan (natuurlijke) achtergrondwaarden. PCB's werden onder andere toegepast als isolatievloeistof in transformatoren, als hydraulische vloeistof, koelvloeistof en weekmaker in kunststoffen. Voor zover bekend is op de onderzoekslocatie geen bron aanwezig ŽĨĂĂŶǁĞnjŝŐŐĞǁĞĞƐƚĚŝĞĞĞŶĚĞƌŐĞůŝũŬĞǀĞƌŽŶƚƌĞŝŶŝŐŝŶŐŵĞƚW͛ƐǀĞƌŽŽƌnjĂĂŬƚŬĂŶŚĞďďĞŶ͘ De verhoogde gehalten PAK in de grond kunnen veroorzaakt worden door antropogene bestandsdelen (puin/kooldeeltjes) en/of door microscopisch kleine deeltjes (bijv. roet). Het betreffen dan diffuus verspreide verontreinigingen.
MM21063 9
Minerale olie worden alle uit aardolie afgeleide producten verstaan zoals benzine, diesel, stook- en huisbrandolie ĞƚĐ͘ Ğ ĂĂŶĚƵŝĚŝŶŐ ͛ŵŝŶĞƌĂůĞ ŽůŝĞ͛ ǁŽƌĚƚ ŐĞďƌƵŝŬƚ Žŵ ĚĞnjĞ ƉƌŽĚƵĐƚĞŶ ƚĞ ŽŶĚĞƌƐĐŚĞŝĚĞŶ ǀĂŶ ĚŝĞƌůŝũŬĞ ŽĨ plantaardige oliën. Minerale olie is lichter dan water en blijft drijven op de grondwaterspiegel (drijflaag). Het is een mengsel van veel verschillende koolwaterstoffen, waarvan de meeste vrij slecht oplosbaar zijn in water. Voor zover bekend is op de onderzoekslocatie geen bron aanwezig of aanwezig geweest die een dergelijke verontreiniging met minerale olie veroorzaakt kan hebben. In het grondwater is geen van de onderzochte stoffen aangetroffen in een concentratie boven de achtergrondwaarde of de detectiegrens van de desbetreffende stof. 4.4 Uitsplitsing mengmonster Naar aanleiding van het matig en sterk verhoogde gehalte aan koper, zink en PAK in de ondergrond mengmonster MM02 is besloten dit mengmonster uit te splitsen en de afzonderlijke monsters te laten analyseren op koper, zink en PAK. In de onderstaande tabel staan de overschrijdingen weergegeven. Grond (meng)monster(s)
Traject (m -mv)
Gehalte > AW
Gehalte > T
Gehalte > I
03-2 03-3
0,50 - 1,00 1,00 - 1,50
Koper + -
Zink ++ -
03-4
1,50 - 2,00
-
-
04-2
0,50 - 1,00
-
04-3
1,00 - 1,30
Zink + PAK + Koper + Zink + PAK +
PAK +++ Koper +++ Zink +++ PAK +++ Koper +++ Zink +++ PAK +++ -
-
-
Betekenis van de tekens en afkortingen: AW = achtergrondwaarde (licht verontreinigd) T = tussenwaarde (matig verontreinigd) I = interventieaarde (sterk verontreinigd)
- = onder achtergrondwaarde of detectiegrens + = tussen achtergrondwaarde en ½(S+I) ++ = tussen ½(S+I) en interventiewaarde +++ = boven interventiewaarde
Toelichting: In de ondergrondmonsters van boring 03 zijn sterk verhoogde gehalten aan zink, koper en PAK aangetoond. In ondergrondmonster 04 is slechts licht verhoogde gehalten aangetroffen. 4.5 Aanvullend onderzoek boring 03 Op 19-05-2021 is aanvullend één boring dieper doorgezet in de aangetroffen verontreiniging ter verticale afperking en twee boringen om de verontreiniging horizontaal af te perken. In de onderstaande tabel staan de overschrijdingen weergegeven. Grond (meng)monster(s)