Bijlage 1 Toelichting - BP Grotestr 239-243 Waalwijk
Tekst van het document
Cultuurhistorie Cultuurhistorische waarden kunnen betrekking hebben op bebouwde cultuurhistorie (monumenten), cultuurhistorische landschappen en archeologische waarden van een gebied. Op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart (CHW) van provincie Noord-Brabant is bepaald welke cultuurhistorische waarden of elementen binnen of in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn.
32
Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart van provincie Noord-Brabant. Het plangebied is blauw omlijnd.
Op de CHW is te zien dat het plangebied in de nabijheid van meerdere cultuurhistorisch waardevolle elementen ligt. Zo maken de Besoyensestraat, Grotestraat en Stationstraat deel uit van stedenbouw van redelijk hoge cultuurhistorische waarde, vanwege de lintbouwing. Het gaat om een opvallend langgerekte oost-west georiënteerde lintbebouwing langs de as Hoogeinde, Loefstraat, Laageinde, Hoekeinde/Nieuwstraat, Grotestraat en Westeinde inclusief het restant van de Winterdijk. Deze as vormde de verbinding tussen de drie voormalige dorpen Besoijen, Waalwijk en Baardwijk, waaruit de stad Waalwijk later ontstaan is. De relatief dicht aaneengesloten gevelwanden aan weerszijden van de straten worden met enige regelmaat onderbroken door een smalle doorgang naar de achtererven. Het huidige bebouwingsbeeld dateert van de periode 1850-1940. Na de aanleg van de langstraatspoorlijn aan het eind van de 19e eeuw ontstond er een bebouwingslint vanaf de dijk naar het zuidelijker gelegen station. Pas na 1940 begon een daadwerkelijke uitbreiding in de breedte, vooral naar het zuiden, waardoor omvangrijke delen van de landbouwgronden werden ingevuld met woonhuizen en de lintbebouwing aan de zuidzijde steeds meer werd omsloten door woonwijken. De Mr. van Coothstraat, Van Brederodelaan, Kerkstraat en Putstraat zijn historisch geografische lijnen met een redelijk hoge cultuurhistorische waarde.
Deze straten vormden net als de Besoyensestraat en Stationstraat een verbinding tussen de langstraatspoorlijn en het oude bebouwingslint tegen de Winterdijk. Direct ten oosten van het plangebied staat een Rijksmonument. Het betreft het oude raadhuis wat recent is omgebouwd naar een Schoenenmuseum. Direct tegenover het plangebied aan de Grotestraat 196, 198 en 200-200a staan enkele winkelpanden/woonhuizen die zijn aangewezen als gemeentelijk monument. Ten westen van het plangebied staat aan de Winterdijk een voormalig overheidsgebouw dat is aangewezen als ‘overige bouwkunst’.
33
Beoordeling plan Het plangebied is gelegen binnen een gebied dat historisch stedenbouwkundig van cultuurhistorische betekenis is. Bij het architectonische ontwerp van het pand is hier zo goed mogelijk rekening mee gehouden met verwijzingen naar zowel het naastgelegen Krophollercomplex, aangrenzende panden in de Grotestraat als naar de arbeiderswoningen van weleer (zie paragraaf 2.2 voor een uitgebreide beschrijving van het ontwerp). Op die manier wordt tevens recht gedaan aan de monumentale waarde van omliggende panden. Vanwege de doorsteek tussen de Winterdijk en de Grotestraat krijgen de aanliggende monumenten meer ruimte rondom zich en worden ze beter beleefbaar.
4.2. Water In artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Zodoende heeft initiatiefnemer een zogenoemde waterparagraaf laten opstellen. Deze waterparagraaf is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Het plangebied is gelegen binnen het werkingsgebied van waterschap Brabantse Delta. In de waterparagraaf wordt achtereenvolgens ingegaan op het waterbeleid op rijksniveau, het beleid van gemeente Waalwijk en het beleid van waterschap Brabantse Delta. Daarna wordt ingegaan op de huidige waterhuishoudelijke situatie ter plaatse, gevolgd door een beschrijving van de toekomstige situatie. Beoordeling plan Door Econsultancy is voor dit plan een watertoets opgesteld. Het rapport is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. In de watertoets is het een korte omschrijving van het waterrelevante beleid, de waterhuishoudkundige situatie en toekomstige ontwikkeling beschreven. Ook zijn randvoorwaarden en uitgangspunten voor de planuitwerking meegegeven. Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Aanvullend op de watertoets is door Econsultancy een doorlatendheidsonderzoek uitgevoerd.
Met dit onderzoek kan worden bepaald of de bodem geschikt is voor de infiltratie van hemelwater. Op basis van de resultaten uit het waterdoorlatendheidsonderzoek wordt de bodem, mede op basis van de textuur, geschikt geacht voor de infiltratie van hemelwater. Gelet op beide onderzoeken zijn vanuit het oogpunt waterhuishouding geen belemmeringen ten aanzien van de bestemmingswijziging en de realisatie van het plan te verwachten.
34
4.3. Flora en fauna Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Met ingang van 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) ingegaan. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wnb staat in het teken van de verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. 4.3.1. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in een natuurgebied dat in het kader van de Wnb is aangewezen (Natura2000-gebied). De dichtstbijzijnde natuur die onderdeel uitmaakt van het Natura2000netwerk is het gebied “Langstraat”, dat is gelegen op ongeveer 1,7 kilometer ten westen van het plangebied. Ook ligt op ongeveer 2,2 kilometer ten zuidoosten van het plangebied het Natura2000-gebied “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen”.
Dit zijn ook de twee dichtstbijzijnde stukjes Natuurnetwerk Nederland (zoals deze is begrensd als zijnde Natuurnetwerk Brabant in de Interim omgevingsverordening van provincie Noord-Brabant). Binnen een straal van 10 kilometer van het plangebied liggen nog twee andere Natura2000gebieden, te weten “Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem” (ca. 7,5 km ten noordwesten) en “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek” (ca. 7,6 km ten oosten). Directe negatieve effecten van dit project op bovengenoemde beschermde natuurgebieden zijn vooral gelet op de afstand van het projectgebied tot aan deze natuurgebieden niet te verwachten. Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om die reden is voor dit bestemmingsplan een stikstofdepositieberekening gemaakt, die als bijlage bij dit bestemmingsplan is gevoegd. Voor het plan is uitsluitend het projecteffect van de uiteindelijke gebruiksfase inzichtelijk gemaakt. Voor de aanlegfase (sloop en bouwwerkzaamheden) wordt aangesloten bij de in de Wet stikstofreductie en natuurbescherming (Wsn) opgenomen partiële vrijstelling, die per 1 juli 2021 in werking is getreden.
Uit het onderzoeksrapport blijkt dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden ten gevolge de gebruiksfase kleiner dan of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een projecteffect kleiner dan of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming) benodigd is voor het aspect stikstof.
35
4.3.2. Soortenbescherming De Wnb kent drie beschermingsregimes voor dier- en plantensoorten: Paragraaf 3.1: alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn; Paragraaf 3.2: alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; Paragraaf 3.3: overige soorten, genoemd in de bijlage van de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen. Ecologische quickscan Voor dit bestemmingsplan is een quickscan uitgevoerd naar het voorkomen van flora en fauna in het plangebied. De resultaten van dit onderzoek zijn gerapporteerd en opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting. Uit de quickscan blijkt dat binnen het plangebied verschillende beschermde diersoorten kunnen worden verwacht. Negatieve effecten op beschermde diersoorten als gevolg van de beoogde ingrepen kunnen daardoor op voorhand niet worden uitgesloten. Voor het onderdeel soortbescherming is nader onderzoek nodig naar de aanwezigheid van beschermde zoogdieren (vleermuizen) en vogels (gierzwaluw en huismus). Het rapport van dit nader onderzoek is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. De onderzoeksresultaten volgen hieronder. Ecologisch nader onderzoek Het nader onderzoek naar vleermuizen vond plaats binnen de daarvoor meest geschikte periodes. Tijdens het onderzoek in de zomer zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen.
Tijdens het onderzoek in het najaar is een paarverblijfplaats van een gewone dwergvleermuis aangetoond. Er zijn geen aanwijzingen dat het plangebied zelf een essentieel foerageergebied of vliegroute vormt of dat het project negatieve effecten heeft op nabijgelegen foerageergebieden of vliegroutes. Ook het nader onderzoek naar vogels vond op meerdere momenten plaats. In het plangebied zijn geen (indicaties van) nesten van huismussen of gierzwaluwen waargenomen. Wel zijn gierzwaluwen hoog overvliegend waargenomen. De verblijfplaatsen van deze vogelsoort liggen buiten de beïnvloedingssfeer van de beoogde werkzaamheden. Ten aanzien van vogelsoorten moet bij de werkzaamheden te allen tijde rekening gehouden worden met de aanwezigheid van broedende vogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. Daarnaast is voor het uitvoeren van werkzaamheden een ontheffing van de Wet Natuurbescherming ten aanzien van het aantasten van vaste verblijfplaatsen en het verstoren van de aanwezige gewone dwergvleermuis noodzakelijk. Deze ontheffing wordt aangevraagd parallel aan de ruimtelijke procedure van dit bestemmingsplan. De ontheffing is van belang voor de activiteiten om het project daadwerkelijk te kunnen realiseren, in dit geval in beginsel voor de sloop van de bestaande panden.
Aangezien er geen aanwijzingen zijn dat de ontheffing niet kan worden verkregen, staat de aanvraag om ontheffing de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.
36
4.3.3. Zorgplicht Voor alle soorten en gebieden geldt de algemene zorgplicht. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11 Wnb. In het tweede lid wordt de zorgplicht geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 4.3.4. Conclusie Het project heeft geen nadelige effecten voor beschermde natuurgebieden. In het kader van soortenbescherming is voor het uitvoeren van werkzaamheden een ontheffing van de Wet Natuurbescherming noodzakelijk ten aanzien van het aantasten van vaste verblijfplaatsen en het verstoren van de aanwezige gewone dwergvleermuis. Deze ontheffing wordt aangevraagd parallel aan de ruimtelijke procedure van dit bestemmingsplan. De aanvraag om ontheffing staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.
4.4. Verkeer en parkeren Parkeren De parkeerbehoefte is bepaald aan de hand van de Nota Parkeernormen Waalwijk 2015. Volgens deze nota is het plangebied gelegen in het centrum van Waalwijk. In navolgende tabellen is de parkeerbehoefte bepaald voor zowel de huidige als toekomstige situatie. Voor de parkeernormen is per type woning gerekend met een worst-casekengetal. Uit navolgende tabellen is af te lezen dat de parkeerbehoefte in de huidige situatie afgerond 38 parkeerplaatsen betreft. Voor zover het om de parkeerbehoefte van de huidige winkel gaat (36 parkeerplaatsen), wordt volledig gebruik gemaakt van parkeerplaatsen in de openbare ruimte. In de beoogde situatie zal de totale parkeerbehoefte afnemen tot afgerond 35 parkeerplaatsen, uitgaande van een programma met 200 m² aan detailhandel en 19 woningen. Omdat ook andere functies zijn toegestaan, is worstcase gekeken welke functie de grootste parkeerbehoefte kent. Uitgaande van 200 m² aan horeca plus 19 woningen kent het plan in de beoogde situatie een parkeerbehoefte van 45 parkeerplaatsen. Dit zou een toename van de parkeerbehoefte betekenen van ongeveer 7 parkeerplaatsen. In overleg tussen initiatiefnemer en gemeente Waalwijk is bepaald dat voor de parkeerbehoefte gebruik kan worden gemaakt van de parkeergelegenheid in de openbare ruimte, met in het bijzonder het parkeerterrein aan de Taxandriaweg.
37
PARKEERBEHOEFTE HUIDIGE SITUATIE Type bebouwing Functie* Aantal Eenheid Norm Eenheid Behoefte Vrijstaande woning (nr. 239) Koop vrijstaand 1 woningen 1,8 parkeerplaatsen per woning 1,8 Commerciële ruimte** Binnenstad of hoofdwinkelcentrum 1.272 m² bvo 2,8 parkeerplaatsen per 100 m² bvo 35,6 Totaal*** 37,4 * Functie o.b.v. Bijlage 2 (Parkeernormen) bij Nota Parkeernormen Waalwijk 2015 ** Detailhandel in het stadscentrum (oppervlakte conform BAG-viewer) *** Oorspronkelijk was ook nog een scoutinggebouw op het perceel aanwezig, waardoor het totaal nog hoger zou uitvallen. BEOOGDE SITUATIE Type bebouwing Functie* Aantal Eenheid Norm Eenheid Behoefte Woningen Maisonnette Koop, etage duur 5 woningen 1,6 parkeerplaatsen per woning 8,0 Appartementen: 14 woningen - - 60% huur Huur, etage, vrije sector 9 woningen 1,4 parkeerplaatsen per woning 12,6 - 40% koop Koop, etage, duur 5 woningen 1,6 parkeerplaatsen per woning 8,0 Commerciële ruimte Detailhandel Binnenstad of hoofdwinkelcentrum 200 m² bvo 2,8 parkeerplaatsen per 100 m² bvo 5,6 Horeca Restaurant / eetcafé 200 m² bvo 8,0 parkeerplaatsen per 100 m² bvo 16,0 Totale parkeerbehoefte bij programma woningen plus 200 m² binnenstandsfunctie (detailhandel) 34,2 Totale parkeerbehoefte worstcase bij programma woningen plus 200 m² horeca 44,6 * Functie o.b.v. Bijlage 2 (Parkeernormen) bij Nota Parkeernormen Waalwijk 2015
De dichtstbijzijnde bruikbare toegang tot het parkeerterrein aan de Taxandriaweg is gelegen op ongeveer 150 tot 180 meter van de toegang van de nieuwe woningen en commerciële ruimte. Volgens de tabel uit paragraaf 4.7.1 van de Nota Parkeernormen Waalwijk 2015 bedraagt de maximaal acceptabele loopafstand voor de functies werken, winkelen (zowel voor dagelijkse als voor niet-dagelijkse boodschappen) en ontspanning (waaronder ook wordt verstaan horecafuncties) in het centrumgebied 600 meter. Voor wonen is 250 meter een acceptabele loopafstand. Voor alle functies wordt dus aan de maximaal acceptabele loopafstand voldaan, waardoor gebruik kan worden gemaakt van het parkeerterrein aan de Taxandriaweg. Het parkeerterrein heeft voldoende capaciteit om in de hierboven bepaalde parkeerbehoefte te voorzien. Er worden dan ook geen problemen verwacht voor wat betreft de parkeerdruk. Verkeer Uit informatie van CBS Statline (Wijken en buurten 2021) blijkt dat Waalwijk in totaal 48.815 inwoners heeft en dat de buurt waarin het plangebied ligt (‘Centrum’) aan te merken is als ‘sterk stedelijk’ (2.198 adressen per km²). Dit is bepalend voor het bepalen van de verkeersgeneratie van het project. De hierna genoemde kengetallen voor verkeersgeneratie zijn afkomstig uit CROW-publicatie 381.
In de huidige situatie is er sprake van één grondgebonden koopwoning aan de Grotestraat 239 en 1.272 m² bruto vloeroppervlak detailhandel aan de Grotestraat 243. De verkeersgeneratie van een dergelijke woning in het centrum van een ‘sterk stedelijk gebied’ bedraagt maximaal 7,2 motorvoertuigbewegingen per etmaal (mvt/etm). Voor de winkel (waar eveneens horeca en commerciële dienstverlening is toegestaan) wordt uitgegaan van de kencijfers voor ‘binnenstad of hoofdwinkel(stads)centrum 30.000-50.000 inwoners’. De verkeersgeneratie bedraagt maximaal 30,8 mvt/etm per 100 m² bvo. De totale verkeersgeneratie in de huidige situatie bedraagt zodoende maximaal ((1*7,2)+(1272/100*30,8)=) 399,0 mvt/etm.
38
In de beoogde situatie is sprake van 19 appartementen en 200 m² bvo aan commerciële functies. De toegestane typen commerciële functies verschillen niet van wat voorheen mogelijk was. Bij de appartementen is sprake van 10 koopappartementen en 9 huurappartementen. Worst-case wordt gerekend met respectievelijk ‘koop, appartement, duur’ en ‘huur, appartement, duur’. De verkeersgeneratie bij ‘koop, appartement, duur’ is maximaal 6,2 mvt/etm per woning. Die voor ‘huur, appartement, duur’ bedraagt maximaal 4,5 mvt/etm per woning. Zodoende bedraagt de totale verkeersgeneratie in de beoogde situatie maximaal ((10*6,2)+(9*4,5)+(200/100*30,8)=) 164,1 mvt/etm maximaal. Per saldo zal de verkeersgeneratie vanwege voorgenomen ontwikkeling afnemen (234,9 mvt/etm). De verkeersgeneratie heeft in dit geval betrekking op enerzijds laden en lossen door leveranciers en anderzijds op bezoekers en bewoners. Aangezien de commerciële ruimte flink verkleind wordt, zal laden en lossen gaan afnemen. Verkeersgeneratie vanwege parkeren door bezoekers en bewoners wordt opgevangen binnen de reeds bestaande parkeergelegenheid in de omgeving, met name ter plaatse van het parkeerterrein aan de Taxandriaweg. Logischerwijs zal de toename van het aantal verkeersbewegingen dan ook daar gaan plaatsvinden.
De Taxandriaweg en ontsluiting van die weg hebben voldoende capaciteit en profiel om de toename aan verkeersbewegingen te verwerken.
4.5. Kabels, leidingen en hoogspanningsverbindingen Binnen en in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen planologisch beschermde kabels of leidingen aanwezig die tot belemmeringen in het plangebied leiden. De dichtstbijzijnde (bovengrondse) hoogspanningsverbinding is de verbinding Geertruidenberg - Waalwijk - ’sHertogenbosch, die op ongeveer 1,6 kilometer ten noorden van het plangebied is gelegen. Gezien deze afstand vormt deze hoogspanningsverbinding geen belemmering voor het plan.
4.6. Bezonning Omdat de beoogde nieuwbouw binnen het plangebied hoger is dan de bestaande bebouwing, kan toename van schaduw ontstaan. Voor het beoordelen van de effecten van beschaduwing werkt gemeente Waalwijk met de TNO-richtlijnen. Dit beleid stelt dat er sprake moet zijn van minimaal 2 uur zon op de vensterbank per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober. Naar aanleiding van de omgevingsdialoog is een bezonningsstudie uitgevoerd. Deze is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. Uit die studie blijkt dat het plan geen nadelige schaduweffecten heeft voor omliggende percelen of de woningen in het plan zelf. Het plan zorgt dan ook niet voor overschrijding van de TNO-eis aangaande bezonning van woningen in het plan zelf of in de omgeving.
39
40
Hoofdstuk 5.
Milieuaspecten
5.1. Bodem- en grondwaterkwaliteit In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient bij een bestemmingsplan dat nieuwe bouwmogelijkheden of een herinrichting van bestaande percelen mogelijk maakt, onderbouwd te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de voorgenomen functie. Dit kan door middel van een historisch onderzoek en/of een verkennend bodemonderzoek. Met dit onderzoek dient de bodem- en grondwaterkwaliteit in voldoende mate te worden vastgesteld. Uitgangspunt hierbij is dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor de voorgenomen functie. Beoordeling plan Voor dit bestemmingsplan is een aantal bodemonderzoeken uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna worden de belangrijkste bevindingen uit de onderzoeken besproken. Verkennend bodemonderzoek en onderzoek naar asbest in de bodem Grotestraat 239, Waalwijk Binnen het onderzoeksgebied zijn verhoogde gehalten aan lood, koper, kwik, zink en PAK. Voor de bovengrond geldt dat de licht tot matig verhoogde gehalten aan zware metalen waarschijnlijk zijn te relateren aan de diffuse binnenstedelijke bodemverontreiniging welke verwacht kan worden op basis van de bodemkwaliteitskaart (zone wonen voor 1900 – kern Waalwijk, bovengrond klasse industrie met 95-percentielwaarde > I voor enkele zware metalen).
Gezien bovenstaande en dat de interventiewaarde op de locatie niet wordt overschreden, wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Middels het verkennend bodemonderzoek is de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in voldoende mate vastgesteld. Afhankelijk van het toekomstig bodemgebruik kunnen de aangetoonde matig verhoogde gehalten aan lood kunnen mogelijk wel een belemmering vormen voor dit gebruik. Een loodconcentratie van 370 mg/kg levert bij het gebruik Wonen met tuin, weinig tot geen risico op gezondheidsschade. Voor andere gevoelige gebruiksvormen zoals kinderspeelplaatsen en moestuinen zijn de richtwaarden respectievelijk 260 en 390 mg/kg. De tijdens het huidige onderzoek gemeten gehalten aan lood variëren van 330 tot 460 mg/kg. Tijdens de het bodemonderzoek is op één plek asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen op de bodem. Het asbesthoudende materiaal betreft cement, golfplaat en bestaat uit hechtgebonden chrysotiel (10-15 %) en crocidoliet (5-10 %). Het totale gewogen gehalte aan asbest komt uit op 55 mg/kg d.s. Dat is groter dan 0,5 x interventiewaarde voor asbest, waardoor er noodzaak is voor het uitvoeren van een nader onderzoek naar asbest in de bodem conform de NEN 5707. Dit nader onderzoek is uitgevoerd en hieronder beschreven.
Nader onderzoek naar asbest in de bodem Grotestraat 239 te Waalwijk Uit de resultaten van het uitgevoerde nader onderzoek naar asbest in de bodem blijkt dat er geen asbest is aangetoond in een gehalte hoger dan de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s.
41
(gewogen). Zodoende kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Verkennend bodemonderzoek Grotestraat 243, Waalwijk Op basis van de resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat de bovengrond licht verontreinigd is met koper, lood en/of kwik. In de ondergrond zijn licht verhoogde gehalten met kwik en minerale olie gemeten. Bij indicatieve toetsing van de grondmonsters aan het Besluit bodemkwaliteit is zowel de boven- als ondergrond beoordeeld als klasse industrie. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties aan arseen en molybdeen aangetoond. Middels het verkennend bodemonderzoek is de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in voldoende mate vastgesteld. De resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek geven geen aanleiding voor het verrichten van een nader bodemonderzoek. Op basis van verkennend onderzoek naar asbest in de bodem is in de zandige bovengrond zowel visueel (fractie > 20 mm) als analytisch (fractie < 20 mm) geen asbest aangetoond. Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt redelijkerwijs geen bezwaren met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling te verwachten. Conclusie Op basis van het voorgaande is de bodemkwaliteit in voldoende mate vastgesteld.
De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot aanvullend onderzoek. Het aspect bodem vormt dan ook geen belemmering
5.2. Geluid Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) staat dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximum snelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. De Taxandriaweg en Altenaweg hebben een maximumsnelheidsregime van 50 km/uur en hebben daarmee een wettelijke geluidzone van 200 meter. Ook ligt het plangebied binnen de geluidzone van de A59 (400 meter). Econsultancy heeft een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai van deze wegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn daarbij ook enkele nabijgelegen niet-gezoneerde wegen in het onderzoek betrokken. De
42
onderzoeksresultaten zijn als bijlage opgenomen bij deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten. Uit het onderzoek blijkt dat alleen ten gevolge van de A59 een overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB optreedt. De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting wordt tot 5 dB overschreden. De maximaal te ontheffen waarde van 53 dB wordt enkel voor de noordgevel van het achterste pand op de 3e bouwlaag overschreden. Ingevolge de Wet geluidhinder dient en zal deze gevel in de toekomst doof worden uitgevoerd. Wegens de A59 is, voor de overige gevels waar een overschrijding op plaatsvindt van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, een afweging van geluidsreducerende maatregelen noodzakelijk. Op basis van de maatregelenafweging worden zowel bron- als overdrachtsmaatregelen niet doelmatig geacht, ofwel stuiten de maatregelen op overwegende financiële of stedenbouwkundige bezwaren. Gelet op het voorgaande heeft initiatiefnemer het college van B&W van Waalwijk verzocht om een hogere geluidbelasting (hogere waarde) toe te staan vanwege wegverkeerslawaai op de A59. De zogenoemde hogere waardenprocedure loopt gelijktijdig met de procedure van dit bestemmingsplan. Spoorweglawaai Het plangebied is niet gelegen binnen of in de buurt van een wettelijke geluidzone van een spoorweg.
Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor het plan. Industrielawaai Het plangebied ligt volgens het facetbestemmingsplan Geluidtoedeling Bedrijventerrein Haven deels binnen de geluidzone van het bedrijventerrein Haven. Volgens dit facetbestemmingsplan mogen binnen de geluidzone uitsluitend geluidsgevoelige objecten (zoals woningen) worden opgericht waarvoor een hogere waarde als bedoeld in artikel 45 van de Wet Geluidhinder is vastgesteld. Omdat voorliggend bestemmingsplan woningen mogelijk maakt binnen die geluidzone, is akoestisch onderzoek naar industrielawaai uitgevoerd om de hogere waarden te kunnen bepalen. Het onderzoeksrapport is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Uit het onderzoek blijkt dat het mogelijk is om vanwege het gezoneerde industrieterrein Haven een hogere waarde aan te vragen. Dit zal dan ook gebeuren, parallel aan de bestemmingsplanprocedure. Vanwege eisen aan nieuwbouw vanuit het Bouwbesluit wordt een binnenniveau van 35 dB(A) voor industrielawaai behaald en is nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels niet nodig. Conclusie De aspecten wegverkeer-, spoorweg- en industrielawaai vormen geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Wel moet een hogere waarde vanwege industrielawaai worden aangevraagd.
43
5.3. Luchtkwaliteit Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. Daarin zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: • een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit • ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven • een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van desbetreffende stoffen in de buitenlucht • een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) De uitwerking van het begrip ‘niet in betekende mate’ staat in het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven.
Er is volgens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) is gericht op mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). In het besluit is geregeld dat wanneer een gevoelige bestemming binnen een onderzoekszone van een rijks- of provinciale weg wordt gevestigd of uitgebreid, een luchtkwaliteitsonderzoek nodig is. Gevoelige bestemmingen zijn functies waarbinnen kinderen, ouderen en zieken verblijven, zoals scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Een woning of ziekenhuis is geen gevoelige bestemming conform het besluit. De onderzoekszone van een rijksweg betreft 300 meter aan beide zijden van de weg, gemeten vanaf de rand van de weg. Voor een provinciale weg geldt hetzelfde, maar dan een zone van 50 meter. Beoordeling plan Zowel gezien de aard van de ontwikkeling als de oppervlakte en het aantal woningen valt dit project zeer ruim onder de ondergrens van de categorie “niet in betekenende mate” bijdragend.
Bovendien wordt met dit bestemmingsplan geen gevoelige bestemming in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteit) mogelijk gemaakt. Echter maakt het plan niet alleen woningen, maar ook commerciële functies mogelijk. Met behulp van de NIBM-tool kan worden aangetoond dat het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Daarbij zijn, om uit te gaan van een ‘worstcasescenario’, de volgende invoergegevens gebruikt: • Jaar van planrealisatie: 2022
44
•
•
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde): 234,9 mvt/etmaal (dit zijn de additionele motorvoertuigbewegingen ten opzichte van de huidige motorvoertuigbewegingen) (zie paragraaf 4.4). Aandeel vrachtverkeer: 25 % (logischerwijs ligt dit percentage in werkelijkheid veel lager)
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2022
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
234,9
Aandeel vrachtverkeer
25,0%
NO2 in μg/m3
0,53
PM10 in μg/m3
0,08
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
Bovenstaande afbeelding bevat de uitkomst van de NIBM-tool. De grens waaronder een project “niet in betekenende mate” bijdraagt aan de luchtkwaliteit is 1,2 μg/m³. Uit de tabel blijkt dat zowel voor stikstofdioxide (NO2) als fijn stof (PM10) de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate is. Een onderzoek naar luchtkwaliteit is dan ook niet nodig. Daarnaast dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te worden gemotiveerd dat ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Dat kan aan de hand van de NSL Monitoringstool. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van deze monitoringstool weergegeven.
Uitsnede van de NSL Monitoringstool. Het plangebied is blauw omlijnd. De blauwe bolletjes geven rekenpunten weer. De zwart omcirkelde rekenpunten zijn voor dit plan beoordeeld. (Bron: https://www.nsl-monitoring.nl/viewer/)
45
Rekenpunt Stoffen 4 ID Straat 6 Rekenjaar 4 15468732 Grotestraat 15469952 Meester van Coothstraat 15470831 Taxandriaweg 15471621 Taxandriaweg 15471657 Meester van Coothstraat 15472300 Grotestraat 15473428 Heulstraat 15632732 Rijkswaterstaat (A59) 15468920 Sint Jansplein 15470186 Taxandriaweg 15470472 Taxandriaweg 15470813 Taxandriaweg 15470883 Taxandriaweg 15470997 Sint Jansplein 15471160 Taxandriaweg 15471295 Sint Jansplein 15472404 Sint Jansplein 15632733 Rijkswaterstaat (A59) 15632734 Rijkswaterstaat (A59) 15632735 Rijkswaterstaat (A59)
NO2-concentratie in μg/m³ 2020 2030 16,7 12,7 16,4 12,5 18,8 13,8 18,9 13,9 15,8 12,1 16,4 12,6 16,2 12,2 17,1 12,8 15,4 11,8 19,1 14,0 18,8 13,8 18,8 13,8 19,1 14,0 15,3 11,8 18,7 13,7 15,7 12,0 15,6 11,9 17,2 12,9 17,1 12,8 17,5 13,0
PM10-concentratie in μg/m³ 2020 2030 16,5 14,6 16,4 14,6 16,7 14,9 16,7 14,9 16,3 14,5 16,4 14,6 16,3 14,4 16,4 14,6 16,3 14,4 16,8 14,9 16,7 14,9 16,7 14,9 16,8 14,9 16,3 14,4 16,9 15,0 16,3 14,5 16,3 14,4 16,5 14,6 16,4 14,6 16,5 14,7
PM10-overschrijdingsdagen 2020 2030 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0
PM2,5-concentratie in μg/m³ 2020 2030 9,2 7,7 9,1 7,7 9,2 7,8 9,3 7,8 9,1 7,7 9,1 7,7 9,1 7,7 9,1 7,7 9,1 7,7 9,3 7,8 9,2 7,8 9,2 7,8 9,3 7,8 9,1 7,7 9,3 7,8 9,1 7,7 9,1 7,7 9,2 7,7 9,1 7,7 9,2 7,8
In bovenstaande tabel is de luchtkwaliteit voor wat betreft, stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) inzichtelijk gemaakt. De concentraties blijven ruimschoots onder de grenswaarden voor de jaargemiddelde concentraties voor NO2 en PM10 (beiden 40 µg/m³) en PM2,5 (25 µg/m³). Ook de PM10-overschrijdingsdagen blijven ruimschoots onder de grenswaarde (35 dagen per jaar). Zodoende kan worden geconcludeerd dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het project dusdanig is dat gesproken kan worden over een goed woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor dit plan.
5.4. Bedrijven en milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient tussen kwetsbare of gevoelige objecten, zoals een woning, en bepaalde functies en bedrijven voldoende afstand te worden gehouden. Deze afstand is enerzijds nodig om het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object niet aan te tasten, anderzijds is deze afstand nodig om het bedrijf of de functie niet te beperken in de betreffende (bedrijfs)activiteiten. Als uitgangspunt worden de richtafstanden uit publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) genomen. In de VNG-publicatie is voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar een richtafstand gegeven, waarbij de grootste richtafstand leidend is. Een richtafstand wordt gemeten vanaf de grens van een inrichting (het terrein of perceel van een functie met een richtafstand) tot aan de gevel van een gevoelig of kwetsbaar object. De VNG maakt onderscheid tussen de omgevingstypen ‘Rustige woonwijk / rustig buitengebied’ en ‘Gemengd gebied’. Bij het eerste type is er duidelijk sprake van functiescheiding. Bij het tweede is sprake van functiemenging en komen direct naast woningen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en (kleine) bedrijven. In de VNG-publicatie is aangegeven dat wanneer er sprake is van een ‘gemengd gebied’, de richtafstand met één afstandsstap mag worden verminderd.
Dat wil zeggen dat een oorspronkelijke richtafstand van 30 meter wordt verminderd naar 10 meter en een oorspronkelijke richtafstand van 10 meter wordt verminderd naar 0 meter.
46
Beoordeling plan Voor dit bestemmingsplan is een quickscan bedrijven en milieuzonering uitgevoerd door Econsultancy. Deze quickscan is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Uit de quickscan komt naar voren dat nader akoestisch onderzoek nodig is vanwege de nabijheid van het gezoneerde industrieterrein ‘Haven’. Uit de quickscan komt verder naar voren dat overige bestemmingen en functies rondom het plan niet voor een belemmering zullen zorgen. Voor het nader akoestisch onderzoek naar het gezoneerde industrieterrein ‘Haven’ wordt verwezen naar paragraaf 5.2. Daaruit blijkt dat vanwege het gezoneerde industrieterrein Haven dient een hogere waarde te worden aangevraagd. Vanwege eisen aan nieuwbouw vanuit het Bouwbesluit wordt een binnenniveau van 35 dB(A) voor industrielawaai behaald en is nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels niet nodig. Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan.
5.5. Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Wettelijk kader Voor ruimtelijke ontwikkelingen moet getoetst worden aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden.
Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR)
47
Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt in bepaalde gevallen een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. De eindafweging (vertaald in een ruimtelijke onderbouwing) kan pas worden gemaakt wanneer advies bij de veiligheidsregio is ingewonnen. Beoordeling plan Vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van meerdere risicobronnen is voor dit bestemmingsplan een onderzoek naar externe veiligheid uitgevoerd. Deze risicoanalyse is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Hierna volgende belangrijkste bevindingen. De volgende risicobronnen zijn relevant voor dit bestemmingsplan: Type
Risicobron
Binnen
plaatsgebonden
risico-contour? Nee
(ook
niet
Binnen invloedsgebied groepsrisico?
Transportroute
A59
binnen
Ja
Buisleiding
Hogedruk aardgasleiding (direct ten noorden van A59)
Nee
Nee
Hogedruk aardgasleiding (Sint Jansplein-Wilhelminastraat)
Nee
Nee
Gadrukregel- en meetstation (Sint Jansplein)
Nee
Nee
Bezineservicestation met LPG (Winterdijk)
Nee
Nee
Northern Petroleum (bedrijventerrein Haven)
Nee
Nee
Regionaal overslagcentrum (bedrijventerrein Haven)
Nee
Ja
Stahl Europe (bedrijventerrein Haven)
Nee
Ja
DSM NeoResins (bedrijventerrein Haven)
Nee
Ja
plasbrandaandachtsgebied)
Inrichtingen
Verantwoording groepsrisico Uit bovenstaande tabel blijkt dat het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een aantal Bevi-inrichtingen en Rijksweg A59. Vanwege de ligging nabij de rijksweg A59 dient er een kwantitatieve risicoanalyse en een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Dit is gebeurd door middel van bijgevoegd onderzoek externe veiligheid. Het onderzoek heeft als doel het bepalen van het groepsrisico in relatie tot de oriëntatiewaarde uit het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Wet en Regeling Basisnet. Uit de berekeningen volgt dat het groepsrisico lager is dan 0,1 x de oriëntatiewaarde. De realisatie van het plan leidt niet tot een toename van het groepsrisico. Advies Veiligheidsregio Conform artikel 9 van het Bevt dient advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio in verband met de zelfredzaamheid, bereikbaarheid en bestrijdbaarheid. In het kader van de ruimtelijke procedure van dit bestemmingsplan is het plan, met in het bijzonder bijgevoegd onderzoek externe veiligheid, voorgelegd aan de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant. Deze heeft geadviseerd dat gezien de hoogte van het groepsrisico kan worden volstaan met de
48
Standaard verantwoording van het groepsrisico van de gemeente Waalwijk. Deze verantwoording is dan ook als bijlage bij deze toelichting gevoegd.
5.6. Milieueffectrapportage Zoals uit artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voortvloeit, dient in de toelichting bij het bestemmingsplan gemotiveerd te worden in welke mate rekening is gehouden met diverse ruimtelijke belangen. In artikel 3.1.6, lid 5 van het Bro wordt verwezen naar enkele milieuaspecten die in de toelichting terug dienen te komen. Daarbij wordt eveneens verwezen naar de milieueffectrapportage (m.e.r.). Dit is een wettelijk instrument dat als doel heeft milieuaspecten volwaardig te betrekking in de ruimtelijke afweging die gemaakt wordt ten behoeve van ruimtelijke plannen en besluiten. Er zijn in beginsel drie afzonderlijke situaties die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht bij een bestemmingsplan: 1. Er is een passende beoordeling nodig in het kader van de Wet natuurbescherming; 2. Het bestemmingplan is genoemd in kolom 3 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportrage; 3. Het bestemmingplan is genoemd in kolom 4 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D valt, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt.
Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die beneden de drempelwaarden vallen, moet dan ook een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. Beoordeling plan Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt, is artikel 3.1.6, tweede lid, Bro niet van toepassing. Bij het beoordelen of iets wel of geen stedelijk ontwikkelingstraject is, moet worden gekeken naar de concrete omstandigheden van het plan. Onder meer de aard, de omvang en de milieugevolgen van de stedelijke ontwikkeling zijn relevant. In dit geval gaat het woningbouw (19 woningen) op een inbreidings- / herstructureringslocatie (bestaande bouwpercelen binnen bestaand stedelijk gebied). Gelet op de aard en omvang van het project is deze niet aan te merken als zijnde ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ in de zin van het Besluit m.e.r. Bovendien is het plangebied niet gelegen binnen een 'gevoelig gebied' zoals gedefinieerd in het Besluit m.e.r. In de voorgaande paragrafen is aangegeven dat het plan gelet op de aard, omvang en ligging geen negatieve effecten heeft ten opzichte van dergelijke gevoelige gebieden en het milieu. Een nadere toetsing aan het Besluit m.e.r. kan dan ook achterwege blijven.
Er is geen sprake van een m.e.r.-plicht en er is geen vormvrije m.e.r.beoordeling noodzakelijk. Desondanks is voor dit plan een Aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld. Deze is als bijlage bij de toelichting opgenomen.
49
50
Hoofdstuk 6.
Uitvoerbaarheid
6.1. Economische uitvoerbaarheid 6.1.1. Exploitatieplan Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente is hiertoe verplicht wanneer er sprake is van een bouwplan in de zin van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De gemeente kan hiervan afzien in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen, of indien: • het kostenverhaal anderszins is verzekerd; • het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; en • het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is. Beoordeling plan De bouw van een of meerdere woningen is een bouwplan in de zin van het Bro. De gemeente Waalwijk zal een overeenkomst als bedoeld in artikel 6.24 van de Wro aangaan met de ontwikkelende partij. In deze anterieure overeenkomst zijn onder andere afspraken opgenomen over (het verhaal van) te maken kosten. Hierdoor is het kostenverhaal verzekerd en het stellen van locatie-eisen middels een exploitatieplan niet nodig. Door de beperkte omvang van het plan is het bepalen van een tijdvak of fasering niet nodig.
Gelet op het voorgaande kan in het kader van het bestemmingsplan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan. 6.1.2. Planschade Het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning kan ertoe leiden dat een belanghebbende zogenaamde planschade ondervindt. Daarbij kan het gaan om waardevermindering van een onroerende zaak (bijvoorbeeld een woning) of inkomensderving. Een deel van deze schade valt wettelijk gezien echter binnen het normaal maatschappelijk risico en is dus niet te verhalen. Voor de overige schade kan een tegemoetkoming worden aangevraagd bij het college van burgemeesters en wethouders. Indien het bestemmingsplan niet wordt geïnitieerd door de gemeente, dan zal de gemeente de schade verhalen op de initiatiefnemer van het plan. Beoordeling plan In vorige paragraaf is aangegeven dat gemeente Waalwijk met de initiatiefnemer een overeenkomst zal aangaan. In deze overeenkomst is ook de eventuele planschade afgewenteld op de initiatiefnemer. Daarmee is zekergesteld dat initiatiefnemer volledig verantwoordelijk is voor de tegemoetkoming in schade, die ontstaan is als gevolg van dit plan.
51
6.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1. Omgevingsdialoog Voor dit project heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden. Op donderdag 22 juli 2021 heeft de initiatiefnemer van het onderhavige nieuwbouwproject de omgevingsdialoog gehouden. Ongeveer 35 buurtbewoners en pandeigenaren zijn met een informatiebrief uitgenodigd om deel te nemen aan deze bijeenkomst. Veertien deelnemers hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De ontwikkeling heeft met een presentatie uitleg gegeven over het plangebied, het nieuwbouwproject en de bestemmingsplanprocedure. Van de omgevingsdialoog is door de ontwikkelaar een verslag gemaakt. Op een aantal punten heeft de omgevingsdialoog geleid tot aanpassing van het ontwerp van de nieuwbouw dan wel voorliggend bestemmingsplan. Het verslag van de omgevingsdialoog is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. 6.2.2. Inspraakprocedure Een voorontwerp van dit bestemmingsplan heeft van 17 maart 2022 tot en met 27 april 2022 voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid gehad om een inspraakreactie bij het college van B&W naar voren te brengen. Slechts één persoon heeft hiervan gebruik gemaakt. Diens reactie en de beantwoording daarvan zijn opgenomen in de Nota van Inspraak die als bijlage bij deze toelichting is gevoegd. De reactie heeft niet geleid tot wijziging van het plan.
Daarnaast zijn op basis van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) Waterschap Brabantse Delta en provincie Noord-Brabant expliciet in de gelegenheid gesteld om tijdens deze inspraaktermijn op het voorontwerp van het bestemmingsplan te reageren. Op 9 mei 2022 is van waterschap Brabantse Delta een positief wateradvies ontvangen. Dit advies is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. Van provincie Noord-Brabant is een ontvangstbevestiging ontvangen, waarin staat de provincie alleen reageert als de gemeente daar specifiek om heeft gevraagd of als blijkt dat de gemeente onvoldoende rekening heeft gehouden met de provinciale belangen. Provincie Noord-Brabant heeft nadien niet meer op het plan gereageerd 6.2.3. Zienswijzenprocedure Het opgestelde ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd, na voorafgaande publicatie op gemeentepagina en in de Staatscourant. Gedurende de periode van terinzagelegging is het ontwerpbestemmingsplan digitaal raadpleegbaar op de website www.ruimtelijkeplannen.nl en analoog raadpleegbaar bij Publiekszaken in het stadhuis.
52
Hoofdstuk 7.
Juridische planbeschrijving
7.1. Onderdelen bestemmingsplan Het bestemmingsplan ‘Waalwijk, Grotestraat 239-243’ is een bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels, en gaat vergezeld van een toelichting. Onderhavig document vormt de toelichting bij het bestemmingsplan ‘Waalwijk, Grotestraat 239-243’. Dit bestemmingsplan heeft een uniek en eigen identificatienummer, namelijk NL.IMRO.0867.bpWWgrotestraat243ON01.
7.2. Toelichting op de verbeelding In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover hier in de regels naar wordt verwezen. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan op een topografische ondergrond getekend. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn op de verbeelding opgenomen in het renvooi. Opgemerkt wordt dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen omdat de manier van raadplegen verschillend is. De digitale verbeelding is juridisch bindend.
7.3. Toelichting op de regels 7.3.1. Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Artikel 1 bevat een uitleg van de begrippen die in de planregels voorkomen. Artikel 2 bepaalt de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Door het geven van begripsomschrijvingen en aanwijzingen voor het meten wordt de interpretatievrijheid verkleind en daardoor de duidelijkheid en rechtszekerheid vergroot. 7.3.2. Bestemmingsregels In hoofdstuk 2 worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en voor welke doeleinden de in die bestemmingen opgenomen gronden en gebouwen mogen worden gebruikt. Daarnaast zijn per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Bij de totstandkoming van de bestemmingsregels is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ‘Gemengd gebied’. Het bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Centrum -2 Binnen deze bestemming mogen gebouwen en bouwwerken opgericht ten dienste van centrumdoeleinden. Daaronder worden in ieder geval verstaan de functies wonen, detailhandel, horeca en commerciële dienstverlening. Het maximumaantal woningen dat is toegestaan, is op
53
de verbeelding aangegeven. In de bouwregels wordt onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde (bijv. erfafscheiding). Onder de specifieke gebruiksregels is aangegeven welk gebruik in ieder geval in strijd is het met het bestemmingsplan. Voor het gebruiken van een woning voor beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten of kamerbewoning is het onder voorwaarden mogelijk om met een omgevingsvergunning af te wijken van het bestemmingsplan. Groen De op de verbeelding voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, ondergeschikte verhardingen, langzaam verkeer, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, voorzieningen ten behoeve van duurzame energieopwekking, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Verkeer – Verblijfsgebied Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de doorsteek tussen de Winterdijk (gemeentekantoor en parkeerplaats Taxandriaweg) en de Grotestraat (centrum Waalwijk en Raadhuisplein). In beginsel is deze bestemming bedoeld voor verkeersdoeleinden, maar er zijn bijvoorbeeld ook groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Bouwwerken zijn slechts beperkt toegestaan.
Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ Deze dubbelbestemming bedekt enkelbestemmingen en zorgt ervoor dat specifieke waarden worden beschermd. In dit geval is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ is van toepassing op het plangebied. In de archeologische dubbelbestemming is geregeld bij welke bodemingrepen er vooraf onderzoek moet worden verricht naar mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden. In dit geval zijn ingrepen onderzoeksplichtig bij bodemingrepen groter dan 100 m² en waar de verstoring dieper gaat dan 30 cm beneden maaiveld. 7.3.3. Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Dit hoofdstuk bevat een aantal algemene regels die gelden voor het hele plangebied. Het betreft de anti-dubbeltelbepaling en parkeerregels. 7.3.4. Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 bevat de overgangs- en slotregel van het bestemmingsplan. In de overgangsregels is het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik geregeld. Er is een standaard overgangsrechtregeling opgenomen voor bouwwerken en voor gebruik. Het strijdige bouwwerk of het strijdige gebruik van grond en bouwwerken ten tijde van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, mag worden voortgezet, tenzij het reeds viel onder het overgangsrecht van het voorgaande bestemmingsplan. In de slotregel is bepaald onder welke titel het plan kan worden aangehaald.
54
Bijlagen Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3. Bijlage 4. Bijlage 5. Bijlage 6. Bijlage 7. Bijlage 8. Bijlage 9. Bijlage 10. Bijlage 11. Bijlage 12. Bijlage 13. Bijlage 14.
Bijlage 15. Bijlage 16. Bijlage 17. Bijlage 18.
Watertoets Grotestraat 239 – 243 te Waalwijk, Econsultancy; Doorlatendheidsonderzoek Grotestraat 239 – 243 te Waalwijk, Econsultancy; Ecologische quickscan, Averti Ecologisch advies; Nader ecologisch onderzoek, Averti Ecologisch advies; Onderzoek stikstofdepositie, Econsultancy; Bezonningsstudie, Architectenbureau Van Reeven; Verkennend bodemonderzoek en onderzoek naar asbest in de bodem Grotestraat 239, Agel Adviseurs; Nader onderzoek naar asbest in de bodem Grotestraat 239, Agel Adviseurs; Verkennend bodemonderzoek en onderzoek naar asbest in de bodem Grotestraat 243, Agel Adviseurs; Onderzoek wegverkeerslawaai Grotestraat 239 en 243 te Waalwijk, Econsultancy; Akoestisch onderzoek industrielawaai, Econsultancy; Quickscan bedrijven en milieuzonering, Econsultancy; Onderzoek externe veiligheid, Econsultancy; Advies Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant OF Standaard Verantwoording Groepsrisico 2019, Omgevingsdienst Midden-en West-Brabant, gemeente Waalwijk, juli 2019; Aanmeldnotitie Vormvrije m.e.r.-beoordeling, Plan ROS; Verslaglegging omgevingsdialoog, &Ponjé; Nota van inspraak, gemeente Waalwijk; Vooroverlegreactie, waterschap Brabantse Delta.
55