Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing ‘Burg. Verwielstraat 3, Waalwijk (RUON)
Tekst van het document
Bovendien moet worden opgemerkt dat er géén rekening is gehouden met interne saldering en er desondanks geen sprake is van stikstofdepositie waarbij significant negatieve effecten in Natura 2000gebieden kunnen plaatsvinden. De berekening toont aan dat het aspect stikstofdepositie geen beperkingen oplevert ten aanzien van het beoogde project. 4.3.2. Soortenbescherming De Wnb kent drie beschermingsregimes voor dier- en plantensoorten: Paragraaf 3.1: alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn;
30
-
Paragraaf 3.2: alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; Paragraaf 3.3: overige soorten, genoemd in de bijlage van de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen.
Ecologische quickscan Voor dit project is een quickscan uitgevoerd naar het voorkomen van flora en fauna in het projectgebied. De resultaten van dit onderzoek zijn gerapporteerd en opgenomen in de bijlagen bij deze ruimtelijke onderbouwing. Uit de quickscan blijkt dat binnen het projectgebied verschillende beschermde diersoorten zijn aangetoond of kunnen worden verwacht. Negatieve effecten op beschermde diersoorten als gevolg van de beoogde ingrepen kunnen daardoor op voorhand niet worden uitgesloten. Voor het onderdeel soortbescherming is nader onderzoek nodig naar de aanwezigheid van beschermde zoogdieren (vleermuizen) en vogels (huismus). Ecologisch nader onderzoek Naar aanleiding van de conclusies uit de ecologische quickscan is nader ecologisch onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van beschermde zoogdieren (vleermuizen) en vogels (huismus). Tijdens het onderzoek zijn geen beschermde natuurwaarden in het projectgebied vastgesteld. Echter grenst het projectgebied wel aan essentiële vliegroutes van zowel de gewone dwergvleermuis als de laatvlieger en ligt het in de nabije omgeving van essentieel leefgebied van de huismus. Daarnaast vervult de kerk aan de overzijde van de Burgemeester Verwielstraat een belangrijke functie voor diverse vleermuissoorten.
Ten aanzien van vogelsoorten moet bij de werkzaamheden te allen tijde rekening gehouden worden met de aanwezigheid van broedende vogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. Dit kan worden bewerkstelligd door de uitvoering van werkzaamheden gedurende het broedseizoen (globaal lopende van 15 maart tot 15 juli) te vermijden. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de aanwezige essentiële vliegroutes. Dit kan bijvoorbeeld worden gerealiseerd door alleen overdag werkzaamheden uit te voeren, geen verlichting toe te passen en de vliegroutes niet te blokkeren met steigers. Daarnaast worden in het ecologische rapport aanbevelingen gedaan die betrekking hebben op locaties buiten het projectgebied. Zo wordt aangegeven dat het van belang is dat de aanwezige verblijfplaatsen in de tegenovergelegen kerk niet verstoord worden tijdens en na afronding van de beoogde werkzaamheden. Hoewel initiatiefnemer hier niet direct grip op heeft, is er geen aanleiding om aan te nemen dat verstoring zou kunnen plaatsvinden. Geconcludeerd wordt dat, als de werkzaamheden worden uitgevoerd buiten het broedseizoen voor vogels en de aanwezige vliegroutes en verblijven voor vleermuizen in de omgeving niet worden verstoord, voor het uitvoeren van werkzaamheden geen ontheffing van de Wet Natuurbescherming noodzakelijk is. 4.3.3.
Zorgplicht Voor alle soorten en gebieden geldt de algemene zorgplicht. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11 Wnb. In het tweede lid wordt de zorgplicht
31
geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 4.3.4. Conclusie Het project heeft geen nadelige effecten voor beschermde natuurgebieden. Er is geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig.
4.4. Verkeer en parkeren Parkeren In februari 2025 heeft het college van B&W van gemeente Waalwijk de Beleidsregel Parkeernormen Waalwijk 2025 vastgesteld. De parkeerbehoefte voor deze ontwikkeling is dan ook op basis van die beleidsregel bepaald. Volgens de beleidsregel is het projectgebied gelegen in de ‘schil’ van het centrum van Waalwijk. Voor het bepalen van de parkeereis geeft de beleidsregel een stappenplan. Stap 1: Bepalen parkeereis van een nieuwe functie De eerste stap is het bepalen van de parkeereis van de nieuwe functie. Dat is in navolgende tabel gedaan. Er is sprake van één functie, te weten de functie wonen. De parkeerbehoefte wordt bepaalde aan de hand van een norm per type woning. Uit de tabel is af te lezen dat de parkeerbehoefte in de beoogde situatie 8 parkeerplaatsen bedraagt. Die parkeerbehoefte komt voort uit de norm van 0,7 parkeerplaatsen per woning voor bewoners en 0,1 parkeerplaatsen per woning voor bezoekers.
Stap 2: Voorziet ontwikkeling in parkeren op eigen terrein Bij de tweede stap wordt bepaald of op eigen terrein kan worden voorzien in de parkeereis. Dat blijkt het geval. Het project voorziet in tien parkeerplaatsen op eigen terrein, waarmee ruimschoots aan de parkeernormen wordt voldaan. Het is daarmee niet nodig om de volgende stappen te doorlopen.
32
Verkeer Voor het bepalen van de verkeersgeneratie zijn kengetallen uit publicatie 381 van kennisplatform CROW gebruikt. Uit informatie van CBS Statline (Wijken en buurten 2023) blijkt dat Waalwijk aan te merken is als ‘matig stedelijk’. Volgens de beleidsregel parkeren Waalwijk 2025 ligt het plangebied binnen ‘schil centrum’. Deze gegevens zijn bepalend voor de te hanteren normen. In navolgende tabellen is de verkeersgeneratie in de huidige situatie en toekomstige situatie weergegeven. HUIDIGE SITUATIE Type bebouwing Typologie Winkelruimte Woonwarenhuis/woonwinkel (overig)* Totaal werkdag * Functie o.b.v. recente CROW-normen (publicatie 381)
Aantal Eenheid 746 m² bvo
Norm Eenheid 9,1 mvt/etmaal per 100 m² bvo
Behoefte 67,9 67,9
Aantal Eenheid 10 woningen
Norm Eenheid 5,5 mvt/etmaal per woning
Behoefte 55,0 55,0
BEOOGDE SITUATIE Type bebouwing Typologie Appartement Huur, appartement, duur* Totaal werkdag * Functie o.b.v. recente CROW-normen (publicatie 381)
Per saldo zal de verkeersgeneratie vanwege de beoogde ontwikkeling afnemen (12,9 mvt/etm). De afwikkeling van het verkeer zal op dezelfde wijze plaatsvinden als voorheen. Aan de zijde van de Burgemeester Verwielstraat wordt het projectgebied via deze straat ontsloten. Via de Grotestraat kan het verkeer richting het centrum van Waalwijk of richting de snelweg A59. In zuidelijke richting kan het verkeer via de Burgemeester Verwielstraat naar de Floris V Laan worden geleid en vervolgens richting de N261. De betreffende wegen hebben voldoende capaciteit en profiel om de motorvoertuigbewegingen als gevolg van dit project te verwerken.
4.5. Kabels, leidingen en hoogspanningsverbindingen Binnen en in de directe nabijheid van het projectgebied zijn geen planologisch beschermde kabels of leidingen aanwezig die tot belemmeringen in het projectgebied leiden. De dichtstbijzijnde (bovengrondse) hoogspanningsverbinding is de verbinding Geertruidenberg Waalwijk - ’s-Hertogenbosch, die op ruim 1,9 kilometer ten noorden van het projectgebied is gelegen. Gezien deze afstand vormt deze hoogspanningsverbinding geen belemmering voor het project.
4.6. Bezonning Omdat de beoogde nieuwbouw binnen het projectgebied hoger is dan de bestaande bebouwing, kan toename van schaduw ontstaan voor omliggende woningen. Voor het beoordelen van de effecten van beschaduwing van de nieuwbouw werkt gemeente Waalwijk met de TNOrichtlijnen. Dit beleid stelt dat er sprake moet zijn van minimaal 2 uur zon op de vensterbank per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober.
33
Voor dit plan is een bezonning/schaduwstudie uitgevoerd. Deze is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing opgenomen. Volgens die studie blijkt uit de beelden dat er alleen schaduw ontstaat voor het woonhuis Burg. Verwielstraat 1 en het woonhuis Grotestraat 72. De verwachting is dat alleen de begane grond van deze woonhuizen schaduw krijgen van de nieuwbouw. Vanwege het (hoge) bestaande pand binnen het projectgebied, is het aannemelijk dat er nu al schaduw op voorgenoemde adressen is en de schaduw maar zal toenemen door de nieuwbouw. Het plan zorgt dan ook niet voor overschrijding van de TNO-eis aangaande bezonning van woningen in de omgeving.
34
Hoofdstuk 5.
Milieuaspecten
5.1. Bodem- en grondwaterkwaliteit In het kader van de Wet ruimtelijke ordening moet bij een project dat nieuwe bouwmogelijkheden of een herinrichting van bestaande percelen mogelijk maakt, onderbouwd worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de voorgenomen functie. Dit kan door middel van een historisch onderzoek en/of een verkennend bodemonderzoek. Met dit onderzoek dient de bodem- en grondwaterkwaliteit in voldoende mate te worden vastgesteld. Uitgangspunt hierbij is dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor de voorgenomen functie. Beoordeling project Voor dit project is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste bevindingen. De bovengrond is plaatselijk sterk verontreinigd met lood en matig verontreinigd met nikkel en zink. De oorzaak van deze gehalten zijn niet eenduidig te verklaren. De gemeten gehalten van de overige geanalyseerde parameters zijn kleiner dan de tussenwaarden. Op de locatie is een melding gemaakt van een ondergrondse HBO-tank. Ter plaatse van de ondergrondse tank is zowel zintuiglijk als analytisch geen verontreiniging aangetoond. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie aan chroom aangetoond.
De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vormt mogelijk een bezwaar voor het voorgenomen gebruik van de locatie en de voorgenomen bouwactiviteiten. Gezien de resultaten van het verkennend bodemonderzoek is het terrein niet zondermeer geschikt voor het voorgenomen gebruik. Tijdens het verkennend bodemonderzoek zijn immers sterk verhoogde gehalten met lood in de grond aangetoond. Op basis van de huidige gegevens wordt uitgegaan van een verontreinigd oppervlak van 200 m², ofwel een omvang van 100 m³. Dit betekent dat er op basis van de Wet bodembescherming een noodzaak bestaat voor het uitvoeren van een nader onderzoek om de omvang van de verontreiniging vast te stellen. Vervolgens is bodemsanering noodzakelijk. Dit onderzoek en passende maatregelen zullen na de sloop van de bestaande bebouwing worden uitgevoerd.
5.2. Geluid Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) staat dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximum snelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke
35
ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. De woningen die met dit project mogelijk worden gemaakt zijn geluidgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder. De Burgemeester Verwielstraat, het deel van de Grotestraat waar een maximumsnelheid van 50 km/uur geldt en Tempelierstraat hebben een wettelijke geluidzone van 200 meter. Ook ligt het projectgebied binnen de geluidzone van de A59 (400 meter). Econsultancy heeft een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai van deze wegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn daarbij ook enkele nabijgelegen niet-gezoneerde wegen in het onderzoek betrokken. De onderzoeksresultaten zijn als bijlage opgenomen bij deze ruimtelijke onderbouwing. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat alleen ten gevolge van de Burg. Verwielstraat een overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB optreedt. De maximaal te ontheffen waarde van 63 dB wordt niet overschreden. Conform de Wet geluidhinder en het gemeentelijk beleid is onderzoek gedaan naar bron-, overdrachts- en gevelmaatregelen.
Daaruit blijkt dat deze maatregelen ofwel niet doelmatig worden geacht, ofwel stuiten de maatregelen op overwegende financiële of stedenbouwkundige bezwaren. Daarom dienen vanwege de Burg. Verwielstraat hogere waarden te worden aangevraagd. Gelet op het voorgaande heeft initiatiefnemer het college van B&W van Waalwijk verzocht om een hogere geluidbelasting (hogere waarde) toe te staan. De zogenoemde hogere waardenprocedure loopt gelijktijdig met de procedure van de omgevingsvergunning waarbij deze ruimtelijke onderbouwing hoort. Spoorweglawaai Het projectgebied is niet gelegen binnen een wettelijke geluidzone van een spoorweg. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor het project. Industrielawaai Op ongeveer 250 meter ten noorden van het projectgebied ligt het bedrijventerrein ‘Haven’. Dit is een gezoneerd industrieterrein in de zin van de Wet geluidhinder. Met het Facetbestemmingsplan Geluidtoedeling Bedrijventerrein Haven is middels het vastleggen van de geluidzone industrie gezorgd voor een evenwichtige verdeling van de totaal beschikbare geluidruimte over de verschillende percelen c.q. bedrijven binnen het gezoneerde industrieterrein Haven I-VI én Haven Zeven, waarbij de nog beschikbare geluidruimte is gereserveerd voor nieuwe ontwikkelingen bij zowel bestaande bedrijven als nieuw te vestigen bedrijven.
De zone van het industrieterrein reikt tot ongeveer 85 meter van het projectgebied. Aangezien het projectgebied niet binnen de geluidzone ligt, vormt deze geen belemmering voor dit project. Andersom maakt het project geen inbreuk op de geluidruimte van het industrieterrein.
36
Nabij het projectgebied is een supermarkt gelegen. Om te kunnen beoordelen of deze winkel en de daarbij behorende activiteiten van invloed zijn op de beoogde woningen, is door Van Kooten een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. De onderzoeksresultaten zijn als bijlage opgenomen bij deze ruimtelijke onderbouwing. Het geluid ter plaatse van de oostgevel van vier van de beoogde appartementen is aanzienlijk verhoogd en komt boven de normen uit van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het geluid wordt met name veroorzaakt door rijdende vrachtwagens, laad- en losactiviteiten en af en aan rijdende personenauto’s van klanten. Om een acceptabel woon- en leefklimaat te kunnen garanderen worden enkele bouwkundige maatregelen genomen. In de paragrafen 4.2 en 4.3 van het onderzoek is dit nader toegelicht. Het gaat met name om het toepassen van een dove gevel aan de oostzijde van het pand. Uit een nadere beschouwing blijkt dat het geluid ter plaatse van de beoogde woningen een acceptabel woon- en leefklimaat niet in de weg hoeft te staan. Vanwege de gunstige situering van de slaapkamers is er geen sprake van invloed van de supermarkt op het verblijfsklimaat in de slaapkamers. Er is dan ook geen risico op slaapverstoring. Daarnaast kan het een acceptabel binnenniveau worden gerealiseerd door geluidwerende maatregelen toe te passen.
In het onderzoeksrapport is hiertoe een aanbeveling gegeven. Het toepassen van dove geveldelen conform bijgevoegd akoestisch onderzoek kan als vergunningvoorschrift worden opgenomen om te waarborgen dat deze daadwerkelijk uitgevoerd en als zodanig in stand worden gehouden. In het akoestisch onderzoek is geen gecumuleerd of gezamenlijk geluidniveau berekend voor wegverkeer- en industrielawaai. Dit komt doordat de oostgevel uitsluitend wordt belast door industrielawaai en de westgevel uitsluitend door wegverkeerslawaai. Per gevel is daardoor een verschillende bron maatgevend. De gecumuleerde waarde zal hierdoor niet significant hoger uitvallen door het samenvallen van beide bronnen. Alleen bij de zuidgevel is sprake van belasting door beide bronnen, maar deze gevel wordt blind uitgevoerd. Een bouwkundig akoestisch onderzoek is nodig om aan te tonen dat een goed binnenniveau wordt gerealiseerd ten aanzien van zowel het wegverkeers- als het industrielawaai (zowel LAr,LT als LAmax). Conclusie De aspecten wegverkeer-, spoorweg- en industrielawaai vormen geen belemmering voor dit project. Wel moet een hogere waarde vanwege wegverkeerslawaai worden aangevraagd.
5.3. Luchtkwaliteit Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. Daarin zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer:
37
• een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit • ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven • een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van desbetreffende stoffen in de buitenlucht • een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) De uitwerking van het begrip ‘niet in betekende mate’ staat in het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is volgens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) is gericht op mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2).
In het besluit is geregeld dat wanneer een gevoelige bestemming binnen een onderzoekszone van een rijks- of provinciale weg wordt gevestigd of uitgebreid, een luchtkwaliteitsonderzoek nodig is. Gevoelige bestemmingen zijn functies waarbinnen kinderen, ouderen en zieken verblijven, zoals scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Een woning of ziekenhuis is geen gevoelige bestemming conform het besluit. De onderzoekszone van een rijksweg betreft 300 meter aan beide zijden van de weg, gemeten vanaf de rand van de weg. Voor een provinciale weg geldt hetzelfde, maar dan een zone van 50 meter. Beoordeling project Zowel gezien de aard van de ontwikkeling (saneren winkelruimte ten behoeve van de realisatie van een woningbouwproject) als de oppervlakte en het aantal woningen valt dit project zeer ruim onder de ondergrens van de categorie “niet in betekenende mate” bijdragend. Bovendien wordt met dit project geen gevoelige functie in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteit) mogelijk gemaakt. Een onderzoek naar luchtkwaliteit is dan ook niet nodig. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient echter alsnog te worden gemotiveerd dat ter plaatse van het projectgebied een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Dat kan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK).
Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van deze monitoringstool weergegeven.
38
Uitsnede CIMLK, projectgebied met blauw omlijnd en dichtstbijzijnde toetspunt rood omcirkeld.
Het dichtstbijzijnde toetspunt (Burg Verwielstraat, x: 132028.734375, y: 411171.71875) bevindt zich direct tegen het projectgebied. In navolgende tabel zijn de betreffende concentraties voor twee monitoringsjaren weergegeven en afgezet tegen de wettelijk vastgestelde grenswaarden. Grenswaarden (kalenderjaargemiddelde)
Monitoringsjaar 2025
Monitoringsjaar 2030
Stikstof (NO2)
40 μg/m³
15,31 μg/m³
13,03 μg/m³
Fijn stof (PM10)
40 μg/m³
15,45 μg/m³
14,50 μg/m³
Fijn stof overschrijdingsdagen
35 dagen per jaar
6 dagen
6 dagen
Fijn stof (PM2,5)
25 μg/m³
8,65 μg/m³
7,76 μg/m³
Uit bovenstaande tabel is af te lezen dat de concentraties ruimschoots onder de grenswaarden voor de jaargemiddelde concentraties voor NO2, PM10 en PM2,5 blijven. Ook de PM10overschrijdingsdagen blijven ruimschoots onder de grenswaarde. Zodoende kan worden geconcludeerd dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied dusdanig is dat gesproken kan worden over een goed woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor dit plan.
5.4. Bedrijven en milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient tussen kwetsbare of gevoelige objecten, zoals een woning, en bepaalde functies en bedrijven voldoende afstand te worden gehouden. Deze afstand is enerzijds nodig om het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object
39
niet aan te tasten, anderzijds is deze afstand nodig om het bedrijf of de functie niet te beperken in de betreffende (bedrijfs)activiteiten. Als uitgangspunt worden de richtafstanden uit publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) genomen. In de VNG-publicatie is voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar een richtafstand gegeven, waarbij de grootste richtafstand leidend is. Een richtafstand wordt gemeten vanaf de grens van een inrichting (het terrein of perceel van een functie met een richtafstand) tot aan de gevel van een gevoelig of kwetsbaar object. De VNG maakt onderscheid tussen de omgevingstypen ‘Rustige woonwijk / rustig buitengebied’ en ‘Gemengd gebied’. Bij het eerste type is er duidelijk sprake van functiescheiding. Bij het tweede is sprake van functiemenging en komen direct naast woningen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en (kleine) bedrijven. In de VNG-publicatie is aangegeven dat wanneer er sprake is van een ‘gemengd gebied’, de richtafstand met één afstandsstap mag worden verminderd. Dat wil zeggen dat een oorspronkelijke richtafstand van 30 meter wordt verminderd naar 10 meter en een oorspronkelijke richtafstand van 10 meter wordt verminderd naar 0 meter. De VNG-publicatie maakt onderscheid tussen de omgevingstypen "Rustige woonwijk / rustig buitengebied' en "Gemengd gebied".
Over een "Rustige woonwijk/rustig buitengebied" wordt in de VNG-publicatie het volgende opgemerkt: "Een rustige woonwijk is een woonwijk die is gericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfunctie) is weinig verstoring voor verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied." (zie p. 29 van de VNG-publicatie) Over "Gemengd gebied" wordt in de VNG-publicatie opgemerkt: "Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleine richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend." (zie p.
30 van de VNG-publicatie) In de VNG-publicatie is aangegeven dat wanneer er sprake is van een "Gemengd gebied", de richtafstand met één afstandsstap mag worden verminderd. Dat wil zeggen dat een oorspronkelijke richtafstand van 30 meter wordt verminderd naar 10 meter en een oorspronkelijke richtafstand van 10 meter wordt verminderd naar 0 meter. Bij de beoordeling binnen welk omgevingstype gebied de voorziene woningen zijn gelegen, dient volgens vaste jurisprudentie te worden gekeken naar de feitelijke situatie ter plaatse. Tevens wordt gekeken naar de planologische situatie
40
5.4.1. Gebiedstypering Het projectgebied ligt aan de rand van het centrum van Waalwijk. In de directe omgeving van het projectgebied is sprake van een matige tot sterke functiemenging. Naast woningen zijn namelijk allerlei andere functies gelegen, zoals winkels, horeca en bedrijven gevestigd. Gelet op deze huidige feitelijke situatie, dient dan ook te worden vastgesteld dat in het gebied waarin het projectgebied is gelegen, sprake is van matige tot zelfs sterke functiemening. Daarnaast is ook planologisch gezien sprake van een gebied met functiemenging Rondom het projectgebied geldt het bestemmingsplan "Gemengd gebied herziening 1”. Ingevolge dat bestemmingsplan zijn de direct aangrenzende gronden bestemd als "Gemengd". Ingevolge artikel 6.1 aanhef en onder b van de planregels mogen ter plaatse beroeps- en bedrijfsactiviteiten worden ontplooid. Tevens rusten op de direct aangrenzende percelen functieaanduidingen: Percelen Waalwijk D 1048 / 1788 /1070: functieaanduiding "Bedrijf" Perceel Waalwijk D 853: functieaanduiding "Horeca" Perceel Waalwijk D 2489: functieaanduiding “Dienstverlening”; Perceel Waalwijk D 2225: functieaanduiding “Maatschappelijk”; Perceel Waalwijk D 3420: functieaanduiding “Supermarkt” Binnen de genoemde functieaanduidingen zijn de betreffende functies toegestaan.
Conclusie gebiedstypering In de omgeving van het projectgebied komen zowel feitelijk als planologisch allerlei functies direct naast elkaar voor, zoals detailhandel, dienstverlening, horeca, lichte bedrijvigheid en wonen. Er is dan ook duidelijk sprake van feitelijke én planologische functiemenging en daarmee is sprake van het omgevingstype "Gemengd gebied". De oorspronkelijke richtafstanden mogen zodoende met één afstandsstap worden verkleind. Dit geldt overigens niet voor afstandsstap voor gevaar. 5.4.2. Beoordeling project Dit project voorziet in de ontwikkeling van een nieuw woongebouw met tien appartementen. Er worden geen functies mogelijk gemaakt die milieuhinder voor de omgeving veroorzaken en waardoor zodoende een richtafstand voor milieuzonering moet worden aangehouden. In de omgeving van het projectgebied komen dergelijke functies wel voor. Hierna wordt ingegaan op de meest relevante locaties. Gemengde bestemmingen, Grotestraat Bij het opstellen van het bestemmingsplan “Gemengd gebied” is een milieuzonering toegepast door middel van een Staat van Bedrijfsactiviteiten. Een Staat van Bedrijfsactiviteiten is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten, al naar gelang de te verwachten belasting voor het milieu, zijn ingedeeld in een aantal categorieën.
In de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) zijn twee voorbeeldstaten voor milieuzonering opgenomen, namelijk een voor functiemenging en een voor bedrijventerreinen. De in het bestemmingsplan “Gemengd gebied” gehanteerde Staat van Bedrijfsactiviteiten is gebaseerd op de voorbeeldstaat voor functiemenging van de VNG.
41
De activiteiten in de staat van bedrijfsactiviteiten voor gebieden met functiemenging bestaan uit de categorieën A, B of C met de volgende betekenis voor de toelaatbaarheid Categorie A: Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen –in gebieden met functiemenging–kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Categorie B: Activiteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. Categorie C: De activiteiten uit categorie B waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. Bij de totstandkoming van de Staat van Bedrijfsactiviteiten voor functiemenging is gekeken of bedrijfsactiviteiten al dan niet in het plangebied thuishoren. Bedrijfsactiviteiten die niet passend zijn voor het plangebied zijn niet in de lijst opgenomen. De Staat van Bedrijfsactiviteiten voor functiemenging is niet uitputtend.
Voor dit project is van belang dat in het bestemmingsplan “Gemengd gebied” voor de aangrenzende percelen is bepaald dat alleen bedrijven van categorie A en B uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten voor functiemenging zijn toegestaan of bedrijven die naar aard en invloed met bedrijven uit de desbetreffende categorie gelijkgesteld kunnen worden. Vervolgens is in dat bestemmingsplan bepaald dat het verantwoord is dat deze functies direct naast woningen plaatsvinden. Op basis van dit uitgangspunt betekent dit dan ook dat deze bedrijven geen milieubelemmering opwerpen voor de woningen die met onderhavig project mogelijk worden gemaakt of andersom. Het bestemmingsplan “Gemengd gebied” legt voor de functies detailhandel, dienstverlening en maatschappelijke functies (zoals kerkgebouwen, buurthuizen, kinderopvang, verpleeghuizen, scholen enzovoort) geen relatie met de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Deze functies zijn daarom niet opgenomen in de lijst. Dit geldt ook voor horecabedrijven. In het bestemmingsplan “Gemengd gebied” wordt onderscheid gemaakt tussen lichte, middelzware en zware horeca. Op het direct aangrenzende perceel ten oosten van het projectgebied is binnen de gemengde bestemming uitsluitend lichte horeca toegestaan.
Ten aanzien van de voorgenoemde functies is in het bestemmingsplan “Gemengd gebied” eveneens bepaald dat het aanvaardbaar is dat deze direct naast woningen plaatsvinden. Op basis van dit uitgangspunt betekent dit dan ook dat deze functies geen milieubelemmering opwerpen voor de woningen die met dit project mogelijk worden gemaakt of andersom. Supermarkt, Burg. Verwielstraat 5a Aan de Burgemeester Verwielstraat 5a is een supermarkt gevestigd. Onder het vorige kopje is al ingegaan op de gemengde bestemming die er geldt. Desondanks is het goed om ook aandacht aan de feitelijk aanwezige functie te besteden. Een supermarkt valt volgens de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) binnen de categorie ‘Supermarkten, warenhuizen’ met SBI2008-code 471. Hier hoort een richtafstand van 10 meter bij, die in gemengd gebied naar 0
42
meter mag worden teruggebracht. Deze functie vormt dan ook geen belemmering voor het project en omgekeerd. Bij een supermarkt hoort echter ook een parkeerterrein met terreintoegang met bijbehorende handelingen (dichtslaan van portieren, winkelkarretjes etc.). Een parkeerterrein (SBI2008-code 5221.1) heeft een maatgevende richtafstand van 30 meter vanwege geluid, binnen gemengd gebied terug te brengen tot 10 meter. Het zwaartepunt van het parkeerterrein ligt op meer dan 30 meter ten zuidoosten van het projectgebied en ligt verscholen achter bestaande bebouwing (woningen Burgemeester Verwielstraat 5-11 en Residence De Hof (Frederik Hendrikhof 14-47)). Die woningen liggen dichter bij het parkeerterrein dan het projectgebied en zijn daarmee maatgevend. De ontsluiting van het parkeerterrein vindt plaats op ongeveer 10 meter van het projectgebied en direct naast Burgemeester Verwielstraat 5 en daarmee is deze woning maatgevend. Tot slot is de supermarkt voorzien van een koeling (met installatie op het dak) en vindt bevoorrading plaats via de Burgemeester Verwielstraat en direct naast het projectgebied. Voor de koelinstallatie is de woning Grotestraat 74 maatgevend, aangezien deze op kortere afstand staat dan het projectgebied. Laden en lossen dient te allen tijde aan de normen uit het Activiteitenbesluit te voldoen en daarmee zijn de maximale geluidniveaus ondervangen.
Gelet op bovengenoemde omstandigheden dat aan de richtafstanden kan worden voldaan en veelal andere woningen maatgevend zijn, in combinatie met het feit dat het bevoegd gezag in dit gebied juist functiemenging beoogt (bestemmingsplan “Gemengd gebied” en enkelbestemming “Gemengd”) en het Activiteitenbesluit richtinggevend is voor wat betreft geluid van laad- en losactiviteiten, kan worden gesteld dat er ten aanzien van geluid vanwege de supermarkt geen strijd is met een goede ruimtelijk ordening is. In paragraaf 5.2 is reeds ingegaan op de resultaten van het akoestisch onderzoek industrielawaai dat is uitgevoerd in het kader van de nabijheid van de supermarkt. Hieruit blijkt dat het geluid ter plaatse van de beoogde woningen een acceptabel woon- en leefklimaat niet in de weg hoeft te staan. Vanwege de gunstige situering van de slaapkamers is er geen sprake van invloed van de supermarkt op het verblijfsklimaat in de slaapkamers. Er is dan ook geen risico op slaapverstoring. Daarnaast kan het een acceptabel binnenniveau worden gerealiseerd door geluidwerende maatregelen toe te passen. Tandartspraktijk, Grotestraat 74 Aan de Grotestraat 74 is een tandartspraktijk gevestigd. Onder het vorige kopje is al ingegaan op de gemengde bestemming die er geldt. Desondanks is het goed om ook aandacht aan de feitelijk aanwezige functie te besteden.
Een tandartspraktijk valt volgens de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) binnen de categorie ‘Artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven’ met SBI2008-code 8621, 8622, 8623. Hier hoort een richtafstand van 10 meter bij, die in gemengd gebied naar 0 meter mag worden teruggebracht. Deze functie vormt dan ook geen belemmering voor het project en omgekeerd.
43
Schoonheidssalon, Grotestraat 70 Aan de Grotestraat 70 is een schoonheidssalon gevestigd. Onder het vorige kopje is al ingegaan op de gemengde bestemming die er geldt. Desondanks is het goed om ook aandacht aan de feitelijk aanwezige functie te besteden. Een schoonheidssalon valt volgens de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) binnen de categorie ‘Kappersbedrijven en schoonheidsinstituten’ met SBI2008-code 9602. Hier hoort een richtafstand van 10 meter bij, die in gemengd gebied naar 0 meter mag worden teruggebracht. Deze functie vormt dan ook geen belemmering voor het project en omgekeerd. Conclusie Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor dit project.
5.5. Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het projectgebied. Wettelijk kader Voor ruimtelijke ontwikkelingen moet getoetst worden aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden.
Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt in bepaalde gevallen een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht.
44
De eindafweging (vertaald in een ruimtelijke onderbouwing) kan pas worden gemaakt wanneer advies bij de veiligheidsregio is ingewonnen. Beoordeling project Vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van meerdere risicobronnen is voor dit project een onderzoek naar externe veiligheid uitgevoerd. Deze risicoanalyse is opgenomen als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. Hierna volgende belangrijkste bevindingen. De volgende risicobronnen zijn relevant voor dit project: Type
Risicobron
Binnen
plaatsgebonden
risico-contour? Transportroute
A59
Nee
(ook
niet
Binnen invloedsgebied groepsrisico?
binnen
Ja
plasbrandaandachtsgebied) Buisleiding
Inrichtingen
Hogedruk aardgasleiding (direct ten noorden van A59)
Nee
Nee
Hogedruk aardgasleiding (Sint Jansplein-Wilhelminastraat)
Nee
Nee
Gasdrukregel- en meetstation (Sint Jansplein)
Nee
Nee
Bezineservicestation met LPG (Winterdijk)
Nee
Nee
Gebroeders Slaats BV (bedrijventerrein Haven)
Nee
Nee
Regionaal overslagcentrum (bedrijventerrein Haven)
Nee
Ja
Stahl Europe (bedrijventerrein Haven)
Nee
Ja
DSM NeoResins (bedrijventerrein Haven)
Nee
Ja
Verantwoording groepsrisico Uit bovenstaande tabel blijkt dat het projectgebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een aantal Bevi-inrichtingen en Rijksweg A59. Vanwege de ligging nabij de rijksweg A59 en de inrichtingen op het industrieterrein Haven heeft een verantwoording van het groepsrisico plaatsgevonden. Dit is gebeurd in hoofdstuk 4 van bijgevoegd onderzoek externe veiligheid. Omdat voor deze onderdelen geen kwantitatieve risicoanalyse nodig is, wordt tevens verwezen naar de Standaardverantwoording Groepsrisico van gemeente Waalwijk, die als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing is opgenomen. Advies Veiligheidsregio Conform artikel 9 van het Bevt dient advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio in verband met de zelfredzaamheid, bereikbaarheid en bestrijdbaarheid. In het kader van de ruimtelijke procedure van deze omgevingsvergunning wordt deze ruimtelijke onderbouwing, met in het bijzonder bijgevoegd onderzoek externe veiligheid, voorgelegd aan de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant.
5.6. Milieueffectrapportage Zoals uit artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voortvloeit, dient in de ruimtelijke onderbouwing bij het projectafwijkingsbesluit gemotiveerd te worden in welke mate
45
rekening is gehouden met diverse ruimtelijke belangen. In artikel 3.1.6, lid 5 van het Bro wordt verwezen naar enkele milieuaspecten die in de ruimtelijke onderbouwing terug dienen te komen. Daarbij wordt eveneens verwezen naar de milieueffectrapportage (m.e.r.). Dit is een wettelijk instrument dat als doel heeft milieuaspecten volwaardig te betrekking in de ruimtelijke afweging die gemaakt wordt ten behoeve van ruimtelijke plannen en besluiten. Er zijn in beginsel drie afzonderlijke situaties die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht bij een project: 1. Er is een passende beoordeling nodig in het kader van de Wet natuurbescherming; 2. Het project is genoemd in kolom 3 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportrage; 3. Het project is genoemd in kolom 4 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D valt, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die beneden de drempelwaarden vallen, moet dan ook een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.
Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. Beoordeling project In artikel 5, zesde lid van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is bepaald dat artikel 4, onderdeel 9, bijlage II van het Bor, de zogenaamde kruimelafwijking voor gebruik, niet mag worden toegepast als de activiteit voorkomt in kolom C of D bij de bijlage van het Besluit m.e.r. Voor een ruimtelijke ontwikkeling zoals met dit project wordt mogelijk gemaakt is het dan ook de vraag of er sprake is van een “stedelijk ontwikkelingsproject” in de zin van het Besluit m.e.r. Bij het beoordelen of iets wel of geen stedelijk ontwikkelingstraject is, moet worden gekeken naar de concrete omstandigheden van het project. Onder meer de aard, de omvang en de milieugevolgen van de stedelijke ontwikkeling zijn relevant. In dit geval gaat het om herontwikkeling van een bestaand bouwperceel binnen stedelijk gebied, nabij het centrum van Waalwijk, waarbij een winkelpand plaatsmaakt voor een woongebouw met tien appartementen. Er is dan ook sprake van een inbreidings- / herstructureringslocatie. De ontwikkeling gaat het niet gepaard met een uitbreiding (van enige omvang) van de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume. Van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. is dan ook geen sprake.
Een ‘kruimelafwijking’ op basis van artikel 4, onderdeel 9 van Bijlage II van het Bor is dan ook mogelijk voor dit project. Bovendien kan worden opgemerkt dat het projectgebied niet is gelegen binnen een 'gevoelig gebied' zoals gedefinieerd in het Besluit m.e.r. In de voorgaande paragrafen is aangegeven dat het plan gelet op de aard, omvang en ligging geen negatieve effecten heeft ten opzichte van dergelijke gevoelige gebieden en het milieu. Een nadere toetsing aan het Besluit m.e.r. kan dan ook achterwege blijven. Er is geen sprake van een m.e.r.-plicht en er is geen vormvrije m.e.r.beoordeling noodzakelijk.
46
Hoofdstuk 6.
Juridische planbeschrijving
6.1.1. Omgevingsvergunning Omdat het project (de activiteit) in strijd is met het geldende bestemmingsplan is hiervoor een omgevingsvergunning nodig voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met dat bestemmingsplan op basis van artikel 2.1, lid 1, sub c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Op grond van artikel 2.12, lid 1, onderdeel a van de Wabo zijn hiervoor drie mogelijkheden: binnenplans (sub 1 ), buitenplans op basis van de zogenaamde kruimelgevallenlijst (sub 2 ) en buitenplans op basis van het zogenaamde projectafwijkingsbesluit (sub 3 ).In dit geval is buitenplans afwijken op basis van een projectafwijkingsbesluit nodig. In de beschikking zelf wordt verder op deze juridische grondslag ingegaan. Conform artikel 2.12, lid 1, aanhef en onderdeel a, onder 3 van de Wabo kan de vergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Voorliggend document is die ‘goede ruimtelijke onderbouwing’ waarin wordt gemotiveerd dat het project niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Dit document maakt onlosmakelijk en maakt dan ook deel uit van de omgevingsvergunning. 6.1.2. Vooroverleg Gemeente Waalwijk heeft voor dit project vooroverleg gehad met waterschap Brabantse Delta.
Dit heeft niet geleid tot wijzigingen in het besluit of ruimtelijke onderbouwing. Tevens heeft er in het kader van het vooroverleg met de provincie Noord-Brabant een inventarisatie van belangen plaatsgevonden. Ook dit heeft niet geleid tot wijzigingen in het besluit of ruimtelijke onderbouwing. 6.1.3. Omgevingsdialoog Initiatiefnemer heeft begin 2022 tijdens een overleg met de directe buren van het project uitleg gegeven over het plan. Ten behoeve van dit overleg heeft de architect aanzichten gemaakt vanuit de verschillende tuinen richting het pand. Dit om omwonenden zo concreet als mogelijk duidelijk te maken wat er zichtbaar is van het plan vanuit deze tuinen. Alle buren snappen dat het huidige pand niet toekomstbestendig is en deze plannen logisch zijn. Men hoopt wel dat de bouwoverlast minimaal zal zijn. Inkijk in tuinen dient beperkt te worden, maar daar lijkt met een trappenhuis aan de achterzijde en de balkons aan de straat al op ingespeeld te worden door initiatiefnemer. De hoogte en breedte van de nieuwbouw is wat betreft buren ook het maximale wat kan en mag op de locatie. Een vierde bouwlaag is dus niet wenselijk voor omwonenden. Bij voorkeur geen raampartijen gericht op de buurpercelen is de wens van buren. Daarnaast zijn buren bang voor wegnemen van zonlicht, daarom is een voor dit project een zonnestudie uitgevoerd (zie paragraaf 4.6).
Ten slotte wensen buren een degelijke nieuwe erfafscheiding bij oplevering. Initiatiefnemer heeft toegezegd hiervoor te zorgen. Een afspraak met buren is dat de huidige (hoge) tuinmuur op de erfgrens behouden blijft.
47
Omdat het project lange tijd heeft stilgelegen heeft initiatiefnemer begin 2025 de omgeving opnieuw over het project geïnformeerd. De resultaten van deze dialoogronde zijn opgenomen in de bij deze motivering gevoegde memo. Uit de dialoogronde zijn voornamelijk vragen naar voren gekomen over realisatiefase, te weten de sloop en nieuwbouw en de feitelijke consequenties van de sloop. Initiatiefnemer heeft de omwonenden hierover geïnformeerd. Verder zijn vragen gesteld op de diepte van de bebouwing. Initiatiefnemer heeft uitgelegd dat het huidige bestemmingsplan planologisch deze ruimte ook al biedt. Met een zonnestudie is aangetoond dat omliggende woningen geen onaanvaardbare hinder zullen ervaren, gelet op de TNO-norm waarbij aangesloten wordt. Ten slotte zijn zorgen geuit over de parkeerdruk. Initiatiefnemer heeft uitgelegd dat het project voldoet aan het gemeentelijk beleid.
48
Bijlagen Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3. Bijlage 4. Bijlage 5. Bijlage 6. Bijlage 7. Bijlage 8. Bijlage 9.
Vergelijking fundering bestaande bouw-nieuwbouw t.b.v. archeologie; Ecologische quickscan, Averti; Stikstofberekening, Tritium; Schaduwstudie, &Ponjé / Architectenbureau Van Reeven; Verkennend bodemonderzoek, Stantec; Onderzoek wegverkeerslawaai, Econsultancy; Akoestisch onderzoek industrielawaai, Van Kooten akoestisch advies; Onderzoek externe veiligheid, Econsultancy; Standaard Verantwoording Groepsrisico 2019, Omgevingsdienst Midden-en WestBrabant, gemeente Waalwijk, juli 2019; Bijlage 10. Ecologisch nader onderzoek, Averti; Bijlage 11. Update omgevingsdialoog, &Ponjé Bouw- en vastgoedzaken.
49