CConstaterende datWaalwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing

Raadsvergadering 9 maart 2023, gemeente WaalwijkBij agendapunt: Aanvraag omgevingsvergunning bouw 2 woningen aan de Wendelnesseweg-West in Sprang-Capelle12.024 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Beoordeling en conclusie

De gemeente Waalwijk heeft archeologisch beleid vastgesteld en beschikt over een archeologische beleidsadvieskaart. Hieronder is een uitsnede van die beleidskaart weergegeven voor de omgeving van het projectgebied. Voor het projectgebied geldt volgens deze kaart voor het overgrote deel een lage verwachtingswaarde, althans voor het deel van het projectgebied waar de nieuwe woningen zijn voorzien. Deze lage verwachtingswaarde is waarschijnlijk het resultaat van eerdere bodemverstoringen als gevolg van voormalige bebouwing.

Uitsnede archeologiekaart: waarden en verwachtingen, Vestigia / gemeente Waalwijk

Als gevolg van deze lage verwachtingswaarde kan archeologisch onderzoek achterwege blijven. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor dit initiatief.

4.9.2

Cultuurhistorie

Toetsingskader

In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met de aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden. De gemeente, waarbinnen de betreffende ontwikkeling plaatsvindt, is hierbij het bevoegd gezag. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant staat aangegeven welke archeologische en cultuurhistorische waarden (in potentie) aanwezig zijn. Het provinciaal cultuurhistorisch belang bestaat uit 5 kaartlagen: regio’s, cultuurhistorische landschappen, cultuurhistorische vlakken, archeologische landschappen en complexen van cultuurhistorisch belang. Het gaat hierbij om erfgoed dat van belang is voor de regionale identiteit en om de meest waardevolle gebieden en ensembles.

Beoordeling en conclusie

Op de CHW is af te lezen dat het plangebied grotendeels ligt in de regio ‘Langstraat’. De Langstraat ligt op de overgang van zand, veen en klei. Vroeger bestond vrijwel het hele gebied uit veen. De oorspronkelijke relatie tussen de dorpen, het afwisselend open en besloten landschap en het water is in de Langstraat nog goed beleefbaar. Hierdoor is het hele gebied cultuurhistorisch waardevol. Ten noorden van de Winterdijk is de Langstraat opener en grootschaliger dan ten zuiden daarvan. De natte omstandigheden als gevolg van de lage ligging en de sterke kwel leidt tot waardevolle flora en fauna van waterlopen en natte graslanden. Het westelijke deel heeft een landelijk karakter. Hier liggen langgerekte lintdorpen met dorpse uitbreidingen rond de centra in een open landschap. Enkele kernen in de Langstraat hebben een sterke groei doorgemaakt: het oostelijke deel is verstedelijkt met de groei van Waalwijk, Sprang-Capelle en Kaatsheuvel. De structuur van de dorpen en de relatie tussen de dorpen en het landelijke gebied is hier minder goed herkenbaar. Daarnaast heerst er in het gebied een spanning tussen cultuurhistorie, natuurontwikkeling en landbouw. In het kader van de natuurdoelstellingen zijn bossen gerealiseerd terwijl de openheid een belangrijk historisch kenmerk is.

De ontwikkelstrategie voor dit gebied is: Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio. Het projectgebied is gelegen op de rand van het cultuurhistorische belangrijke vlak ‘Binnenpolder van Capelle – westelijk deel. De ontwikkelingsstrategie voor dit gebied is: Eisen stellen aan dorpontwikkelingsplannen en het vergroten van de cultuurhistorische waardering door vergroting van de beleving.

Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart, projectgebied in rood

De Wendelnesseweg is aangemerkt als een lijn van redelijk hoge waarde als weg langs een noordzuid georiënteerde turfvaart, waarlangs een bebouwingsas met lintbebouwing – kenmerkend voor een veendorp – is ontstaan.

Door de sanering van de voormalige bedrijfsbebouwing van het glastuinbouwbedrijf en de realisatie van de nieuwe woningen wordt de bebouwingsconcentratie van het bebouwingslint aan de Wendelnesseweg West versterkt. Het initiatief is daarmee passend in het omringende landschap, de bestaande cultuurhistorische structuur en waarden en de kenmerken van de historische geografische lijn. Gesteld kan worden dat dit initiatief niet leidt tot ontwikkelingen die in strijd zijn met de ontwikkelstrategieën behorende bij de Cultuurhistorische waardenkaart.

4.10

EXTERNE VEILIGHEID

Toetsingskader

Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico’s op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vormen op dit moment het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico’s. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico’s zoveel mogelijk beperkt. Daarnaast heeft de gemeente haar externe veiligheidsbeleid beschreven in de ‘Beleidsvisie Externe Veiligheid Gemeente Waalwijk 2017’. Beoordeling

Het initiatief voorziet in de toevoeging van 2 woningen en het omvormen van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning. Het plan zelf levert geen risico’s op voor de omgeving. Met het initiatief worden nieuwe woningen en dus nieuwe kwetsbar objecten mogelijk gemaakt. Daarom is met behulp van de risicokaart nagegaan of risicobronnen in de omgeving van het plangebied, een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. In de navolgende figuur is een uitsnede weergegeven van de risicokaart.

Uitsnede risicokaart, projectgebied rood omcirkeld

Uit de risicokaart blijkt dat er enkele risicobronnen in de omgeving van het projectgebied zijn gelegen: • Circa anderhalve kilometer ten noorden van het projectgebied ligt de snelweg A59, die onderdeel is van het Basisnet waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. • Ca. 200 meter ten zuiden van het projectgebied loopt een buisleiding tracé met een aardgasleiding met een diameter van 6 inches en een werkdruk van 40 bar. Transportroute A59 Deze weg maakt deel uit van het Basisnet waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ligt op circa 1,7 kilometer van het projectgebied. Dit ligt ook niet binnen de 200 meter van een transportroute. Hierdoor is voor deze risicobron het bepalen van de hoogte en toename van het groepsrisico niet aan de orde. De stofcategorie met het grootste invloedsgebied, die over deze weg vervoerd wordt, is conform de gegevens van Rijkswaterstaat stofgroep LT2. Deze stofgroep heeft een invloedsgebied van 880 meter, zodat het invloedsgebied niet reikt tot aan het projectgebied. Buisleidingentracé Het betreft hier een ondergrondse buisleiding voor het transport van aardgas. De leiding heeft een diameter van 6 inches en een werkdruk van 40 bar. Het plangebied valt buiten de PR10-6 contour van deze leiding. Het buisleidingentracé ligt op een afstand van 200 meter van het projectgebied.

Daarmee ligt het projectgebied ook niet binnen het invloedsgebied van dit type leidingen (70 meter). Gemeentelijk beleid Op basis van de kaart ‘zone indeling standaard verantwoording groepsrisico’ die onderdeel uit maakt van de Standaard verantwoording groepsrisico van de gemeente Waalwijk uit 2019 valt op te maken dat de locatie zich in een blauwe zone bevindt, vanwege het transport van gevaarlijke stoffen dat plaatsvindt over de Wendelnesseweg. Op basis van het bijbehorende stroomschema volstaat voor ontwikkelingen die leiden tot een beperkte toename van het groepsrisico (minder dan 10 personen) de standaard verantwoording. Deze is als bijlage aan deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Conclusie

Ter plaatse van het plangebied gelden geen belemmeringen wat betreft externe veiligheid. Een nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

4.11

GEURHINDER

Toetsingskader

Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) stelt normen aan de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten en stelt minimale afstanden vast van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Om te beoordelen of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat wordt bij een ruimtelijke ordeningstoets voor de omgekeerde werking de Wet ruimtelijke ordening toegepast.

De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of niet-concentratiegebieden en binnen of buiten de bebouwde kom). De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden (OU E/s). De Wet geurhinder en veehouderijen biedt middels artikel 6 de mogelijkheid aan gemeenten om bij verordening, binnen gestelde marges, afwijkende normen vast te stellen. Beoordeling

In de voorliggende situatie is sprake van een planlocatie binnen de bebouwde kom buiten een concentratiegebied. Dit resulteert in de volgende grenswaarden: ▪ Algemeen geldende vaste afstand: 50 meter; ▪ Vaste afstand niet-intensieve veehouderijen: 100 meter; ▪ Geurbelasting ten gevolge van intensieve veehouderijen: 2 OUE/m³. Indien zich binnen een afstand van 100 meter geen veehouderij bevindt, kan worden geconcludeerd dat voldaan wordt aan de van toepassing zijnde vaste afstanden. De geurbelasting ten gevolge van intensieve veehouderijen moet in die situatie nog wel worden uitgevoerd. In de omgeving van het plangebied komen op basis van de gegevens van de website van de Provincie Noord-Brabant, Web-BVB (Bestand Veehouderij Bedrijven) meerdere veehouderijen voor. Deze bedrijven kunnen uitgesplitst worden in veehouderijen met dieren met een emissiefactor en veehouderijen waarvoor vaste afstanden gelden. De geurbelasting wordt bepaald op de dichtstbijzijnde buitenzijde van een geurgevoelig object, gerekend vanaf het geometrisch gemiddelde van de emissiepunten.

Veehouderijen met dieren met een emissiefactor: Schoolstraat 14 712 OuE/s Willem van Gentsvaart 13 1.673 OuE/s Willem van Gentsvaart 34 1.424 OuE/s Vrouwkensvaartsestraat 16 10.050 OuE/s Vrouwkensvaartsestraat 21 554 OuE/s Vrouwkensvaartsestraat 32 3.418 OuE/s Vrouwkensvaartsestraat 45 3.489 OuE/s Kloppersteeg 6 390 OuE/s ’t Vaartje 94 515 OuE/s Veehouderijen met vaste afstanden: Nieuwevaart 17 Zuidhollandsedijk 215 (gem. Loon op Zand)

830 meter 550 meter 800 meter 1250 meter 1200 meter 1.330 meter 1.350 meter 1.400 meter 1.900 meter

435 meter 825 meter

Alle omliggende veehouderijen bevinden zich op een afstand groter dan 100 meter. Ten aanzien van de veehouderijen binnen een straal van 2 km rond het plangebied geldt dat de geurbelasting ten gevolge van deze veehouderijen niet meer mag bedragen dan 2 OU E/m3. Gelet op de geuremissie in combinatie met de afstand, mag worden aangenomen dat de veehouderij aan de Vrouwkensvaartsestraat 16 hierin bepalend is gelet op de vele malen grotere emissie dan de overige veehouderijen. De ervaring leert dat bij een geuremissie van 10.050 OUE/s op een afstand van 1250 meter voldaan kan worden aan een eis van 2 OUE/m3, de afstand is groot genoeg.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient er te worden ingegaan op de aanvaardbaarheid van het heersende geurniveau ter plaatse. De volgende afbeelding toont een uitsnede van de achtergrondbelasting geurkaart van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Ter plaatse van het projectgebied is de kwaliteit van de leefomgeving als ‘zeer goed’ aangeduid.

Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur ODZOB met locatie plangebied in rode cirkel (bron: www.atlas.odzob.nl)

Verder geldt voor alle veehouderijen dat tussen de veehouderij en het plangebied bestaande woningen zijn gesitueerd. Dit betekent dat geen van de veehouderijen aanvullend wordt beperkt in zijn mogelijkheden. Conclusie

Voor het projectgebied geldt dat aangenomen mag worden dat voldaan wordt aan de eisen uit de Wet geurhinder en veehouderij. Verder wordt geconcludeerd dat de veehouderijen als gevolg van de plannen niet aanvullend worden beperkt in de bedrijfsvoering en dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor het milieuaspect geur en veehouderij. Conclusie

Het aspect geurhinder vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van dit initiatief.

4.12

VOLKSGEZONDHEID IN RELATIE TOT VEEHOUDERIJEN

Toetsingskader

Uit het RIVM rapport 2017-0062 (veehouderijen en Gezondheid (VGO) (aanvullende studies)) komt naar voren dat omwonenden van o.a. geitenhouderijen een grotere kans hebben op het krijgen van een longontsteking. Dit geldt met name voor mensen die op een afstand tot 2 km van een geitenhouderij wonen. Hierbij geldt uiteraard dat hoe groter de afstand tot de geitenhouderij hoe kleiner de kans.

Naar aanleiding daarvan hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant besloten tot een moratorium op de geitenhouderij, om het uitbreiden van dierverblijven en omschakelen naar geitenhouderij tegen te gaan. Daarnaast is woningbouw binnen de straal van 2 km slechts onder voorwaarden toegestaan. De gezondheidsrisico’s moeten goed worden afgewogen en verantwoord worden bevonden. Beoordeling

Binnen een straal van 2 km rond het perceel bevinden zich geen geitenhouderijen of pluimveehouderijen. Conclusie

Het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderijen vormt geen belemmeringen voor de haalbaarheid van dit initiatief.

4.13

SPUITZONES GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN

Toetsingskaders Met name bij het telen van fruit in boomgaarden is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen gebruikelijk. Om de middelen op de bomen te brengen wordt gebruik gemaakt van mobiele spuitinrichtingen die via de lucht de middelen op de gewassen brengen. Met het in de lucht brengen van middelen worden deze bloot gesteld aan de wind en daarmee ontstaat het risico dat middelen meer bereiken dan het gewas alleen. Dit proces wordt ‘drift’ genoemd. Gewasbeschermingsmiddelen vormen een potentieel risico voor de gezondheid van omwonenden, om die reden is het bij ruimtelijke ontwikkelingen inmiddels gebruikelijk om spuitzones en middelengebruik mee te nemen in de verantwoording bij planologische besluitvorming zodat het eventuele risico beoordeeld wordt voor gevoelige locaties. Om handvatten te geven aan de wijze waarop initiatiefnemers en gebruikers rekening dienen te houden met het gebruik en de risico’s van gewasbeschermingsmiddelen heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een indicatieve afstand van 50 meter als vuistregel in de ruimtelijke ordening geïntroduceerd. Met het uitvoeren van verschillende drift reducerende middelen zoals het aanplanten van windhagen en aanleggen van kavelsloten kan het risico op drift worden verlaagd en kan daarmee de indicatieve afstand van 50 meter worden verkleind. Beoordeling

De agrarisch bestemde percelen die aansluiten op het projectgebied zijn primair bestemd voor glastuinbouwactiviteiten. Deze activiteiten vinden plaats in (meestal) glazen kassen om onder meer beschermde omstandigheden te kunnen telen. De inzet van gewasbeschermingsmiddelen in de glastuinbouw is daardoor minimaal. Als deze middelen al ingezet worden, bieden de kassen al een aanzienlijke mate van bescherming. Emissie van middelen (drift) kan alleen plaatsvinden via open luchtramen in het kasdek. Tijdens het inzetten van middelen zijn deze ramen gesloten en deze worden pas na enige tijd weer geopend. Eventuele drift of emissie blijft daardoor zeer beperkt. Het is op de agrarisch bestemde percelen die aansluiten aan het projectgebied toegestaan om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. In praktijk is het niet waarschijnlijk dat er teelten op deze percelen plaats zullen gaan vinden waar verticaal spuiten van gewasbeschermingsmiddelen, zoals bij fruitboomgaarden waarvoor de richtafstand van 50 meter met name bedoeld is, aan de orde is.

De aard van de gronden leent zich bij uitstek voor akkerbouw. Dergelijke gewassen worden neerwaarts bespoten, wat de drift –zo die er al is – aanzienlijk beperkt. Conclusie

Spuitzones vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er is in de omgeving van het plangebied geen sprake van teelten waar gewasbeschermingsmiddelen bij gebruikt worden. Mocht het gebruik van de gronden wijzigen dan zijn er voldoende mogelijkheden om drift reducerende maatregelen te treffen.

4.14 DUURZAAMHEID Zorg voor het milieu is voor iedereen belangrijk. Duurzame ontwikkeling en in het bijzonder duurzaam bouwen is voor de gemeente Waalwijk een algemeen leidend principe. Speerpunten van het duurzaamheidsbeleid zijn onder andere zorgvuldig ruimtegebruik, het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit en een klimaat neutrale gemeente in 2043. Er zijn veel goede redenen om duurzaam te bouwen en te herbouwen. En er is al veel mogelijk op dit gebied. De ontwikkeling van duurzame technieken en producten is continu in beweging. Duurzaam bouwen richt zich vooral op het toepassen van verantwoorde materialen en technieken, zuinig omgaan met energie, water en ruimte en het creëren van een gezond binnenklimaat. Het uitgangspunt bij duurzaam bouwen is zó bouwen dat de nadelige effecten op het milieu en de gezondheid zo klein mogelijk zijn. Het plan betreft het toevoegen van twee woningen. Daarbij wordt zoveel mogelijk toepassing gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik en met de bouw draagt de ontwikkeling bij aan de ruimtelijke en functionele opwaardering van het lint. Conform de Wet voortgang energietransitie (Wet Vet) wordt de woning volledig gasloos en wordt deze conform en mogelijk hoger dan de toepasselijke BENG-normen gerealiseerd.

4.15

TECHNISCHE INFRASTSTRUCTUUR

Toetsingskader

Kabels, leidingen en straalpaden dienen te worden beschermd tegen ingrepen die de werking ervan kunnen bedreigen. Aan de andere kant dient de omgeving te worden beschermd tegen het gevaar dat van bestaande en toekomstige leidingen, kabels en hoogspanningslijnen kan uitgaan. Beoordeling en conclusie

Binnen het plangebied of in de directe omgeving ervan bevinden zich geen planologisch relevante kabels, leidingen of straalpaden.

4.16

M.E.R.-BEOORDELING

Toetsingskader

Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is.

In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten het betreft.In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is. In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling verplicht is als deze de daarin genoemde grenswaarde overschrijden. Voor activiteiten beneden de grenswaarde geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. De m.e.r.beoordelingsplicht is van toepassing zodra: • De activiteit onder één van de categorieën van activiteiten in kolom 1 van onderdeel D van de bijlage valt, ongeacht de omvang van de activiteit en • Sprake is van een aangewezen besluit in kolom 4 van onderdeel D Beoordeling

Woningbouw is geen activiteit die voorkomt in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er geldt daarom geen rechtstreekse plicht tot het maken van een milieueffectrapport. In het geval van woningbouw kan sprake zijn van een activiteit als bedoeld in categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r., namelijk een stedelijk ontwikkelingsproject. Voor een stedelijk ontwikkelingsproject zijn in het Besluit m.e.r. drie indicatieve drempelwaarden opgenomen: • een oppervlakte van 100 hectare of meer, • een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen, of • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De beoogde ontwikkeling die met dit plan wordt mogelijk gemaakt overschrijdt deze drempelwaarden niet. Of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Eerder oordeelde de Raad van State bijvoorbeeld dat de ontwikkeling van twaalf vrijstaande woningen, gelet op beperkte omvang, niet kan worden aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. (Uitspraak 201901439/1/R1).

Bij de uitspraak van 201807060/1/R1 oordeelde de raad van State dat de realisatie van twee eengezinswoningen in het buitengebied niet kan worden aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject. Voorliggend plan voorziet in de toevoeging van 2 woningen. Gezien de aard en de beperkte omvang van het plan en de omgeving van het project is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Conclusie

Het initiatief betreft geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. en voorziet niet in activiteiten met belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het maken van een milieueffectrapport of een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is niet aan de orde.

5.0

UITVOERBAARHEID

5.1

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

De gronden zijn eigendom van de initiatiefnemers. Alle voorbereidings- en uitvoeringskosten komen voor rekening van initiatiefnemers. Tussen de gemeente Waalwijk en initiatiefnemers is een anterieure overeenkomst gesloten. Het plan is voor de gemeente Waalwijk derhalve een kostenneutrale ontwikkeling. De economische uitvoerbaarheid is hiermee gewaarborgd.

5.2

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

Voorliggende ruimtelijke onderbouwing is opgesteld ten behoeve van een afwijking van het vigerende bestemmingsplan, conform artikel 2.12 lid 1 sub a onder 2 van de Wet algemene bepaling omgevingsrecht (Wabo). De vergunning doorloopt de uitgebreide voorbereidingsprocedure zoals opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wabo.

5.2.1

Omgevingsdialoog

Vóór de start van de formele procedure hebben initiatiefnemers medio april 2022 de direct omwonenden geïnformeerd over de planvorming en hen verzocht opmerkingen naar aanleiding daarvan kenbaar te maken. De omwonenden zijn derhalve gekend in het initiatief en hebben gelegenheid gehad te reageren op het plan. Een verslaglegging van deze participatie is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.

5.2.2

Vooroverleg

In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt deze ruimtelijke onderbouwing aan de daarvoor in aanmerking komende instanties toegezonden. De inhoud van eventueel vooroverlegreacties wordt door het bevoegd gezag betrokken bij definitieve besluitvorming.

5.2.3

Ontwerpbesluit

In het kader van de uitgebreide voorbereidingsprocedure zoals opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wabo wordt de ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage gelegd. Gedurende die periode heeft iedereen de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. De resultaten worden door het bevoegd meegewogen bij definitieve besluitvorming.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12352867/1