Bijlage 1 Motivering GoFlo
Tekst van het document
Postbus 103 5300 AC Zaltbommel
Gamerschestraat 34 5301 AS Zaltbommel Tel. 0418 577 580 info@legalexion.nl
Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving ten behoeve van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een vrijstaand bijgebouw Tilburgseweg 29 te Sprang-Capelle
Januari 2026
Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving ten behoeve van het doorlopen van een procedure voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld onder artikel 5.1 lid 1 onder a van de Omgevingswet, voor een (bestaand) bijgebouw aan de Tilburgseweg 29 te Sprang – Capelle.
Opdrachtgever Opgesteld door Opsteller Datum Versie Kenmerk
: Eigenaar : Legalexion : mr. A.G. van Keulen : 6 januari 2026 :1 : 2500543/1
2
Inhoudsopgave 1. 1.1 1.2 1.3 1.4
INLEIDING ........................................................................................................................... 4 AANLEIDING EN BESCHRIJVING VAN DE ACTIVITEIT .................................................................................... 4 LIGGING VAN HET GEBIED .................................................................................................................... 4 PLANOLOGISCHE SITUATIE.................................................................................................................... 5 LEESWIJZER ....................................................................................................................................... 7
2. 2.1 2.2
HET PLAN ............................................................................................................................ 8 OUDE SITUATIE .................................................................................................................................. 8 NIEUWE C.Q. BESTAANDE SITUATIE ........................................................................................................ 9
3. RUIMTELIJK BELEID ............................................................................................................ 12 3.1 LANDELIJK ...................................................................................................................................... 12 3.1.1 NATIONALE OMGEVINGSVISIE ............................................................................................................ 12 3.1.2 LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING ......................................................................................... 12 3.2 PROVINCIAAL BELEID ........................................................................................................................ 13 3.2.1 OMGEVINGSVISIE ............................................................................................................................ 13 3.2.2 OMGEVINGSVERORDENING ................................................................................................................ 13 3.2 GEMEENTELIJK BELEID ...................................................................................................................... 15 3.2.1 STRUCTUURVISIE GEMEENTE WAALWIJK...............................................................................................
15 3.2.2 ONTWERP-OMGEVINGSVISIE 2025 GEMEENTE WAALWIJK...................................................................... 16 3.2.3 VERORDENING AFVOER HEMELWATER WAALWIJK .................................................................................. 16 4. 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11
OVERIGE MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN ....................................................................... 17 LUCHTKWALITEIT ............................................................................................................................. 17 GELUID .......................................................................................................................................... 17 NATUURTOETS ................................................................................................................................ 18 WATER .......................................................................................................................................... 20 ARCHEOLOGIE ................................................................................................................................. 20 BODEMKWALITEIT ............................................................................................................................ 21 OMGEVINGSVEILIGHEID ..................................................................................................................... 22 BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING ......................................................................................................... 24 VORMVRIJE M.E.R.-BEOORDELING .......................................................................................................
25 GEZONDHEID .................................................................................................................................. 25 CONCLUSIE ..................................................................................................................................... 26
5.
EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES ................................................... 27
6.
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ..................................................................................... 29
7.
PARTICIPATIE ..................................................................................................................... 30
3
1.
INLEIDING
1.1
Aanleiding en beschrijving van de activiteit Op het perceel Tilburgseweg 29 te Sprang – Capelle staat een vrijstaand bijgebouw. Dit gebouw is groter dan waarvoor 18 februari 1992 een vergunning is verleend. Het betreffende bijgebouw heeft ten doel om te functioneren als berging met een gym voor de bewoners van de woning aan de Sprangsevaart 10. De berging wordt gebruikt ten behoeve van opslag van tuingereedschappen en voor het tuinpersoneel (tijdens de schaft). Hier wordt reeds opgemerkt dat de berging geen gebouw is waar meer dan 2 uur mensen verblijven. De gym is enkel voor privé-gebruik, wat niet meer dan 1 uur per dag plaatsvindt. Het schaften van het personeel duurt ook slechts 2 keer een half uur (2 maal een half uur per dag, als men in de tuin werkzaam is). Opgemerkt wordt dat het bijgebouw dus niet gebruikt wordt ten behoeve van woonverblijf. De betreffende berging is op een aantal onderdelen in strijd met het Omgevingsplan gemeente Waalwijk. De gemeente Waalwijk heeft aangegeven niettemin medewerking te willen verlenen aan de legalisatie van het bijgebouw. Voor de strijdigheden met het omgevingsplan is geen afwijkingsbevoegdheid opgenomen in het omgevingsplan. Dat betekent dat de procedure moet worden gevolgd voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA).
Daarbij is het van belang om te beoordelen of het bouwplan uit oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is.
1.2
Ligging van het gebied Het perceel waarop de woning van Sprangsevaart 10 te Sprang – Capelle staat, is kadastraal bekend onder de gemeente Sprang, sectie C, nummer 1118 en heeft een oppervlakte van 4.020 m2. Het perceel waarop het bijgebouw staat, is kadastraal bekend onder de gemeente Sprang, sectie C, nummer 1117 en heeft een oppervlakte van 12.420 m2. Het adres daarvan is Tilburgseweg 29 te Sprang – Capelle.
4
Fig. 1.1 Luchtfoto locatie Sprangsevaart 10 te Sprang – Capelle en de locatie van de berging aan de Tilburgseweg (zie rode pijl)
1.3
Planologische situatie Ingevolge het Omgevingsplan gemeente Waalwijk 2024, specifiek het voormalige bestemmingsplan ‘Gemengd gebied, aangevuld met Gemengd Gebied herziening 1’. In artikel 17 is de locatie bestemd als ‘Wonen’ met dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3’ en bouwaanduiding ‘Vrijstaand’. In de regels is bepaald wat ter plaatse mag worden gebouwd en hoe de locatie en de bebouwing mag worden gebruikt. Het plan is op de volgende punten in strijd met deze regels: • • •
Artikel 17.2.3 sub a. Hierin is bepaald dat bijbehorende bouwwerken achter de gevellijn en in het bebouwingsgebied dienen te worden geplaatst. Artikel 17.2.3. sub d onder 3. Op grond van dit artikel mag de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken niet meer bedragen dan 200 m². Zie volgende pagina uitgebieder. Artikel 17.2.3 sub f onder 2. Hierin is bepaald dat in het overige bebouwingsgebied de nokhoogte van bijbehorende bouwwerken maximaal 5 meter mag bedragen. Hier wordt niet aan voldaan, omdat de nokhoogte respectievelijk 5,26 meter en 7,10 meter bedraagt. Er is dus een overschrijding van respectievelijk 0,26 meter en 2,10 meter.
5
Toetsing bebouwingsgebied Artikel 17.2.3. sub c en d bepalen met zoveel woorden dat de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer mag bedragen dan 200 m². Artikel 1.17 geeft de volgende definitie van bebouwingsgebied achtererfgebied alsmede de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw; waarbij onderscheid wordt gemaakt in de volgende typen: a. bebouwingsgebied hoofdmassa: gedeelte van het bebouwingsgebied waar de hoofdmassa mag komen; b. overig bebouwingsgebied: gedeelte van het bebouwingsgebied waar geen hoofdmassa mag komen; Voor de projectlocatie geldt dat overal de hoofdmassa mag komen, dus is het geheel een bebouwingsgebied. Artikel 1.129 geeft de volgende definitie van zijerfgebied gedeelte van een erf dat aan (het verlengde van) de zijkant van het hoofdgebouw is gelegen op minimaal 1 meter achter de voorgevelrooilijn en voor zover niet behorend tot het achtererfgebied; In het geval van de projectlocatie is het bebouwingsgebied groter dan het zijerfgebied, omdat het bebouwingsgebied het geheel omvat waar de bouwmassa mag komen (zie figuur 1.2, waarin de bouwaanduiding ‘vrijstaand’ het gehele perceel ‘bedekt’). In dit geval bedraagt de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied circa 351 m². Dat betekent een overschrijding van het maximum van 200 m2 met 151 m².
Fig. 1.2 Verbeelding bestemmingsplan Gemengd
6
Toetsing archeologie Voor wat betreft de toetsing aan de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3’ kan het volgende worden opgemerkt. Artikel 20.2.1 van de planregels geeft aan dat voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m² en dieper dan 50 cm onder het maaiveld, geen archeologisch onderzoek behoeft te worden gedaan. Tevens bepaalt artikel 20.3.1 dat het binnen de bestemming ‘Waarde-Archeologie 3’ verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het aanleggen de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren voor (a): het uitvoeren van grondbewerkingen op meer dan 500 m² en dieper dan 50 cm onder het maaiveld In dit geval kan worden opgemerkt dat de berging kleiner is dan 500 m2 en er geen grondbewerkingen worden uitgevoerd op dieper dan 50 cm. Het plan valt dus onder de vrijstellingsgrens voor archeologie, zodat geen omgevingsvergunning nodig is voor het aanleggen van werken of werkzaamheden binnen het projectgebied.
1.4
Leeswijzer Hierna volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het plan. Vervolgens bevat hoofdstuk 3 een overzicht van het van toepassing zijnde ruimtelijke beleid. In hoofdstuk 4 worden de milieu- en omgevingsaspecten besproken. Hoofdstuk 5 gaat in op de overwegingen omtrent een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In hoofdstuk 6 komt de economische uitvoerbaarheid van het plan aan de orde. Hoofdstuk 7 behandelt de wijze waarop participatie is toegepast in de te doorlopen procedure.
7
2.
HET PLAN
2.1
Oude situatie Deze onderbouwing ziet op een bouwwerk wat reeds op het perceel aanwezig is. Op 18 februari 1992 is reeds een vergunning verleend voor het bouwen van een bijgebouw (zie tekeningen fig. 2.1).
Fig. 2.1 Overzicht in 1992 vergunde bijgebouw
8
2.2
Nieuwe c.q. bestaande situatie Hetgeen gebouwd is op het perceel aan de Tilburgseweg 29 wijkt af van het gebouw waarvoor op 18 februari 1992 een vergunning verleend. De nieuwe situatie is dus de bestaande situatie. Het gebouw Een zijde van het bouwwerk is 13,9 meter lang, in plaats van de vergunde lengte van 11 meter. Daarnaast is het bouwwerk uitgebreid met een overkapping. Het bijgebouw is gesitueerd aan de achterzijde van het perceel dat hoort bij de woning van Sprangsevaart 10 te Sprang – Capelle. Tezamen met de overige bijgebouwen op het perceel bedraagt de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het overig bebouwingsgebied en zijerfgebied circa 351 m² (zie figuur 2.4). Er is dus een overschrijding van 151 m². De nokhoogte bedraagt deels 5,26 meter (kap) en deels 7,10 meter (overige deel). Hieronder worden de gevels en de plattegronden van de bestaande situatie weergegeven.
Fig. 2.2 Gevels gebouwde bijgebouw
9
Fig. 2.3 Plattegrond bijgebouw
Fig. 2.4 Situering met bovenaan het bijgebouw
10
Het gebruik Het betreffende bijgebouw heeft ten doel om te functioneren als berging met een gym voor de bewoners van de woning aan de Sprangsevaart 10. De berging wordt gebruikt ten behoeve van opslag van tuinmaterialen en voor het tuinpersoneel (tijdens de schaft). Opgemerkt wordt dat het bijgebouw dus niet gebruikt wordt ten behoeve van woonverblijf. De betreffende berging is op een aantal onderdelen in strijd met het Omgevingsplan gemeente Waalwijk. De gemeente Waalwijk heeft aangegeven niettemin medewerking te willen verlenen aan de legalisatie van het bijgebouw. Afwijking van hetgeen al is vergund Hieronder (figuur 2.5) is een plattegrond opgenomen waarbij duidelijk is in hoeverre het gebouwde bijgebouw afwijkt van het in 1992 vergunde bijgebouw.
Fig. 2.5 Plattegrond bijgebouw
11
3.
RUIMTELIJK BELEID Dit hoofdstuk bevat het relevante ruimtelijk beleid dat door de verschillende overheden in verdragen, visies, beleidsnota’s en overige documenten is vastgelegd.
3.1
Landelijk
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld (NOVI). De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De NOVI richt zich op vier prioriteiten. Deze onderwerpen hebben onderling veel met elkaar te maken en ze hebben gevolgen voor hoe we onze fysieke leefomgeving inrichten. De Nationale Omgevingsvisie helpt bij het maken van de noodzakelijke keuzes: ▪ ▪ ▪ ▪
Ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden Onze steden en regio’s sterker en leefbaarder maken Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen
De NOVI is vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet. Bij dit plan zijn er geen nationale belangen in het geding. Conclusie Het bijgebouw heeft geen betrekking op één van de rijksbelangen die zijn opgenomen in de NOVI. Het beleidskader van de NOVI vormt dan ook geen belemmering.
3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond.
12
In artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Planspecifiek In het onderhavige plan is echter geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 5.129g van het Besluit leefomgeving. De ladder vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
3.2
Provinciaal Beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Op 14 december 2018 hebben Provinciale Staten de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Omgevingsvisie bevat geen sectorale beleidsdoelen. De concrete doelen, voor bijvoorbeeld natuur, water, veiligheid, milieu, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit, staan nu nog in de bestaande plannen van de provincie (PMWP, Structuurvisie RO, BRUG, PVVP). De Brabantse Omgevingsvisie is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De kaderstellende elementen uit de Omgevingsvisie worden in de omgevingsverordening vertaald in regels. Voor het onderhavige plan is met name de verordening van belang omdat deze gedetailleerde regels bevat waaraan getoetst dient te worden.
3.2.2 Omgevingsverordening Op 5 december 2023 heeft de provincie Noord-Brabant de (TAM-)Omgevingsverordening vastgesteld. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Omdat de verordening zoveel als mogelijk wil aansluiten bij de Omgevingswet is gekozen voor de doelgroepenbenadering (burgers en bedrijven, gemeenten of waterschappen). Dit betekent dat de regels in de omgevingsverordening zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel leidend is. In de omgevingsverordening staan algemene regels voor burgers en bedrijven en instructieregels voor bestuursorganen van de overheid. De instructieregels moeten gemeenten nu al toepassen bij de uitvoering van hun bevoegdheden in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. Dit zijn de regels die tot voor kort waren opgenomen in de Verordening ruimte. De planlocatie is gelegen in het Landelijk gebied (zie fig. 3.1). De regels die relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling zijn hieronder verder uitgewerkt.
13
Fig. 3.1 Kaart Landelijk gebied (met projectlocatie: rode pijl)
Artikel 5.7 van de Omgevingsverordening bepaalt dat een omgevingsplan bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling geeft aan een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. Dit artikel geldt ook voor gevallen waarbij middels een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt afgeweken van het omgevingsplan. Lid 2 bepaalt daarbij dat voor het realiseren van een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit toepassing wordt gegeven aan: a. zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in Artikel 5.8 ; b. de lagenbenadering, bedoeld in artikel 5.9 ; en c. meerwaardecreatie als bedoeld in artikel 5.10 . Ad a. Zorgvuldig ruimtegebruik Artikel 5.8 lid 1 onder d geeft daarover aan dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Artikel 1.4 en bijlage I (begripsbepalingen) geeft daarbij de volgende definitie van bouwperceel: ‘aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd, bestaande uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan’. Het gehele perceel aan de Sprangsevaart 10 heeft een bestemmingsvlak, waarbinnen bebouwing mogelijk is.
Dat betekent dat er sprake is van een bouwperceel. De uitbreiding van het bijgebouw kan dus worden beschouwd als een vorm van zorgvuldig ruimtegebruik. Ad b. Waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering Voor wat betreft de toepassing van de lagenbenadering als bedoeld in artikel 5.7 en 5.9 wordt hoofdzakelijk verwezen naar hoofdstuk 4 van deze ruimtelijke onderbouwing waarbij wordt ingegaan op de effecten van het plan op omgevings- en milieuaspecten. Die effecten zijn minimaal. Er zal bovendien worden voorzien in een infiltratievoorziening ten behoeve van hemelwateropvang. Ad c. Meerwaardecreatie. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, zo is bepaald in artikel 5.10 van de Omgevingsverordening.
14
De uitbreiding van het betreffende bijgebouw aan de verbetert de leefruimte en draagt bij aan ontspanningsvoorzieningen bij een bestaande woning. Voor een groot woonperceel zoals aan de Sprangsevaart 10 / Tilburgseweg 29 is dat passend en creëert dat een meerwaarde. Bovendien is het bijgebouw energiezuinig (goede isolatie en circulaire materialen) en wordt een extra waterberging aangelegd voor de hemelwateropvang. Dit draagt bij aan duurzaamheidsdoelen op gemeentelijk en nationaal niveau. Conclusie Het plan is niet in strijd met de provinciale omgevingsverordening.
3.2
Gemeentelijk beleid
3.2.1 Structuurvisie gemeente Waalwijk De Structuurvisie Waalwijk 2025, getiteld ‘Onderscheidend meer verleiden’, schetst de ruimtelijke ontwikkelingsplannen van de gemeente Waalwijk tot 2025. Deze visie fungeert als leidraad voor toekomstige ontwikkelingen op het gebied van wonen, werken, infrastructuur en voorzieningen. Hoofddoelen van de structuurvisie: Aantrekkelijke woon- en leefomgeving: Streven naar een gemeente waar inwoners prettig kunnen wonen, werken, leren en ondernemen, met aandacht voor een veilige en fijne omgeving voor opgroeiende kinderen. Centrum voor schoen- en lederindustrie: Waalwijk positioneren als hét nationale centrum voor schoen- en lederontwikkeling, voortbouwend op haar historische achtergrond in deze sector. Duurzaam regionaal werkgelegenheidscentrum: Balans creëren tussen het woon- en leefklimaat ten zuiden van de A59 en de economische activiteiten op de bedrijventerreinen aan de noordzijde, met nadruk op duurzaamheid. Participatie van de samenleving: Stimuleren van betrokkenheid en verantwoordelijkheid bij inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties in de ontwikkeling van de gemeente. De structuurvisie benadrukt een flexibele en dynamische aanpak, waarbij jaarlijks wordt geëvalueerd en bijgestuurd op basis van de actuele ontwikkelingen en financiële mogelijkheden.
Dit zorgt ervoor dat de gemeente kan inspelen op veranderende omstandigheden en nieuwe kansen kan benutten. Planspecifiek De structuurvisie zegt niets als zodanig over de mogelijkheden voor het realiseren van bijgebouwen. Niettemin kan gesteld worden dat het bieden van de mogelijkheid om op een groot woonperceel meer oppervlakte aan bijgebouw te realiseren, bijdraagt aan het realiseren van een aantrekkelijke woon- en leefomgeving.
15
3.2.2 Ontwerp-Omgevingsvisie 2025 gemeente Waalwijk Algemeen De Ontwerp-Omgevingsvisie Waalwijk van de Gemeente Waalwijk vormt het strategisch kader voor de toekomstige inrichting van de fysieke leefomgeving en stuurt op een evenwichtige samenhang tussen wonen, werken, voorzieningen, gezondheid, bereikbaarheid en leefkwaliteit. De omgevingsvisie zet voor het centrumgebied nadrukkelijk in op functiemenging, versterking van voorzieningen, levendigheid en toegankelijkheid. Het centrum wordt gezien als het hart van de gemeente, waar voorzieningen, maatschappelijke functies, detailhandel, horeca en wonen in samenhang moeten worden ontwikkeld. Planspecifiek De omgevingsvisie heeft een strategisch en richtinggevend karakter en is primair bedoeld om grote ruimtelijke ontwikkelingen en functiewijzigingen te sturen. Kleinschalige, erfgebonden ingrepen bij bestaande woningen, zoals een bijgebouw, vallen in beginsel binnen de normale ontwikkelruimte die de visie biedt, mits deze zorgvuldig worden ingepast. Een bijgebouw bij een bestaande vrijstaande woning op een zeer ruim perceel betreft een kleinschalige, erfgebonden ingreep met een beperkte ruimtelijke impact. Het bijgebouw blijft ondergeschikt aan de hoofdwoning en leidt niet tot verdichting of functiewijziging.
Daarmee wordt het bestaande woonmilieu niet aangetast en sluit de ontwikkeling aan bij de ambitie van de gemeente om de kwaliteit van woonomgevingen te behouden. Ook vanuit landschappelijk en ruimtelijk oogpunt is sprake van een passende ontwikkeling, aangezien het bijgebouw op het eigen erf wordt gerealiseerd en geen afbreuk doet aan openheid, groenstructuren of ruimtelijke samenhang. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het bijgebouw in lijn is met de Ontwerp-Omgevingsvisie Waalwijk en dat deze visie geen belemmering vormt voor de situering ervan.
3.2.3 Verordening afvoer hemelwater Waalwijk Op 15 december 2022 heeft de raad van Waalwijk de Verordening afvoer hemelwater Waalwijk vastgesteld, nu onderdeel van het tijdelijk omgevingsplan. Bij nieuwbouw moet voldoen worden aan de regels over hemelwater. Dit moet voor alle nieuwe verharding, ongeacht of er op de locatie voorafgaand al verharding aanwezig was. Voor alle nieuwbouw, gebouwen en terreinverharding, dient 60 mm berging gerealiseerd te worden. De leegloop is afhankelijk van de situatie. Infiltratie heeft de voorkeur, maar moet ook technisch kunnen. Als infiltratie aantoonbaar niet mogelijk is, is een landelijke afvoer van 2 l/s/ha het perceel af toelaatbaar. Planspecifiek Voor het bijbehorend bouwwerk moet een waterberging gemaakt worden van 60 mm. Dit is nu meegenomen in de bergingsberekening. De waterberging wordt middels een grindkoffer uitgevoerd, en ligt op -0,7 meter ten opzichte van maaiveld (dit is het niveau van een wadi). Het grondwaterpeil ligt op ongeveer -0,8 tot -1 onder maaiveld. Verder wordt het vuilwater en het hemelwater gescheiden gehouden.
16
4.
OVERIGE MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN Dit hoofdstuk bevat een verantwoording van de milieu(hygiënische) aspecten die voor het bijgebouw relevant kunnen zijn. Daarbij wordt ook ingegaan op de milieutechnische consequenties die verwezenlijking van het project zowel binnen het projectgebied als daarbuiten kan hebben. Het betreffende bijgebouw heeft ten doel om te functioneren als berging met een gym voor de bewoners van de woning aan de Sprangsevaart 10. De berging wordt gebruikt ten behoeve van opslag van tuinmaterialen en voor het tuinpersoneel (tijdens de schaft). Hier wordt reeds opgemerkt dat de berging geen gebouw is waar meer dan 2 uur mensen verblijven. De gym is enkel voor privé-gebruik, wat niet meer dan 1 uur per dag plaatsvindt. Het schaften van het personeel duurt ook slechts 2 keer een half uur (2 maal een half uur per dag, als men in de tuin werkzaam is). Nadrukkelijk wordt opgemerkt dat het bijgebouw dus niet gebruikt wordt ten behoeve van woonverblijf.
4.1
Luchtkwaliteit Algemeen Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is een aantal regels rondom lucht veranderd. De overheid toetst minder (ruimtelijke) projecten aan de regels voor luchtkwaliteit. Vooral in en nabij de aandachtsgebieden moeten overheden toetsen aan de rijksomgevingswaarden. Dit hoeft niet als een project geen of weinig luchtverontreiniging veroorzaakt. Het project draagt dan 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtvervuiling. Toetsing aan de rijksomgevingswaarde is dan niet nodig. Er is sprake van een geval van ‘niet in betekenende mate’ voor zover het toelaten van activiteiten leidt tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 μg/m3 of minder. Om dat te berekenen kan gebruik worden gemaakt van de zogenaamde NIBM-tool. Hieronder zijn de resultaten weergegeven van de situatie waarin is uitgegaan van een maximale invulling. Planspecifiek Het betreft hier een bijgebouw dat onderdeel uitmaakt van een bestaand woonperceel. Het aantal verkeersbewegingen zal ten gevolge van dit bijgebouw niet toe- of afnemen. De bestaande luchtkwaliteit behoeft eveneens niet in beeld gebracht te worden, omdat er ten gevolge van dit plan geen sprake is van de toename van het aantal gebruikers op het gehele bestaande woonperceel, aan de Sprangsevaart 10 en Tilburgseweg 29.
Conclusie Er bestaan voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen.
4.2
Geluid Algemeen De regels voor geluid in relatie tot bedrijven zijn vastgelegd in de Omgevingswet, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Daarnaast kunnen maatwerkvoorschriften gelden. Doel is om geluidgevoelige gebouwen, zoals woningen te
17
beschermen en overlast te voorkomen als onderdeel van een gezonde en veilige leefomgeving. Bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties kan de gemeente regels opnemen waardoor de locaties waar de verschillende activiteiten plaatsvinden ten opzichte van elkaar te scheiden (zonering) of door regels te stellen aan activiteiten op een specifieke locatie. De regels aan activiteiten op een locatie in een Omgevingsplan moeten voldoen aan de instructieregels uit het Bkl die gericht zijn op gezondheid en milieu en gelden voor alle geluidgevoelige gebouwen die in het Bkl als zodanig zijn aangewezen. Artikel 3.20 Bkl wijst naast woningen, ook onderwijsgebouwen, zorggebouwen met slaapgelegenheid en kinderdagverblijven aan als geluidgevoelige gebouwen. Indien wordt voldaan aan de standaardwaarden uit artikel 5.65 Bkl wordt in beginsel voldaan aan de eis van aanvaardbaarheid zoals opgenomen in artikel 5.59 Bkl. De standaardwaarden zijn gebaseerd op de algemene geluidnormen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor piekgeluiden van activiteiten is deels een andere geluidnormering dan die van het Activiteitenbesluit opgenomen. Er geldt geen standaardwaarde voor piekgeluiden in de dagperiode. Voor de avond- en nachtperiode is een aparte (hogere) standaardwaarde opgenomen voor het (aandrijfgeluid) van transportmiddelen dan voor de andere piekgeluiden.
De gemeente kan gemotiveerd afwijken van de standaardwaarden, bijvoorbeeld om mogelijkheden te bieden voor bedrijvigheid in een gemengd gebied. Voorwaarde is dat sprake moet zijn van 'aanvaardbaar geluid' op geluidgevoelige gebouwen. Planspecifiek Milieugevoelige gebouwen zijn objecten die bescherming vereisen tegen milieuaspecten zoals geluid, geur of trillingen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt onder geluidgevoelige gebouwen verstaan: Gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, kinderopvang met bedgebied of gezondheidszorg met bedgebied worden in de wet als geluidgevoelig aangemerkt Het betreffende bijgebouw heeft ten doel om te functioneren als berging met een gym voor de woning aan de Sprangsevaart 10. De berging wordt ook gebruikt ten behoeve van opslag van tuinmaterialen en voor het tuinpersoneel (tijdens de schaft). Hier wordt reeds opgemerkt dat de berging geen gebouw is waar meer dan 2 uur mensen verblijven. De gym is enkel voor privé-gebruik, wat niet meer dan 1 uur per dag plaatsvindt. Het schaften van het personeel duurt ook slechts 2 keer een half uur (2 maal een half uur per dag, als men in de tuin werkzaam is). Het betreft hier dus geen geluidsgevoelig gebouw. Omdat het hier geen geluidgevoelig object betreft, dan wel een geluid veroorzakend object, hoeft er geen geluidsonderzoek te worden uitgevoerd.
Conclusie Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor het bijgebouw.
4.3
Natuurtoets Algemeen In de toelichting van een omgevingsplan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de op grond van de wet- en regelgeving op het gebied van natuur. De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er
18
is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Het ecologisch onderzoek is uitgevoerd binnen de kaders van de Wet natuurbescherming. Gelet op het feit dat het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling niet gewijzigd zijn, kunnen de conclusies uit het rapport als motivering aan dit plan ten grondslag worden gelegd. Soortenbescherming Soortenbescherming is onderdeel van de Omgevingswet. Met verschillende wetsinstrumenten is het mogelijk om te zorgen voor de bescherming van flora en fauna. Dit voorkomt achteruitgang van de biodiversiteit. Gebiedsbescherming - Natura 2000-gebieden Gebiedsbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijnen) in Nederland. Projecten of andere handelingen en plannen die negatieve effecten op deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel zonder vergunning niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een omgevingsplan of inpassingsplan is niet toegestaan, wanneer het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (zoals ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (zoals door geluid, licht en stikstofdepositie).
- Natuurnetwerk Nederland Een andere vorm van gebiedsbescherming is het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland, dat voldoende robuust is voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de provinciale NNN is voor Zuid-Holland uitgewerkt in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Planspecifiek - Soortenbescherming Het bijgebouw is gerealiseerd op een particulier erf en verving destijds bestaande bebouwing en verhard oppervlak. Er is geen sprake van uitbreiding in ecologisch waardevolle gebieden of van ingrijpende verandering van habitat. In de huidige situatie is geen sprake van verblijfplaatsen of voortplantingsbiotopen van soorten genoemd in hoofdstuk 11 Bal. Het bouwwerk bevat geen kenmerken die wijzen op bewoning door vleermuizen, (broed)vogels of andere beschermde soorten. Het gebouw is reeds gerealiseerd. De uitvoerbaarheid staat dan ook niet meer ter discussie. Initiatiefnemer dient te voldoen aan de natuurregelgeving gerelateerd aan soortenbescherming. - Gebiedsbescherming Het gebouw is reeds gerealiseerd. Voor de bouwfase kan er voor de toekomst geen sprake meer zijn van een toename van stikstofdepositie.
Voor de gebruiksfase geldt dat het gebouw zelf verwarmd wordt met een warmtepomp, op elektriciteit (dus gasloos). Verder is er geen toename van verkeersbewegingen ten gevolge van het gebruik (het betreft immers privé-gebruik).
19
Conclusie Vanuit het oogpunt van ecologie bestaan er geen belemmeringen voor de aanwezigheid van het bijgebouw.
4.4
Water Algemeen Eén van de instrumenten om het nieuwe waterbeleid voor de 21e eeuw vorm te geven is de watertoets. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Gemeentelijk beleid Op 15 december 2022 heeft de raad van Waalwijk de Verordening afvoer hemelwater Waalwijk vastgesteld, nu onderdeel van het tijdelijk omgevingsplan. Bij nieuwbouw moet voldoen worden aan de regels over hemelwater. Dit moet voor alle nieuwe verharding, ongeacht of er op de locatie voorafgaand al verharding aanwezig was. Voor alle nieuwbouw, gebouwen en terreinverharding, dient 60 mm berging gerealiseerd te worden. De leegloop is afhankelijk van de situatie. Infiltratie heeft de voorkeur, maar moet ook technisch kunnen. Als infiltratie aantoonbaar niet mogelijk is, is een landelijke afvoer van 2 l/s/ha het perceel af toelaatbaar. Planspecifiek De gemeente Waalwijk hanteert als uitgangspunt dat per vierkante meter 60 liter regenwater (60,0 L/m²) moet kunnen worden verwerkt. Dit betekent dat de bodem of voorziening voldoende capaciteit moet hebben om dit water tijdelijk op te slaan en vervolgens te laten infiltreren. Daarbij geldt dat de grond minimaal 26,2 millimeter water per 24 uur moet kunnen bergen en verwerken.
Met andere woorden: binnen één etmaal moet de bodem in staat zijn om een waterlaag van 26,2 mm op te nemen, zodat wateroverlast wordt voorkomen. Bebouwd oppervlakte van het bijgebouw is 223,8 m². Dat betekent: 223,8 m² x 60 l/m² = 13.428 L benodigde waterberging. Dit wordt opgelost door een infiltratiekrattensysteem, op eigen terrein, rondom of onder de dakcontour, onder maaiveld (dus op eigen terrein). De grindkoffer ligt op -0,7 meter ten opzichte van maaiveld (dit is het niveau van een wadi). Het grondwaterpeil ligt op ongeveer -0,8 tot -1 meter onder maaiveld. Verder wordt het vuilwater en het hemelwater gescheiden gehouden.
4.5
Archeologie Algemeen De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze
20
wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal door vertaald in archeologische functies en cultuurhistorische functies opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Planspecifiek De planlocatie draagt naast ‘Wonen’ ook de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3’. Artikel 20.2.1 van de planregels geeft aan dat voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m² en dieper dan 50 cm onder het maaiveld, geen archeologisch onderzoek behoeft te worden gedaan.
Tevens bepaalt artikel 20.3.1 dat het binnen de bestemming ‘Waarde-Archeologie 3’ verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het aanleggen de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren voor (a): het uitvoeren van grondbewerkingen op meer dan 500 m² en dieper dan 50 cm onder het maaiveld. In dit geval kan worden opgemerkt dat het bijgebouw kleiner is dan 500 m2 en er geen grondbewerkingen worden uitgevoerd op dieper dan 50 cm. Het plan valt dus onder de vrijstellingsgrens voor archeologie. Conclusie Het bouwwerk (de bouwwerken) zijn bestaand. Grondwerk vindt niet plaats. Daarnaast is nader onderzoek niet nodig omdat het oppervlak minder bedraagt dan 500 m2.
4.6
Bodemkwaliteit Algemeen Door de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Wet bodembescherming vervallen. Via de Aanvullingswet bodem Omgevingswet en Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet zijn de regels voor bodem onderdeel gemaakt van de Omgevingswet. Het nieuwe wettelijke instrumentarium voor bodem berust op drie pijlers: ▪ ▪ ▪
Het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); Het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); Het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer historische verontreinigingen).
Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Een onderzoek in de vorm van een historisch onderzoek of een verkennend bodemonderzoek geeft inzicht of de bodem ter plaatse van een ontwikkeling geschikt is voor het beoogde gebruik en activiteiten.
21
Planspecifiek Het betreffende bijgebouw heeft ten doel om te functioneren als berging met een gym voor de bewoners van de woning aan de Sprangsevaart 10. De berging wordt gebruikt ten behoeve van opslag van tuinmaterialen en voor het tuinpersoneel (tijdens de schaft). Opgemerkt wordt dat de berging geen gebouw is waar meer dan 2 uur mensen verblijven. De gym is enkel voor privé-gebruik, wat niet meer dan 1 uur per dag plaatsvindt. Het schaften van het personeel duurt ook slechts 2 keer een half uur (2 maal een half uur per dag, als men in de tuin werkzaam is). Nadrukkelijk wordt opgemerkt dat het bijgebouw dus niet gebruikt wordt ten behoeve van woonverblijf en geen milieugevoelige functie heeft. Het onderhavige bijgebouw wordt dus gebruikt voor doeleinden waarbij personen zich niet langer dan twee uur per dag in het gebouw bevinden. Hiermee valt het gebruik onder de categorie kortdurend verblijf zoals bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving. De gezondheidsrisico’s door mogelijke bodemverontreiniging worden in dat geval als zeer beperkt beschouwd. Conclusie Het perceel heeft een woonbestemming. Dat maakt dat de bodem geschikt is voor de functie wonen en daardoor geen belemmering vormt voor het gebruik van het bouwwerk/ bouwwerken.
4.7
Omgevingsveiligheid Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd: ▪ Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een risicobron bevindt, overlijdt door een ongeval met de risicobron. Het PR is daarmee de risicomaat om het beschermingsniveau voor de individuele burger uit te drukken. Het toetsingscriterium is in veel gevallen een PR van 10-6. PR wordt inzichtelijk gemaakt door vaste contouren rondom een risicobron.
Kwetsbare objecten, zoals woningen en functies met veel bezoekers, zijn niet toegestaan binnen de 10-6-contour van het PR rond inrichtingen waar opslag en/of verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. ▪ Het groepsrisico (GR) geeft aan wat de kans is op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde risicobron. Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege
22
aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstandenrekenkundig te bepalen. Planspecifiek Op basis van de risicokaart (zie figuur 4.1) is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en om de planlocatie. De locatie ligt in het aandachtsgebied van een risicovolle inrichting. Volgens de beschikbare risicokaarten en aandachtsgebieden betreft het hier een locatie waar bij een calamiteit sprake kan zijn van tijdelijke blootstelling aan een toxische concentratie (bijvoorbeeld ammoniak of chloor). Deze blootstelling kan leiden tot gezondheidsrisico’s voor aanwezige personen.
Fig. 4.1 Uitsnede risicokaart (bron: Atlas voor de leefomgeving) In het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de verantwoording daarvan, is de aanwezigheid van het bijgebouw binnen het aandachtsgebied zorgvuldig afgewogen. De volgende overwegingen en maatregelen onderbouwen de aanvaardbaarheid van de risico’s: 1. Beperktere blootstellingstijd: Het betreft hier geen kwetsbare groep van gebruikers. Bovendien betreft het hier geen woonverblijf en is er in het bijgebouw een zeer beperkte blootstelling (maximaal 2 uur per dag). Tegelijkertijd kan worden opgemerkt worden dat er geen wijziging optreedt ten opzichte van de situatie zonder het bijgebouw, omdat het wordt gerealiseerd op een bestaand woonperceel, waar initiatiefnemers zich reeds mogen ophouden. 2. Goede ontvluchting mogelijk: Het pand beschikt over een directe uitgang naar de buitenlucht en liggen niet in een risicovolle kelder- of souterrainstructuur. 3. Goede informatievoorziening en crisisstructuur: De gemeente Waalwijk beschikt over een actueel rampenplan. In geval van een incident worden leidinggevenden via NL-Alert en andere kanalen geïnformeerd over schuilen of vluchten. 4. Bouwkundige voorzieningen: Het pand wordt voorzien van een afschakelbaar ventilatiesysteem.
Dat is een ventilatiesysteem (mechanisch of natuurlijk) dat bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen automatisch of handmatig uitgeschakeld kan worden, zodat verontreinigde buitenlucht niet naar binnen wordt gezogen.
23
Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat, hoewel het plangebied binnen een gifwolkaandachtsgebied valt, het beoogde bijgebouw verantwoord en aanvaardbaar is binnen de kaders van het Bkl en de Omgevingswet. Conclusie Vanuit het oogpunt van externe veiligheid bestaan er geen belemmeringen voor de aanwezigheid van het bijgebouw.
4.8
Bedrijven en milieuzonering Algemeen Om hinder tussen verschillende al dan niet gevoelige functies te voorkomen, is ook onder de Omgevingswet een goede afstemming noodzakelijk. Milieuzonering zorgt ervoor dat bij de bouw van nieuwe woningen voldoende afstand in acht wordt genomen tot milieubelastende activiteiten (tussen bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen). Zo worden hinder en gevaar voorkomen en kunnen bedrijven zich binnen aanvaardbare voorwaarden in een gebied vestigen en activiteiten (blijven) uitoefenen. Het begrip 'inrichting' uit de Wet milieubeheer bestaat onder de Omgevingswet niet meer, deze is vervangen door regels voor milieubelastende activiteiten. Een 'milieubelastende activiteit' is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Lozingsactiviteiten op oppervlaktewater of een zuiveringsinstallatie of wateronttrekking vallen niet onder de definitie van een 'milieubelastende activiteit'. De VNG-handreiking Activiteiten en milieuzonering (oktober 2024) vervangt de eerdere brochure Bedrijven en milieuzonering uit 2009. Deze nieuwe handreiking sluit aan bij de Omgevingswet en biedt een vernieuwde systematiek voor het reguleren van milieuhinderlijke activiteiten, zoals een buitenschoolse opvang (BSO).
Niettemin kan de lijst van activiteiten uit de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering nog wel als hulpmiddel worden gebruikt om de milieubelasting van activiteiten in te schatten. Planspecifiek In de (directe) omgeving van het bijgebouw is op meerdere percelen een agrarische bestemming aanwezig. Dichtbij het bijgebouw is een stoeterij gevestigd (Tilburgseweg 27). Het betreffende bijgebouw heeft echter ten doel om te functioneren als berging met een gym voor de woning aan de Sprangsevaart 10. De berging wordt gebruikt ten behoeve van opslag van tuinmaterialen en voor het tuinpersoneel (tijdens de schaft). Opgemerkt wordt dat de berging geen gebouw is waar meer dan 2 uur mensen verblijven. De gym is enkel voor privégebruik, wat niet meer dan 1 uur per dag plaatsvindt. Het schaften van het personeel duurt ook slechts 2 keer een half uur (2 maal een half uur per dag, als men in de tuin werkzaam is). Nadrukkelijk wordt opgemerkt dat het bijgebouw dus niet gebruikt wordt ten behoeve van woonverblijf en geen milieugevoelige functie heeft. Dat betekent dat er uit het oogpunt van (overige) milieuaspecten geen belemmeringen bestaan voor de aanwezigheid ervan (geur / stof / geluid). Conclusie Vanuit het oogpunt van bedrijven en milieuzonering bestaan c.q. bestonden er geen belemmeringen voor de aanwezigheid van het bijgebouw. .
24
4.9
Vormvrije m.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is bedoeld om vooraf de mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld te brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming over plannen en besluiten. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Planspecifiek De vraag is allereerst of de berging kan worden geschaard onder J11 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ Op 15 januari 2020 heeft de Raad van State uitspraak gedaan inzake het uitwerkingsplan “Ravelijnstraat” in de gemeente Maastricht (ECLI:NL:RVS:2020:100). Uit deze uitspraak blijkt dat de bouw van 12 vrijstaande woningen door de Raad van State niet worden gezien als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r..
Het voorliggend plan ziet op de realisatie (legalisatie) van 1 bijgebouw bij een bestaande woning. Op basis van voornoemde uitspraak kan worden geconcludeerd dat er geen vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, nu er sprake is van geen stedelijke ontwikkeling. Conclusie Omdat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling, is er geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is.
4.10
Gezondheid Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Planspecifiek Het bijgebouw aan de Tilburgseweg 29 betreft geen milieubelastende functie. Voor de directe omgeving zal dit dus ook geen effecten hebben die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Voor wat betreft gebruikers wordt eveneens niet verwacht dat er sprake is van gevaar voor de gezondheid. In dit hoofdstuk van de GoFlo is onder meer getoetst aan de aspecten geluid en luchtkwaliteit (de aspecten geur en trillingen zijn niet getoetst, omdat die sowieso niet aan de orde zijn). Daaruit blijkt dat er geen sprake is van relevante negatieve effecten. Conclusie
25
Vanuit het aspect gezondheid is er geen sprake van een belemmering voor de aanwezigheid van het bijgebouw.
4.11
Conclusie Gelet op al het voorgaande zijn er voor wat betreft milieu- en omgevingsaspecten geen belemmeringen voor het betreffende bijgebouw aan de Tilburgseweg 29.
26
5.
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Algemeen Op grond van artikel 5.21 lid 2 onder b van de Omgevingswet moet een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels van de provincie en het rijk. In voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het ruimtelijke beleid van de diverse overheden, alsook op de diverse milieu- en omgevingsaspecten. In dit hoofdstuk zijn de conclusies uit de genoemde hoofdstukken opgenomen in het kader van de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Conclusie beleid Het betreffende bijgebouw voor de Tilburgseweg 29 te Sprang Capelle is niet strijdig met het ruimtelijke beleid vanuit de diverse overheidslagen. De ontwikkeling valt in binnenstedelijk gebied waar reeds een woonbestemming geldt. De structuurvisie van de gemeente Waalwijk zegt niets als zodanig over de mogelijkheden voor het realiseren van bijgebouwen. Niettemin kan gesteld worden dat het bieden van de mogelijkheid om op een groot woonperceel meer oppervlakte aan bijgebouw te realiseren, bijdraagt aan het realiseren van een aantrekkelijke woon- en leefomgeving. Dat laatste vormt een van de speerpunten van de structuurvisie.
Conclusie omgevingsaspecten De impact van het bijgebouw op omgevingsaspecten is zeer beperkt, te meer omdat het hier geen milieugevoelig object c.q. gebruik betreft. Het bouwplan heeft wat dat betreft geen relevante nadelige effecten. Belangenafweging Dit project ziet op het vergroten van een bijgebouw waarvoor 18 februari 1992 een vergunning is verleend. Op die datum is een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een tuinhuis. Het bijgebouw dat nu op het perceel staat, is echter groter uitgevoerd. Voor de vergroting wordt de procedure doorlopen voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Enkel de vergroting c.q. afwijking staat ter beoordeling in deze ruimtelijke onderbouwing. Het betreffende bijgebouw is gerealiseerd op een groot perceel. Dat maakt het effect op de fysieke leefomgeving vrij beperkt. De uitbreiding van het bijgebouw biedt de mogelijkheid voor initiatiefnemer om gebruik te maken van een ontspanningsruimte t.b.v. een gym. Tevens biedt het ruimte voor de arbeiders in de (omvangrijke) tuin om daar te schaften. Voor de betreffende woonlocatie is dat passend en creëert dat een meerwaarde. Omwonenden worden door het betreffende bijgebouw niet op onaanvaardbare wijze benadeeld voor wat betreft het woon- en leefklimaat. Tevens wordt de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven c.q.
de uitoefening van bepaalde omliggende functies niet beperkt door de aanwezigheid van het bijgebouw.
27
Conclusie Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat hier sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
28
6.
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Als op voorhand duidelijk is dat het toegedachte plan om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, hoort de het plan niet mogelijk gemaakt te worden. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een behoefte waar in de markt vraag naar is. De realisatie van het bijgebouw heeft plaatsgevonden in opdracht van een private partij waarvan de lasten door de initiatiefnemer zullen worden gedragen. De financiële uitvoerbaarheid is daarmee verzekerd.
29
7.
PARTICIPATIE Het doorlopen van een procedure waarbij een omgevingsvergunning wordt verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit dient zorgvuldig te gebeuren. In dat kader is het van belang dat er vooroverleg met betrokken instanties, burgers en maatschappelijke organisaties plaatsvindt, zodat in een vroeg stadium knelpunten, belangen en verbeterpunten kunnen worden gesignaleerd. De verplichtingen vanuit de Omgevingswet voor participatie verschillen per instrument. Voor instrumenten waarvoor de gemeente initiatiefnemer is, moet de gemeente aangeven hoe belanghebbenden betrokken zijn bij de totstandkoming van deze instrumenten en welke resultaten dit heeft opgeleverd. Dit geldt voor de instrumenten Omgevingsvisie, programma en omgevingsplan. De gemeente is van oordeel dat participatie voor deze instrumenten maatwerk is. Daarom wordt, voorafgaand aan het opstellen van deze plannen, een participatie- en communicatieplan opgesteld. Planspecifiek Dit betreft een procedure ter legalisatie van het betreffende bijgebouw aan de Tilburgseweg 29 te Sprang – Capelle. Dat is naar aanleiding van een handhavingsverzoek van een omwonende. Deze omwonende wordt in kennis gesteld van het genomen besluit tot verlening van de omgevingsvergunning. Met de betreffende omwonende is een mediation-traject doorlopen, waarbij onder meer de aanwezigheid van onderhavig bijgebouw een thema was.
Tussen initiatiefnemer en deze omwonende is, en de gemeente, intensief contact geweest en is uiteindelijk consensus bereikt over onder meer de situering van het betreffende bijgebouw. Initiatiefnemer heeft voorts contact gehad met de bewoners van Tilburgseweg 25. Deze hebben eveneens aangegeven geen bezwaren te hebben tegen het bijgebouw. De gemeente is van bovenstaande reacties op de hoogte. Verder zijn de eigenaren van de Sprangsevaart 4, 6, 8 en 20 uitgenodigd om een reactie te geven. Ook na een rappel hebben deze omwonenden niet gereageerd. Het bijgebouw ligt overigens op geruime afstand van deze adressen, waardoor de belangen van deze omwonenden ook zeer beperkt c.q. nihil zijn. ___________________________________________________________________________
30