Bijlage 1 bij vragen en antwoorden Samen Waalwijk (2) Verweerschrift (geanonimiseerd)
Tekst van het document
Aan
|
de
vaste
commissie
van
advies
33601kenmerk
57199Zaaknummer
uw
schrijven
Uwschrijven
uw
kenmerk
Uwkenmerk
telefoonnummer
onb
onderwerp
Voorkeursrecht
Geachte
behandeld
in
gebied
EN
De
de
voor
bezwaarschriften
(geanonimiseerd) |
“REFNUMBER*
info@waalwijk.nl 0416
Els
en
doc.nr.
683456
verzonden
5
juni
2025
omgeving
commissie,
Inleiding 1.
Op 19 juni 2025 2025, ingediend
zult u tijdens een hoorzitting het bezwaarschrift van 10 januari door ALDI Vastgoed B.V., gevestigd te (4104 BE) Culemborg aan de Pascalstraat 21, alsook het (aanvullend) bezwaarschrift van 28 april 2025, ingediend namens ALDI Vastgoed B.V., hierna (in enkelvoud) te noemen: “bezwaarmaker” “(het) bezwaarschrift”, bij u bekend onder 33601respectievelijk behandelen. 57199: „
2.
Het
bezwaarschrift
10 januari 2025 is gericht tegen het besluit van het college wethouders van de gemeente Waalwijk, hierna te noemen: 17 december 2024 tot het vestigen van een voorlopig voorkeursrecht krachtens artikel 9.1 lid 2 van de Omgevingswet (Ow) op het in het gebied De Els en omgeving gelegen perceel, kadastraal bekend gemeente Waalwijk sectie D nummer 1964 en het appartementsrecht, kadastraal bekend gemeente van
burgemeester en “(het) college”, van van
Waalwijk, sectie D, complexaanduiding 2410-A, appartementsindex 10, hierna (in enkelvoud) te noemen: “(de) voorlopige voorkeursrechtbeschikking” respectievelijk “(de) onroerende zaak”. 3.
Op 27 februari 2025 heeft de raad van “(de) raad”, besloten tot het vestigen
de van
gemeente een
Waalwijk,
voorkeursrecht
hierna te noemen: krachtens artikel 9.1
lid 20
1 onder c van de Ow op de onroerende zaak, welk voorkeursrecht vervolgens op maart 2025 door de raad is ingetrokken vanwege de niet tijdige inschrijving in de daarmee niet in is openbare registers (en werking getreden). 4.
maart heeft de raad 20 2025 opnieuw besloten voorkeursrecht krachtens artikel 9.1 lid 1 onder c van de hierna te noemen: “(de) voorkeursrechtbeschikking”.
Op
5.
Het
bezwaarschrift
6.
Krachtens
van
28
april
2025
is
gericht tegen
de
tot
het
Ow
op
vestigen de
van
onroerende
voorkeursrechtbeschikking.
artikel 9.4 lid 3 van de Ow is de voorlopige voorkeursrechtbeschikking rechtswege komen te vervallen drie maanden na het ingaan ervan, omdat de voorkeursrechtbeschikking pas is ingegaan na het verstrijken van de maximale
geldingsduur
Verweerschrift
van
de
een
zaak,
van
voorlopige voorkeursrechtbeschikking. 1/10
7.
Hoewel ingevolge artikel 16. 32c lid 1 van de Ow niet geheel duidelijk is of het bezwaar dat aanhangig is gemaakt tegen de voorlopige voorkeursrechtbeschikking wordt geacht gericht te zijn tegen de voorkeursrechtbeschikking , stelt de raad zich op het standpunt dat er geen reden is om aan te nemen dat hiervan zou moeten worden afgeweken , omdat blijft staan dat tijdens de bezwaarprocedure tegen de voorlopige voorkeursrechtbeschikking de voorkeursrechtbeschikking in werking is getreden. Bovendien gaat het hier om een wat inhoud betreft gelijk besluit (zie Kamerstukken II 2006/07 , 30 938 , nr. 3 , pag. 58) en bezwaarmaker door deze ‘samenloop’ bepaling niet in zijn belangen wordt geraakt.
8.
De raad is van mening dat de aangevoerde bezwaargronden ongegrond zijn en niet kunnen leiden tot herroeping van de voorkeursrechtbeschikking. De raad licht dat als volgt toe.
Ontvankelijkheid 9.
Conform de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat bezwaar alleen open voor een ‘belanghebbende’. Een belanghebbende is degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. De eigenaar van en de beperkt gerechtigden tot de onroerende zaak of zaken waarop het voorkeursrecht wordt gevestigd zijn daarom altijd als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 lid 1 van Awb aan te merken. Het eigendom van de hiervoor vermelde onroerende zaak komt toe aan Aldi Vastgoed B. V. en is dus belanghebbende bij de voorkeursrechtbeschikking.
10. Voorts is het bezwaarschrift tijdig ingediend door de (rechtsgeldige vertegenwoordiger van) bezwaarmaker en is voldaan aan alle overige wettelijke vereisten , waardoor het bezwaarschrift ontvankelijk is. Bezwaren 11. Bezwaarmaker stelt - samengevat - het volgende: A. Dat de voorkeursrechtbeschikking in strijd is met artikel 9. 1 lid 1 onder c van de Ow , omdat het huidige gebruik van de onroerende zaak niet afwijkt van de functie die daaraan blijkens de voorkeursrechtbeschikking is toegedacht. B. Dat de voorkeursrechtbeschikking in strijd is met het motiveringsbeginsel , omdat onvoldoende en ontoereikend is onderbouwd waarom het toegedachte gebruik ‘kwalitatief beter’ of ‘intensiever’ zal zijn dan het daadwerkelijke huidige (feitelijke) gebruik in algemene zin , noch ten aanzien van de onroerende zaak in het bijzonder. C. Dat in de voorkeursrechtbeschikking ten onrechte een deugdelijke financiële verantwoording ontbreekt , hetwelk in strijd is met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. D. Dat in de voorkeursrechtbeschikking ten onrechte een evenredige belangenafweging ontbreekt , hetwelk tevens in strijd is met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. E.
Dat de voorkeursrechtbeschikking niet voldoet aan de wettelijke vereisten als bedoeld in artikel 7. 1 lid 1 sub f van het Omgevingsbesluit , omdat de voorkeursrechtbeschikking niet de eerst mogelijke vervaldatum van het voorkeursrecht vermeldt.
Verweerschrift
2 / 10
F.
Dat de grondtekening bij de voorkeursrechtbeschikking niet voldoet aan de wettelijke vereisten als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub h van het Omgevingsbesluit , aangezien: i. de schaalgrootte niet is vermeld; ii. de kadastrale nummers van de percelen (waarop een voorkeursrecht wordt gevestigd) niet goed afleesbaar zijn; en de aansluiting van de onroerende zaak of zaken op het daaromheen iii. gelegen gebied onduidelijk is.
Reactie op de bezwaren Ad. A. 12. Artikel 9. 1 lid 1 onder c van de Ow strekt ertoe dat de raad reeds voor aanvang van de procedure tot vaststelling van een omgevingsplan dan wel een omgevingsvisie of een programma een voorkeursrecht kan vestigen op onroerende zaken die deel uitmaken van een locatie waaraan in de voorkeursrechtbeschikking een nietagrarische functie of een moderniseringslocatie wordt toegedacht die afwijkt van het bestaande gebruik , zodat reeds in een vroegtijdig stadium slagvaardig kan worden opgetreden teneinde te voorkomen dat de verwezenlijking van de toegedachte functie wordt belemmerd. 13. De raad ontkomt er dan ook niet aan bij de omschrijving van de toegedachte functie een vrij algemene en abstracte formulering te hanteren. Indien met het vestigen van het voorkeursrecht zou moeten worden gewacht totdat een per perceel uitgewerkt gedetailleerde functie voorhanden is , zouden de doelstellingen van het voorkeursrecht niet kunnen worden gerealiseerd. Aan de toepassing van artikel 9. 1 lid 1 onder c van de Ow is derhalve inherent dat van de toekomstige functie nog slechts een globaal beeld bestaat. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State , hierna te noemen: “Afdeling” , van 19 januari 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP1355). 14.
De functie die de raad voorziet voor de locatie waarvan de onroerende zaak van bezwaarmaker deel uitmaakt betreft ‘gemengd gebied voor woningen , economische en maatschappelijke functies (waaronder kantoren , detailhandel , horeca , dienstverlening en bibliotheek) , voorzieningen (waaronder ontmoetings/verblijfsplekken en parkeerplaatsen) en groen’. Dat de onroerende zaak van bezwaarmaker feitelijk in gebruik is als supermarkt (economische functie) neemt niet weg dat de toegedachte functie op de locatie waarvan de onroerende zaak deel uitmaakt méér dan alleen retail omvat , zoals hiervoor is toegelicht. 15. Bovendien geldt dat , ook wanneer een functie voorziet in een vergelijkbaar maar beter of intensiever gebruik dan het bestaand gebruik , van afwijkend gebruik kan worden gesproken. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP1306). Zoals in het bij de voorkeursrechtbeschikking behorende raadsvoorstel is vermeld , wordt op de locatie waarvan de onroerende zaak deel uitmaakt een beter en intensiever gebruik dan het daadwerkelijke feitelijke gebruik beoogt. Ad. B. 16. De raad betwist stellig dat in de voorkeursrechtbeschikking geenszins wordt gemotiveerd dat het toegedachte gebruik ‘kwalitatief beter’ of ‘intensiever’ zal zijn dan het daadwerkelijke (feitelijke) gebruik. Verweerschrift
3 / 10
Onder ‘Inleiding’ van het bij de voorkeursrechtbeschikking behorende raadsvoorstel wordt bijvoorbeeld gezegd: “Om als Waalwijk een attractieve (woon)stad te blijven in de toekomst is het van belang om de voorzieningen en werkgelegenheid in stand te houden , voldoende woningen te bieden aan verschillende doelgroepen van jong tot oud en een goede bereikbaarheid te waarborgen. Een aantrekkelijke binnenstad met goede (centrale) voorzieningen is een belangrijk onderdeel hierin en vormt de benodigde basis om door te kunnen groeien. De binnenstad als sociaal en economisch hart van de stad vraagt om voldoende draagvlak (consumenten) om (binnen)stedelijke functies als een theater en winkels op lange termijn te handhaven en/of te versterken. Een aantrekkelijke binnenstad en groei kunnen elkaar dan stimuleren. Vanuit de Centrumvisie Waalwijk 2017 en het Addendum Centrumvisie Waalwijk (2020) zijn al verschillende ontwikkelingen in het centrumgebied in gang gezet. Om de ambities concreet te maken , ervoor te zorgen dat de stedenbouwkundige samenhang behouden blijft en waar mogelijk te versterken is het op 8 juli 2022 door de raad vastgestelde document ‘Waalwijk stadscentrum - Stedenbouwkundig Masterplan’ opgesteld. Het Masterplan is een richtinggevend ontwerp- en inspiratiekader voor de doorontwikkeling van de binnenstad van Waalwijk.
De transformatie van het overdekte winkelcentrum De Els en omgeving wordt daarbij aangemerkt als één van de grotere en belangrijke ontwikkellocaties in het centrum van Waalwijk. De door de raad op 20 april 2024 vastgestelde Actualisatie centrumvisie Waalwijk 2024 sluit aan bij de hiervoor vermelde - maatschappelijk en bestuurlijke - ambities. Om deze ambities te realiseren wordt in de Actualisatie centrumvisie 2024 ingezet op de volgende speerpunten: 1. 2. 3. 4. 5.
Kwalitatieve herontwikkeling van De Els en omgeving; Sterke basis creëren voor dagelijkse centrumbezoekers; Verbeteren van de ontmoetings- en verblijfsfunctie; Lokale identiteit beter zichtbaar en beleefbaar maken; Het centrum als levendig en leefbaar woongebied.
In dezelfde Actualisatie centrumvisie Waalwijk 2024 staat dat het geen doel op zich is om bij de herontwikkeling van De Els een bepaalde hoeveelheid commerciële ruimte terug te brengen. Doel is om de gewenste bijdrage aan het centrum te realiseren (te weten: compact rondje , boodschappenbronpunt , verblijfsplek en nieuw woonmilieu) én de ruimtelijke kwaliteit en flexibiliteit van het gebied drastisch te verbeteren (reguliere centrumstraten in plaats van winkelpassages). ” In dit verband is onder ‘Argumenten/Overwegingen’ van het raadsvoorstel onder meer het volgende opgenomen: “De in de aanwijzing betrokken onroerende zaken (bijlage 1 en 2) zijn voor een deel gelegen in het bestemmingsplan ‘Centrumgebied Waalwijk’ en voor een ander deel in het bestemmingsplan ‘Herziening Centrumgebied Waalwijk’ , welke plannen zijn opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Waalwijk. Aan deze onroerende zaken zijn grotendeels de bestemmingen respectievelijk functies ‘Centrumdoeleinden’ , ‘Centrum-1’ en ‘Verkeer - Verblijfsgebied’ toegekend. Voor een enkele onroerende zaak geldt de bestemming respectievelijk functie ‘Gemengde doeleinden’ , ‘Woondoeleinden’ , “Verblijfsdoeleinden - promenade’ en ‘Tuin (parkeren)’. De onroerende zaken zijn feitelijk ook als zodanig in gebruik. De Verweerschrift
4 / 10
gemeente wil het (winkel)gebied De Els en omgeving transformeren naar een
modern , aantrekkelijk , duurzaam en gemengd gebied voor wonen , economische en maatschappelijke functies (waaronder kantoren , detailhandel , horeca , dienstverlening en bibliotheek) , voorzieningen (waaronder ontmoetings-/verblijfsplekken en parkeerplaatsen) en groen , zoals ter visuele verduidelijking is aangeduid op de bijgevoegde kaart (bijlage 3). Dit betekent dat een functie aan de locatie wordt toegedacht die ten tijde van het nemen van de voorkeursrechtbeschikking al deels conform die functie wordt gebruikt. Desondanks kan worden gesproken van een afwijkend gebruik , omdat de gemeente een kwalitatief beter of intensiever gebruik dan het daadwerkelijke feitelijke gebruik beoogt. Het bestaande gebruik wijkt daarmee af van de toegedachte functie en daarmee wordt voldaan aan de in artikel 9. 1 lid 1 onder c van de Ow gestelde formele vereisten tot vestiging van het voorkeursrecht. ” 17. Ten overvloede merkt de raad op dat de gemeente het (winkel)gebied De Els en omgeving wil transformeren naar een plek waar wonen , werken , ontmoeten , verblijven én winkelen hand in hand gaan: van een ‘place to buy’ naar een ‘place to be’. De ambitie voor het gebied is dan ook tweeledig. De herontwikkeling van het winkelcentrum wordt gecombineerd met een nieuwe stedelijke woonomgeving waarin ongeveer 350 woningen worden toegevoegd.
Daarbij is het goed en volwaardig functioneren van winkelcentrum De Els enerzijds benodigd voor het overleven van de binnenstedelijke winkelfunctie in de gemeente Waalwijk (aangezien er op dit moment veel sprake is van leegstand in het winkelcentrum) en anderzijds omdat er ‘zonder’ binnenstad geen aantrekkelijk woonmilieu kan worden gecreëerd als basis voor de ambitie van de gemeente om woningen toe te voegen in het centrum (en daarmee te voorzien in de behoefte van woningzoekenden). 18. Anders dan bezwaarmaker ziet de raad niet in waarom onvoldoende en ontoereikend is gemotiveerd dat sprake is van afwijkend (ofwel kwalitatief beter dan wel intensiever) gebruik. Ad. C. 19. Bezwaarmaker merkt op dat de raad , gelet op de omvang van het gebied waarop het voorkeursrecht is gevestigd , waarbij het bovendien gaat om een zeer groot aantal verschillende eigenaren , bij de vestiging van het voorkeursrecht had moeten ingaan op het financiële beleid en de financiële positie van de gemeente , omdat verwerving van alle onroerende zaken waarop een voorkeursrecht is gevestigd wel degelijk ingrijpende financiële consequenties heeft voor de gemeente. 20. Daarmee houdt bezwaarmaker een veel te ruime interpretatie aan van de wetgeschiedenis (zie Kamerstukken II 2018/19 , 35133 , nr. 3 , pag. 76).
Weliswaar volgt daaruit dat de overheid niet meer risico mag aangaan dan de financiële situatie toelaat , maar dit betekent niet dat de publiekrechtelijke rechtspersoon in staat moet zijn om alle onroerende zaken waarop een voorkeursrecht is gevestigd , daadwerkelijk te kopen. 21. Bovendien miskent bezwaarmaker dat in het raadsvoorstel behorende bij de voorkeursrechtbeschikking onder ‘Financiën’ onder meer het volgende is beschreven: “Indien en voor zover de gemeente tot verwerving van een met het voorkeursrecht belaste onroerende zaak wenst over te gaan , dient hiervoor te zijner tijd krediet beschikbaar te zijn. Aan de raad zal alsdan een specifiek voorstel worden gedaan voor het beschikbaar stellen van financiële middelen voor de aankoop van strategische gronden”. Verweerschrift
5 / 10
22. Ten overvloede merkt de raad op dat voor de uitvoering van de ambities in het gebied De Els en omgeving in beginsel wordt aangesloten op bestaande budgetten , zoals opgenomen in de grondexploitatie (grex). Bij de nadere uitwerking van de transformatie kunnen op termijn mogelijk aanvullende budgetten nodig zijn. Voor de dekking van de kosten en de verdeling van risico’s in de gebiedsontwikkeling heeft de gemeente daarom subsidie aangevraagd bij de Provincie Noord-Brabant. Verder ontvangt de gemeente voor de ontwikkeling van het gebied De Els en omgeving een bijdrage van het Rijk vanuit de Woningbouwimpuls (Wbi) en de Impulsaanpak Winkelgebieden (IW). 23.Kortom , anders dan bezwaarmaker stelt is de voorkeursrechtbeschikking niet in strijd met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Ad. D. 24. Het is juist dat het betrokken bestuursorgaan bij het nemen van een voorkeursrechtbeschikking de bij dat besluit betrokken belangen zorgvuldig dient af te wegen. Het gaat evenwel om een zogeheten discretionaire bevoegdheid , waarbij het bestuursorgaan een ruime bevoegdheid heeft om te beslissen en zij vrij is om te beslissen conform het eigen beleid.
Bovendien heeft de wetgever reeds bij de totstandkoming van de wet het met het vestigen van het voorkeursrecht te dienen algemene belang afgewogen tegen het individuele financiële belang van de door het aanwijzingsbesluit getroffen eigenaar , zodat het enkele individuele financiële belang niet meer afzonderlijk bij de besluitvorming behoeft te worden betrokken. 25. De raad betwist dat in het raadsvoorstel behorende bij de voorkeursrechtbeschikking geen blijk is gegeven van een belangenafweging. Uit de ‘Inleiding’ van het raadsvoorstel , zoals hiervoor geciteerd in de toelichting onder 16 , volgt dat het algemene belang om te voorzien in de behoefte aan (i) goede centrumvoorzieningen en (ii) extra woningen het ingrijpen in de vrije overdraagbaarheid van de onroerende zaken (waarop een voorkeursrecht is gevestigd) rechtvaardigt. Ad. E. 26. Dat de voorkeursrechtbeschikking niet zou voldoen aan de wettelijke vereisten als bedoeld in artikel 7. 1 lid 1 sub f van het Ob , omdat daarin niet de eerst mogelijke vervaldatum van het voorkeursrecht zou zijn vermeld , wordt door de raad betwist. 27. In de voorkeursrechtbeschikking is expliciet vermeld dat deze vervalt drie jaar na het ingaan ervan , tenzij voordien een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9. 1 lid 1 onder a of onder b van de Ow in werking treedt.
In dit verband verwijst de raad tevens naar hetgeen hierover in het raadsvoorstel behorende bij de voorkeursrechtbeschikking wordt gezegd: “Artikel 7. 1 eerste lid onder f. van het Omgevingsbesluit bepaalt dat een voorkeursrechtbeschikking de eerst mogelijk vervaldatum dient te vermelden. Uit artikel 9. 4 lid 1 onder a van de Ow volgt dat een voorkeursrecht van de raad als bedoeld in artikel 9. 1 lid 1 onder c van de Ow vervalt drie jaar na het ingaan ervan , tenzij voor dat tijdstip de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd , is toegedacht in een omgevingsvisie of een programma of is toegedeeld in het omgevingsplan. Dit betekent dat voorkeursrechten kunnen doorlopen. Als in het nieuwe planologisch besluit (omgevingsvisie of programma of omgevingsplan) de nieuwe functies worden opgenomen blijft het voorkeursrecht mitsdien van kracht op basis van die nieuwe grondslag. Er is dan geen nieuwe voorkeursrechtbeschikking Verweerschrift
6 / 10
nodig. De geldingsduur van die nieuwe grondslag van het voorkeursrecht geldt vanaf dat moment. ” 28. Dat in de voorkeursrechtbeschikking geen concrete datum wordt genoemd is overigens juist. Het ingaan van het voorkeursrecht is krachtens artikel 16. 82a van Ow immers afhankelijk is van het tijdstip van inschrijving van de beschikking in de openbare registers , hetgeen het bestuursorgaan niet in eigen beheer heeft , waardoor het opnemen van een concrete datum juist fouten in de hand werkt. Daar komt bij dat belanghebbenden middels de gehanteerde formulering inzicht krijgen in de geldingsduur van het voorkeursrecht en daarmee duidelijkheid over (de verandering in) hun rechtspositie , zoals bezwaarmaker zelf bevestigt. Ad. F. i. 29. Dat de grondtekening en daarmee de voorkeursrechtbeschikking ook niet zou voldoen aan de wettelijke vereisten als bedoeld in artikel 7. 1 lid 1 sub h van het Ob , omdat daarop niet de schaalgrootte zou zijn vermeld , wordt tevens door de raad betwist. 30. Anders dan bezwaarmaker stelt , wordt op de grondtekening behorende bij de voorkeursrechtbeschikking wel degelijk de schaalgrootte vermeld , zoals hieronder (middels een uitsnede van de stempel) is afgebeeld:
Ad. F. ii. 31. Dat de grondtekening en daarmee de voorkeursrechtbeschikking ook niet zou voldoen aan de wettelijke vereisten als bedoeld in artikel 7. 1 lid 1 sub h van het Ob , omdat daarop de kadastrale nummers van de percelen waarop een voorkeursrecht is gevestigd niet goed afleesbaar zijn , wordt tevens door de raad betwist. 32. Hieronder is afgebeeld een uitsnede van de bij de voorkeursrechtbeschikking behorende grondtekening , waarbij is ingezoomd op de onroerende zaak van bezwaarmaker: Verweerschrift
7 / 10
33. Anders dan bezwaarmaker stelt is de tot de voorkeursrechtbeschikking behorende grondtekening dan ook voldoende duidelijk en afleesbaar ten aanzien van de kadastrale nummers van die percelen waarop een voorkeursrecht wordt gevestigd. Ad. F. iii. 34. Dat de grondtekening en daarmee de voorkeursrechtbeschikking ook niet zou voldoen aan de wettelijke vereisten als bedoeld in artikel 7. 1 lid 1 sub h van het Ob , omdat daarop de aansluiting van de percelen waarop een voorkeursrecht is gevestigd op het daaromheen gelegen gebied niet duidelijk is weergegeven , wordt tevens door de raad betwist. 35. Anders dan bezwaarmaker stelt blijkt uit de tot de voorkeursrechtbeschikking behorende grondtekening onmiskenbaar de aansluiting van de percelen waarop een voorkeursrecht wordt gevestigd op het daaromheen gelegen gebied , zoals hieronder (middels een uitsnede) is afgebeeld:
Verweerschrift
8 / 10
36. Daar komt bij dat op de overzichtskaart , die deel uitmaakt van de grondtekening , ook de ligging van locatie ‘De Els en omgeving’ ten opzichte van het daaromheen gelegen gebied “hoog over” is geprojecteerd , zoals hieronder middels rode kaders is afgebeeld:
Verweerschrift
9 / 10
Conclusie Gelet op het voorgaande verzoekt de raad uw commissie om te adviseren het bezwaarschrift tegen de voorkeursrechtbeschikking ongegrond te verklaren en verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen.
het
Znaam=Met vriendelijke groet, (geanonimiseerd)
Verweerschrift
10/10