Bijlage 1. Advies commissie bezwaarschriften
Tekst van het document
Gemeente
COMMISSIE
BEZWAARSCHRIFTEN
Kenmerk
Ë
CB25/106
advies
Ë
de
Ë
(geanonimiseerd) e=:
aan
bezwaarschriften bestreden
Waalwij k „
van
besluit
À
raad
de
raad)
besluit van 9 oktober 2025 waarbij onder perceel kadastraal bekend gemeente Waalwijk,
meer
van
de gemeente
Waalwijk (hierna:
bezwaarmaker)
uw
-—
het
—
sectie
K,
in eigendom bij bezwaarmaker-, is als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder a, aangewezen van de Omgevingswet (hierna: het bestreden besluit)
advies De commissie adviseert u het in stand worden gelaten.
nummer
841
bezwaar
ongegrond
-—
Ons
De
commissie
De
voor
De
deze
volgende
licht haar
zaak relevante commissieleden
(geanonimiseerd)
. e e
advies
hierna
te
verklaren.
Het
bestreden
besluit
kan
toe.
regelgeving
is opgenomen in de bijlage van deze zaak advies uitgebracht: in laatsvervangend voorzitter lid lid
dit advies.
hebben
Zij
hebben zich daarbij gebaseerd op de stukken die zich bevinden in het dossier van commissie en op wat tijdens de hoorzitting op 15 januari 2025 aan bod is gekomen. Op de hoorzitting zijn verschenen:
de
(geanonimiseerd)
Bezwaarmaker Van
zich
afgemeld.
de
hoorzitting is een verslag gemaakt die wordt verstrekt aan partijen. Wat partijen hoorzitting in aanvulling op de schriftelijke stukken hebben aangevoerd, is zover van belang om te komen tot een zorgvuldig oordeel van de commissie
tijdens voor
de
-
-
verwerkt De
heeft
in dit advies.
deze zaak relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage van dit advies. Daar commissie naar uitspraken van de bestuursrechter verwijst, zijn deze onder het genoemde nummer te vinden op www.rechtspraak.nl. voor
waar
de
Gronden
van
de
bezwaren
Bezwaarmaker voert samengevat het volgende aan: 1. Het opnieuw vestigen van het voorkeursrecht is in strijd met een rechterlijke uitspraak en daarmee onrechtmatig, al dan niet in strijd herhaalverbod van artikel 9.3 van de Omgevingswet. 2. Het eigendomsrecht is onevenredig lang beperkt zonder tot verwerving 3.
perceel
over
Te
kennisgeving
late
weergave CB25/106-1
van
te
gaan. van het vervallen van de ontvangst van brieven.
het voorkeursrecht
en
onjuiste
eerdere het
met
van
het
4. Bezwaarmaker heeft aangegeven bereid te zijn tot verkoop , mits tegen een aanvaardbare marktconforme prijs. 5. Door het handelen van de gemeente is volgens bezwaarmaker schade geleden , waarvoor de gemeente aansprakelijk wordt gesteld. Overwegingen
van de commissie
Ontvankelijkheid Aan alle formele vereisten voor het maken van bezwaar is voldaan. Dit betekent dat het bezwaar ontvankelijk is en dat de commissie de inhoud van het bezwaar kan beoordelen. Bezwaarmaker maakt ook bezwaar tegen het voorkeursrecht d. d. 20 augustus 2025. Daarmee doelt hij op het besluit van het college van Waalwijk van die datum , waarmee het college op grond van artikel 9. 1. , tweede lid , van de Omgevingswet een voorkeursrecht heeft gevestigd. Nu dit besluit van het college door het in werking treden van het bestreden besluit is vervallen , en de bezwaargronden tegen het collegebesluit gelijk zijn aan die tegen het bestreden besluit , hoeven deze gronden als gericht tegen het collegebesluit niet apart te worden besproken , gelet op artikel 9. 4. , eerste lid , van de Omgevingswet. Inhoudelijk De commissie merkt op dat de begeleidende brief bij het besluit van 9 oktober een onjuiste kadastrale aanduiding vermeldt (sectie E , nummer 841) , terwijl het besluit zelf correct is (Sectie K , nummer 841). Ter voorkoming van misverstanden adviseert de commissie de fout in de begeleidende brief bij de beslissing op bezwaar te corrigeren. Bevoegdheid tot vestiging (bezwaargrond 1) De raad is op grond van artikel 9. 1 , eerste lid , van de Omgevingswet bevoegd tot het vestigen van een voorkeursrecht , mits aan de daarvoor geldende wettelijke voorwaarden wordt voldaan.
Bezwaarmaker stelt dat het opnieuw vestigen van het voorkeursrecht in strijd zou zijn met een eerdere rechterlijke uitspraak en met het herhaalverbod van artikel 9. 3 van de Omgevingswet. Het eerdere voorkeursrecht is van rechtswege vervallen op 17 september 2023. Volgens artikel 9. 3 , eerste lid , kan hetzelfde bestuursorgaan niet binnen twee jaar op dezelfde grondslag een nieuw voorkeursrecht vestigen. Deze termijn liep tot 17 september 2025. Het thans bestreden besluit dateert van 9 oktober 2025 en is daarmee genomen na het verstrijken van de termijn. Daarnaast volgt de commissie het standpunt van de raad dat het eerdere voorkeursrecht was gebaseerd op artikel 5 van de Wet voorkeursrecht gemeenten , terwijl het thans bestreden voorkeursrecht steunt op artikel 9. 1 , eerste lid , onder a , van de Omgevingswet. Het nieuwe voorkeursrecht berust daarmee op een andere wettelijke grondslag dan het vervallen recht. Gelet hierop staat het herhaalverbod van artikel 9. 3 van de Omgevingswet het nieuwe voorkeursrecht , zoals gevestigd met het bestreden besluit , niet in de weg. Ook is de commissie niet gebleken van strijd met eerdere rechterlijke uitspraken of van andere bevoegdheids- of rechtmatigheidsgebreken.
Het bezwaar is op dit punt ongegrond Onevenredig lange beperking (bezwaargrond 2) Het vestigen van het voorkeursrecht , dat op 10 oktober 2025 is ingegaan en voor een wettelijke bepaalde duur geldt , dient ter verkrijging van regie over de toekomstige CB25/106-2
ruimtelijke ontwikkeling van het perceel en tot waarborging van een samenhangende en doelmatige uitvoering van het gemeentelijke ontwikkelingsbeleid. Bezwaarmaker betoogt dat het voorkeursrecht onnodig is , omdat de gemeente gedurende langere tijd geen stappen heeft ondernomen om het perceel te verwerven. De commissie stelt vast dat het vestigen van het voorkeursrecht noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken , aangezien het college hierdoor tijdig en doelmatig kan beslissen over verwerving , indien en zodra de ontwikkeling daartoe aanleiding geeft. Het feit dat tot op heden niet tot verwerving is overgegaan , doet hieraan niet af ; het instrument blijft passend en doelmatig. Ook andere omstandigheden die de noodzaak van het voorkeursrecht zouden kunnen ondermijnen , zoals het bestaan van alternatieve , minder ingrijpende middelen , zijn niet gebleken. Gelet hierop is de commissie van oordeel dat het vestigen van het voorkeursrecht een legitiem doel dient en noodzakelijk is. Beperkingen van eigendom zijn toegestaan indien deze bij wet zijn voorzien , een legitiem doel in het algemeen belang dienen en een redelijk evenwicht waarborgen tussen het algemeen belang en het individuele eigendomsbelang , zoals blijkt uit artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP EVRM).
Bezwaarmaker stelt dat het voorkeursrecht een ongerechtvaardigde en onevenredige inperking vormt van zijn eigendomsrecht , omdat het zijn mogelijkheden tot vrije vervreemding beperkt , terwijl het nagestreefde publieke doel onvoldoende zwaarwegend zou zijn. De commissie stelt vast dat het vestigen van het voorkeursrecht gebaseerd is op een wettelijke grondslag en strekt tot het dienen van een zwaarwegend algemeen belang: het verkrijgen van regie over de ruimtelijke ontwikkeling van het perceel en het waarborgen van een samenhangende en doelmatige uitvoering van het gemeentelijke ontwikkelingsbeleid. Het voorkeursrecht vormt geen volledige ontneming van eigendom , maar slechts een tijdelijke beperking van de vervreemdingsvrijheid ; de eigenaar behoudt het eigendom , is niet verplicht tot verkoop en ontvangt bij verkoop een marktconforme prijs , waarbij de kosten voor rekening van de gemeente komen. De door de wetgever bepaalde duur van het voorkeursrecht geeft bovendien aan dat deze beperking niet als onevenredig wordt beschouwd , aangezien bij de vestiging reeds een afweging van proportionaliteit heeft plaatsgevonden.
De commissie wijst daarbij op de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State , waaruit volgt dat het vestigen van een voorkeursrecht op zichzelf niet in strijd is met artikel 1 EP EVRM of andere fundamentele rechten (vergelijk ABRvS 21 augustus 2002 , ECLI:NL:RVS:2002:AE6739 , en ABRvS 25 april 2012 , ECLI:NL:RVS:2012:BW3871) , en dat het belang van een ordentelijke en doelmatige ruimtelijke ontwikkeling als gerechtvaardigd en zwaarwegend algemeen belang wordt aangemerkt. De commissie heeft voorts onderzocht of de duur van de beperking of andere omstandigheden de proportionaliteit in het concrete geval zouden aantasten , en heeft daarvan geen aanwijzingen gevonden. Ook overige factoren die tot een onevenredige beperking zouden kunnen leiden , zijn niet gebleken. Gelet hierop acht de commissie het vestigen van het voorkeursrecht proportioneel en evenredig en is het bezwaar op deze punten ongegrond. Communicatie en verkoopbereidheid (bezwaargronden 3 en 4) De commissie overweegt dat bij de beoordeling van het voorkeursrecht ook de concrete belangen van bezwaarmaker in het besluit moeten worden betrokken. Bezwaarmaker voert aan dat de gemeente hem te laat heeft geïnformeerd over het vervallen van het CB25/106-3
Gemeente
eerdere
voorkeursrecht en dat correspondentie aangegeven bereid te zijn tot verkoop, mits
onjuist
hij prijs.
tegen
is een
Waalwijk
„Daarnaast heeft aanvaardbare marktconforme
De commissie het besluit en
stelt vast dat de belangen van bezwaarmaker kenbaar zijn betrokken bij dat de raad het proces zorgvuldig heeft vormgegeven. Voor zover sprake geweest van onvolkomenheden in de communicatie met bezwaarmaker, acht de commissie deze niet van dien aard dat het besluit onzorgvuldig of onevenwichtig tot stand is gekomen. De verkoopbereidheid van bezwaarmaker betreft de uitvoering van het voorkeursrecht en kan in een later stadium bij eventuele onderhandelingen worden betrokken. Ook is de commissie niet gebleken zouden moeten leiden tot afwijking besluit. Gelet
hierop is de belangenafweging Het
bezwaar
Schade
van
andere bijzondere individuele omstandigheden het algemene beleid of tot wijziging van het
commissie van oordeel heeft plaatsgevonden.
is op dit punt
dat
een
zorgvuldige
en
die
evenwichtige
ongegrond.
aansprakelijkheid
en
van
is
(bezwaargrond
5)
stelt schade te hebben geleden en de gemeente daarvoor aansprakelijk stelt, overweegt de commissie dat deze stelling niet kan worden beoordeeld in het kader van deze bezwaarprocedure. Het college dient de aansprakelijkstelling apart te beoordelen. De commissie kan en mag hierover niet adviseren. Voor
bezwaarmaker
zover
Conclusie commissie adviseert het bevoegde bestuursorgaan om de kadastrale aanduiding begeleidende brief bij het besluit van 9 oktober 2026 te corrigeren: sectie E,‚ perceelnummer 841 te vervangen door sectie K,‚ perceelnummer 841. De
Gelet
op
het
rechtmatig commissie te laten.
Waalwijk, de de
tot stand adviseert
is de commissie van oordeel dat het bestreden besluit is gekomen en dat de aangevoerde bezwaargronden niet slagen. De de raad het bezwaar ongegrond te verklaren en het besluit in stand
2 februari
2026
commissie
voorgaande
Bezwaarschriften,
secretaris,
(geanonimiseerd) Bijlage: verslag hoorzitting -
CB25/106-4
in de
(geanonimiseerd)
Bijlage Relevante
regelgeving
Omgevingswet (Ow) Artikel 9. 1. 1. De gemeenteraad , provinciale staten of Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen bij voorkeursrechtbeschikking op een onroerende zaak een gemeentelijk , provinciaal of nationaal voorkeursrecht vestigen , voor zover die zaak deel uitmaakt van een locatie waaraan: a. in het omgevingsplan een niet-agrarische functie is toegedeeld en waarvan het gebruik afwijkt van die functie , …
2. Voorafgaand aan de vestiging van een voorkeursrecht op grond van het eerste lid kunnen het college van burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten bij voorkeursrechtbeschikking op een onroerende zaak een gemeentelijk of provinciaal voorkeursrecht vestigen , voor zover die zaak deel uitmaakt van een locatie waaraan in die beschikking een niet-agrarische functie of moderniseringslocatie wordt toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van die functie. Artikel 9. 3. 1. Op een onroerende zaak kan niet binnen twee jaar na de intrekking of het vervallen van een voorkeursrecht door hetzelfde bestuursorgaan opnieuw een voorkeursrecht worden gevestigd op dezelfde grondslag. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een voorkeursrecht dat niet in de openbare registers is ingeschreven binnen de in artikel 16. 82a bedoelde termijn. Artikel 9. 4 1. Een voorkeursrecht vervalt: a.
b.
… …
bij een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9. 1 , eerste lid , onder a: vijf jaar na het ingaan ervan of , als die termijn met toepassing van het tweede lid is verlengd , aan het einde van de verlengde termijn. bestuursorgaan dat een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9. 1 , eerste lid , 2. Een onder a , heeft gevestigd , kan besluiten de termijn , bedoeld in het eerste lid , onder c , eenmaal met ten hoogste vijf jaar te verlengen. 3. Een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9. 1 , tweede lid , vervalt drie maanden na het ingaan ervan of , als dat eerder is , op het tijdstip dat een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9. 1 , eerste lid , ingaat. 4. Als een omgevingsplan wordt vernietigd , blijft een voorkeursrecht dat is gebaseerd op dat omgevingsplan gelden tot twee jaar na de vernietiging , tenzij het voorkeursrecht eerder wordt ingetrokken. Als binnen die termijn in het omgevingsplan de grondslag voor het voorkeursrecht wordt hersteld , heeft het voorkeursrecht de geldingsduur die het direct voorafgaand aan de vernietiging had. c.
Artikel 9. 5. 1. Als een voorkeursrecht niet meer voldoet aan de eisen gesteld in artikel 9. 1 , eerste en tweede lid , of als de voorkeursrechtbeschikking niet binnen de in artikel 16. 82a genoemde termijn in de openbare registers is ingeschreven , trekt het bestuursorgaan dat het gevestigd heeft het voorkeursrecht onverwijld in.
CB25/106-5
2. Het bestuursorgaan draagt er zorg voor dat een ingetrokken of vervallen voorkeursrecht of een voorkeursrecht waarvan de voorkeursrechtbeschikking is vernietigd , onverwijld wordt doorgehaald in de openbare registers. 3. Het bestuursorgaan doet van de intrekking of het vervallen van een voorkeursrecht of van de vernietiging van een voorkeursrechtbeschikking mededeling aan de eigenaren van en de beperkt gerechtigden op de onroerende zaak.
CB25/106-6