Bijlage 1.5 Ecologische quickscan
Tekst van het document
Ecologische QuickScan Torenstraat 6, Waalwijk
Opdrachtgever Contactpersoon
Samenwerkingsverband Waalzicht dhr. M. Heesakker
Opdracht
Ecologische quickscan Torenstraat 6 Waalwijk
Kenmerk Datum
27.22.07 13 juli 2023
Projectleider Projectmedewerker
Glenn Lelieveld Jean Bruls
Averti Ecologie averti@averti-ecologie.nl 06-16548063
Averti Ecologie is een klein ecologisch adviesbureau, opgericht in 2014. Averti Ecologie is kandidaat voor het lidmaatschap van het Netwerk Groene Bureaus.
Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd, gewijzigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, internet, druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven en Averti Ecologie noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Averti Ecologie is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Averti Ecologie. De opdrachtgever vrijwaart Averti Ecologie voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.
-2-
Inhoud 1
Inleiding ........................................................................................................................................... 4 1.1 1.2 1.3 1.4
2
Wettelijk kader ................................................................................................................................ 8 2.1 2.2 2.2.1 2.2.2
2.3 2.4 3
Houtopstanden........................................................................................................................ 8 Gebiedsbescherming ............................................................................................................... 8 Natura 2000................................................................................................................................................... 8 Natuurnetwerk Nederland en Natuurnetwerk Brabant ................................................................................ 9
Soortenbescherming ............................................................................................................... 9 Activiteiten mogelijk door slimme oplossingen ...................................................................... 9
Ecologische QuickScan .................................................................................................................. 10 3.1 3.2 3.3 3.3.1 3.3.2
3.4 3.4.1 3.4.2 3.4.3 3.4.4 3.4.5 3.4.6 3.4.7 3.4.8
4
Aanleiding ................................................................................................................................ 4 Projectgebied .......................................................................................................................... 4 Beoogde ontwikkeling ............................................................................................................. 5 Impressie projectgebied .......................................................................................................... 6
Onderzoeksmethodiek .......................................................................................................... 10 Wet natuurbescherming – onderdeel houtopstanden ......................................................... 10 Wet natuurbescherming – onderdeel gebiedsbescherming ................................................. 10 Natura 2000................................................................................................................................................. 10 Natuurnetwerk Nederland en Natuurnetwerk Brabant .............................................................................. 11
Wet natuurbescherming – onderdeel soorten ..................................................................... 12 Vaatplanten ................................................................................................................................................. 12 Grondgebonden zoogdieren ....................................................................................................................... 12 Vleermuizen ................................................................................................................................................ 13 Vogels .......................................................................................................................................................... 14 Amfibieën .................................................................................................................................................... 15 Reptielen ..................................................................................................................................................... 16 Vissen .......................................................................................................................................................... 16 Insecten (vlinders, libellen, sprinkhanen) en overige soortengroepen ....................................................... 16
Conclusies en implicaties............................................................................................................... 18 4.1 4.2
Conclusies .............................................................................................................................. 18 Vervolgstappen...................................................................................................................... 18
-3-
1 Inleiding 1.1
Aanleiding
De initiatiefnemer is voornemens het bedrijventerrein aan de Torenstraat 6 te Waalwijk te herontwikkelen om hier 70 woningen te realiseren, bestaande uit zowel appartementen als rijwoningen. Voor de soortbescherming onder de Wet natuurbescherming is het van belang om na te gaan of het projectgebied essentiële functies voor beschermde soorten vervult in de vorm van verblijfplaatsen, vliegroutes en/of foerageergebieden. In dit document rapporteren wij over het verkennende vooronderzoek naar beschermde natuurwaarden. Het rapport sluit af met het duiden van de implicaties van de resultaten voor de beoogde ingrepen.
1.2
Projectgebied
Het projectgebied betreft een grotendeels verhard terrein, bestaande uit een aaneenschakeling van bedrijfspanden met bijbehorend parkeerterrein en enkele groenstructuren. De bebouwing bestaat uit een variatie van bakstenen gebouwen en panden van glas en metaal, met voornamelijk platte daken en enkele schuine dakpannen daken. Daarnaast behoort tot het projectgebied ook een perceel met grasrijke vegetatie, ruigtestruwelen, enkele bomen en een schuurtje. Het totale gebied heeft een oppervlakte van 1.26 hectare. Het projectgebied is gesitueerd in een woonwijk aan de buitengrens van Waalwijk. Het terrein grenst in het noorden aan een smalle bosstrook met daarachter de A59 en agrarische percelen. De rest van de omgeving betreft verstedelijkt gebied met diverse groenstructuren. In het westen grenst het terrein aan een kleine begraafplaats met een kerktoren, en aan de zuidzijde van het gebied ligt een perceel met een kapel, grasrijke vegetatie, enkele bomen en een haag.
Figuur 1 Ligging projectgebied Torenstraat 6 te Waalwijk (rode stip). Bron: streetsmart.cyclomedia.com
-4-
Figuur 2 Projectgebied Torenstraat 6 te Waalwijk (rood omkader). Bron:Van Reeven, 23-06-2023.
1.3
Beoogde ontwikkeling
De initiatiefnemer is voornemens het bedrijventerrein aan de Torenstraat 6 te Waalwijk te herontwikkelen om hier 70 woningen te realiseren, bestaande uit zowel appartementen als rijwoningen. Hiervoor zullen de aanwezige gebouwen geamoveerd worden en diverse groenstructuren verwijderd worden.
-5-
Figuur 3 Schetsontwerp van de beoogde situatie. Bron: Van Reeven, 23-06-2023.
1.4
Impressie projectgebied
Voorzijde van het pand
Voorzijde van het pand
-6-
Westzijde van het pand
Westzijde van het pand
Weide voor de voorzijde van het pand
Weide voor de voorzijde van het pand
Detailfoto van openingen in de gevel
Detailfoto van opening in de gevel
-7-
2 Wettelijk kader De natuurwetgeving is in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Deze vloeit voort uit verplichtingen op internationaal niveau, zoals verdragen en richtlijnen. Daarnaast zijn op nationaal niveau aanvullende regels vastgelegd. Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze vervangt 3 wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. De Wet natuurbescherming heeft invloed op iedereen die activiteiten en werkzaamheden (zogenaamde ruimtelijke ingrepen) verricht op plaatsen waar zich mogelijk beschermde planten of dieren bevinden. Dit is een brede doelgroep variërend van projectontwikkelaars, wegenbouwers, gemeenten die werkzaamheden aanbesteden, waterschappen, grondeigenaren en bosbeheerders tot organisatoren van evenementen, landbouwers, enzovoort. Daarbij kan het gaan om terugkerende werkzaamheden, zoals regulier beheer en onderhoud of gebruik, maar ook om eenmalige werkzaamheden zoals ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Voor ruimtelijke ingrepen is slechts een deel van de natuurwetgeving van belang. In het bijzonder gaat het dan om de verplichtingen voortvloeiend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn en aanvullende nationale wetgeving ten aanzien van het natuurnetwerk, houtopstanden en soortbescherming.
Hieronder wordt op basis van informatie verstrekt door de Rijksoverheid uitleg gegeven aan de verschillende beschermingsonderdelen.
2.1
Houtopstanden
Naast het soortenbeschermingsregime en gebiedsbeschermingsregime zijn in de Wet natuurbescherming ook de bepalingen ter bescherming van houtopstanden verankerd. Onder houtopstand wordt verstaan: een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die een oppervlakte grond beslaat van 10 are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Bij intentie tot kap van houtopstanden buiten de bebouwde kom moet een initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag en moet er herplant plaatsvinden. Het bevoegd gezag kan een kapverbod opleggen ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden. Op deze kap- en herplantplicht bestaan enkele uitzonderingen.
2.2
Gebiedsbescherming
2.2.1 Natura 2000 Nederland kent ruim 160 Natura 2000-gebieden. Dit Natura 2000-netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en onder de Habitatrichtlijn. Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit te waarborgen. Alle Vogel- of Habitatrichtlijngebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben.
-8-
2.2.2 Natuurnetwerk Nederland en Natuurnetwerk Brabant Het Natuurnetwerk Nederland is vastgelegd in beleidsregels en betreft het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • ruim 6 miljoen hectare grote wateren; • alle Natura 2000-gebieden.
2.3
Soortenbescherming
De verbodsbepalingen voor in de Wet natuurbescherming sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen zijn gericht op de bescherming van individuen van soorten. Alle vogels, in totaal ruim 700 soorten, zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. De verbodsbepalingen zien toe op bescherming van de individuen (verbod op doden en/of verwonden), hun jongen (zoals eieren), hun voortplantingsplaatsen (zoals nesten) en het leefgebied wat nodig is om te kunnen voortleven (denk aan jachtgebied). De verbodsbepalingen mogen niet overtreden worden, tenzij men een ontheffing kan krijgen (het zogenoemde ‘nee, tenzij-principe’). Bij het besluit of een afwijking van het verbod kan worden toegestaan, wordt evenwel niet naar de gevolgen van deze afwijking voor het individuele dier of plant gekeken, maar naar de gevolgen voor de instandhouding van de betrokken soort. Het aantal exemplaren van een beschermde inheemse soort dat in een bepaald geval verstoord wordt, is voor de vraag óf het verbod op verstoring overtreden wordt niet relevant, ook niet indien er geen afbreuk wordt gedaan aan de staat van instandhouding van de soort.
Anderzijds hoeft niet iedere handeling die tot gevolg heeft dat een beschermde diersoort zich moet aanpassen aan de veranderende omgeving te worden opgevat als een (opzettelijke) verstoring. Ook voor de andere soorten, die niet op grond van de Vogel- of Habitatrichtlijn maar vanuit nationaal oogpunt beschermd worden, geldt dat de verbodsbepalingen zien op het individu, maar of ontheffing verleend kan worden, wordt afgewogen tegen het effect van de ingreep op het populatieniveau van de soort.
2.4
Activiteiten mogelijk door slimme oplossingen
Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan de in de wetgeving genoemde criteria zijn voldaan. Deze zien toe op dat de beschermd habitattype en/of beschermde soort voort kan bestaan na de ruimtelijke ingreep. Hiervoor zijn oplossingen mogelijk, zoals het aanbieden van nestkasten. Indien de juiste oplossingen op de juiste wijze worden toegepast, dan kan de initiatiefnemer voldoen aan de vereisten en kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode.
-9-
3 Ecologische QuickScan 3.1
Onderzoeksmethodiek
Via de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) is een indicatie verkregen van de beschikbaarheid van soortengegevens. Daarbij is besloten om middels veldonderzoek een aanvullende biotoopinschatting door een ecoloog te maken van mogelijk aanwezige beschermde natuurwaarden. Op 2 mei 2023 heeft de ecoloog G. Lelieveld MSc van Averti Ecologie het projectgebied en de directe omgeving verkend. Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van de biotopen ter plaatse en de geschiktheid voor de verschillende soortgroepen te beoordelen. Het veldbezoek heeft nadrukkelijk niet de status van een volledige veldinventarisatie; het eenmalige veldbezoek geeft slechts een globaal beeld van aanwezige soorten en leefgebieden op basis van een momentopname.
3.2
Wet natuurbescherming – onderdeel houtopstanden
Ten gevolge van de beoogde werkzaamheden zullen een aantal bomen geveld worden en diverse struiken verwijderd worden. Deze groenstructuren beslaan echter een oppervlakte van kleiner dan 10 are, en daarnaast bevindt het projectgebied zich binnen de bebouwde kom. Derhalve zullen geen houtopstanden verwijderd worden ten gevolge van de beoogde werkzaamheden. Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming is dan ook niet van toepassing.
3.3
Wet natuurbescherming – onderdeel gebiedsbescherming
3.3.1 Natura 2000 Het projectgebied ligt op een afstand van 2 kilometer tot het Natura 2000-gebied “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen”, op een afstand van 3.7 kilometer van het Natura 2000-gebied “Langstraat”, 5.8 kilometer van het gebied “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek” en 7.8 kilometer van het gebied “Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem”. De werkzaamheden zullen op het gebied van geluid, licht, menselijke aanwezigheid en trillingen slechts lokaal zijn en geen effect hebben op de omliggende Natura 2000-gebieden. Echter, de beoogde ingrepen kunnen leiden tot stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden die daar gevoelig voor zijn zoals de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. Een stikstofberekening is noodzakelijk om het mogelijke effect hiervan te duiden.
- 10 -
Figuur 4 Projectgebied (zwarte stip) in relatie tot nabijgelegen Natura2000 gebieden (groen gearceerd). Bron: https://www.natura2000.nl/gebieden.
3.3.2 Natuurnetwerk Nederland en Natuurnetwerk Brabant Het projectgebied bevindt zich op circa 265 meter van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en/of Natuurnetwerk Brabant (NNB). Door het uitvoeren van de werkzaamheden gaat geen oppervlakte aan NNN of NNB verloren. Gezien de lokale aard van de ingreep kunnen negatieve effecten op de NNN en NNB worden uitgesloten.
Figuur 5 Projectgebied (blauwe cirkel) in relatie tot nabijgelegen Natuurnetwerk Nederland gebieden (groen gearceerd). Bron: https://www.atlasleefomgeving.nl/natuurnetwerk-nederland-ehs. - 11 -
3.4
Wet natuurbescherming – onderdeel soorten
In het kader van de Wet natuurbescherming onderdeel soorten moet worden getoetst of er ter plaatse van de ruimtelijke ingrepen sprake is/kan zijn van negatieve effecten op beschermde planten en dieren. De beoogde ontwikkeling kan (indirecte) aantasting of verstoring van verblijfplaatsen en leefgebied tot gevolg hebben. 3.4.1 Vaatplanten Binnen een afstand van 5 kilometer is van de afgelopen 10 jaar één beschermde plantensoort bekend in de Nationale Databank Flora en Fauna, namelijk het glad biggenkruid (Hypochaeris glabra). Het glad biggenkruid groeit op zonnige, warme, voedselarme, open plaatsen op leemarme zandgronden. Geïnventariseerde bodemtypen nabij het plangebied betreffen hoge zwarte enkeerdgronden en gooreerdgronden, welke beide bestaan uit leemarm en zwak lemig fijn zand (bron: Basisregistratie Ondergrond, Bodemkaart van Nederland). Het is aannemelijk dat het projectgebied onvoldoende voedselarm voor deze plantensoort is, vanwege de aanwezigheid van een weelderige groei aan kenmerkende planten. Daarom worden groeiplaatsen van glad biggenkruid in het projectgebied niet verwacht.
3.4.2 Grondgebonden zoogdieren In de nabije omgeving van het projectgebied is op basis van data uit de NDFF van de afgelopen 10 jaar de aanwezigheid van enkele nationaal beschermde zoogdiersoorten bekend, namelijk de bever (Castor fiber), boommarter (Martes martes), bunzing (Mustela putorius), das (Meles meles), eekhoorn (Sciurus vulgaris), steenmarter (Martes foina), waterspitsmuis (Neomys fodiens) en wezel (Mustela nivalis). Daarnaast kan de hermelijn (Mustela erminea) ook in de vegetatierijke omgeving rondom het projectgebied voorkomen, gebaseerd op data uit verspreidingsatlassen. Deze beschermde grondgebonden zoogdiersoorten zijn niet vrijgesteld voor het aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling. Verder komen de egel (Erinaceus europaeus), haas (Lepus europaeus), konijn (Oryctolagus cuniculus), mol (Talpa europaea), ree (Capreolus capreolus), vos (Vulpes vulpes) en diverse spitsmuizen, ware muizen en woelmuizen, naar verwachting ook in deze omgeving voor. Deze zoogdieren zijn echter niet beschermd of zijn vrijgesteld van ruimtelijke ontwikkelingen. De bever is een watergebonden soort, die de voorkeur geeft aan schoon en zoet water. Essentieel in het leefgebied is een oeverzone met bodembedekkende oevervegetatie en/of broekbossen die voldoende dekking en rust bieden.
Aangezien dit niet aanwezig is binnen het projectgebied, zal er geen voortplantingsplaats of rustplaats van de bever beschadigd of vernield worden. Negatieve effecten op de bever worden niet verwacht. De eekhoorn en de boommarter zijn boomgebonden soorten, die de voorkeur geven aan oudere en gevarieerde bossen, aangezien daar meer voedsel en nestgelegenheid is. Mits er voldoende voedsel beschikbaar is, komen ze ook in bebouwd gebied voor. In het projectgebied zijn enkele te vellen bomen aanwezig die kunnen functioneren als potentiële verblijfplaats. Deze bomen zijn echter relatief geïsoleerd van elkaar, en daarnaast zijn tijdens het veldbezoek geen eekhoornnesten of grote holten waargenomen, waardoor deze boombewonende soorten niet wordt verwacht in het projectgebied. Negatieve effecten op de eekhoorn en de boommarter worden niet verwacht. De das leeft bij voorkeur in kleinschalig akker- en weidelandschap, vochtige heiden en rivierdalen. Ze graven hun burchten in bosranden, houtwallen, brede heggen, in hoogliggend terrein of op hellingen, en altijd in de buurt - 12 -
van akkerland en water. Het projectgebied heeft een voornamelijk stedelijk karakter, en is in principe geen geschikt leefgebied voor de das. Tegen de noordkant van het projectgebied liggen een smalle bosstrook en akkerland, deze worden echter van elkaar gescheiden door de A59. Verder zijn alle waarnemingen van de das in de omgeving gedaan in het kleinschalig akkerlandschap ten zuiden van Waalwijk, en zijn geen dassen waargenomen in het open akkerlandschap ten noorden van Waalwijk. Hierdoor wordt de aanwezigheid van dassen of dassenburchten binnen het projectgebied niet verwacht. Negatieve effecten op de das worden niet verwacht. De waterspitsmuis is een watergebonden soort, die voorkomt in en langs beken, rivieren, sloten en plassen met watervegetatie en ruig begroeide oevers. Aangezien dit niet aanwezig is binnen het projectgebied, wordt er geen verblijfplaats van de waterspitsmuis verwacht. Negatieve effecten op de waterspitsmuis kunnen worden uitgesloten. De steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel kunnen mogelijk gebruik maken van de het grasveld, of de vegetatiestructuren aan de oostzijde en grenzend aan de noordzijde van het projectgebied, als vaste rust- of verblijfplaats of als verbindend landschapselement om zich te verplaatsen naar andere delen van hun leefgebied.
De hermelijn is een voornamelijk watergebonden soort, maar hun aanwezigheid in het projectgebied is niet volledig uit te sluiten. Nader onderzoek naar de steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel is benodigd om het gebruik van het projectgebied door deze soorten vast te stellen. 3.4.3 Vleermuizen Algemeen Vleermuizen zijn globaal in te delen in gebouwbewonende soorten en boombewonende soorten. Er zijn echter ook soorten die van beide elementen gebruik maken. Ook is er onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen en dergelijke) of bomen (in holten, achter de bast). Een groot aantal soorten, ook soorten die ’s zomers in boomholten verblijven, overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders. Alle vleermuizen zijn opgenomen in de Habitatrichtlijn en daarom strikt beschermd in de Wet natuurbescherming.
Voorkomen van vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens opgenomen in de NDFF komen in de omgeving van het projectgebied 7 verschillende soorten vleermuizen voor, namelijk de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), laatvlieger (Eptesicus serotinus), meervleermuis (Myotis dasycneme), rosse vleermuis (Nyctalus noctula), ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii), tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus) en watervleermuis (Myotis daubentonii). Hiervan zijn de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en tweekleurige vleermuis gebouwbewonende vleermuizen, de rosse vleermuis en watervleermuis overwegend boom- en holtebewonende soorten, en kan de ruige dwergvleermuis in zowel gebouwen als bomen aangetroffen worden. Binnen het projectgebied zijn verschillende spleten, holtes en andere openingen vastgesteld die kunnen functioneren als verblijfplaats en aangetast worden ten gevolge van de beoogde werkzaamheden. De bebouwing bestaat grotendeels uit glazen en metalen muren, die weinig temperatuurisolatie bieden. Hierdoor, en vanwege de lage bebouwing en afwezigheid van grote aaneengesloten ruimtes, is er weinig potentie voor een massawinterverblijfplaats, waardoor deze functie niet wordt verwacht. Overige typen, waaronder paar-, zomer- 13 -
en kraamverblijfplaatsen, vallen niet met zekerheid op voorhand uit te sluiten, en nader onderzoek naar deze functies is noodzakelijk. Het plangebied kan dienen als potentiële vliegroute en foerageergebied voor diverse vleermuissoorten. De rechte, lijnvormende landschapselementen in de vorm van de gevels van de aanwezige gebouwen bieden, afhankelijk van de huidige hoeveelheid aanwezig licht, een potentiële vliegroute voor vleermuizen. De groenstructuren in de vorm van het grasveld en de vegetatie achter de gebouwen aan de oostkant van het projectgebied kunnen worden gebruikt als foerageergebied. Het gebruik van het plangebied als essentiële vliegroute of foerageergebied kan niet op voorhand worden uitgesloten en nader onderzoek hiernaar is noodzakelijk. 3.4.4 Vogels Alle vogels en dan specifiek hun verblijfplaatsen (nesten) zijn strikt beschermd in de Wet natuurbescherming. Aantasting van actief gebruikte nesten is niet toegestaan. Daarnaast is van een aantal vogelsoorten de nesten en nestlocaties (verblijfplaatsen en leefgebied) het gehele jaar door beschermd. Deze jaarrond beschermde vogelsoorten zijn onderverdeeld in vier categorieën: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil (Athene noctua)). 2.
Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden (voorbeeld: huismus (Passer domesticus)). 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders (voorbeeld: kerkuil (Tyto alba)). 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: buizerd (Buteo buteo)). De vogels uit deze categorieën zijn meestal zeer honkvast of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Ook is er een lijst vogels aangewezen waarvan alleen bij effecten op populatieniveau maatregelen nodig zijn; de zogenaamde categorie 5. In de omgeving van het projectgebied zijn volgens verspreidingsgegevens in de afgelopen 10 jaar, op de oehoe (Bubo bubo) na, alle 16 de verschillende strikt jaarrond beschermde vogelsoorten waargenomen. Echter is er geen geschikt leefgebied of nestgelegenheid aanwezig voor een groot deel van deze soorten, zoals de boomvalk (Falco subbuteo), buizerd (Buteo buteo), havik (Accipiter gentilis), ransuil (Asio otus), sperwer (Accipiter nisus), wespendief (Pernis apivorus) en zwarte wouw (Milvus migrans) die hun nesten meestal in bossen bouwen, in de kroon van bomen of in oude nesten van andere boombewondende soorten.
Daarnaast is er geen geschikt leefgebied voor de grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea) die vrijwel uitsluitend aan de oevers van beken en rivieren broedt en foerageert. De steenuil (Athene vidalii) vindt zijn leefgebied vooral in kleinschalig cultuurlandschap met een variatie aan houtwallen, heggen, weitjes en knoestige bomen. Gezien de verstedelijkte aard van het plangebied, en de grootschalige landbouwgebieden zonder hogere vegetatie ten noorden van het plangebied, wordt de aanwezigheid van de steenuil niet verwacht. Verder zijn tijdens het veldbezoek geen nesten van deze soorten in het projectgebied waargenomen. Negatieve effecten op deze jaarrond beschermde vogelsoorten worden niet verwacht.
- 14 -
De kerkuil (Tyto alba) kan op of in gebouwen broeden, maar tijdens het veldbezoek zijn geen nesten of invliegopeningen waargenomen die groot genoeg zijn voor deze soort. Verder bestaat het leefgebied van de kerkuil veelal uit halfopen tot open cultuurlandschappen met veel landschapselementen die voor afwisseling zorgen. Het sterk verstedelijkte karakter van het plangebied biedt geen potentieel leefgebied voor de kerkuil, en de aanwezigheid van deze soort wordt dan ook niet verwacht. De ooievaar (Ciconia ciconia) broedt op hoge plekken zoals telefoonpalen, bomen, schoorstenen of kerktorens. De lage bebouwing in het plangebied biedt geen nestgelegenheid voor de ooievaar. Verder zijn tijdens het veldbezoek geen nesten van de ooievaar waargenomen. De slechtvalk (Falco peregrinus) broedt vaak op hoge bebouwing zoals kerktorens en flatgebouwen. Ook voor deze soort is de bebouwing in het plangebied te laag om te fungeren als nestlocatie, en zijn geen nesten waargenomen tijdens het veldbezoek. De gierzwaluw (Apus apus) is voor zijn nestgelegenheid afhankelijk van beschikbaarheid van gebouwen met geschikte holtes. Ze hebben hun nest onder dakgoot, achter regenpijp, dakkapel, dakpan, of in een gat in de muur en ook wel in neststenen.
Tijdens het veldbezoek aan de projectlocatie zijn vier overvliegende gierzwaluwen waargenomen, er was echter geen aanwijzing dat deze individuen gebruik maakten van het terrein als nestlocatie. Verder zijn tijdens het veldbezoek geen geschikte nestlocaties voor de gierzwaluw gevonden in de bebouwing op het terrein. Negatieve effecten op deze jaarrond beschermde vogelsoorten worden niet verwacht. De huismus (Passer domesticus) vindt zijn leefgebied in menselijke omgeving, en maakt zijn nest vooral onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen en in mussenkasten. Tijdens het veldbezoek is één baltsende huismus waargenomen in de bebouwing direct ten zuiden van het plangebied. De bebouwing in de noordwest hoek van het plangebied biedt mogelijk geschikte nestmogelijkheid voor de huismus. Het gebruik van het plangebied als nestlocatie voor de huismus kan niet worden uitgesloten en nader onderzoek hiernaar is noodzakelijk. De roek (Corvus frugilegus) is een koloniebroeder. Roekenkolonies bevinden zich vaak in vrijstaande, hoge groepen bomen langs snelwegen, treinsporen of kanalen. Tijdens het veldbezoek zijn aanwijzingen gevonden voor een roekenkolonie in de bosstrook direct ten noorden van het plangebied. Er zijn ook waarnemingen uit april 2022 bekend van een roekenkolonie van circa 100 nesten die zich bevond in de bomen ten noorden van het plangebied.
Aangezien de kolonie zich direct buiten het plangebied bevindt, kan een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de roek voorkomen worden door verstoring tijdens de werkzaamheden te beperken, zodat deze niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort. Tijdens het veldbezoek zijn geen jaarrond beschermde vogelsoorten of nesten hiervan aangetroffen. Wel zijn de koolmees, houtduif, witte kwikstaart, merel, kauw en zwarte kraai waargenomen. De nestlocaties van deze soorten zijn echter niet jaarrond beschermd. Zolang buiten het broedseizoen wordt gewerkt, kunnen negatieve effecten op dergelijke soorten voorkomen worden. 3.4.5 Amfibieën In de omgeving van het projectgebied zijn van de afgelopen 10 jaar vijf beschermde amfibiesoorten bekend in de NDFF, namelijk de alpenwatersalamander (Ichthyosaura alpestris), kamsalamander (Triturus cristatus), vuursalamander (Salamandra salamandra), heikikker (Rana arvalis), poelkikker (Pelophylax lessonae) en rugstreeppad (Epidalea calamita). Gezien de stedelijke aard van het projectgebied, dat grotendeels verhard is, en het gebrek aan poelen, vijvers of andere wateren die kunnen functioneren als voortplantingswater is het - 15 -
terrein niet geschikt als leefgebied voor beschermde amfibieën. Gebaseerd op data van verspreidingsatlassen is het mogelijk dat algemene soorten, zoals de bastaardkikker (Pelophylax klepton esculentus), bruine kikker (Rana temporaria), gewone pad (Bufo bufo) en kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris) sporadisch gebruik maken van het projectgebied. Deze soorten zijn echter vrijgesteld van ruimtelijke ontwikkelingen. Negatieve effecten op strikt beschermde soorten amfibieën worden niet verwacht. 3.4.6 Reptielen In de omgeving van het projectgebied zijn van de afgelopen 10 jaar twee beschermde reptielsoorten bekend in de NDFF, namelijk de levendbarende hagedis (Zootoca vivipara) en de muurhagedis (Podarcis muralis). De levendbarende hagedis leeft bij voorkeur in heide en hoogveen, en komt ook voor in open bossen, graslanden en duinen, waarbij het veel wordt aangetroffen op oevers en vochtige terreindelen. Het projectgebied bestaat voornamelijk uit verharde grond en bebouwing, en is dus ongeschikt als leefgebied voor de levendbarende hagedis. De muurhagedis komt in ons land van nature uitsluitend in Maastricht voor en wordt gevonden in rivierdalen, rotswanden en oude stadsmuren. De waarneming van een muurhagedis in NDFF zal een ontsnapt of verplaatst individu betreffen, welke niet beschermd zijn door de Wet natuurbescherming.
Vanwege een gebrek aan geschikte verblijfplaatsen en potentieel leefgebied binnen het projectgebied worden negatieve effecten op beschermde reptielensoorten niet verwacht. 3.4.7 Vissen In de omgeving is van de afgelopen 10 jaar één beschermde vissensoort bekend in de NDFF, namelijk de grote modderkruiper (Misgurnus fossilis). Het leefgebied van deze nationaal beschermde soort betreft voornamelijk de sloten van ingepolderde voormalige overstromingsvlakten. Vanwege het ontbreken van werkzaamheden aan watergangen, zijn negatieve effecten op beschermde vissoorten echter uit te sluiten. 3.4.8 Insecten (vlinders, libellen, sprinkhanen) en overige soortengroepen In circa 10 kilometer rondom het projectgebied zijn volgens de NDFF zeven beschermde soorten insecten waargenomen, namelijk de gevlekte witsnuitlibel (Leucorrhinia pectoralis), grote parelmoervlinder (Speyeria aglaja), grote vos (Nymphalis polychloros), grote weerschijnvlinder (Apatura iris), kleine ijsvogelvlinder (Limenitis camilla), teunisbloempijlstaart (Proserpinus proserpina) en vermiljoenkever (Cucujus cinnaberinus). Daarnaast is ook de platte schijfhoren (Anisus vorticulus) volgens de NDFF waargenomen in de omgeving van het projectgebied. De gevlekte witsnuitlibel vliegt bij voorkeur in laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen.
Gezien de stedelijke aard en het gebrek aan wateren binnen het projectgebied wordt de aanwezigheid van de gevlekte witsnuitlibel niet verwacht. Negatieve effecten zijn dan ook uit te sluiten. De grote parelmoervlinder vliegt bij voorkeur in duingraslanden, schrale graslanden, blauwgraslanden en kalkgraslanden. Dit leefgebied komt niet overeen met het projectgebied, noch zijn de waardplanten van deze vlinder in de omgeving waargenomen volgens data van de NDFF over de afgelopen 10 jaar. Negatieve effecten op deze beschermde soort worden niet verwacht. De grote vos, grote weerschijnvlinder en kleine ijsvogelvlinder vliegen bij voorkeur in vochtige bossen. Dit leefgebied komt niet overeen met het projectgebied, noch zijn de waardplanten van deze vlinders in de omgeving waargenomen volgens data van de NDFF over de afgelopen 10 jaar. Negatieve effecten op deze beschermde soorten worden niet verwacht. - 16 -
De teunisbloempijlstaart komt voor op open plekken in vochtige bossen, langs bosranden en warme open plaatsen. De waardplanten van deze soort zijn het wilgenroosje (Epilobium angustifolium), teunisbloem (Oenothera spec.), basterdwederik (Epilobium spec.) en kattenstaart (Lythrum spec.). In de omgeving van het projectgebied zijn diverse potentiële waardplanten van de teunisbloempijlstaart bekend, en het grasveld in het projectgebied is een potentieel geschikt leefgebied voor deze soort. Hierdoor kunnen negatieve effecten niet worden uitgesloten. Nader onderzoek naar de teunisbloempijlstaart is benodigd om het gebruik van het projectgebied door deze soort vast te stellen. De platte schijfhoren is een watergebonden soort, die voorkomt in zoete, heldere en schone wateren met een rijke begroeiing. Aangezien dit niet aanwezig is binnen het projectgebied, wordt de aanwezigheid van de platte schijfhoren niet verwacht. Negatieve effecten op de platte schijfhoren kunnen worden uitgesloten.
- 17 -
4 Conclusies en implicaties 4.1
Conclusies
Vanwege de afwezigheid van grote aantallen bomen is het onderdeel houtopstanden van de Wet Natuurbescherming niet van toepassing. Vanwege de afstand tot Natura 2000-gebieden zijn de meeste effecten op deze gebieden uit te sluiten. Het is wel noodzakelijk om een Natura 2000-voortoets inclusief stikstofberekening uit te laten voeren. Verder worden er geen effecten verwacht ten aanzien van het NatuurNetwerk Nederland of het Natuurnetwerk Brabant. In de omgeving zijn beschermde diersoorten aangetoond en/of kunnen deze hier worden verwacht. Negatieve effecten op een aantal beschermde diersoorten als gevolg van de beoogde ingrepen kunnen daardoor niet op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek is nodig naar huismussen, marterachtigen (steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel) en de teunisbloempijlstaart. Ook is nader onderzoek naar verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen noodzakelijk.
4.2
Vervolgstappen
Voor het onderdeel gebiedsbescherming is het noodzakelijk om een Natura 2000-voortoets inclusief stikstofberekening uit te laten voeren. Bovendien is nader onderzoek nodig naar het belang van het gebied voor huismussen, diverse marterachtigen (steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel) en de teunisbloempijlstaart. Verder is nader onderzoek naar verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen noodzakelijk.
- 18 -