Bijlage 1.1 Ecologische quickscan
Tekst van het document
Ecologische quickscan Stationsstraat 46-50, Waalwijk
Opdrachtgever Contactpersoon
OTENTIQ B.V. dhr. F. Ponjé
Opdracht
Ecologische quickscan Stationsstraat 46-50 Waalwijk
Kenmerk Datum
27.21.13 13 april 2022
Projectleider Projectmedewerker
Glenn Lelieveld Martijn Engelen
Averti Ecologie averti@averti-ecologie.nl 06-16548063
Averti Ecologie is een klein ecologisch adviesbureau, opgericht in 2014. Averti Ecologie is kandidaatlid van de brancheorganisatie Netwerk Groene Bureaus.
Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd, gewijzigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, internet, druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven en Averti Ecologie noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Averti Ecologie is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Averti Ecologie. De opdrachtgever vrijwaart Averti Ecologie voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.
-2-
Inhoud 1
Inleiding ........................................................................................................................................... 4 1.1 1.2 1.3 1.4
2
Wettelijk kader ................................................................................................................................ 7 2.1 2.2 2.2.1 2.2.2
2.3 2.4 3
Wet natuurbescherming – onderdeel houtopstanden ........................................................... 7 Wet natuurbescherming – onderdeel gebiedsbescherming ................................................... 7 Natura2000 .................................................................................................................................................. 7 Natuurnetwerk Nederland en Natuurnetwerk Brabant .......................................................................... 8
Wet natuurbescherming – onderdeel soorten ....................................................................... 8 Activiteiten mogelijk door slimme oplossingen ...................................................................... 8
Ecologische quickscan ..................................................................................................................... 9 3.1 3.2 3.3 3.3.1 3.3.2
3.4 3.4.1 3.4.2 3.4.3 3.4.4 3.4.5 3.4.6 3.4.7 3.4.8
4
Aanleiding ................................................................................................................................ 4 Projectgebied .......................................................................................................................... 4 Beoogde ontwikkeling ............................................................................................................. 5 Impressie projectgebied .......................................................................................................... 6
Onderzoeksmethodiek ............................................................................................................ 9 Wet natuurbescherming – onderdeel houtopstanden ........................................................... 9 Wet natuurbescherming – onderdeel gebiedsbescherming ................................................... 9 Natura2000 ................................................................................................................................................... 9 Natuurnetwerk Nederland en Natuurnetwerk Brabant .............................................................................. 10
Wet natuurbescherming – onderdeel soorten ..................................................................... 11 Vaatplanten ................................................................................................................................................. 11 Grondgebonden zoogdieren ....................................................................................................................... 11 Vleermuizen ................................................................................................................................................ 11 Vogels .......................................................................................................................................................... 12 Amfibieën .................................................................................................................................................... 12 Reptielen ..................................................................................................................................................... 13 Vissen .......................................................................................................................................................... 13 Insecten (vlinders, libellen, sprinkhanen) en overige soortengroepen ....................................................... 13
Conclusies en implicaties............................................................................................................... 14 4.1 4.2
Conclusies .............................................................................................................................. 14 Implicaties ............................................................................................................................. 14
-3-
1 Inleiding 1.1
Aanleiding
De initiatiefnemer is voornemens aan de Stationsstraat 46-50 te Waalwijk de aanwezige bebouwing te amoveren om hier 15 appartementen met parkeerplaatsen en diverse groenstructuren te realiseren. Hierbij zal de reeds aanwezige vegetatie behouden blijven. Voor de soortbescherming onder de Wet natuurbescherming is het van belang om na te gaan of het projectgebied essentiële functies voor beschermde soorten vervult in de vorm van verblijfplaatsen, vliegroutes en/of foerageergebieden. In dit document rapporteren wij over het verkennende vooronderzoek naar beschermde natuurwaarden. Het rapport sluit af met het duiden van de implicaties van de resultaten voor de beoogde ingrepen.
1.2
Projectgebied
Het projectgebied betreft een perceel van circa 25 are en is gesitueerd midden in het winkelcentrum van Waalwijk. Op een vegetatiestrook in het noordelijke gedeelte van het projectgebied na, bestaat dit gebied volledig uit verharding en diverse panden. In de nabije omgeving van het perceel bevinden zich enkele grootschalige parkeerterreinen en direct ten zuiden van het gebied ligt een woonwijk. Aan de noordzijde grenst het projectgebied aan de A59 en een industrieterrein. De rest van de omgeving is sterk verstedelijkt met weinig aaneengesloten groenstructuren.
Figuur 1 Ligging projectgebied Stationsstraat 46-50 te Waalwijk (rode stip). Bron: Zoom.earth.
-4-
Figuur 2 Projectgebied Stationsstraat 46-50 te Waalwijk (rood omkader). Bron: Streetsmart.cyclomedia.
1.3
Beoogde ontwikkeling
De initiatiefnemer is voornemens middels een nieuw bestemmingsplan de aanwezige bebouwing te amoveren om hier 15 appartementen met parkeerplaatsen en diverse groenstructuren te realiseren.
Figuur 3 Schematisch overzicht van de beoogde situatie. Bron: Initiatiefnemer. -5-
Figuur 4 Schets van de beoogde situatie. Bron: Initiatiefnemer.
1.4
Impressie projectgebied
Zuidoostaanzicht van het projectgebied.
Noordoostaanzicht van het projectgebied.
Close-up van de dakrand.
Noordwestzijde van projectgebied.
-6-
2 Wettelijk kader De natuurwetgeving is in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Deze vloeit voort uit verplichtingen op internationaal niveau, zoals verdragen en richtlijnen. Daarnaast zijn op nationaal niveau aanvullende regels vastgelegd. Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze vervangt 3 wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. De Wet natuurbescherming heeft invloed op iedereen die activiteiten en werkzaamheden (zogenaamde ruimtelijke ingrepen) verricht op plaatsen waar zich mogelijk beschermde planten of dieren bevinden. Dit is een brede doelgroep variërend van projectontwikkelaars, wegenbouwers, gemeenten die werkzaamheden aanbesteden, waterschappen, grondeigenaren en bosbeheerders tot organisatoren van evenementen, landbouwers, enzovoort. Daarbij kan het gaan om terugkerende werkzaamheden, zoals regulier beheer en onderhoud of gebruik, maar ook om eenmalige werkzaamheden zoals ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Voor ruimtelijke ingrepen is slechts een deel van de natuurwetgeving van belang. In het bijzonder gaat het dan om de verplichtingen voortvloeiend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn en aanvullende nationale wetgeving ten aanzien van het natuurnetwerk, houtopstanden en soortbescherming.
Hieronder wordt op basis van informatie verstrekt door de Rijksoverheid uitleg gegeven aan de verschillende beschermingsonderdelen.
2.1
Wet natuurbescherming – onderdeel houtopstanden
Naast het soortenbeschermingsregime en gebiedsbeschermingsregime zijn natuurbescherming ook de bepalingen ter bescherming van houtopstanden verankerd.
in
de
Wet
Onder houtopstand wordt verstaan: een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die een oppervlakte grond beslaat van 10 are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Bij intentie tot kap moet een initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag en moet er herplant plaatsvinden. Het bevoegd gezag kan een kapverbod opleggen ter bescherming van bijzondere natuurof landschapswaarden. Op deze kap- en herplantplicht bestaan enkele uitzonderingen.
2.2
Wet natuurbescherming – onderdeel gebiedsbescherming
2.2.1 Natura2000 Nederland kent ruim 160 Natura 2000-gebieden. Dit Natura 2000-netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en onder de Habitatrichtlijn. Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit te waarborgen. Alle Vogel- of Habitatrichtlijngebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben.
-7-
2.2.2 Natuurnetwerk Nederland en Natuurnetwerk Brabant Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • ruim 6 miljoen hectare grote wateren; • alle Natura 2000-gebieden.
2.3
Wet natuurbescherming – onderdeel soorten
De verbodsbepalingen voor in de Wet natuurbescherming sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen zijn gericht op de bescherming van individuen van soorten. Alle vogels, in totaal ruim 700 soorten, zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. De verbodsbepalingen zien toe op bescherming van de individuen (verbod op doden en/of verwonden), hun jongen (zoals eieren), hun voortplantingsplaatsen (zoals nesten) en het leefgebied wat nodig is om te kunnen voortleven (denk aan jachtgebied). De verbodsbepalingen mogen niet overtreden worden, tenzij men een ontheffing kan krijgen (het zogenoemde ‘nee, tenzij-principe’). Bij het besluit of een afwijking van het verbod kan worden toegestaan, wordt evenwel niet naar de gevolgen van deze afwijking voor het individuele dier of plant gekeken, maar naar de gevolgen voor de instandhouding van de betrokken soort. Het aantal exemplaren van een beschermde inheemse soort dat in een bepaald geval verstoord wordt, is voor de vraag óf het verbod op verstoring overtreden wordt niet relevant, ook niet indien er geen afbreuk wordt gedaan aan de staat van instandhouding van de soort.
Anderzijds hoeft niet iedere handeling die tot gevolg heeft-dat een beschermde diersoort zich moet aanpassen aan de veranderende omgeving te worden opgevat als een (opzettelijke) verstoring. Ook voor de andere soorten, die niet op grond van de Vogel- of Habitatrichtlijn maar vanuit nationaal oogpunt beschermd worden, geldt dat de verbodsbepalingen zien op het individu, maar of ontheffing verleend kan worden, wordt afgewogen tegen het effect van de ingreep op het populatieniveau van de soort.
2.4
Activiteiten mogelijk door slimme oplossingen
Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan de in de wetgeving genoemde criteria zijn voldaan. Deze zien toe op dat de beschermd habitattype en/of beschermde soort voort kan bestaan na de ruimtelijke ingreep. Hiervoor zijn oplossingen mogelijk, zoals het aanbieden van nestkasten. Indien de juiste oplossingen op de juiste wijze worden toegepast, dan kan de initiatiefnemer voldoen aan de vereisten en kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode.
-8-
3 Ecologische quickscan 3.1
Onderzoeksmethodiek
Via de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) kan een indicatie worden verkregen van de beschikbaarheid van soortengegevens. De gegevens geven echter alleen een indicatie. Daarom is besloten geen aanvullende gegevens op te vragen maar het onderzoek vooral te baseren op een biotoopinschatting door een ecoloog. Bij het opstellen van de quickscan flora en fauna is verder gebruik gemaakt van bestaande atlasgegevens zoals uit de websites waarneming.nl en verspreidingsatlas.nl en andere beschikbare bronnen voor verspreidingsgegevens. De meeste gegevens zijn globale verspreidingsgegevens. Op 25 maart 2022 heeft de ecoloog G. Lelieveld van Averti Ecologie het projectgebied en de directe omgeving verkend. Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van de biotopen ter plaatse en de geschiktheid voor de verschillende soortgroepen te beoordelen. Het veldbezoek heeft nadrukkelijk niet de status van een volledige veldinventarisatie; het eenmalige veldbezoek geeft slechts een globaal beeld van aanwezige soorten en leefgebieden op basis van een momentopname.
3.2
Wet natuurbescherming – onderdeel houtopstanden
Er zullen diverse groenstructuren verwijderd worden ten gevolge van de beoogde werkzaamheden. Deze groenstructuren bevinden zich echter binnen de bebouwde kom en vallen dus niet onder het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming. Dit is dan ook niet van toepassing.
3.3
Wet natuurbescherming – onderdeel gebiedsbescherming
3.3.1 Natura2000 Het projectgebied ligt op ongeveer 1,8 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied ‘Langstraat’. De werkzaamheden zullen op het gebied van geluid, licht, menselijke aanwezigheid en trillingen slechts lokaal zijn en geen effect hebben op de omliggende Natura2000-gebieden. Op het gebied van stikstof kunnen de voorgenomen ontwikkelingen wel van invloed zijn op de Natura2000-gebieden. Een nadere berekening van de uitstoot van stikstof op deze gebieden kan noodzakelijk zijn.
-9-
Figuur 5 Projectgebied (zwarte stip) in relatie tot nabijgelegen Natura2000 gebieden (groen gearceerd). Bron: https://www.natura2000.nl/gebieden.
3.3.2 Natuurnetwerk Nederland en Natuurnetwerk Brabant Het projectgebied ligt op circa 1,8 kilometer afstand van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en/of Natuurnetwerk Brabant (NNB). Door het uitvoeren van de werkzaamheden gaat geen oppervlakte aan NNN of NNB verloren. Gezien de lokale aard van de ingreep kunnen negatieve effecten op de NNN en NNB worden uitgesloten.
Figuur 6 Projectgebied (blauwe cirkel) in relatie tot nabijgelegen Natuurnetwerk Nederland gebieden (donkergrijs gearceerd). Bron: https://www.atlasleefomgeving.nl/natuurnetwerk-nederland-ehs.
- 10 -
3.4
Wet natuurbescherming – onderdeel soorten
In het kader van de Wet natuurbescherming onderdeel soorten moet worden getoetst of er ter plaatse van de ruimtelijke ingrepen sprake is/kan zijn van negatieve effecten op beschermde planten en dieren. De beoogde ontwikkeling kan (indirecte) aantasting of verstoring van verblijfplaatsen en leefgebied tot gevolg hebben. 3.4.1 Vaatplanten In de omgeving zijn van de afgelopen 10 jaar geen beschermde plantensoorten bekend in de Nationale Databank Flora en Fauna. Daarnaast zijn tijdens het veldbezoek geen sporen van beschermde plantensoorten aangetroffen. De samenstelling van de grond in het projectgebied vormt geen geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, die typisch op voedselarme gronden groeien. De grond in het projectgebied is namelijk juist erg voedselrijk, en derhalve worden deze beschermde soorten hier niet verwacht. Daarnaast zal er ook geen vegetatie worden verwijderd ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen. Negatieve effecten op strikt beschermde plantensoorten zijn uit te sluiten. 3.4.2 Grondgebonden zoogdieren In de directe omgeving van het projectgebied is de aanwezigheid van enkele nationaal beschermde zoogdiersoorten bekend, namelijk de bever (Castor fiber), bunzing (Mustela putorius), eekhoorn (Sciurus vulgaris) en wezel (Mustela nivalis).
Deze beschermde grondgebonden zoogdiersoorten zijn niet vrijgesteld voor het aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling. Aangezien de bever is gebonden aan grote waterpartijen kan deze echter worden uitgesloten in het projectgebied. Daarnaast zal de aanwezige vegetatie gedurende de beoogde werkzaamheden onaangetast blijven en zullen er zelfs extra groenstructuren gerealiseerd worden. Derhalve worden geen negatieve effecten verwacht op grondgebonden zoogdieren. 3.4.3 Vleermuizen Algemeen Vleermuizen zijn globaal in te delen in gebouwbewonende soorten en boombewonende soorten. Er zijn echter ook soorten die van beide elementen gebruik maken. Ook is er onderscheid te maken in zomeren winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen en dergelijke) of bomen (in holten, achter de bast). Een groot aantal soorten, ook soorten die ’s zomers in boomholten verblijven, overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders. Alle vleermuizen zijn opgenomen in de Habitatrichtlijn en daarom strikt beschermd in de Wet natuurbescherming.
Voorkomen van vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens komen in de omgeving van het projectgebied negen verschillende soorten vleermuizen voor, namelijk de baardvleermuis (Myotis mystacinus), bosvleermuis (Nyctalus leisleri), franjestaart (Myotis nattereri), gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus), laatvlieger (Eptesicus serotinus), rosse vleermuis (Nyctalus noctula), ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) en watervleermuis (Myotis daubentonii). Er zijn binnen het projectgebied diverse potentieel geschikte spleten en andere openingen in de te amoveren bebouwing aanwezig, die kunnen dienen als verblijfplaats. Daarnaast kan de aanwezigheid van foerageergebied of een vliegroute binnen het projectgebied niet met zekerheid op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek naar het gebruik van het projectgebied door vleermuizen is noodzakelijk.
- 11 -
3.4.4 Vogels Alle vogels en dan specifiek hun verblijfplaatsen (nesten) zijn strikt beschermd in de Wet natuurbescherming. Aantasting van actief gebruikte nesten is niet toegestaan. Daarnaast is van een aantal vogelsoorten de nesten en nestlocaties (verblijfplaatsen en leefgebied) het gehele jaar door beschermd. Deze jaarrond beschermde vogelsoorten zijn onderverdeeld in vier categorieën: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil (Athene noctua)). 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden (voorbeeld: huismus (Passer domesticus)). 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders (voorbeeld: kerkuil (Tyto alba)). 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: buizerd (Buteo buteo)). De vogels uit deze categorieën zijn meestal zeer honkvast of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Ook is er een lijst vogels aangewezen waarvan alleen bij effecten op populatieniveau maatregelen nodig zijn; de zogenaamde categorie 5.
In de omgeving van het projectgebied zijn volgens verspreidingsgegevens diverse strikt jaarrond beschermde vogelsoorten waargenomen, namelijk de boomvalk (Falco subbuteo), buizerd, gierzwaluw (Apus apus), grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea), huismus, ooievaar (Ciconia ciconia), ransuil (Asio otus), roek (Corvus frugilegus) en sperwer (Accipiter nisus). Een deel hiervan is echter slechts eenmalig overvliegend waargenomen, namelijk de boomvalk, grote gele kwikstaart en ooievaar, en nesten van deze vogelsoorten worden dan ook niet binnen het projectgebied verwacht. In het projectgebied zijn enkele bomen aanwezig die potentieel kunnen dienen als nestlocatie of roestplaats voor diverse jaarrond beschermde soorten. Echter zullen deze groenstructuren onaangetast blijven bij de beoogde ontwikkelingen. Daarnaast zijn tijdens het veldbezoek ook geen nesten van jaarrond beschermde vogelsoorten aangetroffen binnen het projectgebied. Ook zijn er geen geschikte invliegopeningen in de panden aanwezig voor de gierzwaluw, aangezien de bebouwing in het projectgebied hiervoor te laag en te dicht op elkaar gebouwd zijn. Derhalve worden geen negatieve effecten verwacht op de buizerd, gierzwaluw, ransuil, roek en sperwer.
Wel bevatten een aantal onderdelen van de te amoveren bebouwing daken bestaande uit dakpannen of golfplaten, die als potentieel geschikte nestlocaties zouden kunnen dienen voor de huismus. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van nesten van deze soort binnen het projectgebied is noodzakelijk. 3.4.5 Amfibieën Er zijn geen waarnemingen in de omgeving bekend van beschermde amfibieën. Het projectgebied heeft geen geschikt water- of landhabitat voor deze soorten. Het kan echter niet worden uitgesloten dat de bruine kikker (Rana temporaria) en de gewone pad (Bufo bufo), periodiek gebruik maken van het projectgebied, maar deze soorten zijn vrijgesteld van ruimtelijke ontwikkelingen. Negatieve effecten op strikt beschermde soorten zijn uit te sluiten.
- 12 -
3.4.6 Reptielen Er zijn geen waarnemingen in de omgeving bekend van beschermde reptielen. De projectlocatie is gelegen middenin een stadscentrum. Dit is geen geschikt leefgebied voor beschermde reptielen en deze worden derhalve hier niet verwacht. Negatieve effecten op strikt beschermde soorten zijn uit te sluiten. 3.4.7 Vissen Vanwege het ontbreken van werkzaamheden aan watergangen, zijn effecten op beschermde vissoorten uit te sluiten. 3.4.8 Insecten (vlinders, libellen, sprinkhanen) en overige soortengroepen Slechts een beperkt aantal van de zeer soortenrijke groep van de insecten is beschermd. De habitateisen van beschermde soorten binnen deze groep zijn vaak zeer locatie-specifiek en gebonden aan zeer bijzondere biotopen en/of specifieke waardplanten. Er zijn geen waarnemingen in de omgeving bekend van insecten en overige beschermde soorten. Daarnaast is er geen geschikt habitat of potentiële waardplanten in het projectgebied aanwezig. Negatieve effecten op strikt beschermde insecten en overige soortgroepen zijn uit te sluiten.
- 13 -
4 Conclusies en implicaties 4.1
Conclusies
Vanwege de grote afstand tot Natura2000-gebieden zijn effecten op deze gebieden uit te sluiten. Het is wel noodzakelijk om een berekening uit te laten voeren naar de depositie van stikstof op de Natura2000gebieden in de omgeving. Verder worden er ook geen effecten verwacht ten aanzien van het NatuurNetwerk Nederland of het Natuurnetwerk Brabant. In de omgeving zijn verschillende beschermde diersoorten aangetoond en/of kunnen deze hier worden verwacht. Negatieve effecten op beschermde diersoorten als gevolg van de beoogde ingrepen kunnen daardoor op voorhand niet worden uitgesloten.
4.2
Implicaties
Voor het onderdeel soortbescherming is nader onderzoek nodig naar de aanwezigheid van beschermde zoogdieren (vleermuizen) en vogels (huismus).
- 14 -