CConstaterende datWaalwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.1 behorende bij raadsbesluit wijz en toel

Raadsvergadering 30 januari 2025, gemeente WaalwijkBij agendapunt: Algemene plaatselijke verordening 20256.577 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bijlage 1 behorende bij het raadsbesluit wijzigingen APV gemeente Waalwijk 2023 Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A I bij de Omgevingswet. het Besluit bouwwerken leefomgeving. Toelichting wijziging artikel 1:1 Inhoudelijk is de definitie niet gewijzigd. Deze wijziging houdt verband met het overhevelen van de definitie van “gebouw” in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving naar de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet. Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2. Degene die op een openbare plaats a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.

Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 4. Het is verboden op een openbare plaats, of in een voor publiek toegankelijk gebouw een voorwerp of stof bij zich te hebben, te dragen of te vervoeren waarvan aannemelijk is dat deze is meegebracht of aanwezig is om de openbare orde of veiligheid te verstoren. 54. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. 65. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Toelichting wijziging artikel 2:1 Nieuw is lid 4. Lid 5 en lid 6 zijn vernummerd. Met het verbod in het vierde lid kan worden opgetreden tegen voorwerpen en stoffen waarvan het aannemelijk is dat die aanwezig zijn, of meegebracht zijn om gebruikt te worden bij verstoringen van de openbare orde. Hierbij valt te denken aan een bivakmuts, masker, verzwaarde handschoen, tok of sportbitje. Ook in Waalwijk worden bivakmutsen wel eens gesignaleerd bij overlast gevende voetbalsupporters. Gelet op hoe snel deze

trend zich momenteel verspreidt bij overlast gevende supporters, is het aannemelijk dat dit ook in Waalwijk gaat toenemen. Deze voorwerpen worden gebruikt door ordeverstoorders, omdat tegen het bezit niet kan worden opgetreden door de politie. Door het niet kunnen optreden tegen de aanwezigheid van dit soort voorwerpen of stoffen in verdachte omstandigheden is het mogelijk dat wangedrag, ook in anonimiteit, kan worden gepleegd. Met deze verbodsbepaling wordt beoogd om effectief en doelmatig tegen voorgenoemde problematiek op te treden. Handhaving van dit verbod is gericht op risicovolle evenementen (o.a. voetbal) of situaties met signalen voor ongeregeldheden. Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht. 3.

Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening, of de waterschapsverordening, of de Algemene Verordening Ondergrondse infrastructuren of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Toelichting wijziging artikel 2:11 De Algemene Verordening Ondergrondse infrastructuren (AVOI) is reeds ter vaststelling voorgelegd aan de gemeenteraad. Daarbij is de raad voorgesteld om na vaststelling van de AVOI in de eerstvolgende wijziging van de APV in artikel 2:11 lid 3 van de APV ook te verwijzen naar de AVOI. Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag en straatintimidatie op openbare plaatsen 1. Het is verboden: a. op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan gebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt 2.

Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Toelichting wijziging artikel 2:47 Op 1 juli 2024 is de Wet seksuele intimidatie in werking getreden. Met deze wet wordt seksuele intimidatie in het openbaar strafbaar gesteld. De handhaving van de wet is de bevoegdheid van de politie. Er is vanuit het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV)wel een pilot gestart om de handhaving van deze nieuwe strafbaarstelling door boa’s mogelijk te maken. Vaste deelnemers van de pilot zijn het OM, verschillende gemeenten, waaronder de G4, Nationale Politie en het ministerie van JenV. De focus ligt op het bevorderen van de handhaafbaarheid van het voorgestelde artikel in het openbaar en het uitwerken van de mogelijke rol van buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) bij de handhaving hierop. De pilot zal naar verwachting 1-2 jaar duren. Straatintimidatie

en de toelichting daarop, kan dan ook uit de APV worden gehaald, omdat het al in de Wet seksuele intimidatie uitputtend is geregeld. Artikel 2:48a Verboden softdrugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw of een weggedeelte binnen een door het college aangewezen gebied middelen als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen softdrugs te gebruiken of openlijk voorhanden te hebben. Toelichting wijziging artikel 2:48a Dit artikel is voor het gebruik van softdrugs in overeenstemming gebracht met de modelverordening van de VNG. Door het volgen van de modelverordening wordt aangesloten bij een landelijk gelijkluidend artikel en kan ruimer worden gehandhaafd op overlastgevend softdrugsgebruik binnen door het college aangewezen gebieden. Artikel 2:48b Lachgasverbod Vervallen 1.Het is verboden op een openbare plaats lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken.

2.Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben. 3.Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het eerste lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden. Toelichting vervallen artikel 2:48b Lachgas is vanaf 1 januari 2023 een softdrug. Daardoor wordt het verboden gebruik van lachgas gereguleerd door artikel 2:48a van de APV ‘Verboden softdrugsgebruik’. Daardoor is artikel 2:48b van de APV overbodig geworden. Nieuw artikel 2:50a Messenverbod 1. Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben. 2. Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn. 3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie. Toelichting nieuw artikel 2:50a Het wapenbezit in het algemeen en gebruik van steekwapens in het bijzonder is fors toegenomen.

Het doel van het artikel is bescherming te bieden tegen mogelijke aantasting van de openbare orde en veiligheid door het bij zich hebben (dragen) van messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, te

verbieden. Het artikel is een aanvulling op de Wet wapens en munitie (Wwm) en verbiedt het bij zich hebben van andere dan in de Wwm aangeduide messen of van voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, maar waarbij nog geen sprake is van een situatie waarin, gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze voorwerpen worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij zijn bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen. Hierdoor kan aantasting van de openbare orde preventief worden voorkomen en wordt de veiligheid bevorderd. De Wwm verbiedt het dragen (= bij zich hebben) van wapens, waaronder nader aangeduide messen of voorwerpen die als wapen kunnen dienen als wel sprake is van bovengenoemde situatie. Voor de toepassing van de Wwm bepaalt de context dus of een voorwerp een wapen is of niet. Uit het arrest van de Hoge Raad van 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1993, volgt dat het in het belang van de openbare orde en veiligheid mogelijk is om een bepaling in de APV op te nemen die ziet op een ‘messenverbod’. Deze bepaling mag niet zien op wapens of voorwerpen die zijn genoemd in artikel 2 van de Wet wapens en munitie (Wwm).

Eerste lid Op grond van dit lid kan het college openbare plaatsen of daaraan grenzende voor publiek toegankelijke gebouwen of daarbij behorende erven aanwijzen waar het bij zich hebben van messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt verboden is. Tweede lid Dit lid waarborgt dat messen en voorwerpen die zijn ingepakt, bijvoorbeeld omdat deze in een winkel zijn aangeschaft en nog in de verpakking zitten, niet onder het verbod vallen. Het doel van het artikel is bescherming te bieden tegen mogelijke aantasting van de openbare orde en veiligheid, maar aanschaf van bijvoorbeeld een keukenmes moet mogelijk blijven. Het moet dan wel zodanig zijn verpakt dat het niet onmiddellijk kan worden aangewend. Derde lid Dit lid regelt de voorrang van de Wwm. Het verbod geldt niet voor het dragen van messen of voorwerpen die als steekwapen gebruikt kunnen worden, dat onder het bereik van artikel 2 van de Wwm valt. Artikel 2:71 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: vuurwerk van categorie F2, of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik, . met uitzondering van fop- en schertsvuurwerk zoals gedefinieerd in het Vuurwerkbesluit.

Toelichting wijziging artikel 2:71 Bij ministeriële regeling op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit wordt bepaald welk vuurwerk aan particulieren beschikbaar mag worden gesteld. De toevoeging van de categorieaanduidingen F2 of F3 in de definitie is daarom overbodig. In artikel 2.72 van de APV geldt een vergunningplicht voor bedrijven voor consumentenvuurwerk. Indien ook fop- en schertsvuurwerk (categorie F1) onder de definitie consumentenvuurwerk komt te vallen, dan zou bijvoorbeeld ook de Action een vergunning nodig hebben. Dat zou strijdig zijn met 2.3.7 van het Vuurwerkbesluit. Dit is ook in het kader van deregulering niet wenselijk. Daarom wordt fop- en schertsvuurwerk uitgezonderd. Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat

Artikel 2:77b Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. Exploitant: de natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico een bedrijf wordt geëxploiteerd of de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten; c. Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2. a. De burgemeester kan gebouwen, straten, gebieden, bedrijfsmatige activiteiten of een combinatie daarvan aanwijzen wanneer in of rondom dat gebouw, die straat, dat gebied of ten gevolge van die bedrijfsmatige activiteit de leefbaarheid, de openbare orde of veiligheid onder druk staat of aannemelijk is dat deze onder druk kan komen te staan of indien er signalen zijn van ondermijnende activiteiten. b. Een gebouw, straat of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in die straat dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester het woon- en leefklimaat of de openbare orde en veiligheid onder druk staat of er signalen zijn van ondermijnende activiteiten. c.

Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat of er signalen zijn van ondermijnende activiteiten. 2. De burgemeester kan gebouwen en bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. 3. Het is verboden zonder, of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw, straat voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of gebied, of b. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. c. De vergunning als bedoeld bij sub a en sub b wordt aangevraagd door de exploitant. d.

Bij het aanwijzen van gebouwen, straten, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten als bedoeld in het tweede lid stelt de burgemeester vast welke gegevens en bescheiden bij de aanvraag moeten worden ingediend. e. De burgemeester stelt een aanvraagformulier voor de indiening van een vergunningaanvraag vast. f. Op de vergunning als bedoeld in dit lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. 4. De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. als naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving van het bedrijf of de openbare orde of veiligheid, door de wijze van exploitatie, dreigt te worden beïnvloed of indien er signalen zijn van ondermijnende activiteiten c. indien de exploitant of beheerder onder curatele of bewind staan; d. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; e. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn;

f. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; g. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een omgevingsplan; h. indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. i. indien niet wordt voldaan aan specifieke voorwaarden die zijn opgenomen in het aanwijzingsbesluit. 4. De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn; d. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; e. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een omgevingsplan; f.

indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien: a. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast, of; b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed, of; c. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of; d. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed, of; e. er in het bedrijf of bij de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvindenstrafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden, of; f.

aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde, of;, g. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is. 6. De burgemeester kan een bedrijf sluiten indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd. 7. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het zesde lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven. 8. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is. 9. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang

van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. Toelichting wijziging artikel 2:77b Onder de huidige versie van artikel 2:77b APV kan slechts een vergunningplicht worden ingesteld door de burgemeester als in of rondom een gebouw de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. Onder deze bepaling kan de burgemeester pas bestuurlijk optreden als de openbare orde en/of de leefbaarheid al onder druk staat. Dit wordt als onwenselijk geacht, ook met het oog op de actualiteiten in andere gemeente als Zaanstad, betreffende de problematiek rondom malafide glazenwassers en ’s-Hertogenbosch waar men zich geconfronteerd ziet met (deels) malafide dakdekkers.

Door toevoeging van het criterium in het tweede lid dat een gebouw, straat, gebied of bedrijfsmatige activiteit óók kan worden aangewezen als sprake is van ondermijnende activiteiten, die op zichzelf niet hoeven te zorgen voor druk op de openbare orde en veiligheid en/of leefbaarheid, maar wel als onwenselijk worden gezien, kan de burgemeester in een eerder stadium bestuurlijk optreden. Wanneer kan een vergunningplicht worden ingesteld? - als de leefbaarheid onder druk staat of aannemelijk is dat die onder druk komt te staan; - als de openbare orde onder druk staat of aannemelijk is dat die onder druk komt te staan; - indien er signalen van ondermijnende activiteiten zijn. De vergunningplicht kan pas worden ingesteld middels een aanwijzingsbesluit van de burgemeester, zonder dit aanwijzingsbesluit geldt dus geen vergunningplicht en heeft het artikel geen directe werking.

Een aanwijzingsbesluit zal uitvoerig moeten worden gemotiveerd: - waaruit blijkt dat de leefbaarheid en/of openbare orde en veiligheid onder druk staat? Zijn de feiten en omstandigheden ook voldoende ernstig? - Evenredigheid: waarom kan niet met een minder vergaande maatregel worden volstaan? Welke andere maatregelen zijn er genomen? - Voldoet de vergunningplicht ook aan de eisen uit de Dienstenrichtlijn? Bestaat voldoende noodzaak om in te grijpen in het vrijelijk kunnen uitvoeren van diensten? Tegen dit aanwijzingsbesluit zelf staat bezwaar/beroep open. In een later stadium, bijvoorbeeld bij de weigering van een vergunning of bij handhavend optreden, zal het aanwijzingsbesluit óók op rechtmatigheid kunnen worden getoetst.

Artikel 2:77c Sluiting voor publiek toegankelijke gebouwen en/of erven 1. De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten, als daar: a. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend; of b. is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen; of c. door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen; of d. zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die naar het oordeel van de burgemeester de vrees wettigen dat het geopend blijven van het voor publiek toegankelijk

gebouw of het bij dat gebouw behorende erf ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid. 2. Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang tot het gebouw of het erf. 3. De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht. 4. Het is de rechthebbende op het gebouw en/of erf verboden om, zonder ontheffing van de burgemeester daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven. 5. Het is eenieder verboden om een krachtens dit artikel gesloten gebouw en/of erf zonder ontheffing van de burgemeester te betreden. 6. De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als naar het oordeel van de burgemeester de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen. 7. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet. Artikel 2:77c Sluiting voor publiek openstaand gebouw en/ of bijbehorend erf 1.

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat besluiten tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw en/ of een bij dat gebouw behorend erf. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 2:30, eerste lid, of artikel 13b van de Opiumwet voorziet. 3. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf. 4. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 5. Het is verboden een gesloten gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven zonder toestemming van de burgemeester. 6. De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. Toelichting wijziging artikel 2:77c Voorgesteld wordt om het bestaande artikel 2:77c te vervangen door het artikel 2:77c dat door de VNG wordt voorgesteld.

De VNG komt nu zelf voor het eerst met een artikel om dergelijke gebouwen en erven te sluiten. Door het volgen van de modelverordening wordt aangesloten bij een landelijk gelijkluidend artikel. Ook de aparte toelichting behorende bij het bestaande artikel in de APV kan komen te vervallen. De onderstaande toelichting van de VNG zal dan voortaan gaan gelden voor dit artikel en wordt door de VNG bijgehouden op actualiteiten en rechtspraak.

Eerste lid Het artikel geeft de burgemeester de mogelijkheid over te gaan tot sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of daarbij behorend erf als overlast, verstoring van de openbare orde of aantasting van het woon- en leefklimaat dreigt. Artikel 2:77b bevat een aanvullende sluitingsbevoegdheid als sprake is van een vergunningplicht. De burgemeester kan met behulp van artikel 2:77c optreden als in of vanuit een voor het publiek openstaand gebouw en/ of bijbehorend erf strafbare feiten plaatsvinden waardoor de openbare orde of het woon- of leefklimaat nadelig wordt beïnvloed of als ondernemers van (dienstverlenende) bedrijven zoals garages, autoverhuurbedrijven, uitzendbureaus of winkels, overlast (blijven) veroorzaken of ter plaatse strafbare feiten plegen, deze faciliteren, gedogen of op andere wijze toestaan. Ook geeft het artikel de burgemeester de mogelijkheid om op te treden als er in of vanuit een pand (niet zijnde een woning) wordt gegokt, waarvoor geen toestemming is gegeven op grond van de Wet op de Kansspelen. Als sprake is van een illegaal gokpand is zonder meer sprake van een aantasting van de openbare orde (in ruime zin te verstaan). Gokpanden die tevens als woning in gebruik zijn, kunnen niet op basis van dit artikel uit de APV worden gesloten, maar op grond van artikel 174a Gemeentewet.

Het artikel strekt niet tot uitvoering van artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet. Een bevel op grond van artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet is pas op zijn plaats als er geen reguliere bevoegdheden toepasselijk zijn, bijvoorbeeld op grond van de APV, en onverwijlde spoed onmiddellijk optreden vergt (ABRvS 9 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP1137 (Castricum); ABRvS 14-11-2018, ECLI:NL:RVS:2018:3699 (Rotterdam)). De situatie moet tot onmiddellijk ingrijpen noodzaken: de bevelen op grond van artikel 174, tweede lid, moeten zien op concrete, zich direct aandienende, situaties die de veiligheid of de gezondheid bedreigen (MvA, Kamerstukken II 1988/89, 19403, 10, p. 92-93). Tweede lid Het artikel is een aanvulling op de bevoegdheden van de burgemeester om op grond van artikel 2:30 van de APV of artikel 13b van de Opiumwet overlastgevende inrichtingen, zoals horecabedrijven en seksinrichtingen, of woningen op grond van artikel 174a Gemeentewet te sluiten. Derde tot en met vijfde lid Naast de bekendmaking aan belanghebbende wordt ter plaatse een afschrift van het besluit tot sluiting aangebracht. Zo is voor eenieder voldoende kenbaar dat gedurende de sluiting niemand het gebouw of daarbij behorende erf zonder toestemming van de burgemeester mag betreden. Het is verboden dat afschrift te verwijderen.

Zesde lid Dit lid biedt de burgemeester de mogelijkheid om een sluiting op te heffen. De burgemeester zal daartoe in de regel alleen overgaan op het moment dat er voldoende garanties aanwezig zijn waaruit blijkt dat de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het pand gewaarborgd zijn. Hiervan is geen sprake als er geen wijzigingen hebben plaatsgevonden in de situatie die heeft geleid tot een sluiting. Jurisprudentie ABRvS 23-09-2020, ECLI:NL:RVS:2020:2282. De burgemeester moet aannemelijk maken dat concreet voorzienbaar is dat de openbare orde zal worden verstoord. Niet is vereist dat zich al een concrete verstoring van de openbare orde heeft voorgedaan. Ook is niet in alle gevallen vereist dat er al strafbare feiten zijn gepleegd. Afdeling 3 Het bewaren van houtopstanden Artikel 4:10 Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder:

a. boom: een houtig opgaand gewas met een stamomtrek van minimaal 14 centimeter op 1 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam. Inbegrepen zijn de kroon, de stam en de wortels van de boom. b. houtopstand: één of meer bomen. c. bomencompensatieplicht: herplantplicht en/of financiële compensatieplicht. d. herplantplicht: verplichting van de vergunninghouder om een nieuwe boom of nieuwe bomen op eigen grond te planten. e. financiële compensatieplicht: verplichting van de vergunninghouder om geld te betalen aan de gemeente waarmee de gemeente zelf een nieuwe boom of nieuwe bomen gaat planten. f. kappen: het geheel of grotendeels verwijderen van het bovengrondse deel van de houtopstand. g. knotten/kandelaren/kandelaberen: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaarde of gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud. h. project: een openbare (gemeentelijke) of particuliere activiteit of werkzaamheid die de fysieke leefomgeving ter plaatse van (een) houtopstand(en) wijzigt, en van invloed is op de houtopstand(en). Als voorbeelden kunnen worden genoemd het bouwen of realiseren van gebouwen of bouwwerken, de realisatie of reconstructie van wegen, parken of watergangen. i.

rooien: het geheel verwijderen van het boven- en ondergrondse deel van de houtopstand. j. vellen: het rooien, het kappen, het snoeien van meer dan 20% van de kroon of het wortelgestel, of het voorbereiden van een verplanting met inbegrip van verplanten, of het voor de eerste maal knotten/kandelaren/kandelaberen alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben. k.

dode boom: een boom die verkeert in een onomkeerbare toestand zonder stofwisseling of andere actieve levensfuncties. Het vaststellen van de dood van de boom moet gebeuren door een boomdeskundige. Onder boomdeskundige wordt in dit geval verstaan: persoon in het bezit van een European Tree Worker (ETW) certificaat of een boomveiligheidscontroleur (BVC) certificaat. Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden 1a.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een houtopstand met een dwarsdoorsnede omtrek van de stam van minimaal 15 50 centimeter (=47,1215,92 cm stamomtrekdoorsnede) op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld die staat op een perceel grond dat in eigendom is van de gemeente Waalwijk, te vellen of te doen vellen. 1b.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een houtopstand, met een dwarsdoorsnede omtrek van de stam van minimaal 15 100 centimeter (=47,12 31,83 cm stamomtrekdoorsnede) op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld, op particuliere grond, als die is aangeduid in een door het college genomen aanwijzingsbesluit, te vellen of te doen vellen. 1c.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een houtopstand, die is geplant in het kader van een bomencompensatieplicht, te vellen of te doen vellen.

2.In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als de waarde van de houtopstand hoger is dan, of gelijk is aan de verwijderingsbelangen (overlast) van de houtopstand, als bedoeld in de gemeentelijke beleidsregels. Als sprake is van een project dan kan in afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 de vergunning worden geweigerd indien de waarde van de houtopstand 35 punten of meer is als bedoeld in de gemeentelijke beleidsregels. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a. bomen die vanwege een wettelijke plicht moeten worden geveld; b. bomen waarvoor de rijksregels over vellen en herbeplanten gelden; c. dode bomen; d. het periodiek knotten, kandelaren of kandelaberen, met uitzondering van de eerste keer, als periodiek noodzakelijk onderhoud. Toelichting wijziging artikel 4:11 Groen en met name bomen zijn nodig voor een prettig woon- en leefklimaat, het tegengaan van hittestress, de gezondheid van onze inwoners, behoud van biodiversiteit en verbetering van het klimaat. Het aandeel van groen en bomen in private tuinen blijft echter afnemen. Uit onderzoek vanuit de Groene Stad Challenge (Waalwijk neemt hieraan deel), komt naar voren dat het groen in tuinen in Nederland ca. 20% is afgenomen in de periode 2020-2022.

In de gemeente Waalwijk is in die periode het groen in tuinen in Sprang-Capelle met 19,5% afgenomen, in Waalwijk 15% en in Waspik is een afname van 13,5% te zien. Voor het verlies aan bomen worden vergelijkbare percentages verwacht. Bomen hebben namelijk voldoende groeiruimte nodig en die ruimte verdwijnt zodra groen wordt verwijderd en daar verharding en gebouwen voor in

de plaats komen. In de toekomst kunnen we de aanwezigheid van bomen op private gronden monitoren. In 2023 is landelijke data over bomen beschikbaar gekomen en zodra dat voor opvolgende jaartallen gebeurt, kunnen we een vergelijking maken. Als we een (verder) verlies van bomen in tuinen tegen willen gaan en meer willen inzetten op het behoud van bomen, dan zal het kapbeleid voor private bomen aangescherpt moeten worden. In 2008 is de ‘Catalogus waardevolle bomen’ opgesteld. Toen is bepaald dat bomen op private gronden alleen vergunningplichtig zijn, als ze zijn opgenomen in de catalogus. In de catalogus staan afzonderlijke bomen die vergunningplichting zijn. Daarnaast staan gebieden in de catalogus waarbinnen álle bomen vanaf een stamdwarsdoorsnede van 15 cm vergunningplichtig zijn. Sinds 2008 is de catalogus niet geactualiseerd en de kaart is verouderd. Er zijn waardevolle bomen bij gekomen die nu niet beschermd zijn en er zijn bomen komen te vervallen die nog wel in de catalogus staan. Voor wat betreft de gemeentelijke bomen: deze zijn in Waalwijk al goed beschermd, in vergelijking met veel andere gemeentes. En we hebben daarnaast een heel duidelijk afwegingskader, op basis van waarde en/of overlast, waarmee wordt bepaald of een boom gekapt mag worden of niet.

Bovendien wordt met bomencompensatieplicht geborgd dat er nieuwe bomen terugkomen, wanneer (vergunningplichtige) bomen worden gekapt. Om aan de ambitie voor meer behoud van (private) bomen te voldoen, is de wens ontstaan om de catalogus op te heffen en private bomen vanaf een omtrek van de stam van minimaal 100 centimeter (=31,83 cm doorsnede) vergunningplichtig te maken. Voor het bepalen van de stamomtrek is onderzoek gedaan naar kapbeleid van gemeentes uit de regio. Uit dat onderzoek blijkt dat er niet één stamomtrek is die de meeste gemeentes hanteren voor bomen op private gronden, er is veel verschil. Met de gekozen 100 cm stamomtrek zit Waalwijk op het gemiddelde. Zo hanteert de gemeente Tilburg 40 cm of 65 cm stamomtrek, afhankelijk van de perceelsgrootte en de gemeente Heusden houdt 150 cm aan. De gemeente Dongen hanteert (net als voor Waalwijk beoogd) 100 cm stamomtrek voor private bomen. De gemeente Gilze-Rijen hanteert ook 100 cm stamomtrek en de gemeente Boxtel gaat uit van 10 cm stamdoorsnede (of stamomtrek van minimaal 31 cm). Voor beide laatstgenoemde gemeentes wordt aan de hand van de oppervlakte en/of de diepte van de tuin of het perceel bepaald of een boom vergunningplichtig is.

Positief bijgevolg van deze wijziging is dat de verantwoordelijkheid meer bij de boomeigenaren komt te liggen (boomeigenaren moeten zelf hun boom opmeten) in plaats van bij de gemeente wat aansluit bij de intentie van de Omgevingswet. Ook wordt het beleid duidelijker voor iedereen. Een ander positief bijgevolg is dat, wanneer gemeentelijke gronden worden verkocht, de aanwezige bomen automatisch beschermd zijn indien ze een stamomtrek hebben van ten minste 100 cm. Als we blijven uitgaan van een ‘Catalogus waardevolle bomen’, dan kunnen gemeentelijke bomen op gronden die worden verkocht, alleen beschermd worden als de boom via een door het college te nemen aanwijzingsbesluit wordt toegevoegd aan de catalogus.

Een laatste positief bijgevolg is dat de catalogus komt te vervallen en zodoende niet geactualiseerd hoeft te worden. Het actueel houden van de catalogus is een dure en arbeidsintensieve opgave. De kosten voor het maken van een nieuwe catalogus bedragen naar verwachting (eenmalig) ca. 200.000 euro. Vervolgens moet de nieuwe catalogus elke 3 jaar tussentijds geactualiseerd worden en dat kost naar verwachting ca. 35.000 euro. En eens per 9 jaar zal de kaart vernieuwd moeten worden, dat zal ca. 95.000 euro kosten. Het risico van deze aanpassing, is dat er een toename in het aantal kapaanvragen, voor bomen op private gronden, kan ontstaan. Voor de mogelijke toename is een inschatting gemaakt. We verwachten dat het gemiddelde aantal jaarlijkse kapaanvragen kan toenemen met 20. Extra kapaanvragen leidt tot een toename van onder meer inzet van vergunningverleners en juristen TVVB, adviseur TORV en handhaving door TLTH. Voor vergunningverleners en juristen gaan we in het geval van 20 extra kapaanvragen uit van een structurele verhoging van personeelskosten van €35.400. Voor advies door TORV, worden voor 20 extra kapaanvragen de jaarlijkse extra personeelskosten ingeschat op €4.600 en voor handhaving gaan we uit van € 15.100 structureel extra personeelskosten.

Omdat het voor particulieren heel lastig is om de doorsnede van de stam van een boom te bepalen, wordt vanaf nu uitgegaan van stamomtrek in plaats van dwarsdoorsnede van de stam. De stamomtrek is met een meetlint nauwkeurig op te meten. Ook voor gemeentelijke bomen is hier nu voor gekozen, zodat er één lijn wordt gehanteerd en verwarring wordt voorkomen. Voor gemeentelijke bomen heeft dat tot gevolg dat een vergunningplicht geldt vanaf een stamomtrek van minimaal 50 centimeter (=15,92 cm doorsnede). Dat scheelt ongeveer 1 cm t.o.v. de APV 2023. De raad wordt voorgesteld om de beoogde aanpassing van het kapbeleid in de APV in te voeren tot de volgende wijziging van de APV. De toename van het aantal kapaanvragen en de extra benodigde inzet op het gebied van advies en handhaving in 2025 zullen door TVVB, TORV en TLTH worden gemonitord. En bij de volgende wijziging van de APV kan dan vervolgens het verzoek worden gedaan aan de raad om de gedane aanpassing van de APV in stand te houden of te wijzigen of om een extra monitoringsjaar in te lassen. Dit heeft als voordeel dat bij de volgende wijziging van de APV opnieuw een besluit kan worden genomen, op basis van concrete cijfers t.a.v. de toename in personeelskosten. Het nadeel van het aanpassen van het kapbeleid is dat het kan leiden tot onduidelijkheid bij bewoners en andere eigenaars van private bomen.

Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk vier weken van tevoren een melding aan het college.

3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. 4. Van de melding wordt kennis gegeven op de in de gemeente gebruikelijke wijze van bekendmaking. 5. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening, de Algemene Verordening Ondergronde infrastructuren, of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Toelichting wijziging artikel 5:24 De Algemene Verordening Ondergrondse infrastructuren (AVOI) is reeds ter vaststelling voorgelegd aan de gemeenteraad. Daarbij is de raad voorgesteld om na vaststelling van de AVOI in de eerstvolgende wijziging van de APV in artikel 5:24 lid 5 van de APV ook te verwijzen naar de AVOI.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14971832/1