CConstaterende datWaalwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 0 GOFLO - Onderbouwing Bopa Akkerwinde 1-9 S-C

Raadsvergadering 22 mei 2025, gemeente WaalwijkBij agendapunt: Adviesrecht gemeenteraad bouwplan Akkerwinde 1-9 Sprang Capelle26.179 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde Keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme Keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. De keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. In de nieuwe Keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning hemelwater door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een sedum dak.

27

d. de toename van verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m3 ) = toename verhard oppervlak (in m2 ) x Gevoeligheidsfactor x 0,06. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Beoordeling Op grond van de keur van het waterschap is bepaald dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning hemelwater door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is niet van toepassing in het geval de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m 2 bedraagt.

Hierbij dient in ogenschouw genomen te worden dat de beoogde ontwikkeling geen toename van het verhard oppervlak tot gevolg heeft, integendeel. Gelet hierop wordt met het planvoornemen de ondergrens van 500 m2 per definitie niet overschreden, waardoor op grond van de keur van het waterschap geen verplichting tot de realisatie van een waterbergende voorziening geldt. Voor een nadere uitwerking zie de waterparagraaf in de onderhavige onderbouwing. 5.5.1

Conclusie

De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van het waterschap.

5.6

Gemeentelijk beleid

5.6.1 Omgevingsvisie Met de omgevingsvisie wordt men uitgenodigd om met ideeën en voorstellen te komen die goed zijn voor de gemeente Waalwijk. Plannen die het leven, het ondernemen en het verblijven in onze gemeente aantrekkelijker maken. De omgevingsvisie nodigt uit, inspireert en geeft de kaders om ontwikkelingen aan te pakken. Ook is de omgevingsvisie bedoeld om plannen uit de samenleving, die niet passen in het omgevingsplan (vervanger van het bestemmingsplan onder de Omgevingswet vanaf januari 2024), af te wegen. Het plan of initiatief moet daarbij bijdragen aan de kwaliteit en ambities voor de gemeente Waalwijk. Inwoners en ondernemers vinden in de omgevingsvisie wat op hoofdlijnen de ontwikkelingsmogelijkheden zijn in de gebieden en rondom thema's. Meerwaarde van een omgevingsvisie De omgevingsvisie: • inspireert en nodigt partijen uit tot investeringen; • werkt oplossingsgericht en (her)ontwikkelingsmogelijkheden worden vergroot; • stuurt op versterking van gebiedskwaliteiten; • benoemd gebiedsgericht aandachtspunten, met bandbreedtes in na te streven gebiedskwaliteit; • biedt initiatiefnemers duidelijkheid en zorgt voor efficiëntie en legitimatie in het afwegingsproces, door vroegtijdige prioritering en afstemming van beleidsuitwerkingen en investeringen. Met de ontwikkeling van de Omgevingsvisie bereidt de gemeente Waalwijk zich voor op de komst van de Omgevingswet.

In 2025 wil de gemeente de Omgevingsvisie klaar hebben. De gemeente werkt daar in een aantal stappen naar toe.

28

De gemeente Waalwijk beschikt op dit moment over een zogenoemde Omgevingsvisie 1.5. Dit is een overzicht van bestaande, actuele beleidsdocumenten met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Omdat gezondheid een nieuw onderwerp is onder de Omgevingswet is de vastgestelde 'bouwsteen gezonde fysieke leefomgeving' toegevoegd aan het overzicht. Naar verwachting wordt eind 2025 de omgevingsvisie ter vaststelling aangeboden aan de raad van de gemeente Waalwijk. Beoordeling Nu de Omgevingsvisie momenteel nog in voorbereiding is, is het nog niet mogelijk om het planvoornemen hieraan te toetsen. Derhalve wordt in de navolgende paragraaf getoetst aan de gemeentelijke structuurvisie. Conclusie Nu de gemeentelijke Omgevingsvisie nog niet gereed is, is het niet mogelijk om het planvoornemen hieraan te toetsen. 5.6.2

Structuurvisie Waalwijk 2025

Op 4 februari 2016 heeft de raad van de gemeente Waalwijk de Structuurvisie Waalwijk 2025 vastgesteld. Deze structuurvisie maakt onderdeel uit van het overzicht van bestaande en actuele Beleidsdocumenten. Uit de structuurvisie blijkt dat het de ambitie van de gemeente Waalwijk is een stedelijk knooppunt te zijn dat met zijn krachtige economische functie en karakteristieke kernen en omgeving een vitale schakel is in de regionale netwerken van Midden Brabant. De structuurvisie bevat onder meer visiekaart. In deze paragraaf is een relevante uitsnede van de visiekaart opgenomen.

29

Figuur 15 Uitsnede visiekaart Structuurvisie Waalwijk 2025 (planlocatie is indicatief aangeduid met een gele cirkel)

Bovenstaande afbeelding laat zien dat de planlocatie binnen het thema wonen is aangeduid als ‘dorps wonen’. Voor de planlocatie zijn de navolgende beleidsuitgangspunten uit de structuurvisie van belang. • Ondergrond: zorgen voor een veilig bodem- en watersysteem en behoud van de EHS. Beschermen van waarden en ruimte reserveren o.a.: gebiedsgericht grondwaterbeheer, behoud drinkwaterwinning zuiden kern Waalwijk, behoud en versterking landschapswaarden. • Netwerken: optimaliseren van bereikbaarheid over weg en water. Afstemming met het in ontwikkeling zijnde Mobiliteitsplan. • Wonen: speerpunt is vraaggericht herstructureren volgens de duurzaamheidsladder en thematisering van bestaande woongebieden. De structuurvisie is mede gebaseerd op de Woonvisie 2012-2019. Er wordt onder meer aangegeven dat vraaggericht ook betekent ‘voor iedereen een thuis’. Groepen die extra aandacht vragen zijn onder meer starters en mensen met lagere en middeninkomens. Verder wordt benoemd dat herstructureren het aanpassen van de bestaande woningvoorraad en het bestaand stedelijk gebied betreft. Voor de woningvoorraad kan herstructurering betekenen aanpassing van bestaande (woon)gebouwen of inbreidingslocaties met als resultaat bijvoorbeeld meerdere kleinere woningen voor bijvoorbeeld jongeren.

Met betrekking tot herstructurering van openbaar gebied kan onder meer extra ruimte voor waterberging, parkeren en groen gerealiseerd worden. • Werken: de basis wordt gevormd door de Nota Wensbeelden Bedrijventerreinen. Specifiek voor de linten geeft de structuurvisie als speerpunt aan dat de oude bebouwingslinten vanuit de historische gemengde functie geschikt zijn als kweekkasfunctie voor kleinschalige bedrijven (aan huis). De schaal, aard en omvang van een kleinschalig bedrijf (aan huis) dient wel steeds in de (woon)omgeving te passen.

30

• Voorzieningen: speerpunt is het voorzieningenaanbod vraaggericht versterken op basis van de duurzaamheidsladder en thematisering. Voor de linten betekent dit een passend voorzieningenniveau om aan de lokale behoefte te kunnen voldoen. Met in ieder geval centrumontwikkeling van zowel Waalwijk, Sprang-Capelle als Waspik. De structuurvisie sluit verder aan bij de Detailhandelsvisie. • Duurzaamheid: de gemeente pakt dit begrip breed op en hieronder vallen de volgende thema's: o Duurzaamheid algemeen: zorgvuldig ruimtegebruik en behoud en versterking van ruimtelijke kwaliteit. Hieronder vallen ook de principes van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' en de 'duurzaamheidsladder lokaal toepassen op voorzieningen', zie onder. o Energie: voor de linten is vooral het stimuleren van een afname in energiegebruik van belang. o Milieu: behouden en versterken van de milieukwaliteit. Waar mogelijk milieuproblemen aanpakken bij de bron. Zie verderop in de onderhavige onderbouwing. o Erfgoed: hergebruik wordt gestimuleerd door een flexibele functionele invulling van gebieden, objecten en gebouwen met voldoende behoud van de cultuurhistorische waarden. o Sociaal: geschikt wonen aanbieden voor alle levensfasen al dan niet met een zorgbehoefte en aanpassingen in de woningvoorraad als gevolg van scheiden wonen - zorg.

Gezondheid van het begin af aan expliciet meewegen bij ruimtelijke ontwikkelingen, met name als het gaat om geluid, luchtkwaliteit en groen. Beoordeling De gemeente Waalwijk wil het woningaanbod vergroten door middel van herstructurering. De gemeente Waalwijk definieert herstructurering als de aanpassing van bestaande bebouwing (woningen) of het toevoegen van bebouwing (woningen) op locaties gelegen binnen het al bestaand stedelijk gebied. Bij het laatste is er sprake van inbreiding. Zoals de structuurvisie stelt is “gerichte verdichting, oftewel inbreiding, in ieder geval wenselijk in combinatie met versterking van de omgevingskwaliteit’’. Het voorliggende plan beoogt vijf verouderde aaneen-gebouwde sociale huurwoningen te herontwikkelen middels sloop en nieuwbouw van acht prefab woningen voor onder meer starters. Gelet hierop wordt met de beoogde ontwikkeling een bijdrage geleverd aan de vergroting van het woningaanbod middels herstructurering. Verder is sprake van herstructurering op een inbreidingslocatie met een versterking van de omgevingskwaliteit. Gelet hierop is de beoogde ontwikkeling passend binnen relevante gemeentelijke uitgangspunten, zoals vastgelegd in de Structuurvisie Waalwijk 2025. Te meer nu met de beoogde ontwikkeling wordt voorzien in herstructurering middels de komst van woningen voor onder meer starters en mensen met lagere of middeninkomens.

In de gemeentelijke structuurvisie wordt namelijk expliciet herstructurering van bestaande (woon)gebouwen of inbreidingslocaties met als resultaat bijvoorbeeld meerdere kleinere woningen voor bijvoorbeeld jongeren genoemd. Tot slot dient opgemerkt te worden dat de Structuurvisie Waalwijk 2025 in het uitvoeringsprogramma een onderdeel ‘Bijdragen ruimtelijke ontwikkelingen’ bevat. Hierbij is het navolgende opgenomen (in cursief): Vanuit de wens om de kwaliteit van het landschap en de kernen een impuls te geven wordt het van belang geacht om een ‘Reserve Kwaliteit fysieke leefomgeving’ te vormen teneinde ‘rode’ projecten te laten bijdragen aan ‘groene’ projecten op het gebied van onder andere natuur, landschap en cultuurhistorie. Op deze wijze betaalt ‘rood voor groen’. Op basis van de provinciale Verordening Ruimte is voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied een bijdrage nodig voor kwaliteitsverbetering van het landschap. In regionaal verband zijn hierover afspraken gemaakt middels de zogenaamde ‘Werkafspraken Kwaliteitsverbetering Landschap’, zie kader. Indien een bijdrage volgens de zogenaamde grondwaardemethodiek nodig is, hanteert de gemeente een percentage van 20% over de toename van de (getaxeerde) grondwaarde.

De bijdrage wordt zo mogelijk besteed aan landschappelijke kwaliteitsverbetering op het perceel zelf, in de direct omgeving of elders. Indien dat niet meteen mogelijk is, kan een fondsbijdrage gedaan worden. Op basis van deze structuurvisie passen we voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in bestaand stedelijk gebied vergelijkbare werkafspraken toe. Zowel voor interne projecten als externe initiatieven. Met dien verstande dat de bijdrage gekoppeld aan een ruimtelijke ontwikkeling in het bestaand stedelijk gebied niet alleen besteed kan worden aan verbetering van de kwaliteit van natuur, landschap en/of cultuurhistorie maar ook aan andere kwaliteitsverbeteringen in de fysieke leefomgeving. Bovendien is geen bijdrage nodig indien het plan op zichzelf voorziet in een evenredige maatschappelijke en/of

31

landschappelijke bijdrage aan de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld de opheffing van een milieuhygiënisch knelpunt en/of sociale woningbouw. De fondsbijdragen voor kwaliteitsverbetering worden gestort in een ‘Reserve kwaliteit fysieke leefomgeving’. Het huidige groenfonds wordt overgeheveld in dit nieuwe fonds. Fondsbijdragen worden besteed aan projecten die leiden tot een kwaliteitsverbetering voor de fysieke leefomgeving. Daarbij geldt voor de bijdragen die gedaan zijn op basis van de provinciale Verordening Ruimte dat ook voldaan moet worden aan de regionale werkafspraken. Vooruitlopend op de vorming van dit fonds heeft de gemeente in het kader van het project GOL via het grondbedrijf de volgende projecten voorgefinancierd: • EVZ Drongelens kanaal en EVZ Baardwijkse overlaat door het vervangen en met name het verlengen van de brug over het Drongelens kanaal. • Versterken landschappelijke openheid van de Baardwijkse Overlaat door het saneren van bebouwing. Per project kan besloten worden of de fondsbijdrage ten goede komt aan de genoemde voorgefinanciërde projecten of aan een ander project van het uitvoeringsprogramma met een evenredige maatschappelijke en/of landschappelijke bijdrage aan de fysieke leefomgeving.

Met betrekking tot vorenstaande ‘Bijdragen ruimtelijke ontwikkelingen’ dient opgemerkt te worden dat het planvoornemen op zichzelf voorziet in een evenredige maatschappelijke en landschappelijke bijdrage aan de fysieke leefomgeving (sociale woningbouw). Dit maakt dat voor het planvoornemen geen ‘Bijdragen ruimtelijke ontwikkelingen’ is benodigd. Conclusie Gelet op het vorenstaande is de beoogde ontwikkeling passend binnen relevante gemeentelijke uitgangspunten, zoals vastgelegd in de Structuurvisie Waalwijk 2025. 5.6.3

Woonvisie 2020

Op 17 september 2020 heeft de gemeenteraad van Waalwijk de Woonvisie 2020 vastgesteld. De Woonvisie 2020 bevat drie hoofdthema’s met elk eigen doelstellingen. Eén en ander is hieronder samengevat. a. Betaalbaarheid: Van belang is dat iedereen kan wonen in een woning die qua woningtype en prijsklasse past bij zijn/haar huishouden en inkomen. b. Wonen en zorg: Voor alle inwoners is er een geschikte woning en woonomgeving, waar zorg geleverd kan worden en waar een sterke sociale structuur is. c. Leefbaarheid en duurzaamheid: Alle inwoners wonen in aantrekkelijke en toekomstbestendige woonmilieus Er is nog steeds sprake van een woningtekort, ook binnen de gemeente Waalwijk. Bij de invulling van het woonprogramma streeft de gemeente naar voldoende kwalitatief goede en betaalbare woningen voor alle bevolkingsgroepen. Er is vooral behoefte aan woningen voor starters. Om die reden wordt doorstroming gestimuleerd. Dat laatste kan door middeldure en dure woningen te bouwen. Beoordeling De voorliggende ontwikkeling voorziet in de herontwikkeling van vijf verouderde aaneen-gebouwde sociale huurwoningen middels sloop en nieuwbouw van acht prefab woningen voor onder meer starters. Hiermee wordt tegemoet gekomen naar de behoefte naar starterswoningen binnen de gemeente. Ook is de beoogde ontwikkeling passend binnen de gemeentelijke doelstelling om betaalbare woningen te realiseren.

Daarnaast dient opgemerkt te worden dat het planvoornemen een positieve bijdrage levert aan de leefbaarheid en de duurzaamheid. De beoogde ontwikkeling heeft namelijk een verbetering van de woonomgevingskwaliteit en het straatbeeld tot gevolg. Verder wordt in de gemeentelijke woonvisie aangegeven dat inbreiding de voorkeur heeft boven uitbreiding. De planlocatie aan de Akkerwinde 1-9 te Sprang-Capelle bevindt zich binnen bestaand stedelijk gebied en is daarmee te bestempelen als een inbreidingslocatie. Daarnaast bevindt de planlocatie zich in een overwegend woongebied. Hierdoor is een herontwikkeling van verouderd stedelijk vastgoed (woningen) naar toekomstige woningen passend binnen de ruimtelijke structuur.

32

Ook leent de planlocatie zich voor enige verdichting, waardoor efficiënt gebruik van de schaarse ruimte binnen bestaand stedelijk gebied wordt bewerkstelligd. Conclusie Gelet op het vorenstaande is de beoogde ontwikkeling passend binnen relevante gemeentelijke uitgangspunten, zoals vastgelegd in de Woonvisie 2020. 5.6.4

Groenbeleidsvisie

De groenbeleidsvisie ‘Groen Leeft!’ is op 14 november 2019 vastgesteld door de gemeenteraad en bevat een langetermijnvisie voor het groen. Het vormt de basis voor al het andere beleid en regels over het groen in de gemeente Waalwijk. De groenbeleidsvisie is een uitwerking van de groenstrategie. De groenstrategie is een vertaling van alle groene ambities uit de Strategische visie Waalwijk 2025, het Coalitieprogramma “Samen duurzaam vooruit!”, de Structuurvisie en de Duurzaamheidsvisie. In de Groenbeleidsvisie wordt gewerkt met een zogenaamde ‘groennorm’. Het doel van de groennorm is om het groen in alle projecten mee te laten wegen en zo het areaal en de kwaliteit van het groen in de gemeente te borgen en te vergroten. De groennorm prikkelt inwoners en bedrijfsleven om groen op hun eigen terrein te realiseren, te participeren in het openbaar groen en de biodiversiteit te vergroten om zo bij te dragen aan een gezonde, klimaat- en toekomstbestendige leefomgeving. De groennorm is uitgewerkt in de Richtlijn Groenbeleidsvisie (vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders 20 december 2022). Deze schrijft voor dat er in ontwikkelingen waar sprake is van 3 of meer nieuwbouwwoningen, of 1 of meer bedrijfspanden tenminste voor 10% uit groen moet bestaan. Tevens dient er bij woongebieden aan een combinatiegroen gedacht te worden.

In dit geval dient minimaal 5% van de oppervlakte van het projectgebied uit combinatiegroen te bestaan. Beoordeling De planlocatie kent een oppervlakte van circa 1.006 m2. Verder kennen de gronden die in de beoogde situatie tot het eigendom van de initiatiefnemer behoren een omvang van circa 840 m2. Echter, ter aanvulling op voorgaande maatvoering worden er ook wijzigingen aangebracht in het openbaar gebied. Deze oppervlakte dient derhalve meegenomen te worden in de berekening voor de oppervlakte van het projectgebied. Het gaat hierbij om gronden met een oppervlakte van circa 420 m2 ter aanvulling op het toekomstig eigendom van de initiatiefnemer. Hiermee komt de totale oppervlakte van het projectgebied wat meegenomen dient te worden in de berekening uit op circa 1.260 m2. 10% dient hiervan ingericht te worden als grondgebonden openbaar groen (126 m2) en 5% als combinatiegroen (63 m2). Binnen de planlocatie zal in zijn totaliteit circa 371 m2 aan (openbaar) groen worden gerealiseerd. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de gemeentelijke groennormen. Ter illustratie is in het onderstaande een afbeelding opgenomen waarop de beoogde situatie binnen de planlocatie is weergegeven waarop het openbaar groen is aangeduid.

33

Figuur 16 Plattegrond beoogde situatie met duiding groen en toetsing aan gemeentelijke groennorm

Conclusie Gelet op het vorenstaande is de beoogde ontwikkeling passend binnen relevante gemeentelijke uitgangspunten, zoals vastgelegd in de Groenbeleidsvisie ‘Groen Leeft!’ en de Richtlijn Groenbeleidsvisie 5.6.5

Verordening afvoer hemelwater Waalwijk

Op 15 december 2022 heeft de raad van Waalwijk de Verordening afvoer hemelwater Waalwijk vastgesteld. Deze maakt onderdeel uit van het tijdelijke omgevingsplan. Vanuit deze verordening is er de verplichting om, voor de nieuwbouw, zelf zorg te dragen voor de verwerking van het hemelwater. Dit moet voor alle nieuwe verharding, ongeacht of er op de locatie voorafgaand al verharding aanwezig was. Voor alle nieuwbouw, gebouwen en terreinverharding, dient 60 mm berging realiseren. De leegloop is afhankelijk van de situatie. Infiltratie heeft de voorkeur, maar moet ook technisch kunnen. Als infiltratie aantoonbaar niet mogelijk is, is een landelijke afvoer van 2 l/s/ha het perceel af toelaatbaar.

Beoordeling Verderop in de onderhavige onderbouwing zal bij de waterparagraaf een nadere toetsing plaatsvinden aan het gemeentelijk waterbeleid. In deze paragraaf zal uitvoerig onderbouwd worden om welke reden met de beoogde ontwikkeling wordt voldaan aan de Verordening afvoer hemelwater Waalwijk. Conclusie Gelet op het vorenstaande is de beoogde ontwikkeling passend binnen relevante gemeentelijke uitgangspunten, zoals vastgelegd in de Verordening afvoer hemelwater Waalwijk.

34

5.6.6 Programma’s In de ‘Programma's’ kunnen belangrijke verbindingen worden gelegd met de andere kerninstrumenten in de beleidscyclus van de gemeente. Een programma geeft aan hoe een gemeente de omgevingsvisie of onderdelen daarvan wil realiseren. Het kan bijvoorbeeld gericht zijn op een beleidsthema zoals een woonvisie, op een gebied of project zoals een centrumvisie, of op een omgevingswaarde zoals een veiligheidsplan. Op basis van artikel 3.5 van de Omgevingswet bevat een programma voor één of meer onderdelen van de fysieke leefomgeving: • een uitwerking van het te voeren beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud daarvan; • maatregelen om aan een of meer omgevingswaarden te voldoen en / of een of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken. Een programma is vooral uitvoeringsgericht; de nadruk ligt op het bereiken van het doel binnen een beheersbare termijn voor het desbetreffende aspect van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Het staat de gemeente vrij om naar behoefte programma’s op te stellen voor deze aspecten of voor deelgebieden. Eén van de maatregelen die in een programma kan worden opgenomen, is het sturen op de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving door het opnemen van juridische bindende regels in het omgevingsplan.

Andere maatregelen zijn ook denkbaar zoals de inzet van communicatie / informatie-instrumenten, de inzet van financiële instrumenten bijv. subsidie, het maken van afspraken met organisaties of het nemen van fysieke maatregelen. College stelt programma's vast Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente kan op basis van artikel 3.4 van de Omgevingswet programma’s vaststellen. Het vaststellen van programma’s is dus in beginsel geen verplichting. Bijzondere vormen van programma's In de Omgevingswet zijn verder weinig regels gesteld aan de vrijwillige programma’s. Er is echter een aantal bijzondere vormen van programma’s waar de Omgevingswet extra regels aan stelt. Dit zijn: • verplichte programma’s; • programma’s met een programmatische aanpak; • programma’s bij dreigende overschrijding van een omgevingswaarde. Huidige plannen te beschouwen als programma Een groot deel van de bestaande wettelijke en buitenwettelijke plannen kan als programma worden beschouwd.2 Verder heeft de gemeente Waalwijk geen specifieke programma’s vastgesteld. Relevante programma’s voor het projectgebied In het vorenstaande is reeds getoetst aan alle relevante gemeentelijke beleidsstukken. Hierdoor kan een toetsing aan gemeentelijke beleidsstukken die al dan niet als een programma bestempeld kunnen worden in de onderhavige paragraaf achterwege blijven.

Conclusie/ bijzonderheden In de vorenstaande passages is reeds uitvoerig gemotiveerd om welke reden de beoogde ontwikkeling 5.6.7

Duurzaamheid, klimaatadaptatie

Artikel 22.52 van het Omgevingsplan gemeente Waalwijk bevat onder meer regels voor wat betreft duurzaamheid en energiebesparende maatregelen. Duurzaamheid gaat over de balans tussen mens, milieu en financiën en kan op verschillende niveaus worden bezien. Op het niveau van gebiedsontwikkeling gaat het naast technische maatregelen bij gebouwen om het functioneren van het gehele gebied. De kracht zit in het zoeken naar goede 2

Het gaat om tal van beleidsplannen voor uiteenlopende onderwerpen zoals wegen, bereikbaarheid, landschapskwaliteit, cultureel erfgoed of buisleidingen, of om structuurvisies voor een specifiek gebied. Verder vallen het gemeentelijke rioleringsprogramma, actieplan geluid, waterbeheerprogramma en het beheerplan voor Natura 2000-gebieden onder het programma.

35

combinaties voor een specifieke locatie waardoor een prettige leefomgeving kan worden ontwikkeld. Bepaalde randvoorwaarden en/of de ruimtelijke omgeving van een plan kunnen kansen voor duurzaamheid opleveren. Duurzaam bouwen gaat dus verder dan alleen energie. Het gaat ook over duurzaam materiaalgebruik, comfort, binnenmilieu, bouwen voor de toekomst en slim bouwen. Duurzaam bouwen wordt vaak afgekort als 'dubo' en beoogt naast vermindering van de uitstoot van CO2 ook zaken als: • • •

bij te dragen aan het welzijn van gebruikers (kwaliteitsbevordering); uitputting van grondstoffen te verminderen; vervuiling van bodem, water en lucht tegen te gaan.

Energieneutraal (BENG) Vanaf 1 januari 2020 moeten alle nieuwe gebouwen in Nederland bijna energieneutrale gebouwen (BENG) zijn. Dit vloeit voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese richtlijn EPBD. De vastgestelde niveaus voor woningen gelden als volgt: • • • •

Een maximaal energiebehoefte van 25 kWh/m2/jr gebruiksoppervlak; Een maximaal primair fossiel energiegebruik, eveneens in 25 kWh/m2/jr gebruiksoppervlak; Een minimaal aandeel hernieuwbare energie van 50%. Het voorgaande houdt concreet een EPC tussen 0 en 0,2 in.

Aardgasvrij (Wet VET) In de Wet voortgang energietransitie (VET) is bepaald dat per 1 juli 2018 nieuw te bouwen bouwwerken niet meer aangesloten worden op het gasnet. In uitzonderlijke gevallen kan de gemeente, bij zwaarwegende redenen van algemeen belang, een ontheffing verlenen. De omgevingsvergunning voor nieuwe bouwwerken wordt afgekeurd als in de bouwaanvraag geen rekening is gehouden met aardgasvrij bouwen. Milieuprestatie Gebouwen (MPG) Voor nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m² is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning een Milieuprestatie Gebouwen (MPG) verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Per 1 januari 2018 geldt voor de MPG een maximum schaduwprijs van 1,00 euro per m2 BVO per jaar. Voor een MPG berekening kan het instrument GPR Gebouw gebruikt worden. GPR Gebouw is opgebouwd uit vijf verschillende thema’s: energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. Scores variëren van 0 t/m 10. Het is gebruikelijk om uit te gaan van een gemiddelde GPR Gebouw score van 8. GPR Gebouw is een bruikbaar instrument om tot een duurzaam ontwerp te komen voor onder andere woningbouw. Beoordeling Ten aanzien van duurzaamheid worden voor de beoogde woningen de volgende maatregelen toegepast: • • • •

Aansluiten bij EPC ontwerpuitgangspunten vanuit het gemeentelijk beleid (en de strengere BENG normen); Realisatie van zonnepanelen; Geen aansluiting op gasnet; Toepassing van luchtwarmtepompen.

Met de voorgaande maatregelen wordt invulling gegeven aan de geldende eisen ten aanzien van onder meer de EPC en de Wet VET. 5.6.7

Cultuurhistorie, archeologie, stedenbouw en welstand

Cultuurhistorie Toetsingskader In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en

36

dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Beoordeling Met het planvoornemen wordt geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing gesloopt, waardoor met zekerheid geconcludeerd kan worden dat geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing verloren gaat als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Navolgende afbeelding betreft een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant.

Figuur 17 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart, herziening 2024 (CHW) (planlocatie is indicatief aangeduid met een rode cirkel)

De planlocatie bevindt zich binnen de regio de Langstraat, hetgeen is aangemerkt als een regio van provinciaal cultuurhistorisch belang en binnen het cultuurhistorisch landschap de Langstraat. Het cultuurhistorisch belang van deze regio en de ontwikkelstrategie van het cultuurhistorisch landschap de Langstraat worden als volgt beschreven (in cursief): Cultuurhistorisch belang de Langstraat als regio van provinciaal cultuurhistorisch belang ‘De regio is van cultuurhistorisch belang vanwege het voor Noord-Brabant unieke slagenlandschap. De verschillende fasen van de ontwikkeling van het landschap, de strijd tegen het water en de problemen met de bodemdaling zijn in het huidige landschap goed te herkennen. De Langstraat is één van de Belvederegebieden, gebieden die door het rijk zijn aangewezen als de cultuurhistorisch meest waardevolle gebieden van Nederland’.

37

Ontwikkelstrategie de Langstraat al cultuurhistorisch landschap ‘Behouden en versterken van de typische slagenstructuur en kenmerkende elzensingels; De cultuurhistorische waarden richtinggevend laten zijn op natuur-en waterontwikkelingsplannen; Eisen stellen aan dorpsontwikkelingen; Het vergroten van de cultuurhistorische waardering door vergroting van de beleving; De economische dragers afstemmen op de cultuurhistorische identiteit van de Langstraat’. De beoogde ontwikkeling doet, gelet op diens aard en omvang, geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarden van de Langstraat als regio van cultuurhistorisch belang en als cultuurhistorisch landschap. Immers, met de beoogde ontwikkeling wordt een vijftal verouderde aaneen-gebouwde sociale huurwoningen herontwikkeld middels sloop en nieuwbouw van 8 starterswoningen. Vanwege de beperkte schaal en de ligging van het planvoornemen binnen bestaand stedelijk gebied, kan geconcludeerd worden dat cultuurhistorische waarden hierdoor niet in het geding komen. Verder bevinden zich in overwegend zuidelijke richting van de planlocatie gronden die zijn aangemerkt als ‘historische stedenbouw’. Daarnaast is de Raadhuisstraat aangemerkt als ‘historische geografie: lijn van redelijk hoge waarde’. Binnen voornoemd gebied bevinden zich eveneens diverse cultuurhistorisch waardevolle objecten, waaronder diverse monumenten.

Echter, nu de beoogde ontwikkeling niet van toepassing is binnen voornoemde structuren en de planlocatie op behoorlijke afstand van voornoemde cultuurhistorisch waardevolle panden is gelegen, kan met zekerheid geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen negatief effect heeft op aldaar eventueel voorkomende cultuurhistorische waarden. Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect op de in de omgeving aanwezige cultuurhistorische waarden. Het aspect ‘cultuurhistorie’ staat het planvoornemen niet in de weg. Archeologie Toetsingskader In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Beleid gemeente Waalwijk Het gemeentelijke archeologiebeleid dient betrokken te worden bij nieuwe ruimtelijke plannen binnen de gemeente. Daarnaast vormt het een toetsingskader voor de vraag of voor een vergunningplichting bouwplan wel of geen archeologisch onderzoek nodig is.

De gemeente Waalwijk heeft het gemeentelijke archeologiebeleid vervat in een archeologische verwachtingskaart. In het onderstaande is een relevante uitsnede van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart opgenomen.

38

Figuur 18: Uitsnede archeologische verwachtingskaart (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

De gemeentelijke archeologische verwachtingskaart is vervolgens uitgewerkt in een archeologische beleidskaart. In het onderstaande is een relevante uitsnede van de gemeentelijke archeologische beleidskaart opgenomen.

39

Figuur 19: Uitsnede archeologische beleidskaart (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

Bovenstaande afbeelding laat zien dat de planlocatie is gelegen binnen ‘categorie 5: Gebied met een lage archeologische verwachting’. In de Erfgoedverordening Waalwijk 2024 wordt verwezen naar voornoemde archeologische beleidskaart en is het navolgende opgenomen: Het is verboden om zonder of in afwijking van een vergunning het archeologisch bodemarchief te verstoren, te beschadigen of te vernielen: a. bij bodemingrepen in gebieden van archeologische waarde (categorie 2) als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart, indien de omvang van het terrein meer is dan 100 m2 en de verstoring dieper gaat dan 30 cm; b. bij bodemingrepen in gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde, (categorie 3) als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart, indien de omvang van het terrein meer is dan 500 m2 en de verstoring dieper gaat dan 50 cm; c.

bij bodemingrepen in gebieden met een gematigde archeologische verwachtingswaarde, (categorie 4)als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart, indien de omvang van het terrein meer is dan 5000 m2 en de verstoring dieper gaat dan 50 cm;

40

d. bij bodemingrepen die Mer-plichtig zijn. 2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing, indien in het geldende omgevingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg die in overeenstemming zijn met het vastgestelde beleid, vastgelegd in de door het college vastgestelde Erfgoedkaart gemeente Waalwijk. Gelet op het vorenstaande is binnen de planlocatie sprake van een lage archeologische verwachting. Conform de gemeentelijke erfgoedverordening is geen ondergrens voor bodemingrepen van toepassing. Hierdoor is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk en kan worden aangenomen dat als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen archeologische waarden verloren gaan. Stedenbouw De gronden aan de voorzijde van de woningen (aan de oostelijke zijde van het plangebied) zijn in de huidige situatie volledig voorzien van erfverharding met enkele ondergeschikte groenelementen. Hierdoor is in de huidige situatie sprake van een situatie waarbij de stedenbouwkundige invulling van de planlocatie afwijkt van de omgeving. Door de situering van de woningen op betrekkelijk ruime afstand van de Akkerwinde is veel verharding in het voorerf aanwezig en is er sprake van een onduidelijke parkeersituatie. Dit leidt eveneens tot een rommelig straatbeeld en tot een situatie die ter afwijking is van de heersende omgevingskarakteristiek.

Met de beoogde herontwikkeling wordt binnen de planlocatie voorzien in de komst van een achttal prefab woningen voor starters. De prefab-woningen worden in twee blokken gesitueerd met drie woningen in het meest zuidelijk gelegen blok en vijf woningen binnen het noordelijk gelegen blok, waarbij de woonblokken verspringend van elkaar worden gepositioneerd. De woningen kennen elk een gebruiksoppervlakte van 59,2 m2 en een maximale hoogte van circa 6,6 meter. Verder wordt tussen de twee blokken woningen een langzaamverkeersroute gerealiseerd. Ten opzichte van de huidige situatie, wordt met de beoogde ontwikkeling meer aansluiting gevonden bij de heersende omgevingskarakteristiek. Doordat de twee bouwblokken verspringend van elkaar gepositioneerd zijn parallel aan de straat zijn deze passend binnen de stedenbouwkundige context en worden de woningen op vergelijkbare afstand van de Akkerwinde gesitueerd als omliggende woningen. Hierdoor is een en ander qua stedenbouw meer passend binnen de omgeving dan de huidige bebouwing. Daarnaast worden de benodigde parkeerplekken op efficiënte wijze direct aan de Akkerwinde voorzien. Hierdoor wordt het verhard oppervlak beperkt en ontstaat vanuit de Akkerwinde bezien een rustiger en groener straatbeeld.

Ter illustratie is in het onderstaande een afbeelding opgenomen waarop zowel de huidige als de beoogde situatie binnen de planlocatie is weergegeven.

Figuur 20: Situatieschets huidige en beoogde situatie planlocatie (huidig links, beoogd rechts)

Alles in resumering nemende kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling een verbetering van de stedenbouwkundige kwaliteit tot gevolg heeft. Welstand

41

De planlocatie is niet gelegen binnen een welstandsgebied, waardoor een toetsing aan het aspect welstand achterwege kan blijven. 5.6.8

Verkeersgeneratie, - afwikkeling en parkeren

Verkeer In het kader van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ moet er sprake zijn van een goede verkeersafwikkeling en mag door het planvoornemen geen gevaarlijke verkeerssituatie ontstaan. Beoordeling In de huidige situatie bevindt zich binnen de planlocatie een vijftal aaneen-gebouwde sociale huurwoningen. Voor dergelijke sociale huurwoningen geldt binnen een weinig stedelijk gebied en binnen rest bebouwde kom een maximale verkeersgeneratie van 6 verkeersbewegingen per woning pet etmaal. Gelet hierop bedraagt het totale aantal verkeersbewegingen in de huidige situatie 30 verkeersbewegingen per etmaal. In de beoogde situatie bevindt zich binnen de planlocatie een achttal woningen voor onder meer starters. Deze woningen zijn nog altijd te typeren als sociale huurwoningen. Gelet hierop bedraagt het totale aantal verkeersbewegingen in de beoogde situatie 48 verkeersbewegingen per etmaal. Gelet hierop heeft de beoogde ontwikkeling een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen tot gevolg. Hierbij dient in ogenschouw genomen te worden dat de planlocatie is gelegen de Akkerwinde. De Akkerwinde betreft een lokale doorgaande weg die onder meer ontsluiting biedt aan verkeer dat zich vanuit de Raadhuisstraat in overwegend noordelijke richting begeeft, in de richting van een woongebied, en vice versa.

Gelet hierop kan geconcludeerd worden dat de beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen in de beoogde situatie wegvalt in het heersende verkeersbeeld, waardoor de normale afwikkeling van het verkeer niet in het geding komt als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Parkeren Toetsingskader Parkeren maakt onderdeel uit van de afweging of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het gemeentelijke parkeerbeleid is vervat in de Nota Parkeernormen Waalwijk 2015. Conform voornoemde nota geldt binnen de kern Sprang-Capelle een stedelijkheidsgraad van ‘weinig stedelijk’. Beoordeling Zoals in het vorenstaande reeds is aangegeven, zijn in de huidige situatie binnen de planlocatie vijf sociale huurwoningen aanwezig. Voor een sociale huurwoning binnen de kern Sprang-Capelle geldt een parkeernorm van 1,6 parkeerplaats per woning. Gelet hierop bedraagt de totale parkeerbehoefte in de huidige situatie 8 parkeerplaatsen. In de huidige situatie wordt parkeren voornamelijk opgelost in openbaar gebied. Met de beoogde ontwikkeling wordt de planlocatie herontwikkeld middels sloop en nieuwbouw van acht woningen voor onder meer starters. Dergelijke woningen laten zich nog altijd typeren als sociale huurwoningen waarvoor een parkeernorm geldt van 1,6 parkeerplaats per woning.

Gelet hierop bedraagt de totale parkeerbehoefte in de beoogde situatie 12,8 (afgerond 13) parkeerplaatsen. Binnen de planlocatie worden ten oosten van het meest noordelijk gesitueerd woonblok 8 parkeerplaatsen gesitueerd. Zie onderstaande afbeelding.

42

Figuur 21: Situering parkeerplaatsen beoogde situatie

Gelet op het vorenstaande kan binnen de planlocatie niet volledig worden voorzien in de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein, waardoor een deel binnen openbaar gebied opgevangen dient te worden. Echter, nu in de huidige situatie parkeren volledig binnen openbaar gebied plaatsvindt en in de beoogde situatie binnen de planlocatie acht parkeerplaatsen worden gesitueerd waar op grond van de gemeentelijke parkeernormen sprake is van een toegenomen parkeerbehoefte van 4,8 parkeerplaatsen, wordt als gevolg van de beoogde ontwikkeling niet in grotere mate aanspraak gemaakt op parkeren in openbaar gebied, in tegendeel. Verder laat de gemeente Waalwijk twee keer per jaar een parkeerdrukmeting uitvoeren in de nachtperiode op een doordeweekse dag. Deze resultaten van het nachtelijke parkeerdrukonderzoek van 2023 worden in onderstaande afbeelding weergegeven.

43

Figuur 22: Resultaten parkeerdrukmeting 2023

Bovenstaande afbeelding laat zien dat gedurende de nachtperiode op een doordeweekse dag ter plaatse van de Akkerwinde sprake is van een bezettingsgraad van 31%. Van de parkeercapaciteit van 13 parkeerplaatsen zijn slechts 4 parkeerplaatsen bezet. Verder is ter plaatse van omliggende straten eveneens sprake van voldoende restcapaciteit. Ter plaatse van de straten voorzien van een groene arcering is namelijk sprake van een bezettingsgraad van minder dan 50% en ter plaatse van de gele arcering bedraagt de bezettingsgraad tussen 51 en 75%. Gelet hierop kan worden geconcludeerd dat de restcapaciteit in de openbare ruimte voldoende is om de aanvullende parkeerbehoefte op te vangen die niet op eigen terrein voorzien kan worden. Dit maakt dat als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen parkeerproblemen ontstaan. Conclusie De aspecten verkeersgeneratie, - afwikkeling en parkeren staan niet in de weg aan het planvoornemen.

44

6. Milieuaspecten in de fysieke leefomgeving In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagrafen worden onderverdeeld.

6.1

M.e.r.-beoordeling

Toetsingskader De wetgeving rond de milieueffectrapportage (mer, ook wel m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Net als onder de Wet milieubeheer (Wm) en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer), wordt onder de Ow gewerkt met een gesloten lijstenstelsel voor de project-mer(-beoordeling). Dit betekent dat de projecten, gevallen en (op enkele uitzonderingen na) besluiten die project-mer-(beoordelings)plichtig zijn, in de lijst zijn opgenomen. Op grond van artikel 16.43 van de Ow en artikel 11.6 van het Ob is de lijst met project-mer-plichtige en project-mer-beoordelingsplichtige projecten opgenomen in bijlage V van het Ob. Ten aanzien van het aanwijzen van mer-(beoordelings)plichtige projecten is het navolgende opgenomen in artikel 11.6 van het Omgevingsbesluit: 1. Bijlage V, kolom 2 in samenhang met kolom 1, bevat de projecten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder a, van de wet die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt. 2.

Bijlage V, kolom 3 in samenhang met kolom 1, bevat de projecten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder b, van de wet waarvoor moet worden beoordeeld of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt. 3. Als benodigde besluiten als bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, van de wet, die betrekking hebben op de projecten, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden aangewezen: a. een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44 van de wet, met uitzondering van een projectbesluit dat wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur van een waterschap; b. het opnemen van regels in een omgevingsplan die zijn gericht op het uitvoeren van een project van publiek belang als bedoeld in artikel 5.55 van de wet; de besluiten, bedoeld in bijlage V, kolom 4; en d. de besluiten, bedoeld in artikel 11.8. Beoordeling De beoogde ontwikkeling wordt niet genoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit. In bijlage V van het Omgevingsbesluit wordt enkel gesproken over een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen. Hier is in casu geen sprake van.

Gelet hierop geldt zowel geen mer-plicht conform artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet en geen mer-beoordelingsplicht conform artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r.

45

6.2

Beschermen (en bevorderen) van gezondheid

6.2.1 Algemeen Het planvoornemen gaat gepaard met de komst van een drietal gevoelige functies. Daarnaast zijn binnen de planlocatie in de beoogde situatie een achttal gevoelige functies aanwezig. Derhalve is het woon- en leefklimaat in het kader van volksgezondheid relevant. Ten aanzien van eventuele gezondheidsrisico’s in relatie tot veehouderijen in de nabijheid van het plangebied is een aantal aspecten van belang. In het bijzonder gaat het om eventuele risico’s als gevolg van varkens-, pluimveebedrijven (endotoxinen), geitenhouderijen en spuitzones. 6.2.2 Specifieke richtlijnen Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond.

Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 vastgesteld. Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. De rekentabel hanteert enkel afstanden ten aanzien van varkens- of pluimveehouderijen.

Op basis van deze rekentabel volgt dat bij afstanden van meer dan 200 meter, overschrijdingen van de advieswaardes voor endotoxinen bij varkenshouderijen (tot circa 1.400 kg PM10/jaar, dus bedrijven met een zeer hoge fijnstof-uitstoot), niet meer voorkomen. Bij grootschalige pluimveehouderijen is deze afstand, afhankelijk van de bedrijfsomvang, het type pluimvee en de uitstoot, circa 300 – 650 meter. Binnen een afstand van 200 meter van de planlocatie bevindt zich geen varkenshouderij. Verder bevindt zich binnen een afstand van 650 meter van de planlocatie eveneens geen pluimveehouderij. Gelet hierop kan worden aangenomen dat binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gelet op het aspect endotoxine. Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld.

Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Ook al wordt met de beoogde ontwikkeling geen woning of gevoelig object toegevoegd, wordt in het onderstaande toch getoetst aan de afstanden van de planlocatie ten opzichte van nabij gelegen geitenhouderijen.

46

Binnen de gemeente Waalwijk zijn de volgende geitenhouderijen aanwezig, met daarbij de afstand tot de planlocatie: • •

Hoge Akkerweg 21 Sprang-Capelle (circa 3,3 km); Vrouwkensvaartsestraat 16 Waspik (circa 4,1 km).

Gelet op het vorenstaande wordt ten aanzien van de geitenhouderijen aan de Hoge Akkerweg 21 te Sprang-Capelle en de Vrouwkensvaartsestraat 16 te Waspik voldaan aan de minimale afstandsmaat van 2 kilometer. Hierdoor kan worden aangenomen dat binnen de planlocatie geen sprake is van gezondheidsrisico’s en derhalve sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierbij dient opgemerkt te worden dat tussen voornoemde geitenhouderij en de planlocatie meerdere woningen zijn gelegen met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tevens is ter plaatse van de planlocatie sprake van een aanvaardbaar verblijfsklimaat. Dit zowel ten aanzien van het aspect geur als ten aanzien van endotoxine. Een cumulatie van nadelige gezondheidseffecten is hierdoor niet aan de orde. Verder dient in ogenschouw genomen te worden dat tussen de planlocatie en de nabijgelegen geitenhouderij reeds meerdere (burger)woningen zijn gelegen, waardoor de geitenhouderij eerder in (mogelijk toekomstige) ontwikkelingen wordt gehinderd. Verder is ten aanzien van overige milieuaspecten zoals geur en fijnstof is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies.

Spuitzones In de directe omgeving van het initiatief bevinden zich geen agrarische gronden waar het mogelijk is om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Derhalve kan een toetsing aan het aspect spuitzones in de onderhavige onderbouwing achterwege blijven. Conclusie Het aspect gezondheid staat niet in de weg aan het planvoornemen. 6.2.3 Maatregelen Gelet op de conclusies in voornoemde paragraaf zijn binnen de planlocatie geen aanvullende maatregelen benodigd. 6.2.4 Bevorderen van gezondheid Naast beschermen van gezondheid is tevens het bevorderen van gezondheid van belang. Hiervoor heeft de gemeente Waalwijk de bouwsteen gezonde fysieke leefomgeving opgesteld. In voornoemde bouwsteen zitten onder de gebiedsgerichte uitwerking diverse praktische opties welke bijdragen aan het bevorderen van gezondheid. In het onderstaande is een relevante uitsnede uit de bouwsteen gezonde fysieke leefomgeving opgenomen waarin diverse handvaten zijn opgenomen voor maatregelen die bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen worden toegepast en die bijdragen aan het bevorderen van gezondheid.

47

Figuur 23: Uitsnede bouwsteen gezonde fysieke leefomgeving

Beoordeling De beoogde ontwikkeling draagt op meerdere manieren bij aan het bevorderen van gezondheid. Ook heeft de beoogde ontwikkeling een versterking van de omgevingskwaliteit tot gevolg. Ten eerste worden met de beoogde ontwikkeling vijf verouderde woningen die niet langer voldoen aan de hedendaagse duurzaamheidseisen gesloopt. In de plaats daarvan worden acht prefab-woningen gerealiseerd. Nu de huidige woningen voorzien zijn van CV-installaties en slecht zijn geïsoleerd, gaan deze gepaard met een aanmerkelijke stikstofemissie. De nieuwe acht prefab-woningen voldoen volledig aan de duurzaamheidseisen, gelet op isolatie en dergelijke en worden gasloos uitgevoerd. Gelet hierop wordt met de beoogde ontwikkeling een bijdrage geleverd aan een gezonde leefomgeving. Ten tweede is er als gevolg van het planvoornemen een verbetering van de leefomgevingskwaliteit aan de orde. Dit omdat verouderde woningen plaatsmaken voor nieuwe woningen van hogere kwaliteit die passend zijn binnen de omgeving. Hierdoor is er sprake van een verbetering van de woonomgeving. Ook zijn de nieuwe woningen beter geïsoleerd dan de huidige woningen. Hierdoor is sprake van een meer aanvaardbaar binnenniveau en vindt tevens in mindere mate geluidsemissie plaats naar de omgeving. Ook dit heeft een verbetering van de leefomgevingskwaliteit en de gezondheid tot gevolg.

Ten derde gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met een toename van openbaar groen. Dit groen draagt bij aan een gezonde leefomgeving en daarmee tevens aan de gezondheid van inwoners van de gemeente Waalwijk. Ook heeft de toename van groen een versterking van de omgevingskwaliteit tot gevolg, alsook een versterking van de kwaliteit van de leefomgeving. Tot slot dient opgemerkt te worden dat de beoogde ontwikkeling een afname van het verhard oppervlak tot gevolg heeft. Ook wordt binnen het plangebied voorzien in waterberging, waardoor de waterhuishoudkundige situatie als gevolg van de beoogde ontwikkeling verbetert. Ook dit draagt bij aan de leefomgevingskwaliteit en daarmee indirect aan het bevorderen van gezondheid. Conclusie Het planvoornemen draagt op meerdere manieren bij aan het bevorderen van gezondheid en is daarmee in overeenstemming met de bouwsteen gezonde fysieke leefomgeving.

48

6.3

Omgevingsveiligheid

Toetsingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Omgevingsveiligheid of externe veiligheid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl).

Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl.

Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl);

49

• Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). Beoordeling De beoogde ontwikkeling gaat gepaard met de komst van een drietal gevoelige functies. Verder zijn binnen de planlocatie in de beoogde situatie in zijn totaliteit een achttal gevoelige functies aanwezig in de hoedanigheid van burgerwoningen. Hierdoor is een toetsing aan het woon- en leefklimaat in het kader van omgevingsveiligheid relevant. De planlocatie is, zoals weergegeven in de afbeelding in deze paragraaf, niet gelegen in een invloedsgebied van een risicobron en/of een transportroute. Wel bevindt zich in de directe nabijheid van de planlocatie een aantal risicobronnen. Zo is op een kortste afstand van circa 410 meter in overwegend zuidoostelijke richting van het plangebied aan de Raadhuisstraat 11 te Sprang-Capelle een LPG-tankstation gelegen met bijbehorend brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en PR-contour. Ook bevindt zich op een kortste afstand van circa 500 meter in oostelijke richting een gasleiding met bijbehorend brandaandachtsgebied en PR-contour. Overige risicobronnen betreffen onder meer een gasleiding met bijbehorend brandaandachtsgebied en PR-contour op een kortste afstand van circa 550 meter in overwegend noordelijke/noordoostelijke richting en een tankstation aan de Berndijksestraat 3A te Kaatsheuvel met bijbehorend brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15355859/1