CConstaterende datWaalwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijl. 1.7 - Quickscan natuurwetgeving

Raadsvergadering 25 juni 2026, gemeente WaalwijkBij agendapunt: Adviesrecht gemeenteraad- woningbouwontwikkeling op de locatie Irenestraat, Prins Bernhardstraat, Julianastraat te Waspik. (Oranjehoek)9.770 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

QuickScan IRENESTRAAT E.O.

WASPIK

Natuurwaardenonderzoek Omgevingswet

Status:

Datum:

09 oktober 2023 – aanvulling augustus 2025

Definitief

Project:

QS51058 v1.1

NATUURWAARDENONDERZOEK 51058 V1.1 – IRENESTRAAT EO WASPIK

INHOUD 1. Colofon

3

2. Samenvatting en advies

4

3. Inleiding

5

3.1

Aanleiding

5

3.2

Planlocatie

5

3.3

Ontwikkelingen en effecten

6

4. Kader en methode

7

4.1

Wettelijk kader

7

4.2

Onderzoeksmethode

15

4.3

Toepasbaarheid

Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.

5. Gebiedsbescherming

16

5.1

Natura 2000

16

5.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

19

5.3

Stikstofdepositie

20

6. Soortbescherming

21

6.1

Flora

22

6.2

Fauna

22

6.3

Houtopstanden

30

Verantwoording

31

Bijlagen

32

Disclaimer

39 2

NATUURWAARDENONDERZOEK 51058 V1.1 – IRENESTRAAT EO WASPIK

1. Colofon Onderzoek

Natuurwaardenonderzoek Omgevingswet

Document

QS51058 v1.1

Datum

9 oktober 2023 – aanvulling augustus 2025

Locatie

Irenestraat e.o.; Waspik

Opdrachtgever

Unitura B.V.

Opdrachtnemer

Ecofect B.V.

Ecoloog

P. Wiegel

Adres

Laan 21, 8071 JG Nunspeet

Telefoon

06-12918775

Email

info@ecofect.nl

Internet

www.ecofect.nl

KvK-nummer

87036487

Btw-identificatienr.

NL864184311B01

Rekeningnummer

NL39 RABO 0198 8908 69

3

NATUURWAARDENONDERZOEK 51058 V1.1 – IRENESTRAAT EO WASPIK

2. Samenvatting en advies Uit dit Natuurwaardenonderzoek is gebleken dat bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit (soorten) Omgevingswet zullen plaatsvinden. Wel dient nadere toetsing plaats te vinden of er een vergunningplicht geldt voor Natura 2000-activiteit (stikstof). Gebiedsbescherming Natura 2000 Gezien de aard van de werkzaamheden en de afstand ten opzichte van Natura 2000-gebieden wordt geen verstoring verwacht. Een voortoets Natura 2000 wordt niet noodzakelijk geacht. Ten aanzien van stikstof wordt er in de aanleg- dan wel nieuwe gebruiksfase mogelijk depositie verwacht. Een Aerius (stikstof) berekening wordt noodzakelijk geacht. Natuurnetwerk Nederland De planlocatie is gelegen buiten het Natuur Netwerk Nederland. Aangezien het Natuur Netwerk in NoordBrabant geen externe werking kent is vastgesteld dat een verdere toetsing niet aan de orde is. Soortbescherming Flora Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Vogels Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Vleermuizen Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Zoogdieren Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet.

Houtopstanden Er worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in de Omgevingswet die vallen onder het onderdeel houtopstanden.

4

NATUURWAARDENONDERZOEK 51058 V1.1 – IRENESTRAAT EO WASPIK

3. Inleiding 3.1 Aanleiding Met de voorgenomen ontwikkelingen aan de Irensetraat te Waspik heeft Unitura., namens Casade, aan Ecofect B.V. gevraagd een Natuurwaardenonderzoek in het kader van de Omgevingswet uit te voeren t.b.v. het vergunning traject en inzicht te verschaffen of de geplande uit te voeren werkzaamheden conflicteren met de Omgevingswet. Voorliggend rapport geeft inzicht in het wettelijk kader, de gebruikte methodiek en de resultaten van het uitgevoerde onderzoek.

3.2 Planlocatie

De planlocatie betreft de tuinen en het omliggende (gemeentelijk) groen nabij de huurwoningen van Casade gelegen aan de Julianastraat 1a, Irenestraat 1(a) – 11 (oneven), Prins Bernhardstraat 2-24 (Even) te Waspik, gemeente Waalwijk – Provincie Noord-Brabant. De bebouwing en groen is meegenomen n het onderzoek voor de soorten die niet vallen onder het SoortManagementPlan van Casade.

5

NATUURWAARDENONDERZOEK 51058 V1.1 – IRENESTRAAT EO WASPIK

3.3 Ontwikkelingen en effecten Initiatiefnemer is voornemens op de planlocatie de opstallen te slopen om het daarna te vervangen voor nieuwbouw van 50 woningen. Ten tijde van het onderzoek is bij Ecofect geen ontwerp of herinrichtingsplan aanwezig. Voor vragen over de inrichting of een ontwerp wordt verwezen naar de opdrachtgever of initiatiefnemer (Casade). Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn blijvend van karakter. De functie van het plangebied zal gelijk blijven en ecologisch niet veranderen. De ingrepen en effecten van de ingreep in relatie tot natuurwaarden: •

Sloop- / saneringswerkzaamheden

•

Afvoer sloopmateriaal

•

Egaliseren terrein / bouwrijp maken

•

Bouwwerkzaamheden

•

Aan- en afvoer materiaal.

•

Herinrichting terrein welke bij de functie wonen verwacht kan worden

Dit onderzoek is gericht om een inschatting te maken of beschermde soorten voorkomen en gebruik maken van de projectlocatie.

6

NATUURWAARDENONDERZOEK 51058 V1.1 – IRENESTRAAT EO WASPIK

4. Kader en methode 4.1 Wettelijk kader Voor het uitvoeren van ruimtelijke ontwikkelingen is o.a. Omgevingswet van kracht. Deze wetgeving vervangt de Wet natuurbescherming. In deze wet is de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld. Dit onderzoek beperkt zich tot de gebiedsbescherming en de soortenbescherming. In dit Natuurwaardenonderzoek worden de verschillende onderdelen van de omgevingswet getoetst. Omdat een veld- en bureauonderzoek geen zekerheid geeft of de omgevingswet wordt overtreden, wordt de potentie van het object ingeschat voor wat betreft beschermde soorten. Indien het object potentie heeft, zal een aanvullend onderzoek vast moeten stellen of uit moeten sluiten of er beschermde soorten gebruik maken van de opstallen. Potentie-inschatting vindt plaats op basis van habitatkenmerken, habitatseisen en ervaring van de ecoloog. De Omgevingswet is een wet die alle regels omvat met betrekking tot alle activiteiten in de fysieke leefomgeving. De wet bundelt 26 wetten die gaan over de regels met betrekking tot onder meer infrastructuur, bouwwerken, water, lucht, bodem, milieu, cultureel erfgoed en natuur. Het doel van de nieuwe wet is een vereenvoudiging van de regels voor de fysieke leefomgeving en een duurzame ontwikkeling en beschermen en verbeteren van het leefmilieu.

Om alle regels voor de fysieke leefomgeving op een gestructureerde manier te regelen, is er sprake van een stelsel Omgevingswet. Het stelsel Omgevingswet kent een bepaalde opbouw, die bepalend is voor waar de relevante onderdelen terug te vinden zijn met betrekking tot de verschillende onderwerpen van de fysieke leefomgeving, waaronder natuurbescherming. Het stelsel bestaat uit een algemene wettekst – de Omgevingswet zelf – dat per procesonderdeel nader is uitgewerkt in zogenaamde uitvoeringswetten (Algemene Maatregelen van Bestuur, of AMvB’s) en de Omgevingsregeling.

4.2 Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming in de Ow bestaat uit een beschermingsregime voor Natura 2000- gebieden, regels voor de aanwijzing en bescherming van het Natuurnetwerk Nederland en bijzondere natuurgebieden en landschappen. Hieronder zijn per gebiedscategorie de regels beknopt toegelicht. In het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen voor Natura 2000-gebieden en bijzondere nationaal natuurgebieden (art. 11.6 Bal). Iedereen die activiteiten uitvoert die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kunnen hebben, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.6, 1e lid Bal). In het tweede lid staat de nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht. Er moet worden nagegaan of nadelige gevolgen op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet te voorkomen zijn, dan verplicht de specifieke zorgplicht om met betrekking tot deze gevolgen passende preventieve maatregelen te nemen (art. 11.6, 2e lid onder d), of, als dit niet gaat, om passende herstelmaatregelen te treffen (art. 11.6, 2e lid onder f). Daarnaast verplicht de zorgplicht ook dat de effectiviteit van deze maatregelen worden gemonitord.

De specifieke zorgplicht geldt altijd, dus voor Natura 2000-

7

NATUURWAARDENONDERZOEK 51058 V1.1 – IRENESTRAAT EO WASPIK

activiteiten (zie hierna) maar ook voor activiteiten die conform een Natura 2000-beheerplan worden uitgevoerd of activiteiten die géén kans hebben op een significant gevolg. Natura 2000-activiteit Het is overigens niet zo dat als in het kader van de specifieke zorgplicht passende preventieve of herstelmaatregelen worden genomen, onder de vergunningplicht van een Natura 2000-activiteit uit kan worden gekomen. Mitigatie mag namelijk niet worden meegenomen in de voortoets van een project om te bepalen of het project leidt tot een kans op een significant gevolg en het project om die reden als een Natura 2000-activiteit moet worden beschouwd. De volgorde van toetsing van een voornemen aan de specifieke zorgplicht en de vergunningplicht zijn daarom van groot belang. Hierna wordt daar nader op ingegaan. Als de invulling van de specifieke zorgplicht niet helder is of het onduidelijk is of gedragingen onder de zorgplicht vallen, heeft het bevoegd gezag de ruimte om deze nader te duiden in een maatwerkvoorschrift, vergunningvoorschrift (indien vergunning) of maatwerkregel. Te denken valt aan een maatwerkregel in een provinciale Omgevingsverordening waarin staat hoe aan de specifieke zorgplichtbepaling kan worden gehouden. Er is een onderscheid tussen een ‘Natura 2000-activiteit’ en andere type activiteiten.

Een ‘Natura 2000activiteit’ is volgens de definitie van het begrip zoals uitgewerkt in de bijlage bij art. 1.1 Omgevingswet een: ‘activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied’ Een Natura 2000-activiteit is vergunning plichtig (art. 5.1, lid 1 Ow), tenzij er sprake is van een ‘vergunningsvrij geval’ (art. 11.16 t/m 11.21 Bal, zie hierna). Activiteiten die nodig zijn voor het beheer van Natura 2000-gebieden (om de doelstellingen te kunnen halen) of geen significante gevolgen hebben, vallen niet onder de regels voor een Natura 2000-activiteit. Er moet dan eerst worden getoetst wat de effecten zijn van een activiteit op Natura 2000-gebieden voordat duidelijk is hoe de activiteit moet worden aangeduid. Gezien de huidige praktijk, blijft er daarmee de noodzaak voor het uitvoeren van een voortoets die deze helderheid kan bieden. De uitslag van deze toets is van belang voor het vervolg van de behandeling van de activiteit. Is er sprake van een Natura 2000-activiteit dat niet vergunningsvrij is, dan is er een nader onderzoek nodig in de vorm van een passende beoordeling voordat een vergunning kan worden verleend.

De regels waar een Passende Beoordeling aan moet voldoen staan in art. 16.53c Ow en art. 8.74b Bkl. Is er ondanks mitigatie nog steeds sprake van een significant gevolg, dan kan de vergunning voor het project worden verleend als de zogenaamde ADC-toets met succes is doorlopen (art. 8.74b, lid 2 en 3 Bkl). Voor nadere informatie m.b.t. ADC-toets wordt verwezen naar de bijlage. Natuurnetwerk Nederland De wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN worden vastgesteld per Omgevingsverordening door de provincie conform artikel 7.7 Bkl. In de Omgevingsverordening is daartoe een natuurbeheerplan vastgesteld waar in de regel de bestaande natuurwaarden en het ambitieniveau zijn aangegeven middels natuurbeheertypen. Het hangt echter per provincie af hoe zij de wezenlijke kenmerken en waarden hebben gedefinieerd; in tegenstelling tot het Barro ontbreekt een definitie van de wezenlijke kenmerken en waarden in de Ow. In artikel 7.7, 2e lid Bkl wordt aangegeven dat deze waarden worden bepaald met inachtneming van de doelstellingen bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder g, van de wet.

Hiermee wordt gedoeld op de verantwoordelijkheid van de provincies om, op het gebied van natuur, zorg te dragen voor het behoud of herstel van dier- en plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen, van hun biotopen en habitats, en van in Nederland voorkomende typen natuurlijke habitats, in overeenstemming met de

8

NATUURWAARDENONDERZOEK 51058 V1.1 – IRENESTRAAT EO WASPIK

internationaalrechtelijke verplichtingen. Hieruit kan worden gehaald dat het NNN mede als doel heeft om deze taken te bereiken. Daarnaast heeft de provincie zelf de ruimte om te bepalen of zij ook potentiële natuurwaarden (en de daarvoor vereiste bodem- en watercondities) meenemen in de definiëring van de wezenlijke kenmerken en waarden (art. 7.7, 2e lid Bkl). Dit komt min of meer overeen met de definitie van wezenlijke kenmerken en waarden in het Barro, die ook aangeeft dat de potentiële waarden worden meegenomen ‘voor zover deze natuurwaarden en condities in het licht van de internationale biodiversiteitdoelstellingen relevant zijn’. Beschermingsregime NNN Het beschermingsregime voor het NNN is uitgewerkt in art.

7.8, 2 e lid Bkl, dat een instructieregel betreft voor uitwerking van het beschermingsregime in de Omgevingsverordeningen van provincies: ‘De regels verzekeren in ieder geval dat de kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan, dat de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk wordt behouden en dat, als binnen het natuurnetwerkactiviteiten worden toegelaten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het natuurnetwerk, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven.” Een vergelijkbare instructieregel voor de bescherming van het NNN is opgenomen voor projectbesluiten die door het Rijk wordt vastgesteld in art. 9.3, 1 e lid Bkl. Voor nadere informatie met betrekking tot het beschermingsregime NNN wordt verwezen naar de bijlage. Bijzondere natuurgebieden en landschappen Het Rijk kan op basis van art. 2.44, lid 2 Ow zogeheten bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. De bijzondere nationale natuurgebieden kunnen worden aangewezen vooruitlopend op de aanwijzing of begrenzing als Natura 2000-gebied, bijvoorbeeld als het gaat om compensatie voor handelingen die leiden tot een significant gevolg of als het gaat om gebieden die nodig zijn om de doelstellingen van de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn te bereiken (art.

3.63 Bkl). Daarnaast kan het Rijk ook bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen als de bescherming van het gebied nodig is voor de instandhouding of herstel van biotopen en leefgebieden van in Nederland van nature in het wild voorkomende soorten genoemd in bijlage I Vogelrichtlijn of

Bijlage

I,

II,

IV

of

V

Habitatrichtlijn.

In

die

gevallen

bevat

het

aanwijzingsbesluit

instandhoudingsdoelstellingen (art. 3.64 Bkl). Het ministerie van LNV heeft de taak zorg te dragen dat de maatregelen worden getroffen voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van deze type natuurgebieden (art. 2.19, lid 5 Ow), tenzij Gedeputeerde Staten is aangewezen om deze taak uit te voeren (art. 2.18, lid 1, onder g, 2°, tweede streepje Ow). Voor de bescherming van bijzondere nationale natuurgebieden geldt, naast een mogelijke toegangsbeperking, de specifieke zorgplicht zoals genoemd in art. 11.6 Bal (zie hiervoor). De provincies kunnen zogeheten bijzondere provinciale natuurgebieden of bijzondere provinciale landschappen aanwijzen (art. 2.44, lid 5 Ow). Niet iedere provincie hanteert dezelfde juridische bescherming. Sommige hanteren alleen een predicaat, anderen hanteren een soort ADC-criteria (‘nee, tenzij’-principe) en daarmee juridische beschermingsregime naast NNN en Natura 2000. Kijk voor de geldende regels in de van toepassing zijnde provinciale Omgevingsverordening.

9

NATUURWAARDENONDERZOEK 51058 V1.1 – IRENESTRAAT EO WASPIK

4.3 Soortbescherming Een ‘flora- en fauna-activiteit’ is volgens de definitie van het begrip zoals uitgewerkt in de bijlage bij art. 1.1 Omgevingswet een: ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’ Anders dan bij een ‘Natura 2000-activiteit’, waarvan pas sprake is als een activiteit leidt tot een kans op significante gevolgen op beschermde Natura 2000-gebieden (zie hiervoor), is er al sprake van een ‘flora- en fauna-activiteit’ als het een mogelijk gevolg heeft voor één van nature in het wild levend dier of plant, ongeacht of deze soort beschermd is volgens de Omgevingswet. Doordat in de definitie wordt verwezen naar ‘van nature’ in het wild levende soorten, gaat de definitie niet op voor niet-van nature voorkomende soorten. Met andere woorden, de regels voor flora- en fauna-activiteiten gelden niet voor soorten die buiten het natuurlijk verspreidingsgebied voorkomen of exoten, tenzij specifiek vermeld. Als er sprake is van een flora- en fauna-activiteit, dient er rekening te worden gehouden met de regels in art. 11.27 Bal (specifieke zorgplicht), art. 11.28 Bal (voorkomen onnodig lijden dieren) en de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal (vergunningplicht bij schadelijke handelingen, regels vergunningsvrije gevallen).

Hoewel de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal alleen betrekking hebben op de bij wet beschermde soorten, gelden de artikelen 11.27 en 11.28 ook met betrekking tot de niet-beschermde soorten. Ten alle tijden geldt bij het uitvoeren van flora- en fauna-activiteiten dient de initiatiefnemer / uitvoerder van de activiteit te kunnen aantonen hoe tegemoetgekomen wordt aan de specifieke zorgplicht. Ten alle tijden geldt bij het uitvoeren van flora- en fauna-activiteiten dient de initiatiefnemer / uitvoerder van de activiteit te kunnen aantonen hoe tegemoetgekomen wordt aan de specifieke zorgplicht (art. 11.27, Bal). Voor nadere informatie met betrekking tot de specifieke zorgplicht wordt verwezen naar de bijlage. Het benoemen hoe aan de zorgplichtbepalingen in de Omgevingswet getoetst is in een rapportage, is voldoende om aan de algemene en specifieke zorgplichtbepalingen te voldoen. De zorgplichten zijn niet vergunning plichtig, dus het is niet noodzakelijk om het voor te leggen aan bevoegd gezag. Voor nadere informatie met betrekking tot de zorgplicht wordt verwezen naar de bijlage. De soortenbeschermingsregimes In de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.4 Bal zijn de verschillende soortenbeschermingsregimes opgenomen: •

§ 11.2.2 Bal: omgevingsvergunning soorten Vogelrichtlijn

•

§ 11.2.3 Bal: omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn

•

§ 11.2.4 Bal: omgevingsvergunning andere soorten

Onder iedere paragraaf zijn de vergunning plichtige gevallen en de vergunningsvrije gevallen aangegeven. In de Omgevingswet wordt niet meer gesproken over verbodsbepalingen waarvoor een ontheffing of vrijstelling kan worden verleend, maar over schadelijke handelingen die leiden tot een vergunning plichtig geval. De inhoud

van

de

schadelijke

handelingen

komen

overeen

met

de

verbodsbepalingen

van

de

soortenbeschermingsregimes uit de Wnb, aangezien deze rechtstreeks voortkomen uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en internationale Verdragen en betreffen de volgende schadelijke gevallen:

10

NATUURWAARDENONDERZOEK 51058 V1.1 – IRENESTRAAT EO WASPIK

Tabel 1 - Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn

Schadelijke handelingen Vogelrichtlijn (art. 11.37 Bal):

Schadelijke handelingen Habitatrichtlijn (art. 11.46 Bal):

Schadelijke handelingen andere soorten (art. 11.54 Bal)

Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in art. 1 Vrl

Het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren Hrl bijlage IV, onder a, Bern bijlage II, Bonn bijlage I (ex. vogels art. 1 Vrl);

Het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A

Het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels

Het opzettelijk verstoren van dieren

Het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren

Het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels

Het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren

Het opzettelijk storen van vogels*

Het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren

Het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B

Het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b Hrl of bijlage I verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied

11

NATUURWAARDENONDERZOEK 51058 V1.1 – IRENESTRAAT EO WASPIK

Vrijstelling schadelijke handelingen vogelrichtlijn Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, geldt niet, •

Als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort:

•

Het verbod geldt niet als de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel

Vrijstelling schadelijke handelingen habitatrichtlijn Het verbod geldt niet als de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel Vrijstelling schadelijke handelingen andere soorten Per provincie zijn enkele ‘nationaal’ beschermde soorten vrijgesteld van de schadelijke handelingen die voor andere soorten gelden (tabel 1) Rode Lijstsoorten Rode Lijstsoorten zijn soorten planten, dieren en paddenstoelen die in hun voortbestaan worden bedreigd en opgenomen zijn op de officiële Rode Lijst. Deze lijst, opgesteld door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV), is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek en internationale criteria. Soorten worden geclassificeerd in verschillende categorieën, variërend van "kwetsbaar" tot "ernstig bedreigd", afhankelijk van factoren zoals populatietrend, verspreidingsgebied en bedreigingen. De aanwezigheid van Rode Lijstsoorten binnen een onderzoeksgebied is een belangrijke indicator van de ecologische waarde. Het beschermen en bevorderen van deze soorten is essentieel voor het behoud van biodiversiteit. Dit onderzoek heeft tot doel een inventarisatie te maken van aanwezige Rode Lijstsoorten en de condities te beoordelen die van invloed zijn op hun voortbestaan.

Bij het inventariseren van Rode Lijstsoorten wordt rekening gehouden met specifieke levensvereisten, zoals voedselbronnen, broedlocaties en schuilmogelijkheden. Eventuele verstoringen, zoals intensief grondgebruik, waterbeheer of infrastructuur, worden in kaart gebracht om potentiële risico's voor deze soorten te minimaliseren.

12

NATUURWAARDENONDERZOEK 51058 V1.1 – IRENESTRAAT EO WASPIK

4.4 Bescherming houtopstanden Een houtopstand beslaat een oppervlakte van 10 are of meer, of bestaat uit een beplanting van twintig bomen of meer in een rij, gerekend over het totaal aantal rijen. Buiten de bescherming houtopstanden (artikel 11.3 Bal) vallen de •

Houtopstanden binnen door de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom houtopstanden

•

Houtopstanden op erven of in tuinen en fruitbomen en windschermen om boomgaarden,

•

Naaldbomen bedoeld als kerstbomen en niet ouder dan twintig jaar en kweekgoed,

•

Uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen en beplantingen langs landbouwgronden (enkele rij)

•

Het dunnen van een houtopstand, Uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa en die:

•

Minimaal eens per tien jaar worden geoogst,

•

Bestaan uit ten minste tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid bestaande uit een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter,

•

Zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Volgens artikel 5.165b Bkl is het verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen zonder daar melding van te doen bij Gedeputeerde Staten. Dit geldt niet voor het periodiek vellen van griend- of hakhout. Binnen drie jaar moet het gevelde deel weer zijn herplant. Vrijstellingen gelden er wanneer het vellen gebeurt middels

een

goedgekeurde

gedragscode

of

de

werkzaamheden

voortvloeien

uit

instandhoudingsdoelstellingen voor Natura2000-gebieden of nodig zijn voor aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen.

13

NATUURWAARDENONDERZOEK 51058 V1.1 – IRENESTRAAT EO WASPIK

4.5 Toepasbaarheid Dit Natuurwaardenonderzoek is gericht op de mogelijke overtreding van de omgevingswet, niet aan andere (natuur)wetgeving. De resultaten van het onderzoek zijn 3 jaar geldig. Dit onderzoek kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen dat natuuronderzoek is verricht. Deze rapportage kan dan ook ingediend worden aan belanghebbende partijen zoals gemeente en provincie. Op basis van in de deze rapportage opgenomen projectgegevens (zie hoofdstuk 1; augustus 2025) is dit onderzoek uitgevoerd en een inschatting gemaakt van de effecten hiervan op de beschermde soorten en gebieden. Latere wijzigingen van het project kunnen invloed hebben op deze effecten en zijn dus niet opgenomen in deze rapportage. Er zal dan een nieuwe beoordeling plaats moeten vinden. Deze verstrekte natuurinformatie is ten behoeve van de initiatief- en ontwerpfase van de planontwikkeling. Om in de uitvoerings- en beheerfase overtreding van de omgevingswet te voorkomen, wordt – indien nodigin deze rapportage aangegeven wanneer het noodzakelijk is om te werken volgens één van de volgende standaarden: •

Algemeen zorgvuldig handelen

•

Gedragscode ruimtelijke ontwikkeling

•

Ecologisch werkprotocol

•

Vergunning/vrijstelling omgevingswet

14

NATUURWAARDENONDERZOEK 51058 V1.1 – IRENESTRAAT EO WASPIK

4.6 Onderzoeksmethode De volgende methoden zijn bij het onderzoek gebruikt: 1.

Door middel van bureauonderzoek is onderzocht welke beschermde flora en fauna in de omgeving van het plangebied recentelijk zijn waargenomen. Hierbij is gebruik gemaakt van waarnemingen uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Op basis van het onderzoek in verspreidingsatlassen en overige beschikbare natuurinformatie is een inschatting gemaakt welke soorten er redelijkerwijs zijn te verwachten in het plangebied.

2.

Op 28 augustus 2023 is het plangebied door dhr. P. Smits en P. Wiegel bezocht. Daarbij werden de, in het plangebied aanwezige, natuurwaarden geïnventariseerd en beoordeeld. Tijdens dit veldbezoek was het zonnig en ongeveer 26 graden Celsius. Er is gekeken naar mogelijke groeiplaatsen dan wel vaste rust- en verblijfplaatsen van de beschermde flora- en fauna. Dit is uitgewerkt in het hoofdstuk soortbescherming.

3.

Er is een visuele inspectie uitgevoerd op aanwezigheid van kieren, holten en spleten (voor zover aanwezig).

4.

De controle is te voet uitgevoerd en waar mogelijk zijn eventuele toegankelijke holtes en spleten verkennend geïnspecteerd (met zaklamp en/of endoscoop).

5.

Bewijslast is verzameld met fotomateriaal.

6.

De ligging van het plangebied ten opzichte van nabijgelegen beschermde gebieden (Natura 2000 en NNN) werd opgezocht. Dit is uitgewerkt in het hoofdstuk gebiedsbescherming.

7.

In samenspraak met de opdrachtgever is de ingreep in kaart gebracht.

8.

Door middel van een nauwkeurige analyse van deze data en waarnemingen is: a.

bepaald of negatieve effecten op beschermde gebieden op voorhand zijn uit te sluiten of dat hiervoor een aanvullend onderzoek noodzakelijk is,

b.

een inschatting gemaakt van de redelijkerwijs te verwachten negatieve effecten op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten en functies,

c. 9.

bepaald of de bescherming van houtopstanden aan de orde is.

Er is gebruik gemaakt van de volgende hulpmiddelen (zie verantwoording).

10. De opgestelde rapportage is gecontroleerd en beoordeeld door een tweede lezer.

15

NATUURWAARDENONDERZOEK 51058 V1.1 – IRENESTRAAT EO WASPIK

5. Gebiedsbescherming 5.1 Natura 2000 In Europa is een netwerk van beschermde gebieden opgezet. Dit zijn de zogenoemde Natura 2000-gebieden. Deze gebieden zijn in de omgevingswet strikt beschermd. Volgens de Omgevingswet is het volgens artikel 2.7 lid 2 verboden zonder vergunning projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Dit geldt ook voor projecten die fysiek buiten het Natura 2000-gebied gelegen zijn maar wel een effect kunnen hebben op het gebied (externe werking). Het plangebied ligt op ruime afstand van de Natura 2000-gebieden Langstraat op een afstand van 1.400 meter en Biesbosch op 5.8 kilometer (zie figuur 2 en 3). De Loonse en Drunense duinen liggen verder.

Figuur 2 – Planlocatie t.o.v. Natura 2000 gebied Langstraat

Langstraat De Langstraat bij Sprang-Capelle bestaat uit een aantal natuurterreinen (het Labbegat, de Dullaert, de Dulver en de Hoven) op de grens van de zandgronden, het rivierengebied en zeekleigronden. Er zijn gradiënten aanwezig van zand naar veen, van basenarme lokale kwel naar basenrijke regionale kwel. Het gebied is een

16

NATUURWAARDENONDERZOEK 51058 V1.1 – IRENESTRAAT EO WASPIK

ontgonnen laagveenvlakte en een restant van een oud slagen landschap met zeer lange en smalle graslanden begrensd door elzenhagen. Het gebied bestaat uit sloten, trilvenen, schrale, soortenrijke graslanden, zeggenmoerassen en plaatselijk vochtige heide. In petgaten komen uiteenlopende verlandingsstadia voor. Daarnaast traden in het verleden inundaties op, waardoor nu nog wielen aanwezig zijn in het gebied. In Dulver ligt een eendenkooi.

Figuur 3 - Planlocatie t.o.v. Natura 2000-gebied Biesbosch

De Biesbosch De Biesbosch was eeuwenlang een uitgestrekt zoetwatergetijdengebied, dat in Europa nauwelijks zijn weerga kende. Ontstaan in het begin van de vijftiende eeuw, tijdens de beruchte Sint- Elizabethsvloed, werd het gebied lange tijd gekenmerkt door verraderlijke wilgenvloedbossen (deels in gebruik als grienden), afgewisseld met kale zand- en slikplaten, rietgorzen en biezenvelden, maar door de uitvoering van de Deltawerken heeft de Biesbosch veel van zijn allure moeten prijsgeven. Na de afsluiting van het Volkerak in 1960 en het Haringvliet in 1970 viel het getij terug van gemiddeld 2 meter naar enkele decimeters. Het gebied bestaat uit drie delen: de Sliedrechtse en Dortsche Biesbosch ten noorden van de Merwede en de Brabantse Biesbosch ten zuiden ervan. Alleen in de Sliedrechtse Biesbosch resteert nog een getijdeverschil van ongeveer 70 centimeter door de open verbinding met de Oude Maas. Het dynamische getijdengebied veranderde na de uitvoering van de Deltawerken in een verruigd moerasgebied waarin de hoogteverschillen tussen platen en geulen geleidelijk verminderden, wat ten koste ging van afkalving van de eilanden. De biezenvelden, rietgorzen en wilgenvloedbossen zijn grotendeels verdwenen; inpolderingen en de aanleg van reusachtige drinkwaterbekkens hebben verder hun tol geëist.

Maar toch, ondanks dit alles bezit de Biesbosch ook in zijn huidige vorm grote botanische en faunistische kwaliteiten, terwijl het landschap van eilanden en slingerende waterwegen in wezen nog steeds bestaat. Naast Zuid-Flevoland het belangrijkste brongebied voor de blauwborst; een broedvogel van verruigd rietland. Daarnaast een belangrijk broedgebied voor andere moerasvogels (bruine kiekendief, porseleinhoen, snor en rietzanger) en broedvogels van waterrijke gebieden met opgaand bos (aalscholver en ijsvogel). Belangrijk rust- en foerageergebied voor fuut, lepelaar, kleine zwaan, kolgans, grauwe gans, brandgans, smient, krakeend, wintertaling, kuifeend, grote zaagbek en grutto. daarnaast van enig belang voor aalscholver, pijlstaart, slobeend, tafeleend, nonnetje, visarend en meerkoet.

17

NATUURWAARDENONDERZOEK 51058 V1.1 – IRENESTRAAT EO WASPIK

Voor de meeste van deze soorten is zowel de Brabantse als de Dordtse Biesbosch als slaap- en foerageergebied van betekenis. Het plangebied is gelegen nabij Natura 2000-gebieden. Deze Natura 2000-gebieden zijn ter plaatse begrensd als Habitat- en Vogelrichtlijngebied. Voor de Natura 2000-gebieden zijn instandhoudingsdoelen opgesteld voor habitattypen, habitatsoorten, broedvogelsoorten en niet-broedvogels. Omdat de werkzaamheden van het plangebied buiten het Natura 2000-gebieden plaatsvinden heeft dit geen invloed op de oppervlakte van het Natura 2000 gebied. U kunt te maken hebben met de zogenoemde externe werking van het Natura 2000-gebied. U moet daarbij bijvoorbeeld denken aan mogelijke effecten op de waterhuishouding, uitstoot van stikstof (zie paragraaf 5.3) of effecten die het gevolg zijn van een groot project zoals aanleg van windmolens, zandwinning, een woonwijk of industrie. Om te bepalen of dit het geval is moet een natuurtoets worden uitgevoerd door een deskundig bureau. Als uw activiteit een negatief effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied is een vergunning nodig, voor meer info zie: vergunning Natura 2000-gebieden.

Conclusie Natura 2000-gebied Gezien de aard van de werkzaamheden, de projectlocatie en de (effect)afstanden (licht, trilling en geluid) tot de Natura 2000-gebieden wordt er geen verstoring of negatieve effecten verwacht op genoemd gebieden. Een voortoets Natura 2000 wordt niet noodzakelijk geacht om vast te stellen of uit te sluiten dat er geen negatieve effecten optreden op betreffende gebied.

18

NATUURWAARDENONDERZOEK 51058 V1.1 – IRENESTRAAT EO WASPIK

5.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • • • • •

Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; Alle Natura 2000-gebieden.

Conclusie Natuurnetwerk Nederland Aangezien het plangebied is gelegen buiten het NNN van Noord-Brabant (figuur 4), en het NNN in NoordBrabant geen externe werking kent, is nadere toetsing niet aan de orde.

Figuur 4: Planlocatie t.o.v. Natuurnetwerk Nederland.

19

NATUURWAARDENONDERZOEK 51058 V1.1 – IRENESTRAAT EO WASPIK

5.3 Stikstofdepositie Met betrekking tot de bepaling van mogelijke nadelige gevolgen als gevolg van de depositie van stikstof, is er met betrekking tot de toetsing van Natura 2000-activiteiten in de wet een verplichting opgenomen tot het gebruik van Aerius Calculator (artikel 4.15 Or). Voor toelichting m.b.t. het juridische kader wordt verwezen naar de bijlagen. Het plangebied ligt op ruime afstand van de Natura 2000-gebieden Langstraat op een afstand van 1.400 meter en Biesbosch op 5.8 kilometer (zie figuur 2 en 3). De Loonse en Drunense duinen liggen verder. Gezien de afstand tot het depositiegevoelige Natura 2000-gebied in relatie tot de geplande ontwikkelingen wordt er mogelijk stikstofdepositie verwacht in de sloop/aanleg- en nieuwe gebruiksfase. Conclusie Natura 2000 Gezien de (effect) afstand tot het Natura 2000-gebied, in relatie tot de geplande ontwikkelingen, worden er geen significante invloeden op de beschermde natuurwaarden of aangewezen (beheer)doelstellingen door effecten zoals licht, trilling geluid enz. verwacht. Een voortoets Natura 2000 wordt niet noodzakelijk geacht. In relatie tot de geplande ontwikkelingen wordt er mogelijk stikstofdepositie verwacht in de aanleg- en nieuwe gebruiksfase. Een Aeriusberekening wordt noodzakelijk geacht.

5.4 Overige beschermde gebieden Naast de alreeds beschreven gebieden, zijn er nog diverse planologisch beschermde gebieden. Deze gebieden worden om uiteenlopende redenen beschermd. Om de invloed van de voorgenomen ontwikkeling op deze gebieden te kunnen bepalen, is de ligging van de planlocatie en de aard / omvang van de voorgenomen ontwikkeling in relatie tot de deze beschermde gebieden onderzocht. Beschermde gebieden Gebied / beleid Weidevogelgebied Ganzenrustgebied Oude bosgroeiplaatsen

Beschermde natte landnatuur

Kernkwaliteit Rust, Dekking, Voedsel Rust, Voedsel, Ruimte, Openheid, Nabij water Behoud oppervlakte, Behouden bomen, Bodemkwaliteit waarborgen Habitat, waterkwaliteit, bodemstructuur

Invloed voorgenomen ontwikkeling N.v.t. N.v.t. N.v.t.

N.v.t.

Conclusie beschermde gebieden De planlocatie is niet gelegen binnen de grenzen of nabij ‘overige beschermde gebied’. Het is dan ook uitgesloten dat de voorgenomen ontwikkeling de kernkwaliteiten van deze gebieden beïnvloedt. Omdat kernkwaliteiten gewaarborgd blijven, zijn wettelijke consequenties met betrekking op ‘overige beschermde gebieden’ niet van toepassing.

20

NATUURWAARDENONDERZOEK 51058 V1.1 – IRENESTRAAT EO WASPIK

6. Soortbescherming De Omgevingswet kent twee vormen van soortbescherming voor ruimtelijke ontwikkeling gekoppeld aan de juridische status van de soorten: • •

Algemene zorgplicht Zorgvuldig handelen

Algemene zorgplicht Heb respect voor alle wilde flora en fauna en tracht het doden, verontrusten en beschadigen van aanwezige soorten te voorkomen of, indien voorkomen in redelijkheid niet mogelijk is, dit zo veel mogelijk te beperken. Zorgvuldig handelen Deze vorm van soortbescherming is gekoppeld aan soorten met een juridisch beschermde status. Er dient invulling te worden gegeven aan zorgvuldig handelen tijdens de uitvoering van werken die vallen onder ruimtelijke ontwikkeling. Zorgvuldig handelen betreft: 1.

Voorkomen dat schade optreedt aan beschermde planten en dieren (bijvoorbeeld andere projectlocatie kiezen).

2.

Beperken van schade aan beschermde planten en dieren (bijvoorbeeld beschermingszone hanteren rondom een bewoond vogelnest of verplaatsen beschermde planten).

3.

Ongedaan maken van schade aan beschermde planten en dieren:

Preventief: alternatieve verblijfplaats (mitigerende maatregelen) realiseren voordat het werk uitgevoerd wordt (bijvoorbeeld aanleg van een poel voor de gewone pad). Achteraf: opgelegd door het bevoegd gezag indien onzorgvuldig is gehandeld. Soortmanagementplan Casade heeft in de gemeente Waalwijk een Soortmanagementplan (hierna SMP) op laten stellen voor de soortbescherming

bij

toekomstige ontwikkelingen

voor het woningbezit.

Dit

plan

behelst

een

vleermuissoorten

(alle

beschermingsplan voor gebouwbewonende vogels, vleermuizen en steenmarter Kolonies

van

gierzwaluw,

huismus,

huiszwaluw

en

kraamverblijven

van

gebouwbewonende soorten), (massa)winterverblijven van gewone dwergvleermuis;, grotere verblijven van gewone grootoorvleermuis en laatvlieger zijn in beeld gebracht en vallen onder een generieke gebiedsontheffing zoals deze is afgegeven door de Provincie Noord-Brabant. Derhalve worden deze soorten wel meegenomen in de soortgerichte onderbouwing omdat voedsel- en foerageergebieden ook een essentiële functie kunnen hebben ten behoeve van de gunstige staat van instandhouding van deze soorten.

21

NATUURWAARDENONDERZOEK 51058 V1.1 – IRENESTRAAT EO WASPIK

6.1 Flora Toetsing aan gebiedsbescherming vindt uitsluitend plaats indien beschermde gebieden in het geding zijn, terwijl toetsing aan de soortbescherming altijd vereist is, zowel binnen als buiten beschermde gebieden. Bevinding veldbezoek De tuinen en omliggend groen zijn nauwkeurig onderzocht op inheemse en uitheemse beschermde vegetatie. Er zijn geen (groeiplaatsen van) beschermde soorten aangetroffen. Dit zal mede te maken hebben door het intensief beheer van openbaar groen en de gecultiveerde (achter)tuinen. De nabije omgeving betreft ook geen uitzonderlijk habitat waardoor beschermde soorten in de randgebieden voorkomen. Ook de geraadpleegde databanken geven geen aanwijzingen naar beschermde soorten op de projectlocatie.

6.2 Fauna Tijdens het veldbezoek op 28 augustus 2023 is vastgesteld dat de bebouwing geen potentie heeft voor andere soorten zoals bijvoorbeeld de steen- of kerkuil. Deze QuickScan richt zich dus met name op het aanwezige groen waarvan het overgrote deel achtertuinen betreft en een klein deel openbaar gemeentelijk groen. Aandachtgebieden van dit onderzoek zijn in de eerste plaats de aan- of afwezigheid van nesten. Bezette nesten zijn ten alle tijden beschermd ongeacht welk soort ervan gebruik maakt. Ten tijde van het onderzoek zijn er geen (bezette) nesten waargenomen. Hierbij valt op te merken dat in verband met de privacy van de huidige bewoners terughoudend is opgetreden om privédomeinen (achtertuinen) te betreden. Om dezelfde reden zijn er weinig tot geen foto’s opgenomen in deze rapportage van particulier groen. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is vastgesteld dat in het groen geen jaarrond beschermde nesten/horsten of verblijfplaatsen voorkomen. Er zijn geen waarnemingen gedaan van uilen, roofvogels of andere beschermde soorten. Ook de geraadpleegde databanken zoals het NDFF geven geen waarnemingen van strikt beschermde soorten weer in deze (ruime) omgeving. Tevens zullen / kunnen algemene broedvogels voorkomen die doorgaans gebonden zijn aan een humane omgeving.

In het broedseizoen zullen zij ook nesten kunnen hebben in de bomen en stuiken binnen de begrenzing van het plangebied. Derhalve wordt geadviseerd om de werkzaamheden aan het groen uit te voeren buiten het broedseizoen. Het is belangrijk dat vogels tijdens het broedseizoen niet verstoord worden. In het broedseizoen zijn nesten en rustplaatsen erg belangrijk voor de broedcyclus. De broedcyclus begint bij de paarvorming en eindigt wanneer de jongen voor zichzelf kunnen zorgen. Wanneer het broedseizoen is, verschilt per vogelsoort en is afhankelijk van verschillende omstandigheden, zoals het weer. Voor veel vogels zit het gemiddeld tussen de maanden mei en juli. Het groen vervult echter wel een functie voor strikt beschermde soorten zoals de huismus en mogelijk de steenmarter en vleermuizen. De zwaluwen zullen minder hinder ondervinden van het (tijdelijk) verwijderen van het groen omdat zij veelal in de lucht blijven voor voedsel en geen gebruik maken van bomen of struiken. Voor de huismus en steenmarter fungeert het groen doorgaans als voedsel en veiligheid (dekking). Vleermuizen weten groene corridors te gebruiken als lijnelement en voedselgebieden vooral bij insecten aantrekkende beplanting. Het aanwezige groen wordt niet als essentieel beoordeeld. Gezien de ligging van de planlocatie is in de nabije omgeving voldoende alternatief voorhanden.

22

NATUURWAARDENONDERZOEK 51058 V1.1 – IRENESTRAAT EO WASPIK

Te verwachten soorten zijn kool- en pimpelmees, vink, roodborst, winterkoning, heggemus, ekster, kauw en spreeuw. Deze soorten behoren tot de zogenaamde categorie 5 soorten. Deze nesten zijn uitsluitend beschermd indien zij bezet zijn. Jaarrond beschermde nesten In onderstaande tabel (volgende pagina) zijn opgenomen de nesten welke door de wetgever jaarrond beschermd zijn. Geen van deze nesten zijn aangetroffen.

Nederlandse naam

Bescherming

Nederlandse naam

Bescherming

Nederlandse naam

Bescherming

Steenuil

Categorie 1

Blauwe reiger

Categorie 5

Kleine vliegenvanger

Categorie 5

Gierzwaluw

Categorie 2

Boerenzwaluw

Categorie 5

Koolmees

Categorie 5

Huismus

Categorie 2

Bonte vliegenvanger

Categorie 5

Kortsnavelboomkruiper

Categorie 5

Roek

Categorie 2

Boomklever

Categorie 5

Oeverzwaluw

Categorie 5

Grote gele kwikstaart

Categorie 3

Boomkruiper

Categorie 5

Pimpelmees

Categorie 5

Kerkuil

Categorie 3

Bosuil

Categorie 5

Raaf

Categorie 5

Oehoe

Categorie 3

Brilduiker

Categorie 5

Ruigpootuil

Categorie 5

Ooievaar

Categorie 3

Draaihals

Categorie 5

Spreeuw

Categorie 5

Slechtvalk

Categorie 3

Eidereend

Categorie 5

Tapuit

Categorie 5

Boomvalk

Categorie 4

Ekster

Categorie 5

Torenvalk

Categorie 5

Buizerd

Categorie 4

Gekraagde roodstaart

Categorie 5

Zeearend

Categorie 5

Havik

Categorie 4

Glanskop

Categorie 5

Zwarte kraai

Categorie 5

Ransuil

Categorie 4

Grauwe vliegenvanger

Categorie 5

Zwarte mees

Categorie 5

Sperwer

Categorie 4

Groene specht

Categorie 5

Zwarte roodstaart

Categorie 5

Wespendief

Categorie 4

IJsvogel

Categorie 5

Zwarte specht

Categorie 5

Zwarte wouw

Categorie 4

Kleine bonte specht

Categorie 5

Grote bonte specht

Categorie 5

Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen het gehele seizoen: Categorie 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil). Categorie 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus). Categorie 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk). Categorie 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil). Categorie 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de

23

NATUURWAARDENONDERZOEK 51058 V1.1 – IRENESTRAAT EO WASPIK

broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Indien dit het geval is, is een omgevingscheck benodigd. Roofvogels en Uilen Bij het bezoek aan de planlocatie zijn geen sporen aangetroffen van uilen of roofvogels die duiden op het gebruik van de opstallen als verblijf- of roestplaatsen en het omliggende terrein als foerageergebied (o.a. braakballen, prooiresten, geplukte vogels, zitplaatsen met uitwerpselen/krijtsporen). De planlocatie is daarnaast ook niet habitatgeschikt. Volgens NDFF zijn geen waarnemingen gedaan van uilensoorten. Met de planontwikkeling gaan er geen nest- of rustplaatsen van deze categorie verloren. Een nader onderzoek roofvolgels of uilen is niet noodzakelijk. Spechten of holtebroeders De bomen in de directe nabijheid zijn in goede conditie en beschikken niet over kieren, holten of (scheur)spleten. Spechten of holtebroeders zullen niet verstoord worden. Bonn en Bern Het voorkomen van vogels zoals genoemd in de verdragen van Bonn en Bern kan niet worden uitgesloten. Deze soorten vallen zowel onder het beschermingsregime Vogelrichtlijn als het beschermingsregime Habitatrichtlijn.

Voor deze soorten geldt dat ze niet opzettelijk mogen worden verstoord, ongeacht hun staat van instandhouding. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen of verstoren. Voor werkzaamheden met schadelijke effecten op broedvogels wordt veelal geen ontheffing verleend, omdat het uitvoeren van de werkzaamheden buiten het broedseizoen over het algemeen een goed alternatief vormt. In het kader van de Omgevingswet voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Voor de meeste soorten kan de periode tussen half maart en eind juli worden aangehouden als broedseizoen. Advies/ conclusie vogels Ten aanzien van vogels wordt geen schadelijke handeling Omgevingswet verwacht. Advies is om buiten het broedseizoen te kappen en te vellen. Het habitat dat verloren gaat betreft een klein deel van een groter habitat in de omgeving. Er zijn ruim voldoende alternatieven in de nabije omgeving. Onder het SMP zullen de woningen ongeschikt worden gemaakt voor de huismus waardoor de functie van het groen komt te vervallen omdat de huismus binnen korte afstand van de nestlocatie het groen zal benutten.

De alternatieve verblijfplaatsen die aangebracht worden zullen in een geschikt habitat geplaatst worden. Aandachtspunt is wel dat de juiste volgorde wordt gehanteerd bij het ongeschikt maken van de woningen. In het Ecologisch werkprotocol dient opgenomen te worden dat eerst de woningen natuurvrij moeten worden verklaard alvorens het groen te verwijderen.

Vleermuizen

24

NATUURWAARDENONDERZOEK 51058 V1.1 – IRENESTRAAT EO WASPIK

Het leefgebied van beschermde vleermuizen (artikel 3.5 Habitatrichtlijn bijlage IV) bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden. In de toelichting vleermuizen (volgende pagina) worden deze onderdelen nader toegelicht. Verblijfplaatsen voor vleermuizen moeten voldoen aan een geschikt microklimaat: temperatuur, verschillende temperaturen binnen één object (gradiënten), snelheid van opwarmen of afkoelen (bufferwaarde) en vochtigheid. Essentieel is dat de verblijfplaats tochtvrij is in verband met de temperatuurregulatie en het voorkomen van uitdroging in de winter. Winterverblijven moeten daarnaast grotendeels vorstvrij zijn. Vleermuizen zijn gevoelig voor licht. Bij een verblijfplaats wordt dan ook niet vaak een lichtbron gevonden. De toegang tot de verblijfplaats, de in- en uitvliegopeningen en de aanvliegroute moet vrij van obstakels zijn. Verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten worden in deze QuickScan niet behandeld omdat deze onder de generieke ontheffing vallen van het SMP. De functie van het groen en de boombewonende soorten worden beoordeeld. Nabij en op de planlocatie zijn bomen aanwezig zonder vleermuispotentie. Aan de overzijde van de Ireneweg (buiten plangebied) zijn enkele dikkere bomen waargenomen waar potentie is voor boombewonende vleermuissoorten. Hierbij moet gedacht worden aan loshangende schors of holten.

Deze bomen staan echter buiten de invloedsfeer van de planontwikkeling. In het kader van de algemene zorgplicht dient er bij daglicht gewerkt te worden en de bomen niet actief worden verlicht. Schade op onmisbare vliegroutes en foerageergebieden, verblijfplaatsen van vleermuizen kan mogelijk ontstaan wanneer de lijnelementen verdwijnen uit het landschap. Bij visuele inspectie was duidelijk dat mogelijke lijnelementen buiten het plangebied liggen (Prins Bernhardstraat). Het foerageer gebied blijft in tact, hetzij anders ingericht. Een nader onderzoek naar foerageergebied en vliegroutes is niet noodzakelijk. Het biotoop en habitat laat zich het beste omschrijven door bebouwde omgeving. Vanwege de alternatieven in de omgeving zal de wijk door de vleermuis benut worden om als voedsel- en foerageergebied te fungeren. Advies/ conclusie vleermuizen Ten aanzien van vleermuizen wordt geen schadelijke handeling Omgevingswet verwacht. Een nader onderzoek naar gebouw- of boombewonende vleermuizen wordt niet noodzakelijk geacht.

25

NATUURWAARDENONDERZOEK 51058 V1.1 – IRENESTRAAT EO WASPIK

Toelichting vleermuizen Verblijfplaats Een object (gebouw, boom, bunker, grot, kast en dergelijke) waarin een of meerdere vleermuizen verblijven (overdag of ’s winters, met enige regelmaat). Zomerverblijfplaats: Een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is. Kraamverblijfplaats Een verblijfplaats van een kraamgroep met vrouwtjes met jongen. Paar(verblijf)plaats Een verblijfplaats of de omgeving daarvan, waar ten minste een baltsend mannetje of meerdere vleermuizen overdag verblijven en paren of komen zwermen. Welk gedrag is waar te nemen, is afhankelijk van de soort. Te herkennen aan zwermgedrag en/of baltsroepen. (Zwermen bij het invliegen komt bij meer verblijfsfuncties voor.) Winterverblijfplaats Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere vleermuizen in winterslaap (hybernation) gaan. Het betreft bij soorten die jaarrond in hun leefgebied blijven nogal eens een voormalige paarplaats of een andere verblijfplaats.

Er

zijn

bij

soorten

als

gewone

dwergvleermuis

massa

winterverblijfplaatsen

en

winterverblijfplaatsen voor kleinere groepen te onderscheiden. Vliegroute Een vaste route van een vleermuis of een groep van vleermuizen vanaf een verblijfplaats naar een foerageergebied of tussen verblijfplaatsen visa versa. Migratieroute Een vaste route van zomerleefgebied naar winterverblijfplaats of winterleefgebied en visa versa. Foerageergebied Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert.

26

NATUURWAARDENONDERZOEK 51058 V1.1 – IRENESTRAAT EO WASPIK

Overige zoogdieren Soorten van Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn Tijdens het veldbezoek zijn geen vaste verblijfplaatsen van overige zoogdieren die zijn opgenomen op Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn aangetroffen. Bever en otter In het plangebied zijn geen sporen van de otter (Lutra lutra) of bever (Castor fiber) aangetroffen. Het voorkomen van beide soorten kan hiermee redelijkerwijs worden uitgesloten. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Vanwege het waterarme karakter van het plangebied is het habitat voor deze soort ongeschikt. Hamster, hazelmuis en noordse woelmuis Het verspreidingsgebied van de hamster (Cricetus cricetus) en hazelmuis (Muscardinus avellanarius) is beperkt tot Zuid-Limburg. Voor de noordse woelmuis (Microtus oeconomus) geldt dat deze soort een zeer natte, kruidenrijke vegetatie behoeft en dat de verspreiding zich beperkt tot de lage, natte delen van Nederland. Derhalve kan worden gesteld dat binnen het plangebied geen van de genoemde soorten voorkomen. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Slaapmuizen Het verspreidingsgebied van de eikelmuis (Eliomys quercinus) beperkt zich tot specifieke gebieden in ZuidLimburg. De soort kan voor het plangebied worden uitgesloten.

In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Ware muizen Het verspreidingsgebied van de grote bosmuis (Apodemus flavicollis) beperkt zich tot de oostgrens van Nederland. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied van ware muizen. Spitsmuizen Het verspreidingsgebied van de veldspitsmuis (Crocidura leucodon) betreft Twente en Zeeuws-Vlaanderen en ligt derhalve buiten het plangebied. De waterspitsmuis (Neomys fodiens) is gebonden aan schone wateren met een rijke oevervegetatie. Derhalve kan worden gesteld dat beide soorten niet in het plangebied voorkomen. Voor de overige spitsmuizen geldt dat zij door de provincie Noord-Brabant voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld van de Omgevingswet. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Woelmuizen De verspreiding van de molmuis (Arvicola scherman) is beperkt tot Limburg. Sporen zijn van deze soort niet aangetroffen. De planlocatie leent zich dan ook niet voor deze soort. De overige onder dit beschermingsregime vallende woelmuizen zijn door de provincie Noord-Brabant voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Omgevingswet. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied.

27

NATUURWAARDENONDERZOEK 51058 V1.1 – IRENESTRAAT EO WASPIK

Eekhoorn Tijdens het veldbezoek werden geen nesten van de eekhoorn (Sciurus vulgaris) of knaagsporen aangetroffen. Het plangebied vertoont geen essentiële functie voor de eekhoorn. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied, Haasachtigen, egel en vos Het habitat is zeer geschikt voor de egel. Deze is echter vrijgesteld in de provincie Noord-Brabant. De vrijstelling geldt in voor de soorten hierboven genoemd, mits het gaat om handelingen die worden verricht in verband met de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, de uitvoering van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer etc. Marterachtigen Binnen het plangebied zijn geen sporen aangetroffen die van marterachtigen afkomstig kunnen zijn. Hiervoor is gebruik gemaakt van de UV lamp om urine sporen te doen oplichten en de endoscoop om ruimten te inspecteren. Bij het raadplegen van NDFF is geen waarneming gedaan van marterachtigen, Er zijn geen uitwerpselen dan wel prooiresten gevonden die kunnen wijzen op de aanwezigheid van deze soorten. Naar verwachting gaan er geen verblijfplaatsen dan wel soorten verloren bij de geplande ingreep. Daarnaast is de planlocatie

habitatongeschikt

voor

kleine

marterachtigen

vanwege

het

ontbreken

van

veilige

verbindingszones en voedselrijk jachtgebied. Ook door de dichtheid van predatoren (huiskatten) verkiezen kleine marterachtigen veelal geen woonwijken als verblijfplaats. Overige zoogdieren De in Nederland voorkomende zoogdieren betreffen of zeezoogdieren of slechts zelden in Limburgse bossen waargenomen soorten (de wilde kat (Felis silvestris) en lynx (Lynx lynx) en de in Nederland gevestigde wolf (Canis lupus)) ofwel in het bos of open veld levende grote hoefdieren. Derhalve kan worden gesteld dat binnen het plangebied geen overige zoogdieren voorkomen. Advies/ Conclusie zoogdieren Ten aanzien van zoogdieren wordt geen schadelijke handeling Omgevingswet verwacht. Wel wordt geadviseerd om één richting op te werken om eventueel aanwezige egels en overige soorten de gelegenheid te geven te vluchten of zich te verplaatsen. De zorgplicht uit artikel 1.11 is van toepassing. Overige soorten Reptielen en amfibieën Het plangebied ligt buiten het bereik van beschermde reptielen en amfibieën. De kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris), gewone pad (Bufo bufo), bruine kikker (Rana temporaria), bastaardkikker (Pelophylax esculentus) en meerkikker (Pelophylax ridibundus) zijn door de provincies voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Omgevingwet. De effectafstanden en invloeden van genoemde soorten zijn dus irrelevant.

28

NATUURWAARDENONDERZOEK 51058 V1.1 – IRENESTRAAT EO WASPIK

Vissen De beschermde vissen zijn rivieroptrekkende zoutwater soorten die niet of nauwelijks in Nederland worden aangetroffen. De beekdonderpad (Cottus rhenanus), beekprik (Lampetra planeri), elrits (Phoxinus phoxinus) en gestippelde alver (Alburnoides bipunctatus) zijn soorten van schone heldere continu stromende beken en zijn (grotendeels) beperkt tot de provincie Limburg. De beekprik komt ook elders op de hogere zandgronden voor en van de elrits bevindt zich een geïsoleerde populatie op de Veluwe. De kwabaal (Lota lota) is een soort van grote wateren en riviertjes. Dergelijke leefgebieden komen in het plangebied ook niet voor. Derhalve kan worden gesteld dat in het plangebied geen onder dit beschermingsregime voorkomende vissen te verwachten zijn. De ingreep heeft geen invloed op het habitat van deze soorten. Vlinders en libellen In het plangebied komen geen voedselarme wateren of vegetaties voor die geschikt zijn als leefgebied voor onder dit beschermingsregime vallende libellen en dagvlinders. Het voorkomen van deze libellen en vlinders kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Overige ongewervelden Het oeveraas (Palingenia longicauda), de juchtleerkever (Osmoderma eremita) en Bataafse stroommossel (Unio crassus) zijn uit Nederland verdwenen.

Van de vermiljoenkever (Cucujus cinnaberinus) is slechts een populatie nabij Maarheeze (Noord-Brabant) bekend. Omdat veensloten en vennen met schoon water ontbreken in het plangebied kan het voorkomen van andere overige ongewervelden redelijkerwijs worden uitgesloten. Het plangebied bevindt zich buiten het bekende verspreidingsgebied van de Europese rivierkreeft (Astacus astacus) en het vliegend hert (Lucanus cervus). In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Advies/ Conclusie overige soorten Ten aanzien van overige soorten wordt geen schadelijke handeling Omgevingswet verwacht.

29

NATUURWAARDENONDERZOEK 51058 V1.1 – IRENESTRAAT EO WASPIK

6.3 Houtopstanden Op de planlocatie worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in het onderdeel houtopstanden van de schadelijke handeling Omgevingswet. Overtreding op dit onderdeel is een schadelijke handeling Omgevingswet niet aan de orde. De Omgevingsverordening regelt de bescherming van houtopstanden. Een bij wet beschermde houtopstand betreft een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend buiten de bebouwde kom, die een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Voor het kappen (van een deel) van een beschermde houtopstand geldt meld- (artikel 4.2) en herplantplicht (artikel 4.3). Er geldt een verbod op de kap als het voornemen daartoe niet (maximaal een jaar en minimaal een maand) vooraf is gemeld bij bevoegd gezag. Binnen drie jaar moet dezelfde grond op bosbouwkundig verantwoorde wijze zijn herbeplant. De gemeenteraad stelt de grens bebouwde kom vast. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Provinciale staten kunnen in de provinciale verordening regels opnemen over de melding en de herplant, zoals herplant op andere gronden dan waar de (deels) gevelde opstand stond. Deze regel geldt niet voor: 1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16951050/1