Bijl. 1.4 - Archeologisch bureau- en vooronderzoek
Tekst van het document
Archeologisch onderzoek Tilburgseweg 27 te Sprang-Capelle Archeologisch bureauonderzoek en IVO-O verkennende fase d.m.v. boringen Tilburgseweg 27 te SprangCapelle, gemeente Waalwijk AA240059.RO1v0.1.ARG611 Archeologische Rapporten Geonius 611 14 mei 2024
Archeologisch onderzoek Tilburgseweg 27 te Sprang-Capelle Archeologisch bureauonderzoek en IVO-O verkennende fase d.m.v. boringen Tilburseweg 27 te Sprang-Capelle, gemeente Waalwijk AA240059.R01v0.1.ARG611 14 mei 2024 Bureauonderzoek en IVO-O Archeologische Rapporten Geonius 611 ISSN 2405-5506 Opdrachtgever Architectenbureau Goedehuizen Irenestraat 46 5141 GJ Waalwijk Versie Concept v0.1
Auteur B.N.J. Verschuren
+31 88 130 06 00 info@geonius.nl Postbus 1097 6160 BB Geleen
Geonius.nl Collegiale toets Functie
Naam
KNA-archeoloog
N. Vlieks
AA240059.R01v0.1.ARG611
Paraaf
2 van 37
Administratieve gegevens Opdrachtgever:
Architectenbureau Goedehuizen Irenestraat 46 5141 GJ Waalwijk Contactpersoon: Dhr. H. Şen hayati@goedehuizen.nl T: 0416 337517
Uitvoerder:
Geonius Archeologie De Asselen Kuil 10 6161 RD Geleen Contactpersoon: B.N.J. Verschuren E: b.verschuren@geonius.nl T: 088-1300600
Bevoegde overheid:
Gemeente Waalwijk
Beheer en plaats van documentatie:
Archief Geonius en Provinciaal Depot Bodemvondsten te ‘s Hertogenbosch
Landelijk registratienummer:
5603583100
Locatie:
Gemeente: Waalwijk Plaats: Sprang-Capelle Toponiem: Tilburgseweg 27 Kaartbladnummer: 44H x, y-coördinaten: 132.035 / 408.330 Oppervlakte plangebied: 8.935 m2 Oppervlakte onderzoeksgebied: 1.777 m2
Kadastrale gegevens:
Gemeente Sprang-Capelle1, sectie C, nr. 3341, 3342 en 3343
NOaA archeoregio:
Brabants zandgebied
Onderzoekskader:
Omgevingsvergunning
Onderzoeksteam:
B.N.J. Verschuren (senior KNA archeoloog actor, senior KNA prospector, registratienummer: 77844785)
Type onderzoek:
Bureauonderzoek en IVO-O verkennende fase d.m.v. boringen
Tijdstip onderzoek:
Mei 2024
Geonius Archeologie is een onderdeel van Geonius Milieu B.V. Geonius is gecertificeerd voor de protocollen 4001 (Programma van Eisen), 4002 (Bureauonderzoek), 4003 (Inventariserend veldonderzoek) en 4004 (opgraven landbodem) van de SIKB BRL 4000 Geonius Groep B.V. en de verschillende divisies zijn gecertificeerd volgens de algemene kwaliteitsnorm NEN-EN-ISO 9001:2015, NEN-ENISO 14001:2015, VCA**2017/6.0 en CO2 Prestatieladder niveau 3.
Bronzen riemverdeler uit circa 900 na Chr. De riemverdeler of driepas is het beeldmerk van Geonius Archeologie. Een riemverdeler verbindt verschillende riemen met elkaar en draagt zodoende zorg voor één geheel. De vorm komt overeen met het logo van Geonius dat staat voor de van oorsprong drie disciplines die één organisatie vormen en zorg dragen voor de uitvoering van integrale projecten.
1 Tegenwoordig gemeente Waalwijk
AA240059.R01v0.1.ARG611
3 van 37
Samenvatting In opdracht van Architectenbureau Goedehuizen heeft Geonius Archeologie in mei 2024 een archeologisch bureauonderzoek en een IVO-O verkennende fase door middel van boringen uitgevoerd voor het plangebied Tilburgseweg 27 te Sprang-Capelle in de gemeente Waalwijk. Aanleiding voor het uitvoeren van het archeologisch onderzoek vormt de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de bouw van een stoeterij. Uit het bureauonderzoek bleek dat het plangebied op een dekzandvlakte ligt en dat zich in de bodem een hoge zwarte enkeerdgrond heeft ontwikkeld. Vanaf de IJzertijd is het plangebied een nat veengebied. Het veen is in de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd afgegraven ten behoeve van turfwinning. Vanaf de 11 e eeuw is men het gebied vanaf de Maas gaan ontginnen. Het uitgestrekte veenlandschap werd in delen ontgonnen. Het plangebied is in het verleden voor zover kon worden vastgesteld in gebruik geweest als bouwland, weiland en grasland. Voor zover bekend heeft er geen bebouwing gestaan in het plangebied. Vanwege het ontbreken van een gradiëntzone heeft het plangebied een lage verwachting op het voorkomen van nederzettingsresten uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum. Op grond van geomorfologische en bodemkundige aspecten geldt voor het plangebied een middelhoge kans op het aantreffen van nederzettingsresten uit het (Laat-)Neolithicum en de Bronstijd.
Nederzettingsresten uit de IJzertijd t/m de Vroege Middeleeuwen worden niet verwacht omdat het gebied destijds een nat veenlandschap was. Nederzettingsresten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd kunnen wel voorkomen in de vorm van losse boerderijen, voor deze perioden geldt een middelhoge verwachting. Ook kunnen sporen van de ontginningen en turfwinning uit de Late Middeleeuwen voorkomen in de vorm van greppels en turfvaarten. Ter aanvulling en toetsing van de gespecificeerde archeologische verwachting zijn in het onderzoeksgebied zes verkennende boringen uitgevoerd waarbij gekeken werd naar de bodemopbouw binnen het plangebied. Hieruit is gebleken dat er in het onderzoeksgebied nog hoge zwarte enkeerdgronden aanwezig zijn. De middelhoge verwachting op het aantreffen van nederzettingsresten uit het Neolithicum, de Bronstijd, de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd blijft gehandhaafd. Ook de middelhoge verwachting voor off-site resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd wordt gehandhaafd. Omwille van bovenstaande gegevens wordt een archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd in het onderzoeksgebied. Dit kan plaatsvinden in de vorm van een IVO-P, hiertoe moet vooraf een Programma van Eisen worden opgesteld dat dient te worden goedgekeurd door de bevoegde overheid.
Deze aanbevelingen vormen een advies dat getoetst dient te worden door de bevoegde overheid, de gemeente Waalwijk. Deze zal een besluit nemen over wat eventuele vervolgstappen dienen te zijn ten aanzien van eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.
4 van 34 AA240059.R01v0.1.ARG611
Inhoud 1
Inleiding ......................................................................... 7
1.1
Aanleiding en doelstelling
7
1.2
Onderzoeksopzet en richtlijnen
7
1.3
Beleidskader
8
2
Bureauonderzoek ........................................................ 9
2.1
Algemeen
9
2.2
Situering plan- en onderzoeksgebied
10
2.3
Huidig gebruik
10
2.4
Toekomstige inrichting
11
2.5
Aardkundige waarden
11
2.5.1
Geologie en geomorfologie ................................................................................................................. 11
2.5.2
Bodem ........................................................................................................................................................ 13
2.5.3
Actueel Hoogtebestand Nederland .................................................................................................. 15
2.5.4
Resumé ...................................................................................................................................................... 15
2.6
Historische situatie en mogelijke verstoringen
2.6.1
Historische ontwikkeling plangebied ............................................................................................ 16
2.6.2
Mogelijke verstoringen ....................................................................................................................... 20
2.6.3
Ondergrondse bouwhistorische gegevens ................................................................................... 20
2.6.4
Resumé ..................................................................................................................................................... 20
2.7
Bekende archeologische waarden
2.7.1
Archeologische monumentenkaart ............................................................................................... 20
2.7.2
Archeologische vondstlocaties ........................................................................................................ 20
2.7.3
Archeologische onderzoeksgebieden ............................................................................................. 21
2.7.4
Gemeentelijke verwachtingskaart/beleidsadvieskaart........................................................... 23
2.7.5
Resumé ..................................................................................................................................................... 24
2.8
Gespecificeerde verwachting
3
Veldonderzoek ........................................................... 27
3.1
Algemeen
27
3.2
Resultaten
28
3.2.1
Bodem ....................................................................................................................................................... 28
3.2.2
Archeologie ............................................................................................................................................. 29
3.2.3
Synthese .................................................................................................................................................. 29
4
Conclusies en aanbevelingen ............................... 30
4.1
Conclusies
30
4.2
Aanbevelingen
31
15
20
25
Literatuurlijst
33
Gebruikte bronnen
33
Verklarende woordenlijst
35
Gebruikte afkortingen
37
AA240059.R01v0.1.ARG611
5 van 37
Bijlagen Bijlage 1 Bouwtekening Bijlage 2 Boorprofielen Bijlage 3 Tijdtabel
Lijst met afbeeldingen
Afbeelding 1: Situering van het plan- en onderzoeksgebied ..................................................................... 10 Afbeelding 2: Luchtfoto .......................................................................................................................................... 11 Afbeelding 3: Geomorfologische kaart .............................................................................................................. 13 Afbeelding 4: Bodemkaart ..................................................................................................................................... 14 Afbeelding 5: Uitsnede van het Actueel Hoogtebestand van Nederland............................................... 15 Afbeelding 6: Kopie van de kaart uit 1620 ........................................................................................................ 17 Afbeelding 7: Kadastrale kaart uit 1811-1832 ................................................................................................... 18 Afbeelding 8: Historische ontwikkeling van het plangebied .................................................................... 19 Afbeelding 9: Kaart met onderzoeksmeldingen, vondstlocaties en AMK-terreinen........................ 23 Afbeelding 10: Archeologische verwachtingskaart van de gemeente Waalwijk ............................... 24 Afbeelding 11: Boorpuntenkaart.
........................................................................................................................ 27 Afbeelding 12: Boorresidu van boring 2 ........................................................................................................... 28 Afbeelding 13: Boorpuntenkaart geprojecteerd op de kadastrale kaart uit 1811-1832 ...................... 29
Lijst met tabellen
Tabel 1: Grondwatertrappen. Tabel 2: Overzicht onderzoeksmeldingen.
AA240059.R01v0.1.ARG611
14 21
6 van 37
1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling Op 29 april 2024 is door Architectenbureau Goedehuizen aan Geonius Archeologie opdracht verleend voor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek voor de locatie Tilburgseweg 27 te Sprang-Capelle in de gemeente Waalwijk. Aanleiding tot uitvoering van het onderzoek vormt de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de bouw van een stoeterij. Vanwege de ligging van het plangebied in een gebied dat volgens het Omgevingsloket een dubbelbestemming Waarde – Archeologie 3 heeft, dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden, alvorens de omgevingsvergunning kan worden verkregen. Het archeologisch onderzoek heeft tot doel het opstellen van een gespecificeerde verwachting. Het resultaat is voorliggend rapport, op basis waarvan het bevoegd gezag een beslissing kan nemen over een eventuele vervolgstap in de AMZ (Archeologische Monumenten Zorg) cyclus.2
1.2 Onderzoeksopzet en richtlijnen Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een Inventariserend Veldonderzoek – Overig (IVO-O) verkennende fase. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 en het IVO-O conform protocol 4003. Beide protocollen maken deel uit van de beoordelingsrichtlijn (BRL) 4000 versie 4.2.3 De BRL 4000 is opgesteld op basis van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 4.24 die beheerd wordt door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB). 5 In navolging op hoofdstuk 1, het inleidend hoofdstuk, worden in hoofdstuk 2 de resultaten van het bureauonderzoek vermeld op basis waarvan de gespecificeerde verwachting is bepaald. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van het veldwerk gepresenteerd en getoetst aan het verwachtingsmodel. In hoofdstuk 4 worden de conclusies en aanbevelingen geformuleerd.
2
Sterk vereenvoudigd kent de AMZ cyclus vier opeenvolgende en nauw samenhangende fasen. De eerste fase behelst de inventarisatie (bijv. kartering) en documentatie van archeologische waarden: waar in de bodem is wat aanwezig? In de tweede fase wordt aan de hand van een reeks heldere criteria vastgesteld welke waarde de gekarteerde resten hebben , zodat op basis van geëxpliciteerde normen vervolgens een selectie kan worden gemaakt: welke resten verdienen het behouden te worden (in of ex situ) en welke mogen ongezien verloren gaan? In de derde fase wordt het behoud vormgegeven van de gewaardeerde en geselecteerde resten: is het mogelijk om de archeologische resten in de bodem te behouden of moeten ze – bijvoorbeeld onder druk van ruimtelijke ontwikkelingen - opgegraven worden? In het eerste geval moet worden vastgesteld hoe bescherming in situ (instandhouding) wordt vormgegeven, in het tweede geval hoe de opgraving moet worden uitgevoerd en uitgewerkt. In de vierde en laatste fase van de AMZ-cyclus worden tenslotte de resultaten van het uitgevoerde onderzoek 'opgewerkt' tot nieuwe kennis over de Nederlandse geschiedenis. Deze kennis op haar beurt vormt weer de inbreng voor de eerste procesfase. 3 De BRL 4000 versie 4.2 is op 14 maart 2022 vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) en ondergebracht bij de SIKB te Gouda.
4 Deze versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.2) is op 1 april 2024 vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie, ondergebracht bij de SIKB te Gouda. 5 www.sikb.nl
AA240059.R01v0.1.ARG611
7 van 37
Het archeologisch onderzoek is er op gericht om de volgende onderzoeksvragen te beantwoorden: 1.
Wat is bekend over de geo(morfo)logische en bodemkundige opbouw van het plangebied?
2.
Wat was het historisch landgebruik van het plangebied, wat is het huidig landgebruik en wat is de verwachte invloed daarvan op de (bodem)gaafheid en mogelijk aanwezige archeologische waarden?
3.
Welke gegevens met betrekking tot archeologische waarden zijn over het plangebied bekend?
4.
Wat is de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied?
5.
Komt het middels het IVO-O vastgestelde bodemtype overeen met hetgeen op basis van het bureauonderzoek werd verwacht?
6.
Indien er in (delen van) het plangebied sprake is van een intacte bodemopbouw vanaf welke diepte t.o.v. het maaiveld kunnen archeologische waarden dan worden verwacht? Is er sprake van meerdere archeologische lagen die potentieel archeologische waarden kunnen bevatten? Zo ja, op welke diepte t.o.v. maaiveld bevinden deze zich?
7.
Indien er in (delen van) het plangebied sprake is van een verstoorde bodemopbouw tot welke diepte t.o.v. maaiveld is deze verstoord en wat zegt dit over de gaafheid van eventueel aanwezige archeologische waarden?
8.
Kan de gespecificeerde verwachting zoals geformuleerd in het archeologisch bureauonderzoek aan de hand van de resultaten van het IVO-O verkennende fase door middel van boringen worden gehandhaafd of dient deze (in delen van het plangebied) worden bijgesteld? Zo ja waaruit bestaat de bijstelling en waarom?
9.
Wat is de invloed van de toekomstige inrichting op eventueel aanwezige archeologische waarden?
10. Is in het plangebied archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk en zo ja welke onderzoeksmethode wordt aanbevolen?
1.3 Beleidskader Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. Malta, beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. Gemeenten hebben een belangrijke rol in het archeologische stelsel. In bestemmingsplannen houden ze rekening met (te verwachten) archeologische waarden. Volgens het Omgevingsloket heeft het plangebied een dubbelbestemming Waarde – Archeologie 3.6 Indien de geplande ingrepen een grotere omvang hebben dan 500 m2 en dieper gaan dan 50 cm -mv, dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De geplande ingrepen zullen deze ondergrenzen ruimschoots overschrijden.
6 Omgevingswet.overheid.nl
AA240059.R01v0.1.ARG611
8 van 37
2 Bureauonderzoek 2.1 Algemeen Het doel van het bureauonderzoek is het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het bureau onderzoeksgebied, om daarmee te komen tot een gespecificeerde, archeologische verwachting van het plangebied. Met de afbakening van het bureau onderzoeksgebied wordt het gebied aangeduid, waarvan de gegevens over de historische situatie, bekende archeologische waarden en verwachtingen gebruikt gaan worden in het bureauonderzoek. Dit gebied kan groter zijn dan het plangebied. Voor onderhavig onderzoek is een straal van circa 500 m om het plangebied aangehouden als bureau onderzoeksgebied. Dit gebied sluit bodemkundig, geomorfologisch en cultuurhistorisch aan bij het plangebied zodat op een verantwoorde manier het verwachtingsmodel kan worden bepaald. In het kader van het bureauonderzoek zijn de volgende werkzaamheden uitgevoerd waarvan de resultaten zijn opgenomen in onderstaande paragrafen: •
bepaling van het onderzoekskader (aanleiding onderzoek en begrenzing plangebied);
•
vaststelling van het huidige en historische gebruik van het plangebied en naaste omgeving door het raadplegen van de door de opdrachtgever overgedragen gegevens;
•
vaststelling van de toekomstige inrichting van het plangebied;
•
bepaling van de landschappelijke (geologische en bodemkundige) kenmerken aan de hand van bestudering van de bodem-, geologische en geomorfologische kaarten;
•
bestudering van historische kaarten;
•
raadpleging van literatuur en luchtfoto’s;
•
inventarisatie van gegevens uit het ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) te Amersfoort;
•
raadpleging van de gemeentelijke verwachtingskaart;
•
vaststelling van de aan/afwezigheid van ondergrondse bouwhistorische waarden.
AA240059.R01v0.1.ARG611
9 van 37
2.2 Situering plan- en onderzoeksgebied Het plangebied ligt in het zuidoosten van Sprang-Capelle en ten noordoosten van Kaatsheuvel, aan de Tilburgseweg 27 te Sprang-Capelle, provincie Noord-Brabant. Het is onderdeel van de buurtschap Sprangsevaart en staat afgebeeld op kaartblad 44H van de Topografische kaart van Nederland (afb. 1). Het plangebied heeft een omvang van 8.935 m2. Het onderzoeksgebied betreft het deel waar de stoeterij wordt gebouwd en heeft een omvang van 1.777 m2.
Afbeelding 1: Situering van het plan- en onderzoeksgebied. Bron: OpenTopo.
2.3 Huidig gebruik Voor de uitkomst van het bureauonderzoek en de bepaling van het (eventuele) vervolg van het voortraject (inventariserend veldonderzoek) is het van belang de huidige situatie vast te stellen. Bodemverontreiniging, gebruik, bebouwing, maar ook de aanwezigheid van bijvoorbeeld een hoogspanningsleiding kunnen de onderzoeksstrategie van vervolg activiteiten (mede) bepalen. Daarnaast kan dit mede bepalend zijn voor de archeologische verwachting. Historisch waardevolle bouwwerken die binnen het plan- en onderzoeksgebied liggen worden vermeld.7 Het terrein is momenteel grotendeels in gebruik als grasland waar paarden staan (afb. 2). Het zuidelijk deel is een paardenbak dat omringd is door bomen.
7 KNA versie 4.2, Protocol 4002.
AA240059.R01v0.1.ARG611
10 van 37
Afbeelding 2: Luchtfoto van het plangebied. Bron: PDOK.
2.4 Toekomstige inrichting Het mogelijk toekomstig gebruik van het onderzoeksgebied kan bepalend zijn voor het eventuele navolgende onderzoek (inventariserend veldonderzoek, fysiek beschermen of opgraven). De wijze waarop het gebied wordt ingericht, kan bijvoorbeeld betekenen dat bekende en/of verwachte archeologische waarden (deels of geheel) onaangetast (kunnen) blijven. Ook kan besloten worden de inrichting dusdanig aan te passen, dat de bekende en/of verwachte archeologische waarden alsnog (deels of geheel) onaangetast (kunnen) blijven.8 In het plangebied zal een stoeterij (paardenmanege) worden gerealiseerd (zie bijlage 1). De stoeterij krijgt een omvang van circa 1.777 m2. Het is nog niet bekend tot welke diepte wordt gegraven voor de stoeterij. De locatie van deze bodemverstorende ingrepen betreft het onderzoeksgebied.
2.5 Aardkundige waarden Kennis van de geologie, bodem en hydrologie van het onderzoeksgebied is noodzakelijk om inzicht te krijgen in de gebruiksmogelijkheden van het landschap voor de mens. Door inzicht te krijgen in deze gegevens kan het verwachtingsmodel nader worden bepaald.9
2.5.1 Geologie en geomorfologie Het plangebied ligt in het noordwesten van de Roerdalslenk.10 De Roerdalslenk is een tektonisch dalingsgebied dat door diverse breuken wordt begrensd. Ten westen en oosten hiervan bevinden zich tektonische opheffingsgebieden; het Kempisch Hoog ten westen en de Peelhorst ten oosten. 8 KNA versie 4.2, Protocol 4002. 9
KNA versie 4.2, Protocol 4002.
10 Rensink et al. 2016.
AA240059.R01v0.1.ARG611
11 van 37
In de laatste fase van het Vroeg-Pleistoceen (circa 1,1 miljoen jaar geleden) tot in het Midden-Pleistoceen (circa 475.000 jaar geleden) werd de Roerdalslenk opgevuld met rivierafzettingen van de Rijn en de Maas (Formatie van Sterksel). Nadat er tektonische opheffing heeft plaatsgevonden van de Peelhorst, moesten de grote rivieren hun loop naar het oosten verplaatsen. Hiermee kwam er een einde aan de fluviatiele afzettingen in de slenk. Tijdens het Midden- en Laat-Pleistoceen (circa 115.000 – 11.700 jaar geleden) werden de fluviatiele sedimenten in de Roerdalslenk afgedekt met sedimenten van meer lokale oorsprong. Het gaat hierbij o.a. om Brabantse leem, fluvioperiglaciale afzettingen en eolische afzettingen (dekzand) behorend tot de Formatie van Boxtel. De Brabantse leem is ontstaan tijdens perioden van permafrost tijdens de glacialen, terwijl de fluvioperiglaciale/fluvio-eolische afzettingen juist aan het begin en einde van die glacialen zijn afgezet. Door afsmelten van het ijs werden veel sedimenten van hoger gelegen gebieden via geulen en beken verspoeld en lager afgezet. Het gaat hierbij om gelaagde zanden waar leemlagen en/of plant- en houtresten in voor kunnen komen.
Tijdens de koudste en droogste perioden van het Weichselien, het Pleniglaciaal, verdween de vegetatie waardoor op grote schaal verstuiving plaatsvond en de eerdere fluviatiele- en fluvioperiglaciale afzettingen werden bedekt met een laag dekzand: het Oud dekzand. Dit pakket is over het algemeen horizontaal gelaagd met hierin lemige banden.11 Vanaf het laatste deel van het Weichselien, het Laat-Glaciaal (circa 14.700 – 11.700 jaar geleden), was het warmer en was er sprake van dichtere vegetatie waardoor de verstuivingen meer lokaal plaatsvonden: het Jong dekzand werd afgezet. Door deze dekzandafzettingen ontstond een reliëf dat wordt gekenmerkt door zowel langgerekte dekzandruggen en dekzandkopjes als vlaktes met depressies. In het Holoceen (vanaf circa 11.755 jaar geleden) werd het klimaat warmer en vochtiger. Na het eindigen van de Laatste IJstijd, steeg de zeespiegel geleidelijk door het afsmelten van de enorme gletsjermassa’s. Hierdoor kwam het water in rivieren hoger te staan en steeg ook in het binnenland de grondwaterstand. Als gevolg van de stijging van de grondwaterstand werd het laaggelegen dekzandgebied steeds natter. De stijging van de gemiddelde jaartemperatuur maakte het mogelijk dat zich op deze natte gronden een welige vegetatie van mossen, grassen en kruiden ontwikkelde en dat soms zelfs moerasbossen ontstonden.
Volgens de Paleogeografische kaart lag het plangebied vanaf de IJzertijd in een veengebied.12 Het veen valt onder het Hollandveen Laagpakket, Formatie van Nieuwkoop. Bij eerder uitgevoerde boringen is rondom het plangebied geen veenpakket waargenomen. 13 Het veen is in de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd afgegraven ten behoeve van turfwinning. Gezien de ligging van het plangebied aan de grens van het veengebied, zal het veenpakket in het plangebied naar verwachting niet dik zijn geweest. Gedurende het Holoceen vonden in het gebied zandverstuivingen plaats als gevolg van ontbossingen door menselijke activiteiten. Deze vonden plaats vanaf het Neolithicum en de Bronstijd, waardoor er landduinen ontstonden. Grootschalige zandverstuivingen vonden plaats vanaf de (Late) Middeleeuwen door systematische ontbossingen. Deze stuifzanden worden tot het Laagpakket van Kootwijk van de Formatie van Boxtel gerekend en worden gekenmerkt als reliëfrijke zones in het landschap. Een kilometer ten zuiden van het plangebied liggen de Loonse en Drunense Duinen. Door ontbossing, overbegrazing en het plaggen van dit hoger gelegen gebied veranderde het gedurende de Late Middeleeuwen in een uitgestrekt stuifzandgebied. Volgens de geomorfologische kaart van Nederland ligt het plangebied op een dekzandwelving (L51). In het zuiden is een landduin zichtbaar (L54), dit zijn de Loonse en Drunense Duinen.
11 Ball & Jansen 2018. 12
Vos et al. 2018.
13 www.dinoloket.nl.
AA240059.R01v0.1.ARG611
12 van 37
Afbeelding 3: Geomorfologische kaart van het plangebied. Bron: ARCHIS 3.
2.5.2 Bodem Volgens de bodemkaart (afb. 4) heeft zich in de bodem van het plangebied een hoge zwarte enkeerdgrond (zEZ23) ontwikkeld. Bij enkeerdgronden is sprake van een antropogeen opgebracht dek om de vruchtbaarheid van de grond te verbeteren. Al vanaf de Late Middeleeuwen werd op grote schaal het systeem van potstalbemesting toegepast. Om de schrale zandgronden meer vruchtbaarder te maken, werden heideplaggen/bosstrooisel met de mest van het vee vermengd en op de akkers uitgespreid. Door de eeuwen heen ontstond zo een eerddek bovenop de natuurlijke (podzol)bodem. De totale dikte van het eerddek is bij de enkeerdgronden meer dan 50 centimeter. De bouwvoor (Ap-horizont) heeft een donkergrijze tot zwarte kleur. Hieronder liggen oudere niveaus van het eerddek (Aa-horizont), die over het algemeen lichter van kleur zijn. De kans bestaat dat er onder het opgebrachte eerddek nog een oorspronkelijke (podzol)bodem aanwezig is. Echter hoeft dit niet het geval te zijn zoals onderzoek in het oosten van Brabant vaker aantoont. Indien de oorspronkelijke bodem bestaat uit een podzolbodem kan op grotere diepte nog een B- of BC-horizont aangetroffen worden. Indien er sprake is geweest van een snelle ophoging met een opgebracht pakket dan kunnen zelfs de A- en E-horizont nog worden aangetroffen.
Bij de hoge enkeerdgronden gaat het om de gronden die het eerst zijn opgehoogd, over het algemeen de hogere dekzanden. Binnen de enkeerdgronden wordt nog een onderscheid gemaakt tussen de zwarte en bruine enkeerdgronden waarbij de bruine gronden zijn ontstaan door het opbrengen van bosstrooisel en klei-/grasplaggen terwijl de zwarte enkeerdgronden zijn gevormd door heide- en naaldbosstrooisel.
AA240059.R01v0.1.ARG611
13 van 37
Afbeelding 4: Bodemkaart van het plangebied. Bron: ARCHIS 3.
Grondwater Bij het bepalen van het grondwaterregime van de bodem wordt gewerkt met grondwatertrappen (zie tabel 1). Deze trappen geven een klassenindeling weer van ten eerste de verschillende grondwaterstanden naar diepte en ten tweede de seizoensvariatie in de grondwaterstanden. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VIII (van respectievelijk extreem nat tot extreem droog). Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI en VII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, met name in het verleden een aantrekkelijk vestigingsgebied. In droge bodems wordt onverbrand organisch materiaal slecht bewaard gebleven als gevolg van oxidatie. Anorganische resten en verbande organische resten kunnen wel goed geconserveerd zijn gebleven. In gebieden met een hoge grondwaterstand kunnen daarentegen organische archeologische resten wel goed geconserveerd worden aangetroffen. Binnen het plangebied komt grondwatertrap VI en VII voor, hetgeen betekent dat de gronden vrij goed ontwaterd zijn en geschikt waren voor landbouw. Dit verklaart de aanwezigheid van een hoge zwarte enkeerdgrond in de bodem. Tabel 1: Grondwatertrappen.
Grondwatertrap
I
II
III
IV
V
VI
VII
VIII
GHG in cm
-
-
<40
40-80
<40
>40
>80
>140
<50
50-80
80-120
80-120
>120
>120
>120
>160
beneden maaiveld GLG in cm beneden maaiveld
AA240059.R01v0.1.ARG611
14 van 37
2.5.3 Actueel Hoogtebestand Nederland Op afbeelding 5 is het AHN afgebeeld in zogenaamd maaiveld perspectief (Dynamische opmaak). Op de uitsnede is te zien dat het plangebied op een dekzandwelving (L51) ligt waarbij het terrein zeer geleidelijk omlaag loopt van zuid naar noord. Het zuidelijk deel van het plangebied ligt op een hoogte van 5,20 m +NAP, het noordelijk deel ligt op 4,80 m +NAP.
Afbeelding 5: Uitsnede van het Actueel Hoogtebestand van Nederland. Bron: AHN.
2.5.4 Resumé Op de geomorfologische kaart is het plangebied aangeduid als een dekzandwelving (L51). Ten zuiden van het plangebied ligt een landduin (L54). Op de bodemkaart is het plangebied gekarteerd als een hoge zwarte enkeerdgrond (zEZ23). De hoogte van het maaiveld varieert tussen 5,20 m +NAP in het zuiden en 4,80 m +NAP in het zuiden. Vanaf de IJzertijd is in het plangebied een veengebied. Het veen is in de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd afgegraven. Archeologische waarden kunnen vanaf het maaiveld worden aangetroffen. Vanwege de ouderdom van de afzettingen kunnen deze bestaan uit resten vanaf het Laat-Paleolithicum.
2.6 Historische situatie en mogelijke verstoringen Het beschrijven van de historische situatie dient meerdere doelen. Er wordt archeologisch inhoudelijk gekeken of eventueel sprake is van historische bebouwing, mogelijke vaarwegen en/of subrecent gebruik, waarbij vastgesteld moet worden of sprake is van verstoringen (bijvoorbeeld ontgrondingen, stortingen en verhardingen).14
14 KNA versie 4.2, Protocol 4002.
AA240059.R01v0.1.ARG611
15 van 37
2.6.1Historische ontwikkeling plangebied De oudste bewoning in de omgeving van Sprang-Capelle lag vermoedelijk vooral op de drogere zandgronden ten zuiden van het onderzoeksgebied op de zuidelijke oeverwal van de oude Maas ten noorden van het onderzoeksgebied. Vanaf de 11e eeuw begon de mens vanuit de zuidelijke oeverwal van het Oude Maasje de slecht bewoonbare veengebieden in zuidelijke richting te ontginnen. In eerste instantie ontstond deze ontginning ten behoeve van gemengde agrarische bedrijfsvoering. Het veengebied werd in delen ontgonnen. Aan de achterzijde van het te ontginnen gebied werden dijken aangelegd om het water aan de andere kant tegen te houden. Via lange noord-zuid georiënteerde sloten werd het water afgevoerd naar de Maas. Vanaf de 13e - 14e eeuw speelde de turfindustrie een grote rol.15 Het veen is naar verwachting in heel het gebied afgegraven.16 Tegen het einde van de 14e eeuw kreeg Pauwels van Haestrecht (heer van de heerlijkheid Venloon) toestemming van de hertogin van Brabant voor de aanleg van een turfvaart van Kaatsheuvel naar ’sHertogenbosch, de Vossenbergsche Vaart.17 Het graven van de vaart werd voltooid in 1420 en liep ten zuiden van het plangebied: van Kaatsheuvel door Drunen, Nieuwkuijk en Vlijmen tot aan de Dieze bij ’s-Hertogenbosch.
De Vossenbersche Vaart was in de 17e eeuw deels verzand en in de 20e eeuw geheel gedempt.18 Rondom Kaatsheuvel en Sprang werden behalve de Vossenbergsche Vaart meerdere kleinere vaarten gegraven. Zo lag 150 m ten zuiden van het plangebied een turfvaart op de locatie van de huidige Van Haestrechtstraat. Deze turfvaart dateert waarschijnlijk uit de 14e eeuw en raakte buiten gebruik in 1642.19 Gedurende de Late Middeleeuwen werden veel percelen afgegraven ten behoeve van turfwinning, waardoor het maaiveld lager kwam te liggen. In de lagere delen werden de percelen zeer nat, waardoor ze naderhand in gebruik zijn genomen als weiland of grasland. Op de oudst geraadpleegde kaart uit 1620 is te zien dat het plangebied in deze periode geheel is ontgonnen (afb. 6). Vanwege de hogere ligging zal het plangebied waarschijnlijk in gebruik zijn geweest als bouwland of weiland. In het gebied hebben in de 17e eeuw veel mensen gewoond. De voorganger van de Sprangsche Vaart is in het zuiden te zien als een laan met bebouwing en bomen er naast. Deze straat is in het verleden een dijk geweest, ‘Den Hollandschen Dycke’. Deze dijk lag op de locatie van de huidige Sprangsevaart, Eikendijk en Meerdijk. Naast de Eikendijk is één boerderij te zien op de kaart uit 1620. Het dorp ‘Sprange’ lag aan de huidige Van der Duinstraat, Kerkstraat, Oudestraat en Oosteind.
Aan beide kanten van deze wegen heeft bebouwing gestaan. Op de kaart is eveneens de kerk van Sprang te zien.
15 De Bont 1993. 16 Turfkaart. Geraadpleegd op https://www.provincieantwerpen.be/aanbod/dict/gis/digitale-kaarten.html. 17 Heemkundekring de Ketsheuvel. 18
Keijers 2015.
19 Pieters 2021.
AA240059.R01v0.1.ARG611
16 van 37
Afbeelding 6: Kopie van de kaart uit 1620 van Jacop Jan Symonsz. De globale ligging van het plangebied is aangegeven met een rood kader. Bron: Jan Pietersz, 1625. Geraadpleegd op nationaalarchief.nl.
Op de kadastrale kaart uit 1811-1832 zijn de lange noord-zuid georiënteerde percelen goed zichtbaar (afb. 7). De percelen zijn van elkaar gescheiden middels smalle sloten. Volgens de oorspronkelijke aanwijzende tafels waren de percelen in gebruik als bouwland en weiland.20 Naast de Sprangsche Vaart in het zuiden staan boerderijen. Het plangebied lag in een polder genaamd de Sprangsche Vaart. Deze vrij kleine polder wordt in het zuiden begrensd door de straat Sprangsche Vaart, in het westen door de voorganger van de Tilburgseweg, in het oosten door de Eijken Dijk en in het noorden door een sloot op ongeveer de huidige locatie van de Bevrijdingsweg. Naast deze sloot werd in de jaren ’60 van de 19e eeuw een pad of weg aangelegd (afb. 8, linksboven).
20 Oorspronkelijke aanwijzende tafel Sprang, Noord-Brabant, sectie B, blad 014. Geraadpleegd op ARCHIS 3.
AA240059.R01v0.1.ARG611
17 van 37
Afbeelding 7: Kadastrale kaart uit 1811-1832 van het plangebied. Bron: ARCHIS 3.
In 1881 werd door de Noord-Brabantsche Stoomtramweg-Maatschappij (NBSM) een nieuw tramlijn aangelegd op de huidige Tilburgseweg, direct ten westen van het plangebied. Deze tramlijn is voor het eerst aangegeven op de kaart uit 1899 (afb. 8, rechtsboven), en liep van Capelle Haven via Sprang en Loon op Zand naar Tilburg. De tramlijn was bedoeld voor het vervoer van zowel goederen als personen. Vanaf 1934 werden enkel nog goederen vervoerd via de tramlijn, maar slechts 3 jaar later werd ook het goederenvervoer gestopt. In de jaren ’30 van de 20e eeuw werden de percelen opnieuw verkaveld, waarbij veel percelen zijn samengevoegd (afb. 8, linksonder). Hierbij zullen meerdere sloten zijn gedempt. In de jaren ’90 werden de percelen ten noorden en oosten van het plangebied samengevoegd tot één perceel waarop (dennen)bomen werden gepland voor verkoop (afb. 8, rechtsonder). Het plangebied werd in gebruik genomen als grasland. Hier zullen tot op heden paarden hebben gegraasd.
AA240059.R01v0.1.ARG611
18 van 37
Afbeelding 8: Historische ontwikkeling van het plangebied vanaf 1868 n.Chr. Van linksboven naar rechtsonder: 1868, 1899, 1940 en 1999. Bron: TopoTijdreis.
Tweede Wereldoorlog Volgens de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) lag het plangebied in de Tweede Wereldoorlog in een ‘overig gebied’, waar enkel kleinere objecten, zoals o.a. dumplocaties, crashlocaties en (loop)graven verwacht kunnen worden.21 Uit het verliesregister is gebleken dat er tijdens te Tweede Wereldoorlog geen vliegtuigen zijn neergestort in en nabij het plangebied.22 Binnen het werk van Van Blankenstein zijn geen gegevens bekend over enige oorlogsvernielingen tijdens de Tweede Wereldoorlog in of nabij het plangebied.23
21 www.ikme.nl. 22 Auwerda en Grimm, 2008. 23
Van Blankenstein 2006.
AA240059.R01v0.1.ARG611
19 van 37
2.6.2 Mogelijke verstoringen Uit de hierboven vermelde bronnen blijkt dat het plangebied in het verleden zal zijn ontgonnen. Eventuele sporen of vondsten in het veen zullen zijn verdwenen. Overige aanwijzingen voor grootschalige verstoringen zijn niet bekend. Bij het bodemloket zijn geen aanwijzingen voor verstorende saneringen bekend. 24 Volgens de Klicmelding van 7 mei 2024 ligt in het plangebied één kabel, in het zuidwesten.25 De bodem in het plangebied is dus niet sterk verstoord door kabels en leidingen.
2.6.3 Ondergrondse bouwhistorische gegevens Voor de uitkomst van het bureauonderzoek en de bepaling van het (eventuele) vervolg van het voortraject (inventariserend veldonderzoek), is het van belang de bekende archeologische waarden en ondergrondse bouwhistorische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Hiertoe is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd.26 Hierbij zijn geen aanvullende gegevens verzameld.
2.6.4 Resumé Het veen in het plangebied is in de Late Middeleeuwen afgegraven, waarbij eventuele archeologische waarden kunnen zijn verdwenen. Voor zover bekend heeft in het plangebied geen bebouwing gestaan. De percelen waren in gebruik als bouwland en weiland. In de jaren ’90 kreeg het gebied zijn huidige indeling.
2.7 Bekende archeologische waarden Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden te beschrijven. Kennis daaromtrent bepaalt mede de onderzoeksstrategie van vervolgactiviteiten. 27 In de volgende paragrafen worden daarom relevante gegevens uit de AMK, Archis en de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart beschreven.
2.7.1Archeologische monumentenkaart De AMK is een digitaal bestand van alle bekende behoudenswaardige archeologische terreinen in Nederland dat door de RCE in samenwerking met de desbetreffende provincie is opgesteld. Sinds 2014 is dit een statische kaart die niet meer wordt bijgewerkt. Op de kaart staan terreinen met archeologische status aangegeven. De kaart baseert zich op gegevens uit ARCHIS. Statustoekenning vindt plaats nadat het terrein is getoetst aan een aantal door de RCE gehanteerde criteria (kwaliteit, zeldzaamheid en contextwaarde). Het plangebied maakt geen deel uit van een AMK-terrein en binnen een straal van 500 m bevinden zich eveneens geen AMK-terreinen. Het dichtstbijzijnde AMK-terrein ligt op 2 km ten oosten van het plangebied. Het gaat om een terrein van hoge archeologische waarde (monumentnr. 4297). Hier ligt een ronde grafheuvel met een diameter van 18 m en een hoogte van 1 m. De datering van de grafheuvel is onbekend.
2.7.2 Archeologische vondstlocaties ARCHIS is het geautomatiseerde Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Het bestaat uit een databank waarin allerlei gegevens over archeologische vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen, daterend van de Prehistorie tot de Nieuwe tijd. In ARCHIS staat geen vondstlocatie geregistreerd binnen de begrenzing van het plangebied. Uit de directe nabijheid van het plangebied (binnen een straal van 500 m) zijn eveneens geen vondstlocaties bekend.
24 www.bodemloket.nl 25 KLIC-melding. 26
www.atlasleefomgeving.nl
27 KNA versie 4.2, Protocol 4002.
AA240059.R01v0.1.ARG611
20 van 37
2.7.3 Archeologische onderzoeksgebieden In een straal van circa 500 m van het plangebied zijn tien onderzoeksmeldingen bekend (tabel 2, afb. 9). Tabel 2: Overzicht onderzoeksmeldingen.
Zaakidentificatie
Afstand t.o.v.
Uitvoerder /
nr. (ZIN)
plangebied
jaar
2113470100
310 m noord
BILAN / 2006
Aard en resultaten van het onderzoek Bureau- en booronderzoek. In het plangebied kunnen waarden vorkomen uit het Laat-Paleolithicum t/m de Late Middeleeuwen. Tijdens het booronderzoek bleek dat de bodem sterk is geroerd, geen vervolgonderzoek aanbevolen.
2175769100
60 m oost
BAAC / 2010
Bureauonderzoek. Het plangebied ligt in een laagte die is ontstaan door afgraving, ter hoogte van een lage dekzandrug. In de bodem komen zwarte enkeerdgronden en gooreerdgronden voor. Vanwege de locatie op een dekzandrug worden waarden van jager-verzamelaars verwacht in het plangebied. Vanaf het Neolithicum t/m de Vroege Middeleeuwen zal het gebied te nat zijn geweest voor bewoning. Resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd kunnen wel voorkomen. Vervolgonderzoek aanbevolen.
2308949100
60 m oost
BAAC / 2010
Booronderzoek. Vervolgonderzoek van ZIN 2175769100 (zie hierboven). In de boringen is een 45 tot 70 cm dikke eerddek waargenomen. Hieronder ligt direct de C-horizont, er is geen podzol (B-horizont) waargenomen. Er worden enkel nog resten verwacht uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Vervolgonderzoek aanbevolen in het zuidelijk deel.
2199023100
130 m zuidwest
BAAC / 2008
Bureau- en booronderzoek. Volgens het bureauonderzoek werden enkeerdgronden verwacht in het plangebied. Het booronderzoek wees uit dat er echter sprake is van laarpodzolgronden. Het booronderzoek heeft geen archeologische indicatoren opgeleverd, de archeologische verwachting kan worden bijgesteld naar laag voor alle perioden, behoudens de Nieuwe tijd. Er worden namelijk funderingsuitbraaksleuven verwacht uit de Nieuwe tijd van een gebouw. Echter werd vervolgonderzoek voor deze uitbraaksleuven niet nuttig geacht.
4737231100
85 m zuid
BAAC / 2021
Opgraving variant archeologische begeleiding. Tijdens de graafwerkzaamheden werd niet tot het archeologisch niveau gegraven. Om het niveau te bepalen zijn enkele grondboringen uitgevoerd. Hieruit bleek dat de bodem tot circa 70 cm -mv is verstoord. Hieronder lag een puinpakket dat mogelijk een oude weg is geweest of een dempingspakket van een turfvaart.
2347764100
240 m zuid
ArcheoPro /
Bureau- en booronderzoek. Het plangebied ligt op een lage
2011
landduin (tegenwoordig een dekzandwelving), in de bodem heeft zich een enkeerdgrond ontwikkeld. Tijdens het
AA240059.R01v0.1.ARG611
21 van 37
Zaakidentificatie
Afstand t.o.v.
Uitvoerder /
nr. (ZIN)
plangebied
jaar
Aard en resultaten van het onderzoek booronderzoek is een sterk verstoorde bodemopbouw waargenomen, geen vervolgonderzoek aanbevolen.
4819958100
300 m zuid
ArcheoPro /
Bureau- en booronderzoek. Vanwege de relatief grote afstand
2021
tot water geldt een middelhoge verwachting voor waarden van jager-verzamelaars. Vanwege de relatief lage ligging geldt eveneens een middelhoge verwachting voor waarden uit het Neolithicum t/m de Nieuwe tijd. Het booronderzoek wees uit dat de bodem echter sterk is verstoord. Geen vervolgonderzoek aanbevolen.
2229171100
380 m oost
Oranjewoud /
Bureau- en booronderzoek. Het plangebied heeft een
2009
middelhoge tot hoge archeologische verwachting voor waarden uit het Laat-Paleolithicum t/m de Nieuwe tijd, met de nadruk op de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. In de boringen is een plaggendek waargenomen. Sporen van bodemvorming zullen in het plaggendek zijn opgenomen. Opduikingen in het dekzand zijn naar verwachting geëgaliseerd. Geen archeologische indicatoren waargenomen, geen vervolgonderzoek aanbevolen.
4629778100
380 m oost
KSP / 2020
Korte actualisatie van het bureauonderzoek van Oranjewoud uit 2009, ZIN 2229171100 (zie hierboven). In deze actualisatie wordt de aanbeveling uit het onderzoek van 2009 onderschreven.
4642607100
410 m zuidoost
Antea / 2018
Bureau- en booronderzoek. Er worden archeologische waarden verwacht uit het Paleolithicum t/m de Nieuwe tijd, vanwege de ligging op een hoger gelegen dekzandwelving met een podzolbodem. Uit de boringen bleek dat een podzol volledig is verdwenen, vrijwel overal ligt de C-horizont direct onder een plaggendek. Geen vervolgonderzoek aanbevolen.
AA240059.R01v0.1.ARG611
22 van 37
Afbeelding 9: Kaart met onderzoeksmeldingen, vondstlocaties en AMK-terreinen uit ARCHIS 3. Bron: ARCHIS 3.
2.7.4 Gemeentelijke verwachtingskaart/beleidsadvieskaart Op de gemeentelijke verwachtingskaart staat het plangebied gekarteerd als gebied met een hoge verwachting (afb. 10). Deze locatie wordt als een geschikte locatie gezien voor bewoning in het verleden. Het gebied ten oosten heeft geen archeologische verwachting omdat dit gebied in het verleden reeds is onderzocht.
AA240059.R01v0.1.ARG611
23 van 37
Afbeelding 10: Archeologische verwachtingskaart van de gemeente Waalwijk. Bron: gemeente Waalwijk 2010.
2.7.5 Resumé In de omgeving zijn weinig archeologische waarden bekend. Dit komt deels doordat er weinig gravende onderzoeken zijn uitgevoerd rondom het plangebied. Desalniettemin heeft het plangebied op de archeologische verwachtingskaart een hoge archeologische verwachting.
AA240059.R01v0.1.ARG611
24 van 37
2.8 Gespecificeerde verwachting Op basis van de, in de vorige stappen, verworven informatie over de huidige situatie, de aardwetenschappelijke en historische situatie en de bekende archeologische en ondergrondse bouwhistorische waarden, vindt een proces plaats van analyse en interpretatie t.b.v. het opstellen van een gespecificeerde verwachting. Hiertoe is achtergrondkennis vereist van de landschapsontwikkeling en de geschiedenis van de archeoregio. Om tot een juiste keuze van de onderzoeksmethode van het inventariserend veldonderzoek te komen zijn, voor zover mogelijk, de volgende eigenschappen aangegeven: •
datering; minimaal in hoofdperioden (zoals Paleolithicum, Mesolithicum, etc.);
•
complextype (zoals nederzetting, grafveld, akkerlaag etc.);
•
omvang;
•
diepteligging (ook zichtbaar/niet-zichtbaar);
•
locatie (met eventueel aanduiding in welk deelgebied);
•
uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren);
•
mogelijke verstoringen.28
Op basis van de hiervoor beschreven landschappelijk, archeologische en historische informatie is het mogelijk een archeologische verwachting op te stellen. Op grond van het gebruik van het landschap door de mens kan er een tweedeling worden gemaakt in jager-verzamelaars (Paleo- en Mesolithicum) enerzijds en landbouwers (Neolithicum, Bronstijd, IJzertijd, Romeinse tijd, Middeleeuwen en Nieuwe tijd) anderzijds. De gespecificeerde verwachting is hierop afgestemd. Jager-verzamelaars Jager-verzamelaars trokken door het landschap en verbleven tijdelijk op een verblijfplaats. Vanuit grotere basiskampen werden jachtexpedities opgezet waarbij de jagers langere tijd onderweg waren en tijdelijke kleine kampen inrichtten waar ze een beperkt aantal dagen verbleven, zogenaamde extractiekampen. De grootste kans voor het aantreffen van jachtbuit was in de buurt van water. Tevens konden hier veel vruchten worden aangetroffen. Zowel basiskampen als extractiekampen waren dan ook geconcentreerd in de buurt van water. De oudste bewoningsresten zijn dan ook te verwachten in de buurt van water op de overgang van laag en nat naar hoog en droog de zogenaamde zone gradiëntzone. Complextype: Er kunnen archeologische waarden uit deze periode worden aangetroffen, omdat het gebied volgens de paleogeografische kaart pas vanaf de IJzertijd werd overveend.
Het plangebied ligt echter niet in de directe nabijheid van water, er is dus geen sprake van een gradiëntzone. Omvang: Afhankelijk van complextype. Diepteligging: In de top van de natuurlijke afzettingen, onder een plaggendek. Eventuele vondsten kunnen in het plaggendek worden aangetroffen. Locatie: Onbekend. Uiterlijke kenmerken: Vindplaatsen uit deze periode kenmerken zich voornamelijk door een strooiing van vuursteen. Mogelijke verstoringen: Om zoveel mogelijk informatie uit de vuursteenvindplaats te krijgen, is het van belang dat de interne structuur van de vindplaats (de verticale en horizontale spreiding) zo min mogelijk is verstoord. Indien er veenontginning heeft plaatsgevonden binnen het gebied kan dit voor verstoring van de natuurlijke bodem en eventueel hierin aanwezige archeologische waarden hebben gezorgd.
28 KNA versie 4.2, Protocol 4002.
AA240059.R01v0.1.ARG611
25 van 37
Specifieke verwachting jager-verzamelaars: Vanwege het ontbreken van een gradiëntzone heeft het plangebied een lage verwachting op het voorkomen van nederzettingsresten uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum. Landbouwers Vanaf het (Laat-)Neolithicum verandert manier de van leven en ontstaan de eerste landbouwculturen. Aanvankelijk, in de periode Midden-Neolithicum B tot en met Midden-Bronstijd A, bestaat er nog een mix tussen plaatsvaste nederzettingen met kleinschalige landbouw en het jager-verzamelaarsleven. Nieuw binnen het vondstenspectrum is de aanwezigheid van aardewerk, maar vuurstenen werktuigen komen ook nog veelvuldig voor. Vanaf de Midden-Bronstijd B is er sprake van een echte agrarische samenleving waarbij nederzettingen een meer sedentair karakter hebben. De woningen zijn meer permanent en hebben een robuust karakter met zware, diepe funderingen. Binnen het plangebied vond vervening plaats vanaf de IJzertijd, dus het gebied zal tot de ontginningen in de Late Middeleeuwen niet geschikt zijn geweest voor bewoning. Waarschijnlijk zou men ook te veel last hebben gehad van periodieke overstromingen van de Maas op de lager gelegen delen. Ook uit deze perioden zijn in de omgeving geen archeologische vondsten aangetroffen. Voor deze perioden worden dan ook geen archeologische waarden verwacht.
Vanaf de Late Middeleeuwen werden nederzettingen juist aangelegd op de lager gelegen gebieden in het landschap. Ter plekke van het plangebied hebben er veenontginningen plaatsgevonden in de Late Middeleeuwen en aan het begin van de Nieuwe tijd. Vanaf die tijd kunnen er dus weer archeologische waarden voorkomen. Op basis van historische kaarten lijkt het er op dat het plangebied niet bebouwd is geweest, maar dat er wel akkerbouw heeft plaatsgevonden. Complextype: Nederzettingsresten uit het (Laat-)Neolithicum en de Bronstijd kunnen in het plangebied voorkomen. Nederzettingsresten uit de IJzertijd t/m de Vroege Middeleeuwen worden niet verwacht. Vanaf de IJzertijd was er namelijk sprake van een uitgestrekt veengebied. Kaartmateriaal wees uit dat tijdens de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd losse boerderijen kunnen voorkomen buiten de woonkernen aan de Sprangsevaart, Oosteind en Kerkstraat. Omvang: De omvang van een mogelijke nederzetting kan sterk variëren. Diepteligging: Archeologische waarden kunnen vanaf het maaiveld worden aangetroffen. Grondsporen worden verwacht onder een plaggendek. Locatie: Onbekend. Uiterlijke kenmerken: Vindplaatsen (huisplaatsen) uit deze perioden kenmerken zich door een spreiding van aardewerkresten en het voorkomen van grondsporen (paalsporen, afvalkuilen, greppels).
Mogelijke verstoringen: Indien er veenontginning heeft plaatsgevonden binnen het gebied kan dit voor verstoring van de natuurlijke bodem hebben gezorgd. Specifieke verwachting landbouwers: Op grond van geomorfologische en bodemkundige aspecten geldt voor het plangebied een middelhoge kans op het aantreffen van nederzettingsresten uit het (Laat-)Neolithicum en de Bronstijd. Nederzettingsresten uit de IJzertijd t/m de Vroege Middeleeuwen worden niet verwacht. Nederzettingsresten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd kunnen wel voorkomen in de vorm van losse boerderijen, voor deze perioden geldt een middelhoge verwachting. Ook kunnen sporen van de ontginningen en turfwinning uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd voorkomen in de vorm van greppels en turfvaarten.
AA240059.R01v0.1.ARG611
26 van 37
3 Veldonderzoek 3.1 Algemeen Het doel van inventariserend veldonderzoek (IVO) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek. Het IVO gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied. Het IVO-O verkennende fase door middel van boringen heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Doel daarbij is het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor de volgende vormen van onderzoek. Het uitgevoerde booronderzoek is niet geschikt voor het opsporen van archeologische vindplaatsen. De boringen zijn uitgevoerd op 8 mei 2024 met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. In totaal zijn zes boringen uitgevoerd, verspreid over het onderzoeksgebied (afb. 11). De boringen zijn doorgezet tot minimaal 30 cm in de C-horizont. Het boorresidu is geïnspecteerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. De boorpunten zijn middels GPS ingemeten. Voor de complete boorprofielen wordt verwezen naar bijlage 2.
Afbeelding 11: Boorpuntenkaart.
AA240059.R01v0.1.ARG611
27 van 37
3.2 Resultaten 3.2.1 Bodem In de zes boringen is min of meer dezelfde bodemopbouw waargenomen (afb. 12). Het bovenste pakket bestaat uit een zeer fijn, matig siltig zandpakket. Dit pakket is matig humeus, bevat wortels en is donker grijs tot zwart van kleur. Het gaat om de bouwvoor. Op 15 cm -mv ligt een matig fijn, matig siltig zandpakket dat iets donkerder van kleur is de bouwvoor. Dit donkerder pakket is matig humushoudend en bevat sporen grind en baksteen. Het is vrij homogeen en geïnterpreteerd als een plaggendek, een Aan-horizont. Ter hoogte van boring 3 is aan de onderkant van het plaggendek een 5 cm dikke venige zandlaag waargenomen. Mogelijk is dit een restant van het veenpakket dat gedurende de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd is afgegraven. Bij boring 5 kan het plaggendek in twee pakketten worden onderverdeeld. Het onderste pakket is iets lichter van kleur en bevat vage, bruine vlekken. Het plaggendek is doorgaans 50 tot 60 cm dik, behoudens bij boring 1. Ter hoogte van boring 1 is het plaggendek 95 cm dik. Onder het plaggendek ligt het natuurlijk moedermateriaal, de C-horizont. Deze bestaat uit matig fijne, zwak siltige zandafzettingen en is licht bruingrijs tot lichtgrijs van kleur. Dit natuurlijke pakket bevat grind van maximaal 2 mm dik. Bij boring 2 is tussen het plaggendek en de C-horizont nog een vrij dunne, licht grijsbruine laag waargenomen.
Mogelijk gaat het om een restant van een inspoelingslaag, een B-horizont. Echter omdat de laag zeer dun is, is het geïnterpreteerd als een overgangslaag van het plaggendek naar het moedermateriaal, een AC-horizont.
Afbeelding 12: Boorresidu van boring 2. Bovenste rij: 0-100 cm -mv. Onderste rij: 100-120 cm -mv. Bron: fotoarchief Geonius.
AA240059.R01v0.1.ARG611
28 van 37
3.2.2 Archeologie Indicatoren welke duiden op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats zijn tijdens het booronderzoek niet aangetroffen.
3.2.3 Synthese In het plangebied is sprake van een bouwvoor en plaggendek dat ongeveer 70 cm dik is. Daarom kan worden gesproken van een hoge zwarte enkeerdgrond. In de boringen is geen duidelijke podzol (B-horizont) waargenomen. Enkel ter hoogte van boring 2 ligt mogelijk nog een onderkant van een podzol, maar vanwege de beperkte dikte van de laag kan dit niet met zekerheid worden vastgesteld. De oorspronkelijke podzol zal in het plaggendek zijn opgenomen. In boring 1 is het plaggendek aanzienlijk dikker. Dit komt mogelijk doordat deze boring in een (zijkant van een) greppel is gezet (zie afb. 13). Vanwege het ontbreken van een duidelijke podzol zullen enkel nog dieper ingegraven sporen in situ liggen.
Afbeelding 13: Boorpuntenkaart geprojecteerd op de kadastrale kaart uit 1811-1832. Bron: ARCHIS 3.
AA240059.R01v0.1.ARG611
29 van 37
4 Conclusies en aanbevelingen 4.1 Conclusies De conclusies worden gegeven in de vorm van de antwoorden op de onderzoeksvragen. 1.
Wat is bekend over de geo(morfo)logische en bodemkundige opbouw van het plangebied?
Volgens het bureauonderzoek ligt het plangebied op een dekzandwelving van eolisch zand dat plaatselijk verstuifd kan zijn. Gedurende de IJzertijd groeide er veen in het plangebied dat in de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd is afgegraven ten behoeve van turfwinning. In de bodem heeft zich een hoge zwarte enkeerdgrond ontwikkeld in leemarm en zwak lemig fijn zand. 2.
Wat was het historisch landgebruik van het plangebied, wat is het huidig landgebruik en wat is de verwachte invloed daarvan op de (bodem)gaafheid en mogelijk aanwezige archeologische waarden?
Historisch gezien is het plangebied vanaf de IJzertijd een veengebied geweest. Het veen is in de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd afgegraven, waardoor mogelijke archeologische resten zijn verdwenen. Vanaf de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd is het plangebied in gebruik geweest als bouwland, weiland en grasland. Hierbij zal de bodem naar verwachting niet sterk zijn verstoord. 3.
Welke gegevens met betrekking tot archeologische waarden zijn over het plangebied bekend?
Binnen de grenzen van het plangebied zijn tot op heden geen archeologische waarden bekend. 4.
Wat is de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied?
Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een lage verwachting voor waarden uit het LaatPaleolithicum, Mesolithicum en IJzertijd t/m de Vroege Middeleeuwen en een middelhoge verwachting voor waarden uit het Neolithicum, Bronstijd, Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. 5.
Komt het middels het IVO-O vastgestelde bodemtype overeen met hetgeen op basis van het bureauonderzoek werd verwacht?
Tijdens het booronderzoek werd een hoge zwarte enkeerdgrond aangetroffen, hetgeen werd verwacht volgens het bureauonderzoek. Sporen van een podzol ontbreken vrijwel geheel. Enkel ter hoogte van boring 2 is mogelijk nog een heel dun restant van een podzol aanwezig. Dit kon echter niet met zekerheid worden vastgesteld. 6.
Indien er in (delen van) het plangebied sprake is van een intacte bodemopbouw vanaf welke diepte t.o.v. het maaiveld kunnen archeologische waarden dan worden verwacht? Is er sprake van meerdere archeologische lagen die potentieel archeologische waarden kunnen bevatten? Zo ja, op welke diepte t.o.v. maaiveld bevinden deze zich?
Eventuele archeologische vondsten kunnen vanaf het maaiveld worden aangetroffen in het plaggendek. Grondsporen zullen zichtbaar zijn in de top van de C-horizont, op een diepte van gemiddeld 75 cm -mv.
AA240059.R01v0.1.ARG611
30 van 37
7.
Indien er in (delen van) het plangebied sprake is van een verstoorde bodemopbouw tot welke diepte t.o.v. maaiveld is deze verstoord en wat zegt dit over de gaafheid van eventueel aanwezige archeologische waarden?
Een eventuele podzol zal zijn opgenomen in het plaggendek, als gevolg van ploegwerkzaamheden. Er is geen veenlaag waargenomen, het oorspronkelijk veenpakket is geheel afgegraven. Ter hoogte van boring 3 is onder in het plaggendek nog een venige zandlaag waargenomen, een indicatie dat in het plangebied een veenpakket heeft gelegen. Eventuele grondsporen worden enkel verwacht in de top van de C-horizont. 8.
Kan de gespecificeerde verwachting zoals geformuleerd in het archeologisch bureauonderzoek aan de hand van de resultaten van het IVO-O verkennende fase door middel van boringen worden gehandhaafd of dient deze (in delen van het plangebied) worden bijgesteld? Zo ja waaruit bestaat de bijstelling en waarom?
Op basis van het booronderzoek hoeft de archeologische verwachting niet te worden bijgesteld. 9.
Wat is de invloed van de toekomstige inrichting op eventueel aanwezige archeologische waarden?
Indien de toekomstige ingrepen dieper graven dan het plaggendek kunnen eventuele archeologische waarden worden bedreigd. 10. Is in het plangebied archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk en zo ja welke onderzoeksmethode wordt aanbevolen? Aanbevolen wordt om een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. Proefsleuven (IVO-P).
4.2 Aanbevelingen Uit het verkennend veldonderzoek door middel van boringen is gebleken dat er het plangebied nog hoge zwarte enkeerdgronden aanwezig zijn. Hieronder kunnen eventueel nog archeologische resten worden aangetroffen uit de periode Neolithicum, Bronstijd, Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. De archeologische verwachting voor deze perioden wordt dan ook gehandhaafd. De natuurlijke afzettingen waarin zich grondsporen kunnen aftekenen ligt op gemiddeld 75 cm -mv. Met een buffer van 20 cm kunnen archeologische waarden worden beschermd tegen de geplande graafwerkzaamheden. Wanneer niet dieper dan 55 cm -mv wordt gegraven wordt aanbevolen om geen archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. Indien wel dieper wordt gegraven, wordt geadviseerd om een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. Proefsleuven (IVO-P). Hiertoe dient vooraf een Programma van Eisen te worden opgesteld dat dient te worden goedgekeurd door de bevoegde overheid, de gemeente Waalwijk. Bovenstaande aanbevelingen vormen een advies dat getoetst dient te worden door de bevoegde overheid, gemeente Waalwijk. Deze zal een besluit nemen over wat eventuele vervolgstappen dienen te zijn ten aanzien van eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.