96 ChistenUnie Sociaal domein beantwoording vragen
Tekst van het document
College van Waalwijk Postbus 10150 5140 GB Waalwijk Datum: 22 februari 2021 Betreft: reactie op beantwoording schriftelijke vragen op grond van artikel 47 van het Reglement van Orde over sociaal domein als black-box
Geachte leden van het College,
Laat ik in deze persoonlijke reactie beginnen met u te bedanken voor het prima beantwoorden van een aantal vragen. Jammer dat u ervoor gekozen hebt om op ruim 10 vragen wel een reactie maar geen antwoord te sturen. Over de andere antwoorden kan ik ook nog wel wat melden. Echter, eerst en vooral wil ik reageren op de anderhalve pagina inleidende opmerkingen. In vorige bestuursperioden voegden de colleges, voordat de vragen werden beantwoord, soms eerst een inleidende opmerking toe om de context nader te duiden of verontschuldigingen aan te bieden of te verklaren waarom de vragen niet tijdig waren beantwoord. In deze periode gebruikt het college de inleiding nogal eens om de vragensteller(s) de oren te wassen. In de eerste opmerking verwijt u mij dat ik u een deel van het onderzoek van het SCP over wil laten doen. Dat was geenszins mijn bedoeling. Maar het is meer dan eens voorgekomen dat de portefeuillehouder heeft gezegd dat de situatie in Waalwijk anders is, bijvoorbeeld omdat we niet met wijkteams werken. Als de conclusies en aanbevelingen van het SCP-rapport zo representatief zijn voor Waalwijk, waarom hebt u de raad dan niet gewezen op het bestaan van het zinvolle en lezenswaardige rapport en de eventuele afwijkingen voor Waalwijk? In de tweede opmerking wijst u naar beide Berenschot-rapportages over de wijze van uitvoering.
Een onderzoek in opdracht van de raad naar het functioneren van team WijZ – dat is iets anders dan de uitvoering binnen het sociaal domein – nadat u de raad om € 1,5 miljoen hebt gevraagd voor extra personele ondersteuning. Daarbij merkt u op meer vertrouwen en geduld van mij te verwachten. Ik denk dat het college mijn vertrouwen en geduld al meer dan genoeg op de proef heeft gesteld. Het is niet voor niets dat ik net als de onderzoekers van Berenschot verwijs naar de afspraken die het college met de gemeenteraad heeft gemaakt, naar de transitiedoelstellingen en ambities die u in het transitieplan ‘Andere kijk, goed voor elkaar’ (2014) hebt opgenomen om de raad te overtuigen van de goede wijze waarop Waalwijk de decentralisaties zou aanpakken. U hebt de raad daarbij beloofd om tenminste eens in de 2 jaar de voortgang ten aanzien van de doelstellingen aan de raad te rapporteren. In de afgelopen 5 jaar hebt u dat helaas nog geen 1
enkele keer gedaan. Vindt u het gek dat mijn geduld op is, als de raad voor zo’n belangrijk beleidsterrein niet de informatie krijgt die meer dan eens is toegezegd?
Ik vind het ook alles zeggend dat het college naast de beantwoording van de vragen het wel nodig vindt om 5 inleidende opmerkingen te maken, maar nergens ingaat op mijn waarneming dat het sociaal domein voor de gemeenteraad een black-box is. In de derde opmerking stelt u dat ik met het stellen van 75 vragen niet het evenwicht heb gevonden tussen enerzijds het kritisch volgen en toetsen van signalen uit de samenleving en anderzijds het geven van vertrouwen en ruimte aan onze mensen in de frontlinie. Laat ik vooropstellen dat het niet mijn doel was om te komen tot 75 vragen. De aanleiding voor het stellen van vragen was het SCP-rapport en de special die Binnenlands Bestuur naar aanleiding hiervan heeft uitgegeven. Dat leverde al de nodige vragen op, ook omdat u altijd schermt met de eigen Waalwijkse manier van werken. Vervolgens heb ik de beleidsdocumenten opgezocht die het college aan de raad heeft voorgelegd voor de invoering van de 3 D’s. Daarbij stuitte ik op andere documenten zoals een jaarverslag van de Ombudscommissie. Zo kwamen er steeds meer vragen bij. Bovendien speelde hierbij een rol dat ik me (nog steeds) afvraag hoe het de meest kwetsbare groepen in onze samenleving gedurende deze coronatijd vergaat.
De Waalwijkse raad krijgt van alles te lezen over het ondersteunen van verenigingen, gesubsidieerde organisaties en ondernemers, maar vrijwel niets over de extra maatregelen voor de meest kwetsbaren. Een raadsvoorstel voor dit beleidsterrein heeft het college niet nodig geacht. Verder vindt u het nodig om in de derde opmerking te melden dat alleen al de beantwoording van mijn vragen meer dan 60 uur heeft gekost. Met die mededeling op zich heb ik niet zoveel moeite, maar ik heb me daarbij wel gerealiseerd dat als uw college de raad beter en conform afspraken zou hebben geïnformeerd hiermee ook minstens 60 uur zou zijn gemoeid. En het roept bij mij de vraag op of u zich hebt afgevraagd hoeveel uren vrije tijd het stellen van de 75 vragen en ook nu weer deze brief met vragen mij heeft gekost? Wat mij echter in het verkeerde keelgat is geschoten is de toevoeging: “Hiervoor geldt simpelweg dat wij die uren niet hebben kunnen besteden aan de afgesproken doorontwikkeling van het team”. U verwijt mij dat het beantwoorden van mijn vragen u heeft afgehouden van belangrijk(er) werk. Daarin klinkt door dat u uw eigen activiteiten belangrijker vindt dan de controlerende en kader stellende rol van de raad. Ik proef wel vaker bij u een houding dat de raad er voor het college en de organisatie is, dat de raad zonder veel vragen en discussie 2
maar moet instemmen met uw geniale plannen en daarvoor de nodige middelen beschikbaar dient te stellen, ook als die niet in de begroting waren opgenomen. Die houding blijkt ook uit het feit dat u ervoor gekozen hebt om de termijn van het beantwoorden van schriftelijke vragen te overschrijden. Ik heb aangegeven dat ik me goed kon voorstellen dat vanwege het aantal en de aard van de nodige vragen de gebruikelijke termijn niet toereikend zou zijn. Daarom had ik de handreiking gedaan door u bij de nog niet te beantwoorden vragen de mogelijkheid te bieden een procedurele reactie te geven. Maar neen, het college kiest zonder overleg een andere route. In mijn optiek is het college er juist voor de raad. Echter, dit college is jammer genoeg zelf een black box; je moet als raadslid maar afwachten of en wanneer er iets terecht komt van opdrachten, afspraken en toezeggingen. De leden van het college weten immers zelf wel wat het beste is, daar hebben ze geen raad voor nodig. Tekenend is daarom het antwoord op de vraag over het niet haalbaar zijn van de WMO-doelstellingen: “Wij hebben u hier niet over geïnformeerd omdat dit naar ons inzien niet aan de orde is”. Daarbij wordt niet aangegeven waarom het niet aan de orde zou zijn.
Waar haalt het college het recht vandaan om dit zo te stellen? In de vierde opmerking wijst u erop dat niet een afzonderlijke (eenmans)fractie het college een onderzoeksopdracht zou mogen geven, maar dat dit is voorbehouden aan de raad. Hierbij wil ik u nogmaals herinneren aan de opdracht die u zichzelf heeft gegeven, welke door de gemeenteraad is bevestigd en de wettelijke plicht om de raad op adequate wijze te informeren. In de vijfde opmerking geeft u aan in maart of april een raadsinformatieavond te willen organiseren. Daar kijk ik naar uit; al voel ik daarbij wel een voorbehoud aangezien u hebt aangegeven dat u enkele evaluaties niet wilt uitvoeren. Ik ben benieuwd of de raad op deze manier in de goede positie wordt gebracht. Dat ik daaraan twijfel wordt gevoed door de antwoorden die we hebben ontvangen. Laat ik een voorbeeld geven; in antwoord op vraag 38 staat: “Wij zijn het niet eens met uw opmerking dat TWIJZ op afstand staat van TMAO”. Deze vraag is gebaseerd op wat in de tweede rapportage van Berenschot (pg. 19) als bevinding is opgenomen: “Zoals beschreven in paragraaf 2.2 was er voorheen veel afstand tussen de afdeling beleid en de uitvoering en is dit inmiddels aangepast. De afdeling beleid was eerder vaak niet betrokken bij verschillende organisatorische keuzes, zoals de vorming van de gebiedsteams en de reorganisatie.
De afdeling was wel bij de pilot maatschappelijke ondersteuners betrokken. Er was geen structureel overleg. In de interviews is aangegeven dat deze samenwerking niet optimaal is, maar positiever wordt ervaren dan voorheen.” Ik lees daarin dat de afstand weliswaar aanzienlijk is verkleind, maar dat er nog steeds sprake is van afstand, waardoor de samenwerking nog niet optimaal verloopt. Nu stelt u dat er helemaal geen afstand meer is; dat kan ik me moeilijk voorstellen, want het zijn toch twee afzonderlijke teams. Dit antwoord is tekenend voor de reacties die de raad over het algemeen krijgt, als hij wijst op wat in rapportages over gemeenten of soms specifiek de gemeente Waalwijk staat. Als het ongunstig is, dan geldt dit over het algemeen niet voor onze gemeente. Tekenend vind ik ook dat het college tijdens een raadsinformatieavond uit een VNG-onderzoek wel alle oorzaken noemt die buiten de gemeenten liggen, maar niet de punten waarvoor de gemeenten zelf verantwoordelijk voor zijn, zoals de inkoop. Of als er wordt gevraagd waarom het beroep op de jeugdzorg in Waalwijk veel sterker is toegenomen dan landelijk, dat dan bij gebrek aan beter wordt gewezen op de landelijke stijging. Gelukkig 3
zijn na herhaaldelijk aandringen hierop wel enkele verklaringen gekomen, maar onduidelijk is wat dit dan zou moeten betekenen voor het Waalwijkse beleid. Kortom: uw wijze van beantwoorden roept bij mij het nodige op. Dat heb ik hierboven verwoord. Soms is dat gedaan in de vorm van vragen die bewust niet zijn genummerd. Ik verwacht hier geen antwoord op. Maar ik hoop wel dat u hiermee meer doet dan voor kennisgeving aannemen.
Hoogachtend, Jan van Groos
4