47 Commissie MER Advies over tussentijds MER GODE Waalwijk
Tekst van het document
Grootschalige opwekking wind- en
zonne-energie, gemeente Waalwijk Tussentijds toetsingsadvies over het milieueffectrapport 2 februari 2023 / projectnummer: 3591
1
Advies over het MER in het kort De gemeente Waalwijk wil in 2030 minimaal de helft (215.500 megawattuur per jaar) van haar elektriciteitsgebruik duurzaam opwekken. Ze wil dit doen met een combinatie van zonne- en windenergie en zoekt daar ten noorden van de A59 ruimte voor. Voordat de gemeenteraad besluit over de plannen, worden de mogelijke gevolgen voor de omgeving onderzocht in een milieueffectrapport (MER). De gemeente heeft de Commissie gevraagd om te adviseren over de juistheid en volledigheid van het concept MER1. Later wordt de definitieve versie van het MER gepubliceerd, waarover de Commissie ook advies zal uitbrengen. De definitieve versie zal een uitgewerkt voorkeursalternatief bevatten.
Wat blijkt uit het MER? Hoewel de plannen ook zonnevelden mogelijk moeten maken, gaat het MER alleen in op windenergie. Dit is een wijziging van het MER ten opzichte van de eerder opgestelde notitie reikwijdte en detailniveau2. In het MER zijn voor het plaatsen van windturbines vijf thematische alternatieven onderzocht, te weten: energieopbrengst, leefomgeving, landschap, natuur en defensie. Uit het MER blijkt dat alle alternatieven, afgezien van de klimaatwinst, weinig positieve milieueffecten hebben. Er zijn met name negatieve effecten te verwachten op de aanwezige natuur, de waterveiligheid en de leefomgeving door geluid en slagschaduw van de windturbines.
Wat is het advies van de Commissie? De Commissie vindt het een grondig, gedegen en uitgebreid MER. Het MER geeft helder weer welke milieueffecten optreden en welke mogelijke locaties er zijn voor de plaatsing van windturbines. Desondanks signaleert de Commissie bij de toetsing van de tussenversie van het MER dat nog niet alle belangrijke informatie aanwezig is. Het aanvullen van die informatie in de definitieve versie van het MER is essentieel om het belang van de leefomgeving volwaardig mee te kunnen wegen bij het besluit over de ruimtelijke visie. Het gaat om het volgende:
De gehanteerde uitgangspunten voor de plaatsingszones ontbreken. Ook missen milieueffecten hiervan. Daardoor is onduidelijk of er ruimte is voor uitbreiding van, of uitwisseling tussen, de plaatsingszones.
Zonne-energie maakt geen onderdeel (meer) uit van het MER. Daardoor is geen inzicht in mogelijke (cumulatieve) effecten die kunnen ontstaan in samenhang met windenergie (bijvoorbeeld op landschap of aanwezige natuur). Ook ontbreekt zo inzicht in mogelijke andere verdelingen van zonne- en windenergie.
De maximale energieopbrengst per alternatief is niet onderzocht. Er is alleen gekeken naar de minimale opbrengst. Daardoor verschillen de alternatieven niet veel van elkaar.
Het is onduidelijk of negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten. Er is geen voortoets uitgevoerd. Daardoor is niet bekend of een Passende beoordeling moet worden opgesteld en is de uitvoerbaarheid van de alternatieven niet aangetoond. Ook de aard en omvang van effecten op vleermuizen en vogels is nog niet beschreven.
In hoofdstuk 2 licht de Commissie haar oordeel toe en geeft ze aandachtspunten voor het vervolgtraject. 1 2
PlanMER Grootschalige Opwek Duurzame Energie Waalwijk, Witteveen+Bos, 23-11-2022.
Grootschalige Opwek Duurzame Energie Waalwijk, notitie reikwijdte en detailniveau, 03-12-2021.
-1-
Figuur 1 - Zoekgebied voor windenergie. Bron: MER. Aanleiding MER Om het opwekken van duurzame energie mogelijk te maken zijn een bestemmingsplan (of structuurvisie) en omgevingsvergunningen nodig. De plannen stellen kaders voor m.e.r.(-beoordelings)plichtige projecten, zoals windturbineparken (categorieën C 22.2 en D 22.2 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage). Daarom stelt de gemeente Waalwijk een plan-MER op. Rol van de Commissie voor de milieueffectrapportage De Commissie is onafhankelijk, bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. Ze schrijft zelf geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. De gemeenteraad van Waalwijk besluit vervolgens over het plan om duurzame energie op te wekken. De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. De projectstukken, die bij het advies zijn gebruikt, zijn te vinden door nummer 3591 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.
2
Toelichting op het advies In dit hoofdstuk licht de Commissie haar oordeel toe en geeft zij adviezen voor de definitieve versie van het MER. Naar het oordeel van de Commissie is het uitvoeren ervan essentieel om het milieubelang volwaardig mee te wegen bij de besluitvorming door de gemeenteraad van Waalwijk.
2.1
Zonne-energie in MER en verhouding zon-wind In het MER is ervoor gekozen om alleen naar alternatieve locaties, groottes en effecten van windturbines te kijken. In de notitie reikwijdte en detailniveau, waarover de Commissie eerder een advies heeft uitgebracht3, werd nog uitgegaan van zowel zonne- als windenergie. Hoofdstuk 1 van het MER legt uit dat de scope is gewijzigd: uit een uitspraak van de Afdeling
3
Te raadplegen via https://commissiemer.nl/docs/mer/p35/p3591/a3591rd.pdf
-2-
bestuursrechtspraak van de Raad van State zou volgen dat zonnevelden niet m.e.r.-plichtig zijn. In bijlage 11 van het MER staat overigens wel een beknopte beschouwing van zonneenergie. De Commissie heeft een aantal opmerkingen over deze wijziging:
Met betrekking tot de m.e.r.-plicht van zonnevelden kan de genoemde uitspraak niet één-op-één vertaald worden naar de Waalwijkse plannen: o
Zonnevelden kunnen als landinrichtingsproject worden gezien (categorie D9 uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage). De uitspraak ging over een tijdelijk zonneveld van 4,3 hectare. De beoogde zonnevelden in Waalwijk zijn echter groter én permanent: maximaal 10 hectare per veld, in totaal 15 hectare.
o
Ook als deze categorieën hier niet van toepassing zijn, moet alsnog een planm.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd. Het plan is dan immers kaderstellend voor andere projecten dan die zijn genoemd in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage.4 Als daaruit alsnog blijkt dat de zonnevelden aanzienlijke milieueffecten hebben, geldt daar een plan-m.e.r.-plicht voor.
Als een Passende beoordeling noodzakelijk is5, geldt een plan-m.e.r.-plicht voor het gehele voornemen, dus zonne- en windenergie.
Door zonne-energie geen onderdeel van het MER te maken mist inzicht in mogelijke cumulatieve effecten van zonne- en windenergie op landschap en beschermde soorten.
Door het ontbreken van de effectbeoordeling voor zonne-energie wordt niet duidelijk of een andere verdeling van zon- en windenergie tot andere effecten leidt en of met alleen windturbines kan worden volstaan. Daarnaast is de verhouding tussen wind en zon ook van belang voor de inpassing in het elektriciteitsnet. De netbeheerder streeft in de regel naar 50% windenergie en 50% zonne-energie om tot een optimaal gebruik van de netcapaciteit te komen.
De gemeente Waalwijk geeft bovendien aan dat het MER een belangrijke functie heeft in de communicatie naar bewoners en belanghebbenden6. Daarom is het waardevol om in het MER ook de effecten van zonne-energie te beschrijven. Zie ook de figuur op de volgende pagina. Deze is afkomstig uit de communicatie van de gemeente waarin ze de relatie en de mijlpalen van het opwekken van zonne- en windenergie tot het milieueffectrapport visualiseert.
De Commissie adviseert om zonne-energie onderdeel uit te laten maken van het MER. Onderzoek de potentiële locaties en milieueffecten, ook in cumulatie met windenergie. Onderzoek verder of een andere verdeling tussen zon en wind mogelijk is en wat hiervan de effecten zijn (zie ook paragraaf 2.2 van dit advies).
4
Deze verplichting volgt nu al uit de Europese richtlijn 2001/42/EG voor de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van
5
De Commissie verwacht op basis van het MER dat een Passende beoordeling noodzakelijk is. Zie verder paragraaf 2.3.
bepaalde plannen en programma’s (SMB-richtlijn) en in de toekomst ook op grond van de Omgevingswet.
6
In haar brief aan de gemeenteraad schrijft het college van Waalwijk: “De reden dat wij de terinzagelegging van dit concept-
planMER als tussenstap in het planMER proces hebben ingebouwd is om de omgeving actief te betrekken bij de uitwerking en de uiteindelijke keuze van het voorkeursalternatief. Daarvoor is het belangrijk om de onderzoeksuitkomsten en de effectenanalyse van de verschillende alternatieven van tevoren te delen zodat we eventuele onvolkomenheden daarin kunnen oplossen alvorens het VKA vast te stellen.”
-3-
Figuur 2 – Zonne- en windenergie Waalwijk, onderzoek naar de milieueffecten (bron: Raadsbrief7).
2.2
Plaatsingszones en alternatieven Plaatsingszones De alternatieven zijn samengesteld op basis van een aantal plaatsingszones. Uit het MER wordt niet duidelijk welke uitgangspunten per plaatsingszone zijn aangehouden, zoals het maximaal aantal te plaatsen turbines, en welke milieueffecten per plaatsingszone te verwachten zijn. Ook ontbreekt een onderbouwing van de begrenzingen van de plaatsingszones en hoe deze zich verhouden tot de belemmeringenkaarten.8 De Commissie adviseert om in het MER de gehanteerde uitgangspunten van de plaatsingszones te beschrijven (voor bijvoorbeeld het aantal turbines en de begrenzingen). Onderzoek ook (op hoofdlijnen) de milieueffecten van deze zones en geef de eventuele uitbreidingsruimte aan.
Alternatieven In het MER worden vijf alternatieven onderzocht, waarbij in elk alternatief één thema vooropstaat:
Een maximale energieopbrengst
Zo min mogelijk impact op de leefomgeving (hier: geluidhinder, gezondheid en slagschaduw)
7 8
Zo veel mogelijk rekening houden met landschap
Zo veel mogelijk rekening houden met natuur
Rekening houden met de activiteiten van Defensie.
Raadsinformatiebrief planMER Grootschalige Opwek Duurzame Energie, kenmerk 2022-059549, d.d. 24-11-2022. Uit ingediende zienswijze(n) blijkt dat deze zorgen ook in de omgeving spelen.
-4-
De Commissie vindt de gekozen alternatieven zinvol. Het valt haar wel op dat er geen overzicht is van de maximale opwekpotentie van de alternatieven. Zie daarvoor paragraaf 2.3 (onderdeel energieopbrengst) van dit advies. Ook valt het op dat er voor het alternatief ‘maximale energieopbrengst’ geen gebruik is gemaakt van afgebakende plaatsingszones. Dit veroorzaakt een lastige vergelijking met de andere alternatieven (zo zijn er geen geluidsberekeningen). De Commissie adviseert om in het MER te beschrijven welke meerwaarde het alternatief ‘maximale energieopbrengst’ heeft. Onderzoek of door het kiezen van plaatsingszones de milieueffecten kunnen worden vergeleken met die van de andere alternatieven. De Commissie geeft in overweging voor dit alternatief bijvoorbeeld alle plaatsingszones van de overige alternatieven te hanteren.9 Voor het alternatief defensie valt op dat de mogelijkheden worden weergegeven als ‘niet wordt afgeweken van de voorschriften die Defensie stelt.’ Het MER maakt niet precies duidelijk om welke voorschriften dit gaat. Die informatie is wel belangrijk voor de afbakening van dit alternatief. De Commissie adviseert om in het MER duidelijk te maken of het bij het alternatief defensie uitsluitend om harde of ook zachte randvoorwaarden gaat (bijvoorbeeld onderhandelbare regels en voorschriften voor laagvliegroutes en oefengebieden).
2.3
Beoordeling van milieueffecten Geluid Bij het bepalen van zoekgebieden voor windturbines zijn afstanden aangehouden tot woningen om de geluidsbelasting te minimaliseren. Het gaat om 750 meter tot woningen in stedelijk gebied (en tot buurtschappen) en 400 meter tot bedrijfswoningen buiten deze gebieden. Dit is in lijn met de kadernota10. Deze afstanden zijn voldoende om bij woningclusters aan een norm te voldoen die lager ligt dan de vervallen norm uit het Activiteitenbesluit (Lden 47 dB). In het alternatief Leefomgeving is vervolgens een nog grotere afstand aangehouden (1000 meter tot stedelijk gebied en buurtschappen). Het MER loopt in haar alternatieven op verschillende wijzen vooruit op de mogelijkheid van molenaarswoningen die dichterbij windturbines mogen liggen.11 Daardoor ontstaan grotere plaatsingszones. De Commissie wijst erop dat niet alle woningen in het buitengebied in aanmerking (kunnen) komen als molenaarswoningen (waarvoor een binding met het windpark noodzakelijk is). Het ligt daarom meer voor de hand om de invloed van molenaarswoningen op de plaatsingsmogelijkheden pas te onderzoeken in het voorkeursalternatief. De Commissie adviseert om in het MER aan te geven welke extra zoekruimte ontstaat in het voorkeursalternatief als woningen in het buitengebied in of rond plaatsingszones worden aangewezen als molenaarswoningen.
9 10
Voor zover deze niet interfereren.
Kadernota Grootschalige Opwerk Duurzame Energie, te raadplegen via:
https://www.waalwijk.nl/_flysystem/media/kadernota grootschalige opwekduurzame energie versie 5.0.pdf 11
Zo vervalt in sommige alternatieven het 400 meter-criterium tot woningen in het buitengebied, terwijl dit in andere
alternatieven deels gebeurd (bij alternatief landschap) of niet gebeurd (in het alternatief leefomgeving)
-5-
Het valt de Commissie op dat bij de gekozen alternatieven zeven tot achttien12 woningen te maken krijgen met een hoge geluidbelasting. Daarvan is sprake bij 47 dB of meer en dit wordt beoordeeld als een sterk negatief effect. Omdat dit geldt voor alle alternatieven is het aspect geluid niet onderscheidend. De informatie over de geluidbelasting op woningen zoals gegeven in tabel 7.9 (op pagina 118 van het MER) geeft een goed beeld van de geluidsituatie maar komt niet terug in de scores van de alternatieven. Ook kennen de effectscores voor geluid een ruime bandbreedte: 40 tot 47 decibel wordt als negatief beoordeeld. De Commissie adviseert om in het MER bij het aspect geluid in de scoringscriteria een bandbreedte van aantal gehinderde woningen toe te voegen waarbij sprake is van een negatief effect. Daarmee ontstaat meer onderscheid tussen de alternatieven. Hanteer ook een minder ruime bandbreedte in de geluidbelasting onder de 47 dB (Lden). Dit kan bijvoorbeeld 40-45 decibel voor negatief en 45-47 decibel voor sterk negatief zijn13. Met voorbeeldopstellingen zijn voor de plaatsingszones (globale) geluidcontouren berekend voor de 40, 45 en 47 dB Lden-waarden. Dat is een worst-case benadering die met name aan de uiteinden van lijnopstellingen leidt tot een overschatting van de te verwachten geluidbelasting op de omgeving.
Door de afstand tot contouren bovendien vanaf de rand van de plaatsingszones aan te houden ontstaat – zeker bij de grotere locaties – een nog grotere overschatting van de te verwachten geluidbelasting op de omgeving. Daarnaast is onduidelijk hoe representatief het vermogen en het bijbehorende akoestische bronvermogen zijn van de gekozen voorbeeldturbines.14 De Commissie adviseert om de (voorbeeld)berekeningen voor geluid aan het MER toe te voegen. Leg uit waarom voor bepaalde turbinetypes is gekozen en wat deze keuze betekent voor de afstand tussen de rand van de plaatsingszone en de geluidcontour. Geef ook inzicht in de eventuele overschatting van de geluidbelasting op de omgeving15.
Energieopbrengst
Bij elk alternatief is aangegeven welke elektriciteitsopbrengst minimaal te verwachten is. Niet
duidelijk is of de gevonden plaatsingszones eventueel meer ruimte bieden. Met een maximale energieopbrengst per alternatief zijn de alternatieven beter met elkaar te vergelijken. Ook wordt daarmee duidelijk welke eventuele schuifruimte er binnen de plaatsingszones is. Zoals in paragraaf 2.1 wordt beschreven ontbreken de zonnevelden in de alternatieven. Hierdoor ontbreekt ook inzicht in mogelijke verhoudingen tussen zon en wind. Zo komt vijftien hectare aan zonne-energie (ongeveer) overeen met het plaatsen van één middelgrote windturbine. Mogelijke voordelen (of nadelen) voor de omgeving van een andere verhouding tussen zon en wind blijven nu buiten beeld. Dit kan ook van belang zijn voor bijvoorbeeld de netinpassing.
12 13 14
Dit volgt uit tabel 7.9 van het MER.
Dit sluit aan bij de WHO-(advies)normen waarnaar op pagina 94 van het MER wordt verwezen.
De akoestische bronvermogens van de grotere turbines (5-6 MW) zijn veelal niet hoger dan die van de middelgrote turbines
(4-5 MW). 15
Een berekening van de geluidcontouren op basis van een fictieve opstelling per plaatsingszone geeft weliswaar een
nauwkeuriger schatting van de te verwachten geluidbelasting, maar vergt een keuze in globale turbineposities die in deze fase nog niet mogelijk is.
-6-
De Commissie adviseert om in het MER per alternatief (ook) de maximale energieopbrengst te presenteren.
Natuur Uit de bijlage natuur (quickscan ecologie) van het MER blijkt dat de grootschalige opwek van (wind)energie ‘vooralsnog’ haalbaar is. Tegelijkertijd zijn conflicten met natuurbeschermingsregels niet met zekerheid uit te sluiten.
Natura 2000 Bij alle alternatieven speelt een potentieel risico op ontoelaatbare sterfte onder vogelsoorten die deel uitmaken van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Biesbosch. Het gaat om soorten die op enige afstand van het Natura 2000-gebied naar voedsel kunnen zoeken, waaronder in ieder geval bruine kiekendief en visarend. Een aanvullende notitie16 concludeert dat een significant negatief effect op het Natura 2000gebied ‘waarschijnlijk’ uitgesloten worden. In de notitie wordt wel aanbevolen om enkele voor deze soorten gevoelige locaties buiten het voorkeursalternatief te houden. De directe nabijheid van het stikstofgevoelige habitatrichtlijngebied Langstraat is ook een belangrijk aandachtspunt. Op dit gebied slaat al meer stikstof neer dan goed is voor de daar aanwezige natuur. De benodigde werkzaamheden voor de aanleg van de zonnevelden en windparken leiden mogelijk tot extra stikstofdepositie. De informatie die het definitieve MER moet bevatten hangt af van het besluit en de nadere beoordeling van de natuurgevolgen. Als in de structuur- of omgevingsvisie een locatie wordt vastgelegd, dan moet mogelijk een Passende beoordeling worden opgesteld. Dit is het geval als significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden niet kunnen worden uitgesloten.
De Commissie wijst erop dat mitigerende maatregelen alleen in de Passende beoordeling mogen worden betrokken bij de effectbeoordeling.17 Uit de wetgeving volgt dat een project of plan alleen doorgang kan vinden als de zekerheid wordt verkregen dat de natuurlijke kenmerken niet worden aangetast, of de ADC-toets met succes wordt doorlopen.18 Inzicht in de effecten op Natura 2000-gebieden is ook vereist om aan te tonen dat de verschillende alternatieven uitvoerbaar zijn binnen de kaders van de Wet natuurbescherming. Onderbouw in het MER of significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden met zekerheid kunnen worden uitgesloten. Op grond van de voorlopige informatie verwacht de Commissie dat die zekerheid niet kan worden gegeven zodat een Passende beoordeling moet worden opgesteld. De noodzaak van een Passende beoordeling moet blijken uit het definitieve MER. Verken de haalbaarheid van de ADC-toets als aantasting van natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet uit te sluiten is.
16
Mogelijke effecten van grootschalige duurzame energie Waalwijk voor de bruine kiekendief en visarend uit de Biesbosch,
Waardenburg Ecology, 21-12-2022. 17
Desalniettemin ondersteunt de Commissie de genoemde mitigerende maatregelen zoals brongerichte maatregelen om
additionele stikstofdepositie te voorkomen, stilstandvoorziening, positionering windturbines om barrièrewerking te beperken en het eventueel zwart verven van een rotorblad. 18
De ADC-toets bestaat op grond van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming uit de volgende vragen: A: is er een
alternatieve oplossing voorhanden? D: dient de activiteit een dwingende reden van groot algemeen belang? C: zijn compenserende maatregelen mogelijk om de gevolgen teniet te doen?
-7-
Natuurnetwerk Brabant (NNB) De alternatieven Energieopbrengst, Leefomgeving en Defensie hebben mogelijk ontoelaatbare gevolgen voor de ecologische kenmerken en waarden van het NNB. De Commissie volgt de conclusie dat de ‘nee, tenzij-toets’ in de interim-omgevingsverordening moet worden doorlopen als aantasting van de ecologische kenmerken en waarden van het NNB niet kan worden uitgesloten. Hierbij is een belangrijk aandachtspunt dat in een MER, voor een volledig beeld van de aanzienlijke milieueffecten, ook rekening gehouden moet worden met externe werking. De reikwijdte van deze toets kan afhangen van de doelsoorten die gekoppeld zijn aan de natuurbeheertypen19. De Commissie adviseert in het MER te onderbouwen dat de ecologische kenmerken en waarden niet worden aangetast, rekening houdend met externe werking. Neem een aanzet voor een nee, tenzij-toets op in het planMER als aantasting niet wordt uitgesloten.
Beschermde soorten Het MER concludeert dat de gevolgen voor vleermuizen en vogels nog niet beoordeeld zijn, omdat er geen reproduceerbare kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn. De Wet natuurbescherming staat geen verslechtering van de staat van instandhouding van vleermuizen en vogels toe. Sterfte door aanvaring, barrièrewerking en aantasting van leefgebieden (al dan niet in cumulatie)20 zijn daarbij belangrijke aandachtspunten. Voor een nadere beoordeling is daarom terecht veldonderzoek naar vleermuizen en wintervogels in gang gezet. De Commissie ondersteunt de aanpak om gebiedsinventarisaties van vleermuizen en overwinterende vogels uit te voeren en adviseert die informatie te betrekken bij de beoordeling van de gevolgen voor de staat van instandhouding. Ook adviseert de Commissie om in het voorjaar van 2023 een broedvogelinventarisatie uit te voeren, gericht op onder andere weidevogels21. Landschap
Mogelijkheden voor landschappelijke inpassing zon De inpassingsprincipes voor zon uit de regionale energie- en klimaatstrategie zijn in de kadernota opgenomen.22 Er zijn onder andere maatregelen genoemd ‘om natuur te versterken’. Zo stelt de kadernota voor om rondom zonnepanelen planten en structuren voor dieren te plaatsen. En in het kader van meervoudig ruimtegebruik wordt voorgesteld om zonnevelden te combineren met fruitteelt of te laten begrazen door geiten of schapen.23 Ook wordt in de kadernota genoemd dat zonnevelden aansluiten op bestaand stedelijk gebied ten noorden van de A59. Met een goede landschappelijke inpassing kunnen mogelijke negatieve effecten op het landschap verzacht worden. Belangrijke uitgangspunten daarbij zijn: ‘mate van
19 20 21 22 23
Zie ook: https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-en-landschap/ Zie ook de zienswijze van de Brabantse milieufederatie.
Zie ook de zienswijze van de Weidevogelbeschermingsgroep Waalwijk.
Bijlage 11 in het MER geeft inzicht in randvoorwaarden voor een goede landschappelijke inpassing van zonnevelden
Naast deze randvoorwaarden geeft de Commissie in overweging om natuurcompensatie te koppelen aan de ontwikkeling
van zon in het buitengebied. Dit kan bijvoorbeeld door bij het realiseren van een zonneveld een gelijk oppervlak van het
boerenland om te vormen naar natuurinclusieve landbouw. Het verlies aan groene ruimte wordt zo deels gecompenseerd en er ontstaat meer biodiversiteit.
-8-
(on)zichtbaarheid’, ‘zomer- en winterbeeld’, ‘beschikbare ruimte om duurzame groenstructuren aan te kunnen leggen’, ‘bijdrage aan biodiversiteit’ et cetera.
Visualisaties van zonnevelden en windturbines Om de plaatsing van zonnevelden en windturbines te kunnen beoordelen zijn 3Dvisualisaties noodzakelijk. Voor zonnevelden kunnen afhankelijk van de ligging de effecten op het landschap sterk verschillen. Aandachtspunt hierbij is dat de werking van eventuele inpassingsmaatregelen duidelijk onderbouwd en zichtbaar gemaakt zijn. Maak visualisaties vanaf ooghoogte, van dichtbij en van grotere afstand, vergezeld van een beschrijving van het beeld. Ga hierbij uit van posities waar het zonneveld maximaal zichtbaar is. Belangrijk is dat een beeld beschikbaar is:
Van het landschap voor de ingreep
Van het landschap als het zonneveld gerealiseerd is
Na (bijvoorbeeld) vijf jaar na aanleg om de landschappelijke inpassing met groenstructuren zichtbaar te maken
De Commissie adviseert om in het MER duidelijk te beschrijven hoe zonnevelden landschappelijk ingepast worden. Ga daarbij ook in op wat het effect van inpassing zal zijn na een aantal jaren.24 Gebruik hierbij fotorealistische 3D-visualisaties en gebruik die ook om de landschappelijke effecten van zonne- en windenergie te onderzoeken en te presenteren. Maak de visualisaties zowel voor alle alternatieven als voor het voorkeursalternatief.
24
Denk hierbij aan de groeisnelheid van bomen en struiken.
-9-
BIJLAGE 1: Projectgegevens toetsing Toetsing door de Commissie
De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep beoordeelt of het MER de benodigde milieu-informatie bevat en of deze juist is. Als er informatie ontbreekt of
onjuist is, beoordeelt de Commissie of zij die essentieel vindt. Dat is het geval als aanvullende informatie in haar ogen kan leiden tot andere afwegingen. Dan adviseert de Commissie de
ontbrekende of gecorrigeerde informatie alsnog beschikbaar te stellen, voordat het besluit
wordt genomen. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website.
Samenstelling van de werkgroep Bij dit project bestaat de werkgroep uit: Wouter Berendsen MSc (secretaris) ir. Peter van der Boom MA dr. Theo Fens ing. Caspar Slijpen ir. Kees Slingerland (voorzitter) ing. Rob Vogel Besluit waarvoor dit milieueffectrapport is opgesteld Structuur- of omgevingsvisie. Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld? Voor activiteiten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een MER vereist zijn. De bijlagen C en D bij het Besluit milieueffectrapportage geven aan om welke activiteiten het gaat. Voor deze procedure gaat het in ieder geval om het oprichten van een windturbinepark (activiteit C22.2). Bevoegd gezag besluit Gemeenteraad van Waalwijk. Initiatiefnemer besluit College van burgemeester en wethouders van Waalwijk. Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken? De Commissie heeft alle zienswijzen en adviezen gelezen die het bevoegd gezag tot en met 9 januari 2023 heeft toegestuurd. Ze heeft ze in haar advies verwerkt, voor zover relevant voor het MER. Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft beoordeeld? U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3591 in te vullen in het zoekvak.