40 Bijlage Inspreekverslag S van Dun inz. Nieuwevaart 89-93 dd 19 januari 2023
Tekst van het document
Dank u voorzitter. U kunt mijn rede zien als aanvulling op mijn eerder ingediende formele zienswijze. Aangezien ik zie dat de impact van deze zienswijze afneemt met de factor tijd, voel ik mij genoodzaakt eerst de argumenten van die zienswijze kort te herhalen. Er zijn immers weer ruim 4 maanden verstreken. Allereerst verzet ik mij tegen dit gewijzigde bestemmingsplan omdat de geplande woning aan de 1e Wittedijk niet past in de stedenbouwkundige opzet. Het leidt tot een verstoring van de bestaande lintbebouwing en het geeft een aanzet voor nieuwe lintbebouwing aan de noordzijde van de 1e Wittedijk. Als tweede argument heb ik genoemd dat er sprake lijkt van grove willekeur bij het toekennen van de compensatie voor de familie Hoefnagel voor het beëindigen van het melkveebedrijf. De omvang van de compensatie is niet op enig beleid gestoeld en het is sowieso de vraag waarom Hoefnagel gecompenseerd moet worden door de gemeente. Deze punten zouden bij u moeten resoneren omdat ik ervan uitga dat de gemeenteraad het bestemmingsplan beoordeelt vanuit het algemeen maatschappelijk belang. En vanuit het algemeen belang heeft deze bestemmingsplanwijziging geen enkele betekenis. Er is namelijk vanuit het algemeen belang geen aanleiding geweest om het bestemmingsplan te wijzigen, dit is alleen gedaan vanuit het belang van de familie van de initiatiefnemer.
De betekenis voor het algemeen belang betreft louter het verkrijgen van de stikstofrechten. Hoewel de gemeente betoogt dat dit los staat van de bestemmingsplanwijziging, is het overduidelijk dat deze zaken wel degelijk aan elkaar zijn gekoppeld. Het gebezigde woord ‘compensatie’ in de anterieure overeenkomst is hier het bewijs van. Waarom zou de gemeente anders mee willen werken aan een plan dat het belang van de ene burger dient, maar evident ten koste gaat van het belang van een andere burger? Tijdens de vorige inspreekavond werd dit helder omdat enkele leden uit uw Raad letterlijk zeiden dat zij zich met de rug tegen de muur voelen staan. Ik wijs er nogmaals op dat onduidelijk is en blijft in welk licht sprake zou zijn van compensatiewoningen en wat daarvan de juridische grondslag is. Tot zo ver een samenvatting van de eerder ingezonden zienswijze. Inmiddels, en dat is aanvullend ten opzichte van onze zienswijze, is ons nog duidelijker geworden dat deze bestemmingsplanwijziging in strijd is met het gemeentelijk beleid. Daarvoor neem ik u mee in wat ik sinds 15 september heb ondernomen.
Op grond van eigen ervaringen in het verleden met het realiseren van een bouwplan voor ons perceel aan de Nieuwevaart 109, wat ambtelijk besproken is maar niet haalbaar werd geacht, leek het mij zinvol een WOO-verzoek aan de gemeente te richten. Ik heb daarbij gevraagd naar alle ingediende verzoeken om een bestemming te wijzigen van agrarisch naar woonbestemming in het buitengebied van Sprang-Capelle in de afgelopen 15 jaar. In bijlage 2 treft u een overzicht. Dat bleken er 15 te zijn. Van deze 15 verzoeken zijn 9 verzoeken afgewezen met als argument ‘geen verstening in het buitengebied’, "doorbreekt het lint" of eenvoudigweg "de bestemming agrarisch staat geen burgerwoningen toe". Van de zes toegestane verzoeken hadden er twee betrekking op het omzetten van de bestemming "agrarisch" naar "tuin" en zijn daarmee dus niet vergelijkbaar met de onderhavige casus. De overige vier werden alleen toegestaan onder voorwaarde dat voldaan zou worden aan de provinciale ruimte-voor-ruimte regeling. Deze regeling stelt strikte eisen aan de verhouding tussen de hoeveelheid stalruimte die gesloopt wordt en de hoeveelheid woningbouw die er voor terug mag komen. Tevens moet er €125.000,- excl. BTW per bouwtitel betaald worden.
Onze juridisch adviseur heeft ons er in het bijzonder op gewezen dat dit bestemmingsplan niet is getoetst aan de regels voor ruimte-voor-ruimte zoals artikel 3.79 van de Interim omgevingsverordening (‘IOV’). Waarom wordt deze eis om aan de ruimte-voor-ruimte regeling te voldoen, niet ook aan de initiatiefnemer van dit plan gesteld? Waarom wordt er met dit initiatief evident anders omgegaan dan met alle verzoeken vanaf heden tot 15 jaar terug? Ook het feit dat ambtelijk is uitgesproken dat een solitaire aanvraag voor de omzetting van agrarische bestemming naar woonbestemming voor het kavel aan de Eerste Wittedijk op die plek nooit zou worden gehonoreerd, geeft aan dat de gemeente in strijd handelt met het eigen beleid. Daarnaast past het ontwerpbestemmingsplan ook niet in het provinciale kader, namelijk de IOV, en de Structuurvisie Waalwijk. Dit omdat het huidige bestemmingsplan (‘Bestemmingsplan Buitengebied’) op perceel 533 en 534 (het beoogde bouwvlak aan de 1 e Wittedijk) de enkelbestemming ‘agrarisch’ heeft, geen bouwvlak bevat en gebouwen uitsluitend zijn toegestaan binnen het bouwvlak (zie artikel 3.1 (bestemmingsomschrijving) en artikel 3.2.1 onder c van het Bestemmingsplan Buitengebied). Ik wijs specifiek naar de instructieregels aan gemeenten voor bestemmingsplannen in artikel 3.42, artikel 3.5 en artikel 3.6 van de IOV, en specifiek voor zorgvuldig ruimtegebruik.
In de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan (zie pagina 23-24) wordt alleen gesteld dat sprake is van afname van het ruimteslag (in verband met de sloop van de stallen) en dat daarmee wordt voldaan de zorgplicht voor de ruimtelijke kwaliteit zoals beschreven in artikel 3.6 van de IOV. Niet is gebleken dat is
getoetst en wordt voldaan aan artikel 3.6 lid 1 onder c van de IOV, te weten dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. In de IOV wordt immers onder ‘bouwperceel’ verstaan: “aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd, en dat bestaat uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan;”.
De toelichting bij de IOV bepaalt verder: “Een ander aspect van zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt dat gebouwen, bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen het bouwperceel. Het is niet wenselijk dat overal ‘los’ in het landelijk gebied dergelijke voorzieningen worden opgericht. Juist daarom kent de verordening het begrip bouwperceel. Dit biedt ruimte aan de gemeente om binnen een bouwperceel onderscheid te maken in bijvoorbeeld een gedeelte waar alleen bouwwerken zijn toegestaan, zoals permanente teeltondersteunende voorzieningen, en een gedeelte waar het bouwvlak ligt ten behoeve van het oprichten van gebouwen. Overigens zijn in veel gevallen de omvang van het bouwperceel en het bouwvlak gelijk. Met name in de land- en tuinbouw of bij sommige recreatiebedrijven waar slechts op een beperkt deel van een bouwperceel gebouwen staan, is het gewenst of nodig onderscheid te maken.”.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1529, die voor toepassing van het criterium ‘bestaand bouwperceel’ in artikel 3.73 van de IOV toetst aan het voorgaande bestemmingsplan: “Het begrip "bestaand bouwperceel" moet naar het oordeel van de Afdeling, gelet op de definitie van "bestaand bouwperceel" in artikel 1 van de IOV, gelezen in samenhang met de daarin opgenomen definities van "bouwperceel" en "bouwvlak", zo worden uitgelegd, dat niet is vereist dat in het voorgaande bestemmingsplan een bouwvlak is opgenomen. Zoals de raad terecht stelt, is op grond van de definities in de IOV slechts van belang of binnen een bepaald vlak gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, waren toegelaten. Wanneer in het geldende bestemmingsplan was bepaald dat ook zonder bouwvlak gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn toegelaten, kan dus sprake zijn van een "bouwvlak" als bedoeld in de IOV. Wel is, gelet op de definitie van "bestaand bouwperceel", vereist dat de gezamenlijke oppervlakte die het geldende bestemmingsplan voor het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken toelaat, meer dan 100 m2 bedraagt. Als wordt voldaan aan deze voorwaarden is sprake van een bestaand bouwperceel, waarbij artikel 3.73 van de IOV kan worden toegepast.”.
De Structuurvisie Waalwijk 2025 (pagina 92-93) benadrukt verder ook dat overige (nieuwe) woningbouwlocaties vraaggericht worden ontwikkeld volgens de duurzaamheidsladder en thematisering. Vraaggericht wil zeggen dat sprake moet zijn van bouwen voor de échte vraag in de markt, welke blijkt uit (regionaal) onderzoek. Ook wordt aangegeven dat, gezien de demografische ontwikkelingen en de geraamde woningbehoefte, het niet nodig is om geheel nieuwe locaties aan te wijzen, ook niet voor de lange termijn. In de dorpen en wijken zal sprake zijn van een beperkte groei die voorziet in de opvang van de eigen, lokale behoefte. Hoe strookt de de beoogde woning aan de 1e Wittedijk met deze uitgangspunten? Hoe wordt immers de échte vraag in de markt hier bediend,
mede in relatie tot het mogelijk maken van onder meer twee compensatiewoningen in verband met de sanering van de veehouderij? Ook de toetsing aan de geurwetgeving is onvoldoende conform de vereisten uitgevoerd. Het gaat dan om de vragen: a) Is ter plaatse van de beoogde woning aan de 1 e Wittedijk een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object)? b) Wordt overigens niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden)? Ik verwijs onder meer naar de Handreiking Geurhinder en Veehouderij. Zo is alleen gebruik gemaakt van de kaart ‘Achtergrondbelasting Geur’ en is niet inzichtelijk gemaakt waarom de achtergrondgeurbelasting maatgevend zou zijn in dit geval. Ook wijs ik op de gehanteerde geurnorm (buiten de bebouwde kom) gelet op de aanwezige bebouwing en de aanduiding ‘Stedelijk gebied’ in de IOV.
Het moge duidelijk zijn dat de gemeente met dit bestemmingsplan geheel voorbij gaat aan het belang van mij en mijn gezin. En daar verzet ik mij tegen, hier en nu tijdens deze inspreekavond en zo nodig via een juridisch traject richting de Bestuursrechter. Het gevolg zal zijn dat de initiatiefnemer, ongeacht de uitkomst, voorlopig nog niet kan bouwen. Ik vind dat heel vervelend maar ik ben van mening dat wij er alles aan hebben gedaan om in dialoog tot een oplossing te komen. Dat vind ik voor óns heel vervelend. Door de afwachtende houding van de gemeente en de onwil van de initiatiefnemer en zijn adviseur om met ons naar een alternatief te zoeken, voelen wij ons niet gehoord. Ik roep de gemeenteraad dan ook op om tegen deze bestemmingsplanwijziging te stemmen.
Bijlage – artikelen 3.42, 3.5 en 3.6 van de Interim Omgevingsverordening “Artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1 Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2 Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik , waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Lid 3 Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen op een bedrijventerrein, bevat het bestemmingsplan regels over: a. een bij de aard van het bedrijventerrein en de toe te laten functies passende kavelomvang; b. het beperken van ontwikkelingen die een effectief gebruik van het bedrijventerrein beperken, waaronder: 1. bedrijfswoningen; 2.
bedrijven die doelmatig gevestigd kunnen worden in gemengde gebieden tenzij deze bedrijven concept-versterkend werken en geclusterd worden; 3. voorzieningen die gelet op hun publieksaantrekkende werking thuishoren in centrumgebieden tenzij deze concept-versterkend werken en geclusterd worden. Artikel 3.5 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Lid 1 Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Lid 2 Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie. Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1 Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan;
b. c.
bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel.
Lid 2 Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel.”.
Bijlage 2: overzicht aanvragen wijziging agrarische bestemming.