1 T. Weijters Reactie nav beantw Art. 47 vragen dd 10.11.2023 namens College
Tekst van het document
Waalwijk, 16 november 2023 ter attentie van de leden van de gemeenteraad van Waalwijk en fractievolgers CC : van het college van B&W Van : Theo Weijters, medeburger van de gemeente Waalwijk
Geachte dames en heren, Inmiddels zult u net als ik kennisgenomen hebben van de beantwoording namens het college van B&W op de door de fractie van de ChristenUnie op 2 oktober 2023 gestelde schriftelijke Artikel 47-vragen m.b.t. de financiële situatie van het Schoenenkwartier. En ongetwijfeld zult u - verwijzend naar mijn eerdere e-mail van 01.11. jl. - hebben vastgesteld dat de beantwoording van de betreffende 16 gestelde vragen niet binnen de afgesproken termijn van maximaal 30 dagen heeft plaatsgehad → zonder enige berichtgeving vooraf heeft het college 38 dagen genomen om tot beantwoording over te gaan! Mijns inziens zou de manier van antwoorden namens het college bij elk zichzelf respecterend raadslid toch zeker aanleiding moeten geven om daarop te reageren. Zelf ben ik als politiek geïnteresseerde kritische burger in ieder geval al langer absoluut niet te spreken over de houding die het college van Waalwijk veelal bij de beantwoording van schriftelijk gestelde Artikel 47 vragen kennelijk meent te kunnen aannemen. Het college doet er naar mijn mening goed aan om daarbij ten opzichte van de vragensteller en de overige leden van de gemeenteraad respectvoller te werk te gaan. Op de eerste plaats gebeurt het namelijk regelmatig dat de in het ‘Reglement van orde voor de werkzaamheden van de raad’ gemaakte afspraken door het college niet worden geëerbiedigd.
Zoals ik u heb laten zien, werd gedurende de periode van januari t/m oktober 2023 liefst in 40% van de gevallen - zonder enige berichtgeving vooraf - pas geantwoord nadat de gebruikelijke termijn “binnen 30 dagen nadat de vragen zijn ingediend” was verstreken! En wanneer er vervolgens alsnog wordt geantwoord, dan gebeurt dat N.B. zonder enig excuus alsof er niets aan de hand is! Tevens is het als beschamend te kwalificeren dat bij de beantwoording niet zelden de indruk wordt gewekt dat wordt geprobeerd om de moeilijkheid te omzeilen of er om de hete brij heen wordt gedraaid. Dat zal bij menig raadslid, fractievolger en burger het gevoel kunnen oproepen te worden belazerd! Onderstaand wil ik u daarom als eerste daarvan als sprekend voorbeeld het antwoord op vraag 2 geven, waarna ik tevens nader op de beantwoording van enkele andere vragen zal ingaan. Het antwoord op vraag 2 dient wel in combinatie gelezen te worden met vraag 4 die reeds op 23 februari 2023 door de fractie van ChristenUnie werd gesteld en in eerste instantie op 22 maart 2023 namens het college als volgt werd beantwoord: “Als het contract (met de voormalig directeur) wel was verlengd, hadden niet alle kosten gemaakt hoeven worden.
De overuren zouden dan bijvoorbeeld niet uitbetaald worden, maar worden opgenomen als vrije dagen.” Bovendien moet ook de op 17 augustus 2023 door de fractie van ChristenUnie gestelde vraag 2 erbij betrokken worden. Het antwoord op de vraag of de eerder aangehaalde kosten i.v.m. het vertrek van de voormalig directeur niet ten laste van de exploitatie 2022 zijn gebracht, omdat het anders een klein tekort was geworden en/of het incidentele krediet lager was uitgekomen, is - opnieuw ruim na het verstrijken van de afgesproken termijn - op 19 september 2023 in tweede instantie namens het college het volgende twijfelachtige antwoord gegeven: “Er was in de exploitatie onvoldoende ruimte om deze kosten op te vangen.” Op 10 november jl. volgt dan het antwoord n.a.v. de op 2 oktober 2023 gestelde vraag 2. Kort en krachtig werd in derde instantie namens het college toen eindelijk als volgt een - overigens nog slechts deels verhelderende - reactie gegeven → “Dat klopt, echter kon dit niet gedragen worden.” Feitelijk komt dit antwoord erop neer dat er willens en wetens - maar wel volslagen onterecht - al zeer snel op 4 januari 2023 via het ‘Brabants Dagblad’ naar buiten werd gebracht dat het Schoenenkwartier het jaar 2022 met een beperkt overschot van € 3.000 heeft afgesloten. Dat werd later nog eens in een raadsvoorstel - dat op 2 februari 2023 op de raadsagenda stond - bevestigd.
Citaat: “Het Schoenenkwartier heeft in het openingsjaar, ondanks het uitstel tot juni, de reguliere exploitatie rond weten te krijgen en verwacht op een saldo van + € 3.000 uit te komen.” - pagina 1 van 3 -
Die informatie staat letterlijk vermeld in het weliswaar niet van een datum maar wel van het dossiernummer 2022-062859 voorziene raadsvoorstel met als onderwerp “Incidenteel tekort Schoenenkwartier / Onttrekking reserve”. Wat tekstueel feitelijk nog als verwachting diende te worden beschouwd, leidde desalniettemin meteen al tot het volgende citaat: “Ondanks een half jaar minder inkomsten dan verwacht, is het gelukt om niet te eindigen met een negatief saldo.” Verder ontstaat bij het lezen van bovenstaande tekst uit het raadsvoorstel nog de vraag wat precies met een reguliere exploitatie wordt bedoeld: gaat het dan al dan niet om een gebruikelijke / gangbare manier om het museum met winst draaiende te houden en die niet is gericht op speciale doelgroepen? Zo nee, wat wordt dan ermee bedoeld? Hoe dan ook, met het op 10 november jl.
gegeven antwoord op vraag 2 wordt door het college eindelijk bevestigd dat er over het jaar 2022 in werkelijkheid niet van een positief saldo maar van een tekort sprake is! Echter daarmee wordt nog steeds geen concreet antwoord gegeven op de vraag hoe groot het feitelijke tekort van het museum is geweest over 2022! Zo dient het college toch niet met de raad én met de burgers van Waalwijk, Sprang-Capelle en Waspik om te gaan! Maar ook het antwoord op vraag 1 verdient allerminst de schoonheidsprijs! Integendeel, eerst en vooral werd door het college - ná het bericht van het Schoenenkwartier - aan de raad geen enkele mededeling gedaan over het niet tijdig gereed zijn van het jaarverslag. Voor de raad is onbekend gebleven wanneer die melding door het Schoenenkwartier is gedaan. En ook naar de werkelijke reden waarom namens het college uitstel is verleend, blijft het tot dusverre gissen. Om nu een miscommunicatie als excuus aan te voeren voor het uitblijven van de jaarrekening 2022, komt bij mij in ieder geval niet erg geloofwaardig over! Reeds op 9 juli 2023 heb ik uit de reactie van de portefeuillehouder begrepen dat de vraag, of de gemeenteraad een jaarverslag over 2022 van het Schoenenkwartier had ontvangen, was gesteld.
Het antwoord op die vraag is geweest dat het Schoenenkwartier bezig was met afrondingswerkzaamheden aan het jaarverslag, waarna het - bij binnenkomst bij de gemeente - met de raad gedeeld zou gaan worden. Aanvullend werd nog bevestigd dat er op verzoek van het Schoenenkwartier voor het aanleveren van het jaarverslag uitstel werd verleend tot 1 augustus 2023 ¹), terwijl daarvoor normaal gesproken als deadline 1 mei 2023 zou gelden en wel als bijlage bij het verzoek tot subsidievaststelling. Echter geen enkele informatie over de jaarrekening 2022. Noot: ¹) Op www.belastingdienst.nl wordt aangegeven dat een ANBI [Algemeen Nut Beogende Instelling] de financiële verantwoording binnen 6 maanden na afloop van het boekjaar [looptijd van 01.01. t/m 31.12.] moet publiceren op zijn website óf op een gemeenschappelijke website [bijvoorbeeld van een branche-organisatie].De website van elke ANBI staat op de website van de belastingdienst vermeld, alsmede het RSIN-nummer [Rechtspersonen en Samenwerkingsverbanden Informatie Nummer = fiscaal nummer].
Op 24 augustus 2023 heb ik desgevraagd van de portefeuillehouder alvast het jaarverslag toegezonden gekregen, met daarbij de melding dat het stuk ook met de raad gedeeld gaat worden. Dat is een dag later gebeurd. Bovendien werd door de wethouder op 24.08. nog medegedeeld dat hij die dag van de betrokken ambtenaar had begrepen dat het Schoenenkwartier de verplichte gegevens behorend bij de ANBI-status binnenkort gaat actualiseren op hun website. Dat was er inderdaad nog niet van gekomen helaas. Overigens werd het betreffend stuk op 24.08. nog onder de titel ‘Jaaroverzicht 2022’ verzonden, maar zoals ik u in de e-mail van 19 september 2023 liet weten, werd die naam later gewijzigd in ‘Jaarverslag 2022’. In diezelfde e-mail treft u tevens correspondentie aan met de directie van het Schoenenmuseum. Citaat: “Het jaarverslag kent namelijk slechts een zeer beperkt verslag m.b.t. de financiële verantwoording over de periode t/m 31 december 2022. Om een aardig beeld van de financiën te kunnen krijgen en de jongste antwoorden van het College (d.d. 19.09.) te verklaren, is toch echt de jaarrekening nodig. U schrijft m.b.t. de jaarrekening 2022 dat deze inclusief het verslag van het bestuur op aanvraag beschikbaar is bij het Schoenenkwartier.
Hierbij dient ondergetekende derhalve officieel bij u de aanvraag in om de betreffende stukken voor mij beschikbaar te stellen.” De jaarrekening 2022 inclusief het bestuursverslag zijn de volgende dag aan mij ter beschikking gesteld.
- pagina 2 van 3 -
Nadat door de directie van het Schoenenmuseum tevens duidelijk gemaakt was dat er met betrekking tot de jaarrekening sprake is van 1. een exploitatiebudget gedurende de periode tot aan de opening van het museum en van 2. een exploitatiebegroting vanaf de opening t/m 31 december 2022, bleven er nog navolgende vragen openstaan: of aan de gemeenteraad al dan niet van beide stukken inzage werd gegeven? Zo ja, wanneer is dat dan gebeurd en is dat wellicht op verzoek van een fractie gedaan? Zo nee, waarom is het niet gebeurd? Op 14 oktober 2023 gaf de portefeuillehouder onderstaande reactie: “Deze stukken worden niet gedeeld met de gemeenteraad. Het is de taak van de raad om kaders te stellen, dat doen ze in dit geval met name via cultuurbeleid en de verordening maatschappelijke ondersteuning (waarin subsidie zijn geregeld). Mocht er extra geld nodig zijn worden daar separate voorstellen voor ingediend met de benodigde onderbouwing uiteraard. De uitvoering van deze beleidsstukken zijn belegd bij het college, die daarover in algemene zin (bijvoorbeeld in de jaarrekening) verantwoording over aflegt.
Dat gebeurt niet op dossier niveau, tenzij de raad daar expliciet om vraagt.” Bij de beantwoording van vraag 5 wordt namens het college - om onbekende reden ? - niet concreet aangegeven hoe het bedrag van de huur precies is opgebouwd en waarom dat t/m december 2026 is vastgelegd, terwijl het bouwkrediet, waarop de huur zou zijn gebaseerd, nog niet was afgesloten! Bij vraag 6 wordt namens het college gesteld dat de situatie m.b.t. het blijven huren van het voormalige pand van het Schoenenmuseum aan de Elzenweg 25 niet vergeleken kan worden met een particuliere verhuur. De kwaliteit en staat van dit gebouw lieten niet toe het voor een andere gebruiker in te zetten. Die conclusie had echter al veel eerder getrokken kunnen worden en dan hadden de plannen voor de sloop eveneens veel eerder in gang gezet kunnen worden! Voor de opgeslagen spullen had dan wellicht eerder een andere bestemming gezocht en gevonden moeten worden. In het raadsvoorstel met dossiernummer 2023-044372 en het onderwerp “Sloop van het gebouw” - dat op de agenda van de raadsvergadering van 26 oktober 2023 werd geplaatst - wordt door het college aangegeven dat betreffend pand sinds half 2023 leeg staat. Niet werd weergegeven waarom daarmee zo lang gewacht zou moeten worden! De antwoorden op vraag 7 én vraag 10 dienen in combinatie met vraag 6 en het antwoord daarop worden gezien.
Feitelijk had namelijk namens het college geheel transparant geantwoord moeten worden dat de huurverlaging naar de minimale onderhoudskosten ter grootte van € 8.000 niet conform het huurcontract met de gemeente was. Dat die forse huurverlaging ambtelijk ofwel uit hoofde van een bepaalde functie is afgesproken, houdt nog niet automatisch in dat daarmee juist werd gehandeld. In het antwoord op vraag 7 wordt namens het college immers de werkelijke reden voor de genomen beslissing gegeven: “Het Schoenenkwartier had op dat moment nog geen depot voor de opslag van diverse spullen en de collectie.” Ten aanzien van het antwoord op vraag 8 ga ik ervan uit dat de spelregels die met de gemeenteraad zijn gemaakt over een dergelijke huurverlaging alsnog door de fractie van ChristenUnie nader kunnen worden aangeduid, opdat het college alsnog gaat toetsen of daarmee al dan niet werd voldaan aan de Wet Markt & Overheid. Met het antwoord van het college op vraag 11 kan m.i. niet anders worden geconcludeerd dan dat m.b.t. de (mede)verantwoordelijkheid voor de gang van zaken van het schoenenmuseum dit - hoe zeg je dat enigszins opbouwend, gericht op constructief samenwerken en een positief resultaat? - op een zeer af te keuren manier wordt afgedaan.
Vragen om substantiële financiële middelen kunnen simpelweg niet los worden gezien van de reeds aan dezelfde gesubsidieerde partner verleende zeer forse subsidie! Ook het antwoord van het college op vraag 12 valt niet als naar behoren te kwalificeren en dient in combinatie met het antwoord op vraag 11 gezien te worden! Bij het antwoord van het college op vraag 13 valt allereerst op dat wordt verwezen naar het pand aan de Elzenweg 25. Echter bij de antwoorden op de vragen 3, 4 en 6 t/m 10 is daaromtrent niets vermeld. Voorts is het merkwaardig dat er kennelijk geen gespecificeerd overzicht gemaakt is - of zelfs niet gemaakt zou kunnen worden ?! - van de aan de diverse gebruikers en huurders toegerekende of toe te rekenen kosten voor energie! Ook het antwoord op vraag 14 dient hierbij te worden betrokken. Weliswaar wordt over een saldering over eerdere jaren gesproken en is geconcludeerd dat het opgenomen bedrag niet extreem afwijkend zou zijn. Maar waarom werd daarbij het overzicht van die saldering niet gegeven? - pagina 3 van 3 -