Verordening VHO 2021.pdf
Tekst van het document
Als sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in de oppervlakte die sterk afwijkt van de sinds 1 januari 1997 gerealiseerde schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling van een fictieve bruto vloeroppervlakte als grondslag voor de capaciteitsbepaling.
A.1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard De capaciteit van dislocaties wordt overeenkomstig bijlage III, deel E, vastgesteld.
A.1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties Als een schoolbestuur voornemens is een hoofdvestiging, nevenvestiging of dislocatie af te stoten, wordt in overleg met het college vastgesteld welk gebouw wordt afgestoten.
A.1.4 Terrein Het terrein omvat het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster. Als de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.
A.1.5 Inventaris Voor de inventaris geldt als uitgangspunt dat op 1 januari 2015 alle scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende onderwijsleerpakket en meubilair en leer- en hulpmiddelen. De bruto vloeroppervlakte van de school is de basis voor het vaststellen van de omvang van de aanwezige inventaris.
A.1.6 Lokalen bewegingsonderwijs A.1.6.1 Lokalen bewegingsonderwijs. De capaciteit van een lokaal bewegingsonderwijs bedraagt 40 klokuren.
A.1.6.2 Terrein De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande lokalen bewegingsonderwijs gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.
A.1.6.3 Inventaris De inventaris aanwezig op 1 januari 2021 wordt geacht voldoende te zijn.
Deel B – Vaststellen ruimtebehoefte B.1 Lesgebouwen B.1.1 School voor basisonderwijs 1. De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen en is inclusief een speellokaal. De ruimtebehoefte wordt berekend voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Een nevenvestiging wordt voor het berekenen van de ruimtebehoefte beschouwd als een afzonderlijke school. Aan de ruimtebehoefte wordt een toeslag verbonden, indien voor de school aanvullende bekostiging beschikbaar wordt gesteld. 2. De basisruimtebehoefte wordt berekend met de formule: R = 200 + 5,03 * L, waarbij: R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter. L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven. 3. Indien een school een vergoeding ontvangt op grond van de achterstandsscore als bedoeld in artikel 27 van het Besluit bekostiging Wet op het primair onderwijs, wordt een toeslag voor de ruimtebehoefte toegekend. De toeslag wordt berekend met de formule: T = 1,40 * G, waarbij: T = Toeslag in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter.
G = De achterstandsscore, zoals gepubliceerd door de Dienst Uitvoering Onderwijs van het ministerie van Onderwijs, cultuur en Wetenschap vermenigvuldigd met 7,17%, rekenkundig afgerond op een geheel getal.
B.1.2 Speciale school voor basisonderwijs 1. De ruimtebehoefte voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen. De ruimtebehoefte wordt berekend voor elke school met een eigen BRINnummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Een nevenvestiging wordt voor het berekenen van de ruimtebehoefte beschouwd als een afzonderlijke school. De ruimtebehoefte wordt berekend met de formule: R = 250 + 7,35 * L, waarbij R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter. L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven. 2. Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90 vierkante meter.
B.1.3 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs 1. De ruimtebehoefte voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs wordt bepaald aan de hand van de onderwijssoort, de categorie (speciaal of voortgezet speciaal), het type vestiging en het aantal leerlingen. De ruimtebehoefte wordt berekend met de formule: R = 370 + [8,8 * Leerling SO] + [12,2 * Leerling VSO] , waarbij R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter. 370 = De vaste voet in vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor de hoofdvestiging van een school. Leerling SO = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school voor speciaal onderwijs zijn ingeschreven. Leerling VSO = Aantal leerlingen op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school voor voortgezet speciaal onderwijs zijn ingeschreven. 2. Voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs met lichamelijk gehandicapte kinderen of meervoudig gehandicapte kinderen vindt een toeslag in de ruimtebehoefte plaats. Voor Leerling SO bedraagt de toeslag 5 vierkante meter per leerling en voor Leerling SO 3,3 vierkante meter per leerling.
De aantallen van de lichamelijk gehandicapte kinderen en meervoudig gehandicapte kinderen worden door de Dienst Uitvoering Onderwijs niet geregistreerd in de leerling gegevens. Overleg tussen schoolbestuur en gemeente zal hierover uitsluitsel moeten geven. 3. Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90 vierkante meter.
B.1.4 School voor voortgezet onderwijs 1. De ruimtebehoefte voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel. De totale ruimtebehoefte van een instelling voor voortgezet onderwijs is het totaal van twee componenten, te weten: a. een leerlinggebonden component, en b. een vaste voet. 2. De leerlinggebonden component wordt berekend door de in tabel 2.a opgenomen bruto vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal leerlingen dat op de school voor voortgezet onderwijs staat ingeschreven. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort onderwijs, de leerweg of de sector die de leerling volgt. Aan de hand van de gegevens van de Dienst Uitvoering Onderwijs kunnen de aantallen worden vastgesteld. Voor leerjaar 1 en 2 wordt daarbij geen onderscheid gemaakt tussen de onderwijssoorten. Als aan de school meerdere afdelingen (VWO/HAVO en VMBO) zijn verbonden, wordt de verhouding tussen de leerlingen in het vierde leerjaar als uitgangspunt genomen.
3. De vaste voet is opgenomen in tabel 1. De vaste voet voor de hoofdvestiging van de instelling is 980 vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Voor een nevenvestiging die op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak geldt een afzonderlijke vaste voet van 550 vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Een tijdelijke nevenvestiging komt niet in aanmerking voor een vaste voet. Naast de vaste voet per instelling wordt per instelling een vaste voet toegekend op de vestiging, waarvan de omvang afhankelijk is van het VMBO-profiel, dat wordt aangeboden. 4. De ruimtebehoefte is de som van: a. de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de bijbehorende normoppervlakten; b. de vaste voet per instelling, en c. als dit van toepassing is, een vaste voet per VMBO-profiel, uitgedrukt in bruto vierkante meter en d. als dit van toepassing is, een vaste voet voor een afdeling praktijkonderwijs. 5. De ruimtebehoefte van een school voor praktijkonderwijs is de som van: a. de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de bijbehorende normoppervlakten; b. de vaste voet. 6.
Als dit noodzakelijk is voor het bepalen van de omvang van de toekenning, kan op basis van deze normering de leegstand in onderwijsruimten binnen een gebouw voor voortgezet onderwijs worden bepaald. Het ruimtebehoeftemodel kent geen afzonderlijke normering voor een orthopedagogisch didactisch centrum.
Tabel1 – Ruimtebehoeftemodel voortgezet onderwijs m² bvo vaste voet
m² bvo/ leerling excl. Gymnastiek
m² bvo/ leerling gymnastiek
Per school VMBO-HAVO-VWO (hoofdvestiging*) 980 Per school VMBO-HAVO-VWO (nevenvestiging met spreidingsnoodzaak*) 550 Per school PRO (ook indien eigen afdeling binnen school VO) 306 PRO (Praktijkonderwijs)
-
12,0
2,0
VMBO- Theoretische leerweg (TLW) VMBO- Theoretische leerwegondersteunend onderwijs (TLW-LWOO)
-
5,8
1,5
-
6,1
1,7
BLWLWOO KLW GLW
BLWLWOO KLW
VMBO- Profiel Bouwen, wonen en interieur (BWI) VMBO- Profiel produceren, installeren en energie (PIE) VMBO- Profiel Mobiliteit en transport (M&T) VMBO- Profiel Maritiem en techniek (MaT) VMBO- Profiel Media, vormgeving en ICT (MVI) VMBO- Profiel Economie en ondernemen (E&O) VMBO- Profiel Horeca, bakkerij en recreatie (HBR) VMBO- Profiel Zorg-welzijn (Z&W) VMBO- Profiel Groen VMBO- Profiel Dienstverlening en producten (D&P)
(+ 299)
11,7
9,7
8,0
1,7 (+ 162)
8,9
7,4
6,9
(+ 139) (+ 117)
8,4 7,8
7,4 6,9
6,9 6,3
(+ 150)
8,9
7,4
6,9
HAVO
-
5,8
1,2
VWO
-
5,8
1,0
*) niet van toepassing voor zelfstandige praktijkschool TLW = Theoretische leerweg LWOO = Leerwegondersteunend onderwijs BLW- KLW = Basisberoep ofKaderberoepsgerichte leerweg GLW = Gemengde leerweg
1,5
GLW
B.2 Lokalen bewegingsonderwijs 1. De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs wordt vastgesteld: a. voor een school voor basisonderwijs, op tenminste 1,5 klokuren per week per groep leerlingen 6 jaar en ouder; b. voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, op tenminste 2,25 klokuren per week per groep leerlingen 6 jaar en ouder, en c. als het schoolgebouw niet beschikt over een speellokaal, op tenminste 3,75 klokuren per week voor de leerlingen 4 en 5 jaar. 2. Bij een school voor voortgezet onderwijs wordt de ruimtebehoefte bepaald op basis van het aantal lestijden bewegingsonderwijs. Hiervoor geldt als maximum het aantal lesuren dat overeenkomstig tabel 1 van het ruimtebehoeftemodel is berekend. Deze berekening is als volgt: (aantal leerlingen * 32 * vierkante meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 455. Voor het leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen * 32 * vierkante meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 322.
Deel C – Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte C.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de overeenkomstig deel C vastgestelde ruimtebehoefte gedurende minstens vijftien jaar blijft bestaan.
C.1.1 Nieuwbouw, of vervangende nieuwbouw De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening nieuwbouw of vervangende nieuwbouw wordt overeenkomstig deel B vastgesteld.
C.1.2 Overige voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen 1. Uitbreiding, uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, ingebruikneming of medegebruik wordt voor een: a. school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs vastgesteld als het verschil tussen de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of groter is dan de drempelwaarde van: 1°. 55 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening basisonderwijs; 2°. 50 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening speciaal basisonderwijs; 3°. 50 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs; b. school voor voortgezet onderwijs vastgesteld als het verschil tussen de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of groter is dan tien procent van de bestaande capaciteit met een minimum van 100 vierkante meter. Medegebruik wordt vastgesteld op het verschil tussen de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte en de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit verhoogd met 10%. 2.
Voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs bedraagt de bruto vloeroppervlakte van een speellokaal, in aanvulling op het aantal meters bruto vloeroppervlakte bedoeld in het eerste lid, 90 vierkante meter.
C.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen De ruimtebehoefte van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening wordt op dezelfde wijze vastgesteld als de ruimtebehoefte voor een voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen. Een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening is voor minstens vier jaar en maximaal vijftien jaar noodzakelijk. Voor het vaststellen van de omvang van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening moet het verschil: a. bij een school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs ten minste 40 vierkante meter bruto vloeroppervlakte bedragen, en b. bij een school voor voortgezet onderwijs voldoen aan het gestelde onder C.1.2, eerste lid, onder b.
C.3 Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen De omvang van een goedgekeurde voorziening: a. voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en de minimumnormen, bedoeld in deel D; b. eerste aanschaf van: 1°. onderwijsleerpakket en meubilair, of uitbreiding van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair voor een school basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, en 2°. leer- en hulpmiddelen en meubilair, of uitbreiding van de eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair voor een school voor voortgezet onderwijs, is gekoppeld aan de omvang van de toegekende voorziening. c. tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair voor een school voor voortgezet onderwijs als gevolg van een inpandige aanpassing waarbij algemene of specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke of werkplaatsruimte bedraagt het verschil tussen de vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte en de vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren ruimte. d.
herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.
C.4 Lokalen bewegingsonderwijs 1. De omvang van de goedgekeurde voorziening nieuwbouw, vervangende nieuwbouw en uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs wordt: a. voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs vastgesteld op het verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en het overeenkomstig B.2, eerste lid, vastgestelde ruimtebehoefte, en b. voor een school voor voortgezet onderwijs vastgesteld op de overeenkomstig B.2, tweede lid, vastgestelde ruimtebehoefte als de uitbreiding groter of gelijk is dan tien procent van de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit. 2. De omvang van de goedgekeurde voorziening aanpassen van een lokaal bewegingsonderwijs van een school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt vastgesteld op de minimaal noodzakelijke aanvullende vloeroppervlakte om te kunnen voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in deel D, onder D.3. 3. De omvang van de goedgekeurde voorziening terrein, of uitbreiding van het terrein, voor een lokaal bewegingsonderwijs wordt vastgesteld op de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om
het lokaal, of de uitbreiding van het lokaal te realiseren. 4. De omvang van de goedgekeurde voorziening aanvulling op de eerste aanschaf van het meubilair wordt overeenkomstig bijlage IV bepaald als een lokaal bewegingsonderwijs in gebruik wordt genomen door andere leerlingen dan waarvoor het lokaal oorspronkelijk is bedoeld of wordt uitgebreid. 5. De omvang van de goedgekeurde voorziening herstel van constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de feitelijke kosten voor de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.
Deel D – Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen D.1 Terreinoppervlakte 1. Bij [vervangende] nieuwbouw voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of een school voor voortgezet speciaal onderwijs geldt voor de speelplaats het vloeroppervlak in vierkante meters uit de volgende tabel: Aantal leerlingen van de school
Omvang buitenruimte
1-100 leerlingen
300
101-200 leerlingen
300 + 3 * (L - 100)
201-400 leerlingen
600
401-600 leerlingen
600 + 3 * (L - 400)
601-800 leerlingen
1200
801-1000 leerlingen
1200 + 3 * (L - 800)
1001 leerlingen of meer
1800
L = Aantal leerlingen dat op de teldatum voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven. 2. Bij [vervangende] nieuwbouw voor een school voor voortgezet onderwijs geldt voor de speelplaats het vloeroppervlak in vierkante meters uit de volgende tabel: Aantal leerlingen van de school
Omvang buitenruimte
1-300 leerlingen
300
301 leerlingen of meer
300 + 0,75 * (L - 300)
L = Aantal leerlingen dat op de teldatum voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven. 3. De in het eerste en tweede lid gestelde normen betreffen de exclusieve speel- en beweegruimte voor de leerlingen van de school. Het terrein voor voorzieningen dient te worden opgeteld bij de norm. 4. Voor parkeervoorzieningen wordt de voor de locatie van het terrein geldende gemeentelijke parkeernorm gehanteerd.
D.2 Speellokaal Een speellokaal heeft een minimum van 90 bruto vierkante meter.
D.3 Lokaal bewegingsonderwijs 1. De netto vloeroppervlakte van een lokaal bewegingsonderwijs is minstens 252 vierkante meter en de hoogte minstens 5 meter. 2. Een lokaal bewegingsonderwijs bevat minstens twee kleedruimten met een was- of douchegelegenheid.
Deel E – Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van schoolgebouwen E.1 Meetinstructie voor schoolgebouwen De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw wordt vastgesteld volgens NEN 2580.
E.2 Aanvulling op de meetinstructie voor de schoolgebouwen E.2.1 (Speciaal) basisonderwijs en speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs 1. De in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend. 2. De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in- of aanpandige lokalen bewegingsonderwijs wordt toegekend aan het lesgebouw. 3. Bij scheidingswanden tussen lesgebouwen en in- of aanpandige lokalen bewegingsonderwijs wordt de bruto vloeroppervlakte gerekend tot het hart van de scheidingsconstructie.
E.2.2 Voortgezet onderwijs De bruto oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto vloeroppervlakte van alle tot het gebouw behorende beloopbare binnenruimten. De bruto vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande buitenconstructies die de ruimten omhullen. Tot de bruto oppervlakte behoren eveneens: a. de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk vloerniveau, en b. de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter dan 0,5 vierkante meter.
E.2.3 Uitzonderingen 1. De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen omsloten ruimten worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend, ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft in ieder geval luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande verdiepingen, fietsenstallingen. 2. Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij de bepaling van de bruto oppervlakte niet meegerekend. 3. Niet beloopbare kelders en zolders worden niet meegerekend.
Bijlage IV – Normbedragen voor vergoeding en indexering Aangevraagde voorzieningen kunnen betrekking hebben op: a. bouwkosten bij nieuwbouw, b. bouwkosten bij uitbreiding, c. bouwkosten bij herstel constructiefouten d. bouwkosten renovatie ( levensduurverlenging) bestaande gebouwen, e. tijdelijke huisvesting f. verplaatsen tijdelijke huisvesting g. beschikbaar stellen terrein h. vergoeding eerste inrichting. I. vergoeding huur sporterrein
Deel A – Indexering en Bouwkosten A.1 Indexering nieuwbouw en uitbreiding Voor de normbedragen van het IHP (€ 2.917 per m2 op 1 januari 2021) geldt de jaarlijkse prijsaanpassing op basis van het prijsindexcijfer van de bouwkosten van nieuwe woningen (bron: CBS, kerncijfers, bouwnijverheid, inclusief btw).
A.2 Indexering eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar t, per 1 juli (bron: CBS, Kerncijfers, cijfer van de maand juni jaar t)
1
--------------------------------------MEV, jaar t, prijsmutatie netto materiële overheidsconsumptie (bron: CPB, Kerngegevens collectieve sector)
*
--------------------------------------Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar t-1, per 1 juli (bron: CBS, Kerncijfers, cijfer van de maand juni jaar t-1)
*
MEV, jaar t+1 prijsmutatie netto materiële overheidsconsumptie (bron: CPB, Kerngegevens collectieve sector) ---------------------------------------
1
Deel B – Bouwkosten B.1 Bouwkosten bij nieuwbouw De uiteindelijke vergoeding wordt conform artikel 4 lid 1 vastgesteld op basis van de feitelijke kosten. Als richtbedrag is een bedrag van € 2.750 per m2 vastgesteld per 1 januari 2021. Jaarlijks wordt op basis van het prijsindexcijfer van de bouwkosten zoals de VNG die bepaald voor de berekening van de normkostenvergoeding, het richtbedrag van nieuwbouw van basisscholen en van scholen voortgezet onderwijs bijgesteld.
Het richtbedrag is gebaseerd op de minimale wettelijke en functionele eisen voor onderwijsgebouwen. In specifieke situaties kunnen aanvullende voorzieningen benodigd zijn. Ook kan er voor gekozen worden om extra maatregelen (niet wettelijk verplicht) op het gebied van duurzaamheid, binnenklimaat en flexibiliteit financieel te vertalen. Een voorwaarde hierbij is dat schoolbesturen hier aan mee betalen in het kader van Total Cost of Ownership. Het richtbedrag is op basis van een ‘gemiddeld’ schoolgebouw. Project specifieke omstandigheden kunnen er voor zorgen dat deze gegevens afwijken van de werkelijke situatie. Dit kan een reden zijn voor andere keuzes. Aan het richtbedrag kunnen geen rechten worden ontleend.
B.2 Total Cost of Ownership Per project kunnen met de bevoegde gezagen maatwerkafspraken worden gemaakt m.b.t. een bijdrage vanuit de scholen gerelateerd aan het exploitatievoordeel als gevolg van investeringen in duurzaamheid. Deze afspraken zijn in ieder geval aan de orde indien geïnvesteerd wordt in een kwaliteitsniveau dat hoger is dan de wettelijke minimale normen op grond van het vigerende bouwbesluit. De bijdrage van de scholen is altijd gebaseerd op een aantoonbaar exploitatievoordeel c.q. op een lagere verplichting op groot onderhoud. Indien schoolbesturen naar de mening van de gemeente onvoldoende meewerken aan afspraken wordt de vergoeding gerelateerd aan de wettelijke eisen of het wettelijk niveau gerealiseerd. Afspraken in het kader van TCO zijn altijd maatwerk per project.
B.3 Bouwkosten bij uitbreiding Bij uitbreiding gelden dezelfde criteria als omschreven in de artikelen B.1 en B.2.
B.4 Bouwkosten bij herstel constructiefouten Bij herstel constructiefouten wordt uitgegaan van de daadwerkelijke kosten om de huisvesting weer te laten voldoen aan de te stellen eisen in het actuele bouwbesluit.
B.5 Bouwkosten renovatie (levensduurverlenging) bestaande gebouwen Het begrip renovatie is niet in de wet omschreven. In de lumpsumvergoeding ontvangen scholen een bedrag per leerling, te vertalen in m2 BVO, voor groot onderhoud. Groot onderhoud is bedoeld om de kwaliteit van het schoolgebouw over de gehele afschrijvingsperiode op een voldoende niveau te houden. Wanneer met de beschikbare middelen uit de lumpsumvergoeding handhaving van het kwaliteitsniveau niet meer mogelijk is zal moeten worden vastgesteld op grond van een NEN 2767 opgestelde bouwkundige rapportage of in plaats van vervangende nieuwbouw een levensduurverlenging van minimaal 20 jaar mogelijk is. Voor zover haalbaar en financieel verantwoord gelden dezelfde eisen als bij nieuwbouw, maar het minimale kwaliteitsniveau is gebaseerd op het dan actuele bouwbesluit. De vergoeding wordt conform artikel 4 lid 1 vastgesteld op basis van de feitelijke kosten. Op basis van Total Cost of Ownership wordt in deze situatie een bijdrage van de school met het bevoegd gezag overeen gekomen gebaseerd op de middelen, die het bevoegd gezag ontvangt voor (groot) onderhoud via de lumpsumfinanciering.
B.6 Voorbereidingskrediet Er kan een voorbereidingskrediet worden overeengekomen voor de investering op basis van de feitelijke kosten. Doelstelling van het voorbereidingskrediet is dat het bevoegd gezag vroegtijdig kan starten met de voorbereiding van een bouwplan. Uitgangspunt van het voorbereidingskrediet is dat er een principebesluit ligt over de voorziening, waarvoor het voorbereidingskrediet wordt aangevraagd. Het voorbereidingskrediet wordt in regel overeengekomen via de bouwheerovereenkomst tussen gemeente en schoolbestuur. Het voorbereidingskrediet stelt het bevoegd gezag in de gelegenheid om een voor aanbesteding gereed bouwplan te ontwikkelen resp. een aanbesteding te laten plaatsvinden. Uitsluitend als de investering wordt bekostigd op basis van de feitelijke kosten wordt de op basis van het bouwplan opgestelde kostenraming resp. de uitkomst van de aanbesteding opgenomen op het programma. Door te werken met een voorbereidingskrediet kan het realiseren van een bouwplan worden bespoedigd. Het beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet maakt onderdeel uit van het totale investeringsbedrag en wordt in mindering gebracht op het uiteindelijk totaal vastgestelde investeringskrediet.
Deel C – Tijdelijke huisvesting en terrein C.1 Aanvraag voorziening tijdelijke huisvesting Voorzieningen tijdelijke huisvesting zijn noodzakelijk als i.v.m. vervangende nieuwbouw of renovatie/levensduurverlenging van bestaande gebouwen tijdelijk onvoldoende huisvestingscapaciteit beschikbaar is om leerlingen van een school te kunnen huisvesten. Een capaciteitstekort kan zich ook voordoen als het rijk op de gemeente bijvoorbeeld een beroep doet om in het kader van opvang asielzoekers op korte termijn ook een onderwijsvoorziening beschikbaar te stellen. Het IHP is bedoeld om goed zicht te houden op de kwaliteit en kwantiteit van de beschikbare onderwijsgebouwen en overige maatschappelijke voorzieningen om tijdig en adequaat te kunnen reageren op situaties, zoals hiervoor omschreven. De aanschaf of huur van tijdelijke gebouwen om acute huisvestingsproblemen op te lossen moet tot een minimum beperkt blijven. Huur van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening en huur van een bestaand gebouw worden vergoed op basis van de werkelijke kosten. Bij tijdelijke huisvesting kan het college aan het bevoegd gezag een bijdrage vragen in de kosten groot onderhoud, wanneer dat van toepassing is.
C.2 Verplaatsing tijdelijke huisvesting In geval van huur worden de huurkosten vergoed. Bij verplaatsing van tijdelijke huisvesting worden de daadwerkelijke kosten vergoed. Afhankelijk van de situatie kan, zoals ook in artikel C.1 omschreven een bijdrage van het bevoegd gezag worden gevraagd voor noodzakelijk groot onderhoud om de tijdelijke huisvesting op het vereiste kwaliteitsniveau te brengen om als onderwijsvoorziening te kunnen inzetten.
C.3 Beschikbaar stellen terrein De gemeente moet de grond bouw- en woonrijp opleveren. Dit betekent dat alle kosten die verband houden met het bouw- en woonrijp maken (aankoop, aanleggen riolering, schoongrond verklaring, bestrating et cetera) voor rekening van de gemeente komen. De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan is aanwezig als het college heeft ingestemd met een voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° tot en met 5°, en de oppervlakte van het bestaande terrein niet voldoende is om deze voorziening te realiseren. De oppervlakte van het terrein moet voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in bijlage III, deel D. Het juridisch eigendom van het terrein wordt door de gemeente en overgedragen aan bevoegd gezag.
C.4 Toeslag voor verhuiskosten bij vervangende bouw. 1. Als een school tijdens de realisatie van vervangende nieuwbouw gebruik kan blijven maken van het bestaande schoolgebouw, bestaat aanspraak op bekostiging van de verhuiskosten voor één verhuizing. 2. Als een school tijdens de realisatie van vervangende nieuwbouw tijdelijk op een andere locatie moet worden gehuisvest, bestaat aanspraak op bekostiging van de verhuiskosten voor twee verhuizingen. 3. De vergoeding wordt vastgesteld op basis van feitelijke kosten.
D. Eerste inrichting D.1 School voor (speciaal) basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs D.1.1 Uitbreiding onderwijsleerpakket en meubilair Het bedrag van de vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de al toegekende investeringsbedragen en de nieuw berekende vergoeding.
D.1.2 Vergoeding basisschool De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen: Startbedrag, incl. 200 m² bvo € 41.802 2 Voor elke volgende m bvo € 146
D.1.3 Vergoeding speciale school voor basisonderwijs De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen: Startbedrag, incl. 250 m² bvo € 88.689 Naast het startbedrag voor elke volgende m2 bvo € 151
D.1.4 Vergoeding school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: Startbedrag Naast het startbedrag voor elke m2 bvo
€ 313.772 € 215
D.1.5 Vergoeding speellokaal speciale school voor basisonderwijs De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een speellokaal voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs bedraagt € 8.093.
D.2 School voor voortgezet onderwijs 1. De vergoeding voor eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair is gekoppeld aan de toe te kennen voorziening nieuwbouw, uitbreiding en ingebruikneming, niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw. Aanspraak op deze vergoeding bestaat als de eerste inrichting nog niet eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd. De hoogte van de vergoeding wordt berekend door vast te stellen het verschil tussen de al toegekende vergoeding en de vergoeding die is vastgesteld op basis van de te realiseren bruto vloeroppervlakte per onderwijssoort. De vergoeding per onderwijssoort wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
Onderwijssoort Praktijkonderwijs VMBO Theoretische leerweg (TLW) VMBO Theoretische leerwegondersteunend onderwijs (TLWLWOO) VMBO- Profiel Bouwen, Wonen en Interieur (BWI) VMBO- Profiel Produceren, Installeren en Energie (PIE) VMBO- Profiel Mobiliteit en Transport (M&T) VMBO- Profiel Maritiem en Techniek (MaT) VMBO- Profiel Media, Vormgeving en ICT (MVI) VMBO- Profiel Economie en Ondernemen (E&O) VMBO- Profiel Horeca, Bakkerij en Recreatie (HBR) VMBO- Profiel Zorg-Welzijn (Z&W) VMBO- Profiel Groen VMBO- Profiel Dienstverlening en Producten (D&P) HAVO VWO
per m2 bvo € 331 € 173 € 173 € 423 € 423 € 423 € 423 € 247 € 247 € 819 € 403 € 423 € 173 € 173 € 173
2. Als in plaats van uitbreiding van het schoolgebouw medegebruik van een voor een school bestemd gebouw wordt gevorderd, wordt inventaris slechts toegekend als de inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte ontbreekt of niet geschikt is.
E. Lokalen bewegingsonderwijs E.1 OLP/meubilair school voor basisonderwijs en speciaal basisonderwijs De vergoeding voor de eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs bedraagt € 56.002.
E.2 OLP/meubilair school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs De vergoeding voor de eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een school voor speciaal onderwijs of voor voortgezet speciaal onderwijs bedraagt € 56.002.
E.3. Meubilair/leer- en hulpmiddelen school voor voortgezet onderwijs De vergoeding voor de eerste inrichting meubilair of leer- en hulpmiddelen voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: Meubilair Leer- en hulpmiddelen Totaal Eerste lokaal € 1.183 € 70.529 € 71.712 Tweede lokaal € 1.183 € 55.018 € 56.201 Derde lokaal € 1.183 € 23.919 € 25.102 Oefenplaats 1 € 0,00 € 15.576 € 15.576 Oefenplaats 2 € 0,00 € 1.798 € 1.798
F Medegebruik/huur van een niet-eigen voorziening Naast bewegingsonderwijs in een eigen lokaal van de school is ook bewegingsonderwijs mogelijk in een bestaand lokaal bewegingsonderwijs door middel van: a. medegebruik van een gebouw van een andere school of de gemeente, of b. huur van een gebouw van een commerciële exploitant.
G. Huur sportvelden 1. Een school voor voortgezet onderwijs maakt aanspraak op een vergoeding van de huur van een sportveld voor maximaal 8 weken per jaar. De vergoeding voor deze kosten bedraagt voor de periode van 8 weken € 23 per klokuur. 2. Aanspraak op vergoeding als bedoeld in het eerste lid bestaat uitsluitend als de school voor voortgezet onderwijs niet beschikt over een eigen sportveld en geen gebruik maakt van een sportveld dat door de gemeente is gefinancierd.
H. Herstel en vervanging in verband met schade Indien er sprake is van herstel van schade aan onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen of meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4, tweede lid worden de feitelijke kosten vergoed.
Bijlage V – Criteria voor het vaststellen van de prioriteit van de aangevraagde voorziening 1 Algemeen Door de totstandkoming van het IHP geldt voor de prioritering van de huisvestingsaanvragen de in het IHP opgenomen volgorde. Het IHP is dynamisch, wat inhoudt dat wijziging van omstandigheden het noodzakelijk kunnen maken dat het IHP wordt aangepast. Wettelijk gezien bestaat de mogelijkheid dat een aanvraag wordt ingediend voor een voorziening door een niet bij het IHP betrokken bevoegd gezag. Dat kan de oprichting van een nieuwe school betreffen, maar ook een verplaatsing van een bestaande school vanuit een andere gemeente. In beide gevallen is plaatsing op het Plan van Scholen noodzakelijk en dient de wettelijke procedure gevolgd te worden. Wanneer de procedure leidt tot een wettelijke verplichting van de gemeente om passende huisvesting aan te bieden aan het betreffende bevoegd gezag dan zal in het Op Overeenstemming Gericht Overleg met alle bevoegde gezagsorganen aanpassing van het bestaande IHP aan de orde moeten worden gesteld. Dit overleg zal in een eerdere fase van de procedure al zijn gestart bij de aanvraag van het betreffende bevoegd gezag voor plaatsing op het Plan van Scholen. Feitelijk gezien gaat het dan niet om een andere prioritering, maar om een geactualiseerd IHP.
Een aanpassing van het IHP kan ook van toepassing zijn in het geval van plaatsing van asielzoekers in het voedingsgebied van de gemeente en er tevens aan de bevoegde gezagen gevraagd wordt een onderwijsvoorziening te realiseren. Tegenover deze niet ingeplande groei van het aantal leerlingen staan ook extra inkomsten van zowel de gemeente als de bevoegde gezagen om de extra kosten van huisvesting te dekken. In een dergelijke situatie zal er geen of nauwelijks invloed zijn op de prioritering van gevraagde voorzieningen voor de betreffende periode, hooguit een aanpassing van de eerder berekende capaciteit. 1.1. Uitzonderingen, aanvragen buiten IHP om die wel op Programma of overzicht geplaats worden Herstel van constructiefouten. Voor de omschrijving van het begrip ‘constructiefouten’ is aangesloten bij een ‘definitie’ die in het verleden door middel van jurisprudentie tot stand is gekomen. Als een constructiefout de voortgang van het onderwijs belemmert kan voor het herstel van de constructiefout de spoedprocedure (artikel 17 e.v.) worden gevolgd. Is er geen sprake van een bedreiging voor de voortgang van het onderwijs, dan kan het herstel worden aangevraagd op grond van de procedure, zoals omschreven in Artikel 7.
Dit betekent dat een constructiefout dan wordt opgenomen op het programma of overzicht, afhankelijk van het feit of deze voorziening past binnen het door het college vastgestelde bekostigingsplafond. 1.2. Herstel in verband met schade In de onderwijswetten is als voorziening huisvesting onderwijs het begrip ‘bijzondere omstandigheden’ opgenomen. Dit begrip is in de verordening niet verder uitgewerkt, omdat ‘bijzondere’ omstandigheden zich niet uitputtend laten beschrijven. Voor het bekostigen van ‘herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw’ geldt de aanvraagprocedure van het programma, of de aanvraagprocedure in het kader van spoedeisendheid (de voortgang van het onderwijs wordt belemmerd door bijv. schade door inbraak of brand). Het college kan zich voor deze zaken verzekeren. Heeft het college geen verzekering afgesloten, dan is sprake van ‘eigen risico’ voor het college. 1.3. Huur van een sportterrein Deze voorziening is noodzakelijk als in de gemeente een school voor voortgezet onderwijs is gevestigd. Onder de voorwaarden genoemd in bijlage I, deel B, onder B.4 en bijlage IV, onder G kan een schoolbestuur in het voortgezet onderwijs aanspraak maken op een vergoeding voor het huren van een sportterrein voor buitensportactiviteiten.
Voorwaarde is dat het schoolbestuur niet beschikt over een eigen sportterrein en geen gebruik kan maken van een met gemeentelijke middelen gerealiseerd sportterrein.