CConstaterende datwaadhoeke
Koppel je AI →
Document · PDF

Notitie analyse energielandschap Waadhoeke

Voorlichting Raad 14 november 2023, gemeente waadhoekeBij agendapunt: Notitie analyse onderzoek Energielandschap Waadhoeke14.568 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De expertise van de MKBA-adviseurs is ingezet om deze verhouding te kunnen bepalen en na te gaan hoe die nog te beïnvloeden is. Analyse van resultaten Het feit dat de baten uit de energieopwek verreweg de grootste baat zijn, maakt duidelijk dat het ontwerpen van een energielandschap gekoppeld aan gebiedsopgaven, met dubbel ruimtegebruik, geen sinecure is. Hoe meer ruimte er wordt gemaakt voor andere functies, hoe kleiner de ruimte wordt voor energieopwek. Daarmee nemen de baten in verhouding sterk af. Dubbelruimtegebruik en de koppeling aan gebiedsopgaven zijn belangrijke bouwstenen voor het energielandschap; er moet in het gebied ruimte zijn voor meerdere functies. Dit maakt dat het zaak is om te gaan zoeken naar een optimum in de balans tussen de overige functies en energieopwek. Zoals gezegd: meer van het één gaat ten koste van het ander, het zijn communicerende vaten. Belangrijk daarbij is om op zoek te gaan naar andere financieringsbronnen voor de overige functies dan de baten van energieopwek. Het feit dat de overige functies aantoonbaar tot baten leiden voor met name de omgeving, maakt het extra belangrijk hier ruimte voor te houden. Het is interessant om ook te kijken naar andere toepassingen van zon, die dubbel ruimtegebruik mogelijk maken. Zoals zon als een afdak boven (zachte) teelten of boven dieren.

Dit biedt kansen om de baten uit energieopwek te combineren met overige baten in plaats van ruimte in te nemen van overige baten. Het vraagt nader onderzoek, ook samen met de sector, om hier invulling aan te geven.

4.5 Ruimtelijk ontwerp

De ruimtelijke bouwstenen van dubbel ruimtegebruik, aansluiten bij gebiedsopgaven en het creëren van meerwaarde in het landschap, zijn de basis geweest voor het ruimtelijk ontwerp. In deze studie stond de vraag centraal hoe in het zoekgebied een nieuw landschap kan worden gecreëerd, waarin verschillende functies een plek krijgen. Een landschappelijke analyse is het uitgangspunt geweest. Hierin heeft LAOS Landschapsarchitecten onderzocht hoe de historie van het gebied is. Daaruit heeft zij aanknopingspunten gehaald voor de opbouw van een nieuw landschap in deze context.

24

In 2 rondes van ontwerpsessies is opgehaald wat de belangrijke gebiedsopgaves zijn, welke functies men terug wil zien in het gebied. Hier zijn zowel de omringende dorpen als stakeholders vanuit professionele partners bij betrokken. Op basis van de uitkomsten heeft LAOS 3 verschillende ontwikkelstrategieën geschetst. 1. Strategie Zonering kenmerkt zich door een sterke west-oost zonering, aansluitend bij de nog altijd herkenbare kwelderwallen en – laagtes in het landschap. Met tegen de kassen aan ruimte voor zon, dan een open zone waarin het huidige landschap (en de huidige functies) behouden kunnen blijven, om vervolgens in de zuidelijke rand tegen het water een overloopgebied te creëren en te vernatten. In deze laatste zone is ruimte voor drijvende panelen of panelen die wat hoger zijn, zodat het water er onder kan. 2. Strategie Casco neemt een sterk groen-blauwe casco als basis. Uit de sessies is een duidelijke wens voor meer groen en water in het gebied naar voren gekomen. Daarnaast is er een wens voor meer recreatiemogelijkheden, vooral wandelen rond het gebied (ommetjes). Door in het nieuwe landschap eerst een sterk groen-blauw casco neer te leggen, mogelijk in combinatie met een wandelpad, ligt de 'hoofdstructuur’ al vast. Daar kan de natuur zich ontwikkelen.

In de ruimtes die binnen dit casco ontstaan, kan de andere gewenste functie, energieopwek, een plek krijgen met het plaatsen van zonnepanelen. Eventueel is het ook mogelijk om binnen het casco ruimte voor landbouw te houden. 3. Strategie Patchwork tot slot is de strategie waarin de gemeente de minste regie pakt. In deze strategie is het uitgangspunt dat er een heel duidelijk kader komt waarin vastligt welke functies allemaal een plek moeten krijgen als een deel van het gebied ontwikkeld wordt. Zo kan het landschap meer organisch groeien, inspringend op percelen die vrij komen op natuurlijke momenten. In elk vrijkomend perceel krijgen de verschillende gewenste functies (groen, blauw, recreatie, opwek, landbouw) een plek. Er ontstaat dan een lappendeken van functies in het landschap. Een patchwork. Uit de feedback van stakeholders komt een duidelijke voorkeur naar voren voor strategie 1 en 2. Binnen de Patchwork strategie ontstaat een onrustig beeld, met alle functies door elkaar heen. Dat maakt dat veel stakeholders de voorkeur geven aan een rustiger beeld. LAOS heeft vervolgens een aanzet gegeven voor een masterplan dat strategie 1 en 2 combineert. Hierin schetst zij een zonering voor de deelgebieden ten zuiden van Sexbierum, waarbij de intensiteit van gebruik naar de Roptavaart toe steeds verder afneemt.

Aan de noordkant van het gebied ligt de focus op energieopwek, mogelijk warmteopwek. Meer naar het midden wordt de inrichting voor energie extensiever en gaat over in agrarisch natuurbeheer. Tegen de Roptavaart schetst LAOS rietland en plas-dras. Het gebied van windpark De Bjirmen ziet LAOS in deze schets als een wingebied voor energieopwek, zeker als de combinatie met zon tot stand kan komen. Analyse van resultaten De uitwerking van verschillende scenario’s en een masterplan voor een energielandschap maakt duidelijk dat een combinatie van functies zeker mogelijk is. Tijdens de werksessies is veel aandacht geweest voor de vraag welke functies voor de stakeholders belangrijk zijn. Dit is verwerkt in de scenario’s. De historie van het gebied is door LAOS mooi vertaald naar inrichtingsscenario’s met ruimte voor zoneringen in aansluiting op die oude structuren. Een belangrijk aandachtspunt in de sessies waren de weidevogels. In het masterplan dat LAOS gemaakt heeft, behoudt zij de openheid in de oost-westlijnen ten noorden van de Roptavaart. Verdere uitwerking van een energielandschap moet duidelijk maken hoeveel ruimte er kan worden gevonden. Daarbij hoort ook de afweging of de inzet is om in het gebied de weidevogelkansen zo groot mogelijk te maken of dat gekozen wordt voor 25

andere biodiversiteit. Eerder is al geconcludeerd dat de grootste baat de energieopwek is. Meer ruimte voor andere functies gaat ten koste van de ruimte voor energie. LAOS neemt in haar onderzoek de suggestie vanuit de werksessies mee om ook naar het huidige kassengebied te kijken voor de energieopwek. In hoeverre die optie haalbaar is, hangt sterk samen met de ontwikkelingen in dit gebied. Hoe die er uit gaan zien, is afhankelijk van de nieuw eigenaar en nu nog een onbekende. Het is zaak dit de komende periode nader te onderzoeken.

4.6 Lokaal eigendom / regie

Enber heeft de resultaten van het ruimtelijk ontwerp, het batenonderzoek, de systeemstudie en het onderzoek naar milieutechnische en ecologische kwaliteit meegenomen als startpunt voor haar onderzoek naar lokaal eigendom en de regierol van de gemeente. Voor het onderzoek hanteert zij de kaders en bouwstenen voor het energielandschap, met als doel om tenminste 60% lokaal eigendom te realiseren en de regierol bij de gemeente te houden. Hoe dit er uit kan zien is de basisvraag voor haar onderzoek. Lokaal eigendom kunnen realiseren betekent dat er partijen in de gemeente moeten zijn die mee willen doen in de ontwikkeling van het landschap. Op welke manier dan ook. Enber heeft de concept kennisgeving van acceptatie die is opgesteld in het participatieproces (zie hoofdstuk 5) meegenomen in haar onderzoek. Ook heeft zij, om inzicht te krijgen hoe de energiecoöperaties uit de gemeente aankijken tegen lokaal eigendom, met alle coöperaties gesprekken gevoerd.

Zij heeft uit deze lokale input de volgende doelen kernwaarden meegenomen in haar onderzoek: - De lasten die ondervonden worden door de omwonenden van het elektriciteitssysteem worden op een eerlijke manier verdeeld: = compensatie; - De bewoners van de gemeente Waadhoeke kunnen meeprofiteren door bijvoorbeeld elektriciteit af te nemen tegen de laagst mogelijke kosten of te investeren in het project; - Het energielandschap moet voelen alsof het een eigen ontwikkeling is van de (afzonderlijke) energiecoöperaties; - In het energielandschap wordt samengewerkt met gelijkgestemden. Een belangrijke kernwaarde is ook dat het landschap kostenefficiënt en financieel sterk is. Om al deze doelen en waarden te kunnen realiseren neemt Enber als uitgangspunt voor haar financiële bespiegelingen dat een marktconform rendement gehaald moet worden van 7 tot 9%. Met een marktconform rendement kun je als overheid dit rendement ten goede laten komen aan de eigen maatschappelijke doelen. Ook bestaat het risico dat je bij het accepteren van een lager rendement, bijvoorbeeld bij het uitlenen van geld, te maken hebt met staatssteun. Enber laat zien dat de scenario’s die LAOS heeft gemaakt, zonering en casco, dit rendement niet halen. Enber heeft zelf alternatieven geschetst voor de oppervlaktes opwek uit zonne-energie die gerealiseerd moeten worden om dit rendement wel te halen:

26

Aantal hectare per functie in scenario 1 – zonering (LAOS).

Aantal hectare per functie in scenario 2 – zonering (alternatief Enber).

27

Aantal hectare per functie in scenario 3 – casco (LAOS).

Aantal hectare per functie in scenario 3 – casco (alternatief Enber).

De relatie tussen het rendement (IRR) en het hectares zonne-energie die nodig zijn (hectare PV) is voor beide scenario’s als volgt:

28

Het verschil tussen beide scenario’s zit in de mate van ‘Landscaping’ die toegepast moet worden. Bij het scenario 1: Zonering blijft meer ‘zoals het is’, waardoor het rendement sneller marktconform is. Bij het scenario 2: Casco is veel landscaping nodig, omdat vooraf al de groenblauwe structuur wordt neergelegd. Uit de figuren wordt duidelijk dat een marktconform rendement heel wat meer hectares zon-pv vraagt dan ingetekend waren door LAOS. De businesscase, en daarmee het rendement, wordt door vele factoren bepaald. Het bevat veel knoppen waar aan kan worden gedraaid om de businesscase nauwkeuriger af te stellen en te optimaliseren. Hoe meer de uitgangspunten en aannames ten aanzien van de input data aangescherpt worden naarmate er meer informatie op tafel komt, hoe scherper de data in de businesscase. Ook toekomstige ontwikkelingen als energieopslag kunnen een rol gaan spelen in het project, maar vallen voor nu buiten de scope van de businesscase. Optimaliseren van de verhouding tussen SCE en SDE is ook zo’n knop. Deze verhouding tussen SCE en SDE is ingegeven door de wens vanuit de energiecoöperaties om mee te kunnen doen aan de ontwikkeling vanuit het gevoel dat het zoveel mogelijk een eigen ontwikkeling is. Enber heeft een mogelijke juridische structuur geschetst.

Om grip te houden/krijgen op de strategische doelen Ambitie (energieneutraal in 2040), Eerlijke verdeling van lusten en lasten en Meeprofiteren en de kernwaarde Samenwerking met gelijkgestemden is zeggenschap het meest geëigende middel en daarmee een belangrijke input bij het schetsen van mogelijke juridische structuren. Enber onderscheidt 5 deelfases in de totstandkoming van een energielandschap.

29

Fase 2

Fase 1

BusinessDevelopment

Project ontwikkeling

Financiering

Constructie

Operationeel

Aan het einde van de financieringsfase voorziet zij een wijziging in de juridische structuur omdat op dat moment de doelen van de gemeente in voldoende mate bereikt of geborgd zijn en haar toegevoegde waarde in de totstandkoming van het energielandschap afneemt. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) kent 2 subsidieprogramma’s om de ontwikkeling van duurzame zonne-energie te stimuleren. De SCE en de SDE. Projecten van coöperaties met leden die woonachtig zijn in postcodegebieden rondom het energielandschap (binnen de postcoderoos), komen in aanmerking voor de SCE subsidie. De overige projecten komen in aanmerking voor de SDE regeling (buiten de postcoderoos). De SCE en SDE regelingen zijn exploitatiesubsidies waarbij momenteel geldt dat de SCE regeling een hogere vergoeding per geleverde MWh “garandeert”. De ontwikkeling wordt dan ook gestuurd richting SCE maximalisatie. Uit de “meeropbrengst” van de SCE ontstaat een budget om de nabije omgeving te compenseren voor ervaren lasten middels een omgevingsfonds. Een afdracht aan een gemeentefonds is bedoeld voor de inwoners van de gemeente zodat zij op deze manier meeprofiteren van het klimaatlandschap zonder te hoeven investeren. De betreffende middelen kunnen door de fondsen besteed worden binnen een, door het verzorgingsgebied, vastgesteld kader. Een mogelijke juridische structuur ziet er als volgt uit:

De eerste fase bestaat uit business development en projectontwikkeling. In deze fase wordt een zogenoemde Special Purpose Vehicle (SPV) opgericht. Dit is een juridische entiteit die zich alleen bezighoudt met de ontwikkeling en exploitatie van het zonnepark. Beide SPV’s hebben volgens deze uitwerking door Enber in de eerste fase 2 leden / aandeelhouders. In het SCE deel van de ontwikkeling zijn dat de coöperaties die actief zijn binnen de postcoderoos (de 30

postcoderooscoöperaties) en de gemeente. In het SDE deel zijn dat de overige coöperaties en de gemeente. De belangen van de inwoners van de gemeente worden door beide instanties geborgd. Daarnaast ziet Enber in dit model dat de gemeente grip houdt op het realiseren van haar ambitie en direct betrokken is bij de SPV waarvoor zij een garantie verstrekt. In deze fase werken de individuele coöperaties samen in de projectcoöperaties. Gezamenlijk zijn zij lid of aandeelhouder in de SPV. Enber stelt dat na fase 1 het belang van de inwoners is geborgd, duidelijk is in hoeverre wordt bijgedragen aan de ambitie van de gemeente en hoe het landschap er uit komt te zien en is verdere financiële ondersteuning vanuit de gemeente niet meer nodig. Dat is het moment waarop de juridische structuur herzien wordt. In fase 2, de constructie- en operationele fase, is het voorwaardelijk voor de SCE regeling dat energiecoöperaties zelf eigenaar zijn van het project. De projectcoöperatie (met de gemeente ook als lid) heeft haar doel gediend en verdwijnt. De door de financier in fase 1 verstrekte lening wordt afgelost en de gemeentelijke garantie vervalt. Fondsen van uit het Fûns Skjinne Fryske Enerzjy zijn beschikbaar voor de risicodragende financiering van het SCE- en SDE-deel.

Via obligatieleningen (financiële participatie) en lidmaatschap van inwoners aan de coöperatie(s) komt financiële participatie van de inwoners tot stand.

Analyse van de resultaten Een belangrijke les uit de resultaten van het onderzoek van Enber, is dat een marktconform rendement als uitgangspunt, maakt dat de energieproductie omhoog moet ten opzichte van de schetsen die uit het ruimtelijk onderzoek zijn gekomen. Als we de energieproductie opschroeven door meer zonnepanelen te plaatsen, dan gaat het directe ruimtegebruik fors omhoog en is er minder ruimte voor andere functies. Eén van de wensen is dat ook de lusten landen in onze eigen regio. Enber laat zien dat vooral het kunnen leveren van goedkope stroom en een afdracht naar een gebieds- en omgevingsfonds wensen zijn vanuit het gebied. Tegelijkertijd maakt hun studie duidelijk dat hoe meer er naar die fondsen gaat of hoe meer we de stroom goedkoop gaan leveren, hoe minder er resteert aan rendement. Het bouwen aan een energielandschap dat én functies combineert én de lusten in de omgeving laat landen én een marktconform rendement haalt, voelt als het balanceren in een web. Om het web in balans te krijgen, is het belangrijk te zoeken naar het goede evenwicht tussen alle wensen. Hoe meer er getrokken wordt aan één draad, hoe meer het geheel uit evenwicht raakt. 31

Uit de studie van Enber is ook duidelijk dat de gemeente deze ontwikkeling niet alleen kan oppakken. Er zijn (ideële) investeerders nodig, we hebben te maken met verschillende grondeigenaren, Liander is nodig en we willen met de omgeving tot goede afspraken komen. Met al deze partijen is het zaak tot afspraken te komen over de kaders voor verdere ontwikkeling van een energielandschap. Dit is een onderhandelingsproces, met een onzekere uitkomst. Vervolgens is het zaak het lokaal eigendom te organiseren. Er is een juridische structuur geschetst waarin het kan. Zaak is om deze verder uit te werken naar een model dat voor alle partijen werkbaar is. Eén van de vragen is bijvoorbeeld ook of en hoe de lokale bedrijven in deze structuur een plek kunnen krijgen. Een vraag die samen met alle andere betrokken partijen beantwoord moet worden. Het feit dat we te maken hebben met een web waarin het zoeken is naar een goede balans, maakt de regierol van de gemeente zeer belangrijk. Juist de gemeente dient scherp te blijven op het feit dat het energielandschap de maatschappelijke meerwaarde krijgt die bedoeld is, zowel in lokaal eigendom en de goede verdeling van lasten en lusten als in de combinatie van functies. Om in de eerste fase van ontwikkeling tot een goede structuur te komen, is de rol van de gemeente ook essentieel.

Door garant te staan voor benodigde leningen en deel te nemen aan de projectcoöperatie maakt de gemeente mede mogelijk dat een en ander tot stand komt. Uit de verschillende fases die Enber introduceert wordt ook duidelijk dat voor ontwikkeling én voor exploitatie en beheer medewerking nodig is van alle betrokken partijen. We zien het belang om alle betrokken partijen tot partner van deze ontwikkeling te maken. Er zijn gezamenlijke afspraken nodig. Er is ook een bepaalde mate van professionaliteit nodig. De energiecoöperaties als eigenaar van een SPV vraagt om professionaliteit in het exploiteren en beheren hiervan. Het is zaak om gezamenlijk te bekijken hoe we deze professionaliteit in kunnen bedden. Mogelijk dat bijvoorbeeld het vormen van een gebiedscoöperatie hier van waarde kan zijn. We zien als belangrijke vervolgstap om ook hierover helderheid te krijgen.

4.7 Overall analyse en conclusie deelvraag 1: uitvoerbaarheid Is een energielandschap haalbaar, qua uitvoerbaarheid? Als de onderzoeksfase iets geleerd heeft, dan is het dat we niet zwart-wit kunnen stellen dat het energielandschap haalbaar is. Of niet. Het is zeker kansrijk. Het is een ontwikkeling die aansluit bij de gedachte dat we slimmer moeten zijn in hoe we het elektriciteitsnet belasten. Overal opwek van energie mogelijk maken vraagt enorme maatschappelijke investeringen, waar na Liander en Tennet nu ook steeds breder in de maatschappij vraagtekens bij worden gezet.

32

Een energielandschap is kansrijk. Feit is dat er nog geen schep de grond in kan. Er zijn een aantal randvoorwaarden en dilemma’s die vervolgstappen noodzakelijk maken. Een aantal zaken zijn randverantwoordelijk en een aantal zaken dienen verder uitgewerkt te worden. In ieder geval, dat: • Er een aansluiting komt op een (nieuw) onderstation. • De grond- en windparkeigenaren in het huidige zoekgebied mee willen werken. • De provinciale verordening verhoging van windturbines naar rendabele hoogtes toestaat en de ontwikkeling van energiehubs direct stimuleert. • We met partijen overeenstemming kunnen krijgen over een model voor lokaal eigendom. • Er afspraken kunnen worden gemaakt over te behalen rendement versus maatschappelijke investeringen. • Er aanvullende subsidies en ander maatschappelijk geld te vinden is voor de investeringen in de andere functies dan energieopwek, zodat deze minder op de businesscase drukken. • Er een goede balans wordt gevonden tussen energieopwek en andere functies, met daarin ook de afweging tussen warmte en elektriciteitsopwek versus de ruimte voor andere functies. We zien ook dat elk piketpaaltje dat je wilt slaan, direct impact heeft op een ander thema. Alles hangt met elkaar samen en keuzes in het één, kunnen maken dat je er last van hebt op het ander. Als je hard trekt aan lokale eigendom, dan moet je ergens rendement inleveren.

Als je hard inzet op weidevogels, dan lever je in op ruimte voor duurzame energie. Deze samenhang laat zich wederom goed vertalen naar het spinnenweb; alles hangt met elkaar samen. Als er te hard getrokken wordt aan het één, dan komt het ander in het nauw. Een goede balans is essentieel.

De grootste financiële baat van het energielandschap is de energieopwek. De overige functies die zeer gewenst zijn in het gebied, zoals biodiversiteit, water, recreatie, leveren baat op voor de maatschappij en zijn essentieel voor het draagvlak. De realisatie ervan vraagt ruimte en middelen. Wanneer deze kosten door vertaald worden naar de businesscase, dan komt deze verder onder druk te staan. We stellen voor te zoeken naar andere mogelijkheden om deze functies te bekostigen, een belangrijke vervolgstap na deze onderzoekfase. De absolute voorwaarde voor de ontwikkeling van een energielandschap is een nieuw onderstation. Het aanvragen van een offerte is hiervoor de eerstvolgende stap. Daarvoor is eerst het besluit nodig dat we door gaan met de ontwikkeling van een energielandschap, gevolgd door een nadere concretisering, die we zo spoedig mogelijk in gang zetten. Tegelijkertijd werken we op provinciaal niveau mee aan het Integraal Programmeren en stimuleren ook daar dat door het energielandschap hoge prioriteit gegeven wordt aan aanpak van het onderstation Herbaijum. Pilot worden binnen het provinciale onderzoek naar energiehubs is een ander streven dat helpt om prioriteit te krijgen.

33

Tweede voorwaarde om tot een energielandschap te kunnen komen, is het maken van afspraken met de grondeigenaren en de eigenaar van het windpark. Daarbij dient vastgelegd te worden dat bij verdere ontwikkeling lokaal eigendom een voorwaarde is. De eerste contouren kunnen we schetsen: - Ontwikkelen via SCE en SDE++, in samenwerking met de energiecoöperaties. - Uit de opbrengsten van de energieopwek een afdracht inbouwen naar een gebiedsfonds en een omgevingsfonds. - Vinden van investeerders, liefst ideële – partijen die wellicht genoegen nemen met een wat lager rendement als daar een maatschappelijke meerwaarde tegenover staat. Voor een samenwerking met energiecoöperaties is ook een bepaalde mate van professionaliteit nodig bij alle partijen. Een vervolgstap is om gezamenlijk uit te werken hoe dat vorm kan krijgen. Een gebiedscoöperatie kan een optie zijn, maar ook de samenwerking met professionele partijen. De samenhang tussen al die verschillende facetten, het spinnenweb, vraagt om een concretiseringsfase waarin we op meerdere vlakken tot concrete uitwerking komen. Zowel in afspraken tussen partijen, in het ruimtelijke ontwerp en in de zekerheid dat het nieuwe onderstation er komt. Tegelijkertijd dienen we ook in die concretiseringsfase oog te houden voor de schuivende panelen; er is nog veel in beweging.

Er zal voortschrijding zijn in beleid van rijk en provincie, er zijn technische ontwikkelingen en er zijn ontwikkelingen op het net. Allemaal zaken waar we flexibel mee om moeten gaan. In de concretisering is het zaak deze flexibiliteit te borgen.

34

5. Resultaten deelvraag 2 Is het energielandschap haalbaar, qua draagvlak?

5.1 Toelichting participatieproces inwoners

Om een gedegen participatieproces met de inwoners neer te zetten, is advies ingewonnen bij een ervaren participatie adviseur. Deze heeft in december en januari gesprekken gevoerd met de belanghebbende dorpen en heeft mede op basis daarvan een advies opgesteld. Kern van het advies is om te werken met een acceptatiegebied en daaromheen het participatiegebied:

Voor de groep inwoners in het ‘acceptatiegebied’ (belanghebbenden) geldt dat we streven naar deelname (financiële participatie) en draagvlak, terwijl het voor de inwoners in het participatiegebied (belangstellenden) minder over draagvlak gaat, maar vooral over deelname. Belanghebbenden; inwoners uit de dorpen: - Sexbierum, Pietersbierum - Oosterbierum, Klooster Lidlum - Tzummarum, Firdgum - Dongjum, Boer - Herbaijum, Kiesterzijl - Wijnaldum (gemeente Harlingen) Belangstellenden; inwoners uit: - Overige dorpen - Stad Franeker De Dorpsbelangen zijn voor ons het aanspreekpunt van de inwoners uit de belanghebbende dorpen. Met hen is overlegd wat zij nodig hadden om goed mee te kunnen doen in de onderzoeksfase. Zo hebben zij een eigen adviseur in kunnen huren, bij Doarpswurk. De gemeente heeft dit voor hen betaald. Daarnaast is goed afgestemd in welke onderzoekslijnen zij mee kunnen denken en hun inbreng kunnen geven. Ook zijn er onderzoekslijnen waar zij enkel over geïnformeerd worden. Hier is geen ruimte om mee te denken. Bijvoorbeeld omdat enkel feiten op een rij worden gezet, zoals bij het inventariseren van grondposities. Of omdat diepgaande inhoudelijke kennis nodig is, zoals bij de systeemstudie. In het ecologisch onderzoek zijn de bevindingen van de Vogelwacht meegenomen. De onderzoekslijn Ruimtelijk Ontwerp is de meest relevante lijn waarin van de belanghebbenden om 35

hun inbreng is gevraagd. Hierin wordt hun eigen leefomgeving opnieuw ontworpen. Vanuit de gemeente willen we weten welke functies zij terug willen zien in een nieuw landschap. Ook willen wij weten hoe zij aankijken tegen de duurzame energie opwek en de plek die dat kan krijgen in het landschap, net als andere door ons beoogde functies als verbetering van de biodiversiteit en wateropslag / water vasthouden. De Dorpsbelangen zijn uitgenodigd bij de ontwerpsessies voor de ruimtelijke scenario's. Welke contactmomenten er zijn geweest staat in 5.3 op een rij. Met hun adviseur hebben de Plaatselijke Belangen, ook die van Wijnaldum, een zogeheten kennisgeving van acceptatie opgesteld. In 5.4 lichten we nader toe wat hierin is opgenomen. Om ook de groep "belangstellenden” goed te informeren, is een communicatietraject ingericht. Ook dat wordt in 5.3 nader beschreven.

5.2 Betrokken stakeholders

Naast de inwoners zijn in het plan van aanpak nog vele andere stakeholders geïdentificeerd. In de onderzoeksfase zijn per onderzoekslijn de stakeholders aangehaakt die de daarvoor relevante kennis hebben of een belang hebben. Uit onze eigen gemeente zijn de volgende partijen belangrijke stakeholders: -

Energiecoöperaties: Er is vanaf januari maandelijks overleg geweest met alle energiecoöperaties uit de gemeente. Bedrijven: grootverbruikers uit zowel onze gemeente als uit Harlingen zijn aangehaakt in relatie tot de systeemstudie. In voorbereiding op de systeemstudie zijn de bedrijven reeds in de eerste helft van 2022 aangehaakt.

Daarnaast zijn een aantal professionele stakeholders betrokken: - Vogelwacht Franeker e.o. - Provincie Fryslân - Wetterskip Fryslân - Friese Milieufederatie - Liander - Tennet - Gemeente Harlingen - Recreatieschap Marrekrite - Particuliere grondeigenaar (heeft eerder eigen initiatief ingediend bij de gemeente en draait nu mee in het onderzoek) De professionele stakeholders zijn uitgenodigd bij de ontwerpsessies uit de onderzoekslijn ruimtelijk ontwerp. Zij hebben inbreng geleverd vanuit hun beleid en ambities en meegedacht over de waarden van het gebied. Vanuit de professionele stakeholders wordt vooral met interesse gekeken naar ons onderzoek. Men denkt mee en blijft graag op de hoogte van de ontwikkelingen. Ook is het voor Wetterskip en Marrekrite een ontwikkeling die kansen biedt om de eigen (toekomstige) opgaves te realiseren. Voor de Provincie sluit ons onderzoek goed aan bij de motie energiehubs waar zij met een eigen onderzoek uitvoering aan geven. Ons onderzoek loopt hierop voor en onze resultaten dienen als input en voorbeeld (zie ook 2.2.3). Binnen de eigen organisatie is veel kennis beschikbaar. Ook is het belangrijk dat de collega’s weten van het feit dat het onderzoek naar een energielandschap loopt. Uit de eigen organisatie zijn collega’s aangehaakt vanuit verschillende teams:

36

-

Duurzaamheid Dorpscoördinatoren Ruimtelijke ordening Wonen Milieu Groen

-

Economische zaken Recreatie en toerisme Glastuinbouw Juridische zaken VTH Financiën

Met de collega’s zijn algemene informatiemomenten georganiseerd. Daarnaast zijn zij betrokken bij de batenworkshop en zijn met name de collega’s van glastuinbouw, EZ en de dorpencoördinatoren aangehaakt bij de werksessies en contactmomenten met de dorpen. Voor de specifieke thema’s die wij intern hebben onderzocht, zijn de collega’s betrokken op de momenten dat de informatie nodig was. Het proces met de interne collega’s is in het najaar van 2022 van start gegaan, met een brede interne sessie op 5 oktober 6 november interne sessie fasering, gebiedsopgaven, gebiedskennis.

5.3 Overzicht communicatie- en participatiemomenten Jan Dorpsbelangen E-coöperaties Interne sessie

Feb Dorpsbelangen E-coöperaties

Mrt Dorpsbelangen E-coöperaties

Apr

Mei Ontwerpsessie E-coöps / lokaal E-coöperaties eigendom Bedrijven

Jun Jul Ontwerpsessie Resultaatsessie E-coöps / lokaal Idem eigendom Bustour Bedrijven Klimaatfestival

De dorpen van de ‘inner circle’ zijn vooral betrokken bij de onderzoekslijn ‘Ruimtelijk ontwerp’. Daar hebben ze in meerdere sessies meegedacht met oplossingen en zienswijzen. Met de energiecoöperaties is er een structureel maandelijks overleg waarin we elkaar bijpraten over de ontwikkelingen. Zij hebben vooral input gegeven aan de onderzoekslijn ‘Lokaal eigendom’. Voor inwoners van de hele gemeente hebben we een bustour door de gemeente gedaan waar we meerdere dorpen hebben aangedaan. Ook hebben we op 23 juni bij de kassen in Sexbierum het Klimaatfestival georganiseerd, waar inwoners alle informatie konden krijgen over het Energielandschap en de locaties ook konden bezoeken. Hier zijn zo’n 350 inwoners op afgekomen. Ook voor bedrijven, met name de grootverbruikers, organiseren we 1x per kwartaal een bijeenkomst om informatie over hun ambities op te halen en hen te informeren over de voortgang van het onderzoek.

37

5.4 Kennisgeving van acceptatie Nog niet definitief beschikbaar

Met de adviseur van Doarpswurk hebben de dorpen uit de ‘inner circle’, onder aanvoering van Sexbierum-Pietersbierum, een zogeheten Kennisgeving van acceptatie opgesteld. Met deze kennisgeving delen zij de gemeenschappelijk onderschreven uitgangspunten bij het voornemen van de gemeente Waadhoeke om te komen tot een energielandschap. In deze Kennisgeving zijn voor de volgende thema’s verzoeken voor maatregelen opgenomen: - Communicatie / educatie - Locatie - Landschappelijk - Natuurwaarden - Energie / Klimaat - Infrastructuur - Recreatie - Economie De Kennisgeving van acceptatie is integraal onderdeel van deze notitie en is als bijlage opgenomen. Het doet tekort aan de Kennisgeving om deze samen te vatten. De Kennisgeving is een beknopt stuk, 38

dat uiteen zet welke verzoeken voor maatregelen zij hebben die maken dat het voor de opstellers een acceptabel voornemen is.

5.5 Wat hebben we meegekregen uit het proces?

De kennisgeving van acceptatie is een belangrijke bouwsteen om te werken aan een acceptabel landschap. Kijkend naar de thema’s en de maatregelen die daarbinnen gevraagd worden, zijn alle verzoeken nog bouwstenen die we mee kunnen nemen in de verdere concretisering. We zien een grote wens om de rust, openheid en ruimte in het gebied te behouden, met daarbij de inzet op behoud van weidevogels. Uit de analyse van de technische resultaten is duidelijk dat het een uitdaging is om behoud van openheid, ruimte en weidevogels te combineren met energieopwek. Er is in het ruimtelijk ontwerp een voorzet voor gedaan. De economische doorrekening hiervan laat zien dat meer energieopwek nodig is om een marktconform rendement te halen. Ook de verzoeken om vanuit de energieopwek te investeren in energiebesparing en andere functies hebben invloed op het rendement. In de volgende fase, die wij voorstellen, de concretiseringsfase, gaan we samen met de omgeving deze facetten nader uitwerken. De energiecoöperaties vragen om ruimte om zelf nog wel wat te kunnen doen. Zon op dak is voor de energiecoöperaties altijd nog een mogelijkheid. Zij kunnen voor hun dorp en leden zonnedaken ontwikkelen – daar worden ze door de ontwikkeling van een energielandschap niet in belemmerd. In een presentatie aan de raad hebben 2 coöperaties inzicht gegeven in hun energievisie.

Daarin vragen zij om ruimte om te kunnen werken aan projecten waar zon en wind gecombineerd worden, passend bij aard en schaal van het dorp. Zoals ook in 2.2.6 omschreven, is deze ontwikkeling voor de gemeente een grootschalig initiatief. Wij stellen voor om de focus te houden op het energielandschap. Een belangrijke afweging hierin is dat een belangrijk kader voor het landschap is dat we versnippering willen voorkomen en dat we grootschalige ontwikkelingen direct op een onderstation willen aansluiten. Dit is bij ontwikkelingen in de dorpen niet mogelijk. Als alle dorpen eigen grootschalige projecten ontwikkelen, dan tellen die projecten weliswaar op tot een mooie bijdrage aan ons einddoel, maar met een belasting van het laag- en middenspanningsnet die leidt tot forse maatschappelijke kosten. Binnen bestaande aansluitingen is er wellicht nog ruimte. Dit vraagt om nader onderzoek. Ambtelijk is de inzet nu volledig op het energielandschap gericht. We zien ook dat de ontwikkelingen in de energiewereld hard gaan – “tiid is us freon”, door nieuwe ontwikkelingen is wellicht in totaal minder energieopwek nodig en/of met andere vormen dan zon en wind. Energiehubs, waar het energielandschap als concept in past, zijn ook voor rijk, Liander en provincie de volgende stap; opwek verspreid over het energienet is niet de toekomst.

In de overleggen met de grote bedrijven is gesproken over hun ambities en (verwachte) energiegebruik, in voorbereiding op de systeemstudie. Tijdens de systeemstudie zijn de bedrijven geïnformeerd over de voortgang. Ook is er met hen gesproken over lokaal eigendom van het energielandschap en hun beeld daarbij. Daarnaast zijn de grootverbruikers bijgepraat over alle overige resultaten van het onderzoek. Op verzoek van de grootverbruikers wordt het overleg voortgezet, omdat zij graag aangehaakt blijven. Belangrijk aandachtspunt voor de bedrijven, is het concreet maken van hun ambities. Om energieopwek of de omschakeling naar aardgasvrij mogelijk te maken, hebben ook zij nieuwe aansluitingen op het energienet nodig. Uit de systeemstudie is duidelijk dat de ambities van bedrijven niet meegenomen worden in de analyses van Liander en Tennet, zo lang deze niet vertaald zijn naar concrete getallen. Ook voor de bedrijven geldt dat het doen van een offertevraag voor een bepaald vermogen een belangrijke stap is. De bedrijven hebben aangegeven de ontwikkeling van het energielandschap met aandacht te volgen. Op dit moment kunnen zij geen toezeggingen doen over deelname in een ontwikkeling, daarvoor is een verdere concretisering nodig.

39

5.6 Overall analyse en conclusie deelvraag 2: draagvlak

Uit het participatieproces blijkt dat veel mensen begrijpen dat we aan de bak moeten om in de toekomst voldoende duurzame energie op te wekken. Het concept van een energielandschap, waarin die opwek geconcentreerd wordt spreekt aan. Natuurlijk ligt dit genuanceerder voor de direct omwonenden. Voor hen kan een energielandschap een aantasting van de leefomgeving zijn. Juist daarom is met deze direct omliggende dorpen een intensiever participatietraject doorlopen, waarbij zij ook een eigen adviseur in de arm hebben genomen. De kennisgeving van acceptatie die daaruit voortgekomen is, geeft goed inzicht in de verzoeken die deze dorpen doen om het landschap voor hen acceptabel te maken. Ook uit deze kennisgeving spreekt het besef dat er iets nodig is. Het zoekgebied is qua natuur en belevingswaarde belangrijk voor de omgeving. Hoe we dit goed kunnen matchen met energieopwek en andere functies is de vraag die wij in de concretiseringsfase moeten beantwoorden. Ook dan betrekken we de dorpen weer in het gebiedsontwikkelingsproces dat we neerzetten. In dit proces is het zaak de direct aanwonenden een eigen plek te geven in het participatieproces. In het gebiedsontwikkelingsproces zijn ook de energiecoöperaties en de bedrijven belangrijke stakeholders. We willen ook met hen aan de slag met de concretisering, zeker als het gaat om de uitwerking van het lokaal eigendom.

Er is een mogelijke juridische structuur geschetst. De vraag is of en hoe we die tot stand kunnen brengen. Daarbij is ook belangrijk welke eisen elke partij inbrengt en of we ook hierin tot een gezamenlijk programma van eisen kunnen komen. De vraag welk rendement behaald moet worden is één van de vragen die beantwoord moet worden, zeker in relatie tot de ruimte voor andere functies die voor de omgeving zo belangrijk is. Het is zaak tijdens het gebiedsontwikkelingsproces de communicatie naar de inwoners voort te zetten. Het Klimaatfestival liet zien dat de inwoners geïnteresseerd zijn in de ontwikkeling. Juist de koppeling met andere duurzaamheidsthema’s is een mooie basis voor een gesprek over een duurzame toekomst.

40

6. Hoe verder? Om het energielandschap te kunnen realiseren is een gebiedsontwikkelingsproces nodig, gericht op het verbinden van functies, disciplines, partijen, belangen en middelen. Het is een integraal proces, waarin aspecten in samenhang, integraal tegen elkaar afgewogen worden. Om er voldoende grip op te krijgen is het nodig om te faseren. In gebiedsprocessen worden de volgende fasen onderscheiden: initiatief- concretisering- realisatie-beheer. We ronden nu de initiatieffase af en gaan over naar de concretiseringsfase. Deze fase is een intensieve en complexe fase van de gebiedsontwikkeling. De concretiseringsfase is onder te verdelen in 3 subfasen: definitie, ontwerp en voorbereiding, elk gekenmerkt door eigen deelresultaten. Het voorstel is om nu de definitiefase te starten. Een belangrijk onderdeel van deze fase is het in gesprek gaan met grondeigenaren, de windparkeigenaar, netbeheerders en belanghebbenden. Het doel van deze fase is te komen tot een programma van eisen. Het gebiedsontwikkelingsproces wordt een onderhandelings- en ontwerpproces. Elk deelresultaat per subfase wordt door het college gedeeld met de raad. Per subfase wordt een besluit genomen over de volgende stap.

Gezien het feit dat het energielandschap als doel heeft om multifunctioneel te zijn en juist niet alleen energie-opwek in zich heeft, stellen we voor om voortaan over klimaatlandschap te spreken. We zien in de onderbouwing van de keuze voor het zoekgebied dat juist ook klimaatadaptatie een belangrijke reden is om in dit gebied te onderzoeken of een energielandschap haalbaar is. Er is sprake van bodemdaling, verzilting, droogte en er kansen zijn om hier wat aan te doen via meer natuur en groen. Juist de combinatie van deze functies met energieopwek, maakt dat we een landschap kunnen ontwikkelen dat acceptabel is voor de omgeving. De naam klimaatlandschap sluit beter aan bij deze combinatie van functies.

41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=waadhoeke&id=06bb3c3a-5536-446c-b0e2-1ad6180c7965