CConstaterende datwaadhoeke
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3. Supplement welstandsnota Waadhoeke, zonnepanelen en of collectoren binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht (Corsanummer 21.201939)...PDF

Gemeenteraad Waadhoeke 3 juni 2021, gemeente waadhoekeBij agendapunt: Beleid voor zonnepanelen en -collectoren binnen beschermde stads- en dorpsgezichten14.568 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De bebouwing aan de Buorren heeft aan de westzijde een vrij open karakter; de straatruimte wordt hier begrensd door het kerkterrein enerzijds en enige losstaande, niet aan de straat grenzende woonhuizen anderzijds. Twee dicht aan de bestrating gesitueerde woonhuizen op de hoek met de ringweg markeren de entree tot het dorp. De oostzijde vertoont een veel meer versteend karakter. Het straatprofiel versmalt zich hier en bovendien is de bebouwing praktisch aaneengesloten en direct aan de straat. De bebouwing wordt aldaar gevormd door het buitengasthuis, bestaande uit enkele uniforme huizenblokken van één bouwlaag met kap die te samen een massieve straatwand vormen. De bebouwing langs de Binnenbuorren is kleinschalig, de panden hebben hoofdzakelijk één bouwlaag met kap hebben een overwegend 19de-eeuws uiterlijk. Het karakter van de Binnenbuorren als besloten en kleinschalig invullingsgebied komt duidelijk naar voren in de 'toevallige' groepering van de panden. Aan de Hegedyk zijn slechts enkele losstaande huizen gesitueerd. Daardoor ontstaan diepe inspringingen tussen de huizen, die doorlopen tot aan de kleinschalige bebouwing van de Binnenbuorren. Het binnengasthuis aan de Hegdyk is vrij eenvoudig van opzet, qua stijl is het te vergelijken met het buitengasthuis. De woningen zijn gegroepeerd rond een praktisch rechthoekig binnenpleintje.

Ook aan de Hegedyk, maar duidelijk apart gelegen van de overige bebouwing, bevindt zich de Heringa-state c.q. Popta Slot.

19

- stedenbouwkundige en landschappelijke waarden; de waarden van het beschermde gebied op zich. Het waardevolle beeld van Marssum wordt net als in Dronrijp gevormd door de verschillend gevormde en ingerichte openbare ruimten, de in schaal en karakter sterk variërende dorpsbebouwing, en de overgangen van het besloten dorpsinterieur naar het open weidelandschap in de omgeving. Dit uit zich in het gehele met bomen omzoomde complex van Heringa-state (Poptaslot) inclusief Poptagasthuis, dat een groot deel van de terpruimte vormt en voor een belangrijk deel het ruimtelijk beeld van het dorp vormt. Daarnaast uit zich dat in de centraal op de ronde terp gelegen kerk met rondom de begraafplaats, in de karakteristieke en kleinschalige bebouwing aan de Binnenbuorren, in het versteende straatbeeld aan de oostzijde van de Buorren en in de markante scheiding tussen de open terpruimte en het aangrenzende agrarische landschap. De visuele verbindingen met het buitengebied zijn gebleven. Vooral de contrastwerking tussen het state-complex en het daaraan grenzende open gebied is karakteristiek. In historisch-ruimtelijk opzicht is deze visuele relatie tussen het dorp en het buitengebied rond de zuidelijke terphelft van belang.

20

Oudebildtzijl (aanwijzingsbesluit 28 maart 1991)

21

Oudebildtzijl is ontstaan na 1500 op de plaats waar de dijk van een nieuw ingepolderd deel van de Middelzee werd doorkruist door een afwatering. In de 17de eeuw gaat de waterverbinding met zee als gevolg van opslibbing en een nieuwe bedijking verloren. Daarmee komt de ontwikkeling en uitgroei van het dorp tot stilstand. Pas in de 20e eeuw wordt de bebouwde oppervlakte aanzienlijk uitgebreid. Deze nieuwbouw ligt grotendeels naast de oude kern. Mede door deze scheiding is de historische structuur van het dorp zeer goed bewaard gebleven. De dorpskern weerspiegelt in zijn huidige opbouw nog zeer sterk de structuur van het zijldorp zoals die in de 17de eeuw reeds tot stand is gekomen. Deze structuur vormt in zijn geheel en in zijn delen dan ook het belangrijkste aspect van de te beschermen waarden. Van belang zijn bovendien de hoogteverschillen en de ruimtelijke overgangen (open-gesloten), die bijdragen aan de herkenbaarheid van de historische structuur. De dorpsbebouwing bestaat grotendeels uit kleine, sobere huisjes zonder ornamenten. Praktisch alle panden bestaan uit één bouwlaag, veelal met een zadeldak, donkerblauwe dakpannen en een dakkapel. Verspreid komen daken voor met rode dakpannen. Hoewel hier en daar huizen met een topgevel voorkomen, worden de straatwanden vrijwel uitsluitend door dakvlakken bekroond.

De bebouwing wordt gekenmerkt door een verticale gerichtheid van de gevelopeningen. Typerend is dat de meeste panden los van elkaar zijn gebouwd, hetgeen tot uiting komt in de vele kleine verspringingen van de rooilijn. Een centrale positie in het dorp wordt nog steeds ingenomen door de directe omgeving van de oude zijl. Hier komen de belangrijkste wegen van het dorp samen. Op de hoeken van de kruising staat ook de wat grotere bebouwing. Indicatief voor de centrale ligging zijn de aanwezigheid van het enige café en een winkelpand. Vanaf de brug is een groot deel van het dorp te overzien. Daarbij valt de vrij grote profielbreedte van de Leyster- en Keuningstreek op waardoor - mede samenhangend met de verhoogde ligging van de dijk - in zuidelijke richting uitzicht bestaat over het open buitengebied. De huizenrij aan de noordzijde van de Ds. Schuilingstraat vormt in zijn totaliteit een vrijwel aaneengesloten gebogen bebouwingswand. Over het algemeen liggen de huizen hier direct aan de verharding. Op enkele plaatsen verspringt de rooilijn met meer dan een meter, waardoor een wisselend beeld is ontstaan. Opmerkelijk is dat de doopsgezinde kerk is opgenomen in de gevelwand. Dit hangt samen met de beperkte bouwruimte op het dijklichaam en met de van oorsprong simpele opzet van de kerk, waarbij men niet de behoefte had de kerk door zijn ligging extra te accentueren.

Ook na de vergrotingen past de kerk qua maatvoering en detaillering in de bebouwing. De bebouwing op de dijk is grotendeels 19de-eeuws van karakter. De huizen, zowel de woonhuizen als de paar aanwezige bedrijfspanden, zijn in schaal en uitvoering weinig verschillend. Door verschillen in detaillering van de huizen vertoont de totale bebouwing een homogeen, maar toch afwisselend beeld. Beeldbepalende kenmerken van het dwarsprofiel van de Ds. Schuilingstraat zijn echter vooral de hoogteverschillen en de contrasten in open-/geslotenheid. Een belangrijke verticale dimensie wordt toegevoegd door de dijk zelf ; ruimtelijk begrensd door de op de dijk gebouwde huizen en de bomenrij aan de overzijde. Deze rij bomen met daartussen een lage heg vormt een belangrijke ruimtelijke geleding ten opzichte van het lager gelegen gebied. De dijk grenst middels een steil talud direct aan de dijkvaart. De vrijstaande huizen ten zuiden van de dijk liggen op zeer wisselende afstand van de dijk en vormen een kenmerkende open bebouwingsstructuur met veel groen, waarin een boerderij en de school de meest markante elementen zijn. Dichterbij de sluis, waar de dijkvaart naar het zuiden afbuigt, grenst de achterbebouwing van de Keuningstreek aan de dijkvoet, waaruit de vroegere primaire oriëntatie op het water afleesbaar is.

Vanaf de dijk gezien is er in zuidelijke richting een belangrijk visueel contact met het open landschap. Het dwarsprofiel vertegenwoordigt voor het gehele dorp een hoge ruimtelijke en visuele kwaliteit. Qua structuur en bebouwing is de Monnikebildtdijk in grote lijnen gelijk aan de Ds. Schuilingstraat. Belangrijkste verschil is vooral de andere profilering van de zuidzijde van de dijk, waar de dijkvaart ontbreekt. Dit heeft ertoe geleid dat het talud van de dijk veel flauwer is en de hoogte van de dijk veel minder wordt geaccentueerd. Bovendien is er langs de dijkvoet een toegangsweg aangelegd voor de aldaar gesitueerde bebouwing. De bebouwing bestaat

22

over het algemeen uit kleine huizen. Opmerkelijk is de bebouwing van enkele achtererven teneinde binnen de bestaande dorpsruimte te kunnen voldoen aan de toenemende behoefte aan woonruimte in de 19de eeuw. De grootste gebouwen aan de Monnikebildtdijk worden gevormd door twee boerderijen aan de zuidzijde van de dijk en door het twee bouwlagen hoge café op de hoek bij de sluis. De dijkbebouwing bestaat voor het overige uit eenvoudige, kleine woningen, in een overwegend 19deeeuwse uitmonstering. De primaire oriëntatie op het water van de dorpsbebouwing uit zich in het doorlopen van de bebouwing aan de Leysterstreek tot aan de voet van de dijk. Gerekend vanaf de sluis heeft het bebouwingsbeeld aan de zuidkant daardoor eerst een zijkantkarakter en vervolgens een achterkantkarakter, met zicht op de achtererven van de Leysterstreek. Vanaf de dijk zijn de achtererven van de noordelijke dijkbebouwing niet zichtbaar. De erven aan de Ds. Schuilingstraat zijn aan de achterzijde wel bereikbaar over een langs het afwater¡ngsslootje gelegen pad. Aan de andere zijde van het pad sluit direct de nieuwe uitleg van het dorp aan. Daardoor zijn de achtererven hier een belangrijke binnenruimte geworden. De erven maken deel uit van het oude dijklichaam en zijn daardoor glooiend.

Hier is een goed uitzicht op de aan de dijk staande huizen, die hier ten gevolge van het hoogteverschil een extra verdieping hebben. De achterzijde van de huizen toont een wisselende bebouwingsdiepte, waarbij een groot aantal achtergevels nog duidelijk een historisch karakter bezitten. Van belang is de openheid van dit achtergebied, waardoor de beschreven beeldkwaliteit vanaf het ontsluitingspad goed waarneembaar is. De Leysterstreek en Keuningstreek kunnen in hoge mate worden beschouwd als een twee-eenheid. De bebouwing van beide vormt te samen de begrenzing van de vroegere havenruimte. Samen vormen ze ook de oudste aanleg van het dorp. Nadat het wegverkeer over de dijk sinds de vorige eeuw steeds belangrijker is geworden, zijn Keuningen Leysterstreek perifeer komen te liggen. Vanouds vormden de huizen aan de Leysterstreek en Keuningstreek een gesloten bebouwingswand, aangevuld door de visuele afscherming van de zijl en dijk. Slechts in het zuiden werd deze beslotenheid opgeheven door de Oude Rijd en het daarlangs lopende pad. Aldus vormde het gehele gebied een binnenruimte met het zwaartepunt op de pleinachtige oever van de Keuningstreek. Vooral aan deze zijde is dit historische beeld echter verzwakt. Een eerste aantasting is veroorzaakt door de afbraak in de jaren zestig van twee boerderijen die de zuidelijke begrenzing van het gebied vormden.

Daardoor is aan deze zijde een veel grotere openheid ontstaan. Deze openheid wordt enigszins opgevangen door de vrij recente boombeplanting aan de zuidzijde van de Keuningstreek. Ook de vanouds gebogen, aaneengesloten gevelwand van de Keuningstreek is verbrokkeld. Een aantal na 1945 gebouwde huizen is enkele meters van de weg af geplaatst en voorzien van een voortuin, waardoor de samenhang in de oorspronkelijk aaneen gebouwde straatwand is verzwakt. De pleinachtige ruimte van de Keuningstreek is door de inrichting als plantsoen en parkeerruimte meer losgekoppeld van de kade van de Oude Rijd. Aan de Leysterstreek is de historische opbouw beter bewaard gebleven. De huizen vormen hier nog steeds een nagenoeg aaneengesloten bebouwingswand. De aard van de panden past binnen het al eerder beschreven algemene beeld. Ook hier zijn enkele nabij de sluis gelegen huizen van wat groter formaat. De hoek van de Ds. Schuilingstraat en de Van Albadaweg wordt gevormd door een vrij fors gebouw waarin een winkel was gehuisvest. Van belang is dat hier wel naar beide zijden toe een aaneengesloten bebouwing aanwezig is, dit in tegenstelling tot de situatie bij het tegenoverliggende café. Langs de Van Albadaweg is langgerekt lint van bebouwing ontstaan. Slechts het direct nabij de sluis gelegen deel vertoont een herkenbare structurele samenhang met de historische dorpskom.

Deze bebouwing begrenst de zijkant van de op de dijk gelegen percelen en vormt een aaneengesloten bebouwingswand. In vergelijking met de dorpsbebouwing zijn de gebouwen hier vrij fors. Dit hangt samen met het gebruik van deze gebouwen voor andere dan alleen woonfuncties. Het meest duidelijke voorbeeld is de bewaarschool, die de bebouwingswand aan de noordzijde afsluit.

23

Samenvattende karakteristiek Nog steeds vormen de Oudebildtdijk en de haaks daarop gesitueerde Rijd de belangrijkste bebouwingsassen. De langs beide assen liggende bebouwing bestaat grotendeels uit eenvoudige kleine huizen met overeenkomstige stijlkenmerken en een overwegend 19de-eeuws karakter. Oudebildtzijl is in zijn structuur een goed voorbeeld van een oud zijldorp. De hoge kwaliteit van de historische structuur, de sterke samenhang in de bebouwing, de kenmerkende hoogteverschillen alsmede het plaatselijk optredende contrast tussen de beslotenheid van de bebouwde kern en de openheid van het buitengebied, leiden tot een grote cultuurhistorische waarde. De voorgaande omschrijving gekoppeld aan de huidige situatie, maken dat in het licht van het mogelijk plaatsen van zonnepanelen de volgende cultuurhistorische waarden van belang zijn en als waarderingsuitgangspunt zouden moeten gaan dienen: - monumentale waarden; de intrinsieke en architectonische waarden van individuele (monumentale) panden. Het betreft hier in het beschermd dorpsgezicht van Oude Bildtzijl twee rijksmonumenten en een tiental op de Cultuurhistorische kaart van Fryslân aangemerkte karakteristieke panden en panden uit de MIP-periode 1850-1940.

Bijzondere gebouwen zijn hier drie panden op de markante hoekpunten van de sluis vanwege hun cruciale ligging en betekenis in het centrale gedeelte van het beschermde gezicht: Leysterstreek 1 (rijksmonumentale woning), Monnikebildtdijk 1, (café-restaurant Het Grauwe Paard) en Ds. Schuilingstraat 2-4 (woon-winkelpand). Daarnaast is Ds. Schuilingstraat 6 (de doopsgezinde vermaning) als bijzonder te bestempelen vanwege de afwijkende gevel in de gevelwand. - situatieve ruimtelijke waarden; de waarden van de panden in brede zin. De bebouwing aan de noordzijde van de Ds. Schuilingstraat en de noordzijde van Monnikebildtdijk vormt in zijn totaliteit een vrijwel aaneengesloten bebouwingswand met in het algemeen direct aan de straat liggende huizen met op dakkapellen na ‘ongeschonden’ kappen. Praktisch alle panden bestaan uit één bouwlaag, de straatwanden vrijwel uitsluitend door dakvlakken bekroond. De vrijwel gesloten straatwand staat in contrast met de lager gelegen zuidzijde(n). De vrijstaande huizen ten zuiden van de dijk c.q. Ds. Schuilingstraat liggen op zeer wisselende afstand van de dijk en vormen een kenmerkende open bebouwingsstructuur met veel groen, waarin een boerderij en de school de meest markante elementen zijn.

Gerekend vanaf de sluis heeft het bebouwingsbeeld aan de zuidkant van de Monnikebildtdijk eerst een zijkantkarakter en vervolgens een achterkantkarakter, met zicht op de achtererven van de Leysterstreek. Van de bebouwing aan de Leysterstreek en Keuningsstreek (met in het verlengde daarvan de Van Albadaweg), is de historische opbouw aan de Leysterstreek nog het beste bewaard gebleven. De huizen – vooral één bouwlaag met kap) vormen hier nog steeds een nagenoeg aaneengesloten bebouwingswand. Nabij de sluis worden de huizen wat groter van formaat. Langs de Van Albadaweg is langgerekt lint van bebouwing ontstaan. Slechts het direct nabij de sluis gelegen deel vertoont een herkenbare structurele samenhang met de historische dorpskom. Deze bebouwing begrenst de zijkant van de op de dijk gelegen percelen en vormt een aaneengesloten bebouwingswand met gebouwen die vrij fors zijn in vergelijking met de andere dorpsbebouwing. - stedenbouwkundige en landschappelijke waarden; de waarden van het beschermde gebied op zich. Het zijldorp heeft met zijn assenstructuur grote historisch-ruimtelijke waarde.

Deze structuur vormt in zijn geheel en in zijn delen (historische dorpskom bij de sluis, de vrijwel aaneengesloten bebouwingswand aan de noordzijde van de dijk, de diverse bebouwing aan de lager gelegen zuidzijde van de dijk en de historische opbouw aan de Leysterstreek) dan ook het belangrijkste aspect van de te beschermen waarden. Van belang zijn bovendien de hoogteverschillen en de ruimtelijke overgangen (open-gesloten), die bijdragen aan de herkenbaarheid van deze historische structuur.

24

2.5

Bijzonder gebied (Bildtdijken)

Oude en Nieuwe Bildtdijken (aanwijzingsbesluit 22 januari 2015)

Het gebied de Bildtdijken is een gaaf voorbeeld van een vroeg waterstaatkundig werk. Het ruimtelijk karakter van het gebied kenmerkt zich in de eerste plaats door openheid. Het poldergebied wordt doorsneden door dijken met een oost-westverloop en sloten en wegen die noord-zuid gericht zijn. Het rechthoekige patroon verraadt de planmatige opzet van polderindeling. Het gebied kent een rationele verkaveling, die typerend is voor het polderlandschap. De kavels zijn smal, ongeveer 200 meter, en langgerekt in noord-zuidrichting. De kavels worden van elkaar gescheiden door een stelsel van sloten. Andere belangrijke waterlopen in het gebied zijn de vaarten ten zuiden van de beide dijken en de Koude Vaart, die parallel loopt aan de sloten en aansluit op het poldergemaal bij Zwarte Haan. Zoals gezegd is het landschap zeer open. Opgaande beplanting beperkt zich tot enkele bewoningsplaatsen. Een uitzondering hierop vormen enkele kavels tussen de Oude Bildtdijk en St. Jacobiparochie. Dit zijn de voormalige "Franeker landen" die thans niet meer als boomgaard in gebruik zijn. De bebouwing in het gebied is voornamelijk in linten langs de dijken geplaatst. Voor beide dijken geldt dat de boerderijen aan de zuidkant van de dijk, aan de overkant van de vaart, staan en met een brug verbonden zijn met de dijk. Aan de noordkant van de dijk staan de arbeiderswoningen. Bij de Oude

25

Bildtdijk zijn de arbeiderswoningen op het dijklichaam gebouwd, waardoor er een karakteristiek profiel is ontstaan, waarbij de woningen aan de noordkant van de dijk uittorenen boven de lager gelegen boerderijen aan de zuidkant. Bij de Nieuwe Bildtdijk is dit profiel minder uitgesproken aanwezig, doordat de arbeiderswoningen hier meestal aan de voet van de dijk staan, in plaats van er tegenaan. De Nieuwe Bildtdijk is minder dichtbebouwd dan de Oude Bildtdijk. Langs het westelijke deel van de Nieuwe Bildtdijk, dat nog in gebruik is als primaire zeewering, staat geen bebouwing. De ruimtelijke structuur van de dijken weerspiegelt de sociale verhoudingen die vanaf de 17 e eeuw waren ontstaan. Hoewel de bebouwing in het gebied zich dus voornamelijk concentreert langs de dijken, staat er verspreid in de polder een aantal individuele boerderijen die door doodlopende weggetjes verbonden zijn met de Oude Bildtdijk. Vanaf de Nieuwe Bildtdijk lopen soortgelijke verbindingen naar het noorden naar de boerderijen in de polder ten noorden van de dijk, de Oude Bildtpollen. Een aantal boerderijen in het gebied onderscheidt zich door hun vorm van het veel voorkomende Friese kop-hals-romptype en de stolpboerderij. In het Bildt staat een aantal boerderijen van het winkelhaaktype, waarbij het woongedeelte haaks op het bedrijfsgedeelte is gebouwd.

Waarschijnlijk is dit type meegebracht door de dijkwerkers uit Zuid-Holland en Zeeland. De oudste nog bestaande boerderijen stammen uit de 17e eeuw. De meeste van de arbeiderswoningen zijn gebouwd als dijkwoningen en bestaan uit één bouwlaag met zadeldak of schilddak. De meeste woningen zijn gebouwd aan het eind van de 19e en aan het begin van de 20e eeuw. De oudste woningen zijn gebouwd met gele baksteen, terwijl de latere woningen meestal van rode baksteen zijn. Over het algemeen loopt de noklijn van de woningen evenwijdig aan de wijk en zijn de gevelopeningen verticaal gericht. De woningen zijn klein, oorspronkelijk waren het veelal eenkamerwoningen. Aan de oostrand van het gebied liggen de zijldorpen Oude- en Nieuwebildtzijl, kleine kernen ontstaan rond de sluizen. Beide dorpen hebben een kruisvormige plattegrond, ontstaan door de kruising van respectievelijk de Oude en de Nieuwe Bildtdijk met de oorspronkelijke afwateringsvaart, die naar het noorden loopt. Binnen het beschermde gebied ligt ook de bebouwing aan de Tjeerd Thijssenstraat. De bebouwing, bestaande uit woonhuizen uit de jaren dertig van de 20e eeuw, is naar het kanaal gericht. In het algemeen bestaan de huizen uit één verdieping met kap en zijn ze gebouwd van bruine baksteen. De bebouwing aan de westkant van het water aan de Van Albadaweg is gevarieerder (zie ook de omschrijving bij Oudebildtzijl).

Samenvattende karakteristiek De karakteristiek van het gebied wordt met name bepaald door de openheid van het landschap, waarin de bebouwing is geconcentreerd langs de dijken. Van belang is het profiel van de dijken: de vaart aan de zuidkant met daarover bruggetjes naar de boerderijen en langs de noordkant van de dijk arbeiderswoningen, hetzij op de dijk (met name bij de Oude Bildtdijk) of aan de voet ervan (met name bij de Nieuwe Biltdijk). De schaal en de plaatsing van de bebouwing op korte afstand van de weg, zijn in dit gebied essentieel. De spreiding van de dijkwoningen in linten langs de dijk is kenmerkend voor het gebied. Hierbij horen ook de open delen in de linten, die in relatie staan tot de boerderijen ten zuiden van de dijk, en die belangrijke doorzichten vormen naar het achterliggende open landschap. Belangrijk zijn ook de hoogteverschillen tussen de dijken en de aangrenzende polders. Karakteristiek voor het gebied is verder de rechthoekige verkavelingsstructuur en de infrastructuur die daarop aansluit. De voorgaande omschrijving gekoppeld aan de huidige situatie, maken dat in het licht van het mogelijk plaatsen van zonnepanelen de volgende cultuurhistorische waarden van belang zijn en als waarderingsuitgangspunt zouden moeten gaan dienen: - monumentale waarden; de intrinsieke en architectonische waarden van individuele (monumentale) panden.

Het betreft hier in het beschermd gezicht van de Bildtdijken twaalf rijksmonumenten aan de Oude Bildtdijk, waarvan tien boerderijen van verschillende typen, één dijkwoning en één voormalig

26

strandhuis van het zeewerend waterschap. Langs de Nieuwebildtdijk staan geen rijksmonumenten. Bijzondere gebouwen in dit open landschap zijn dan ook de tien monumentale boerderijen aan de zuidzijde van de dijk. Karakteristieke panden aan de Bildtdijken zijn nog niet geïnventariseerd. - situatieve ruimtelijke waarden; de waarden van de panden in brede zin. De bebouwing in het gebied is voornamelijk in linten langs de dijken geplaatst. De boerderijen staan zowel aan de Oudebildtdijk als aan de Nieuwebildtdijk aan de zuidzijde van de dijk, aan de overkant van de vaart, en zijn met een brug verbonden zijn met de dijk. Aan de noordkant van de dijk staan de arbeiderswoningen. Bij de Oudebildtdijk zijn de arbeiderswoningen op het dijklichaam gebouwd, waardoor er een karakteristiek profiel is ontstaan, waarbij de woningen aan de noordkant van de dijk uittorenen boven de lager gelegen boerderijen aan de zuidkant. Aan de Nieuwebildtdijk zijn de arbeiderswoningen meestal aan de voet van de dijk gesitueerd, in plaats van er tegenaan. De Nieuwebildtdijk is minder dichtbebouwd dan de Oudebildtdijk. Langs het westelijke deel van de Nieuwebildtdijk, dat nog in gebruik is als primaire zeewering, staat geen bebouwing.

Hoewel de bebouwing in het gebied zich dus voornamelijk concentreert langs de dijken, staat er verspreid in de polder een aantal individuele boerderijen die door doodlopende weggetjes verbonden zijn met de Oudebildtdijk. De meeste van de arbeiderswoningen zijn gebouwd als dijkwoningen en bestaan uit één bouwlaag met zadeldak of schilddak. - stedenbouwkundige en landschappelijke waarden; de waarden van het beschermde gebied op zich. De belangrijkste waarde van het gebied is de openheid van het landschap met een rechthoekige verkavelingsstructuur, waarin de bebouwing is geconcentreerd langs de dijken. Het profiel van de (oude) dijken is ook visueel van belang: de vaart aan de zuidkant met daarover bruggetjes naar de laaggelegen boerderijen en langs de noordkant van de dijk arbeiderswoningen. De schaal en de plaatsing van de bebouwing op korte afstand van de weg, zijn in dit gebied essentieel. De spreiding van de dijkwoningen in linten langs de dijk is eveneens kenmerkend voor het gebied. Hierbij horen ook de open delen in de linten, die in relatie staan tot de boerderijen ten zuiden van de dijk, en die belangrijke doorzichten vormen naar het achterliggende open landschap. Belangrijk zijn ook de hoogteverschillen tussen de dijken en de aangrenzende polders.

27

3.

WAARDERING

3.1

Van waarden naar uitgangspunten

In alle hiervoor beschreven en gewaardeerde beschermde gezichten is naast de historische-ruimtelijke en stedenbouwkundige waarde, de visuele gaafheid en waarde van het bebouwingsbeeld alsmede de wisselwerking met de open ruimtes essentieel. Die beeldwaarde laat zich vooral definiëren in zichtbaarheid op en vanaf de openbare ruimte. Zichtbaarheid van met name naar de straat gerichte gebouwen met ongeschonden dakvlakken. En het zijn de daken waarop de meeste verzoeken binnenkomen om daar zonnepanelen op te plaatsen, terwijl het de zichtbaarste delen van een gebouw betreft. Dit maakt ze heel bepalend voor het beeld en het karakter van een gebouw en zijn omgeving. Elke installatie op een dak die zichtbaar is voor het publiek vanaf de straat of een ander openbaar gebied, heeft grote invloed op het aanzien van het gebouw en zijn omgeving. Dit gaat verder dan de grenzen van het eigen perceel, maar strekt zich uit tot het aanzien van de omringende bebouwing of het omringende landschap. Naast zichtbaarheid voor het publiek doet het er ook toe waar de zonneenergie-installatie precies wordt geplaatst.

De invloed ervan op het karakter van het gebouw en de omgeving wordt meestal kleiner als de installatie wordt geplaatst op: • het erf, op enige afstand van het gebouw; • platte daken, ook die van dakkapellen; • cultuurhistorisch minder waardevolle bijgebouwen, zoals tuinbergingen en garages; • cultuurhistorisch minder belangrijke vlakken van schuine daken, zoals vaak aan de achterkant; • nieuwbouw, zoals moderne aanbouwen en serres. Naast de aan het gebouw gekoppelde wens van plaatsing van zonnepanelen (dak, bijgebouw of erf) kan er ook sprake zijn van al dan niet gegroepeerde zonnepanelen in de openbare – soms groene ruimte in het beschermde gezicht of er (net) buiten in de landschappelijke omgeving. Het gaat dan niet alleen om de stedenbouwkundige waarden van de open en vaak groene ruimtes in het beschermde gezicht waar zonnepanelen een inbreuk op de ruimtelijke kwaliteit zouden kunnen doen, maar ook op zichtlijnen van buiten het beschermde gezicht op de beeldwaarden van het gezicht zelf. In alle hiervoor beschreven beschermde gezichten leveren de open ruimtes een belangrijke bijdrage aan de kwaliteit van het beschermd gezicht.

Of het nu om binnenstedelijke ruimtes gaat (Martiniplantsoen en Sjûkelân in Franeker) of om open groen ruimtes in dorpen (bijvoorbeeld de open ruimte van de vierkante terp in Achlum), ze zijn te waardevol om daar inbreuk op te plegen met het plaatsen van zonnepanelen. Uitzondering hierop zou paradoxaal de openheid van het landschap in de Bildtdijken kunnen zijn. Daar zou – mits aan de achterzijde van de individuele bebouwing geplaatst – enige beperkte ruimte kunnen worden gevonden voor het uit het zicht plaatsen van zonnepanelen zonder dat die de landschappelijke waarden als totaal zouden aantasten. 3.2

Waarderingsuitgangspunten

Zichtbaarheid Om het karakter van historische gebouwen en gebieden als hiervoor in de beschreven en gewaardeerde beschermde gezichten te sparen, zouden zonne-energie-installaties uit het zicht moeten blijven van het publiek. Dit betekent dat ze niet zichtbaar mogen zijn vanaf de grond c.q. straat of het water van openbaar gebied, zoals wegen, paden, bruggen, parken, plantsoenen en grachten. Dat zou ook moeten gelden voor de hele installatie, dus ook voor kabels, leidingen en metalen ondersteuningsconstructies.

28

De mogelijke plek Zonne-energie-installaties zouden mogelijk moeten zijn als de locatie gunstig ligt voor de zon en de plek de ingreep aankan zonder dat hierdoor cultuurhistorische waarden verloren gaan. Het gaat erom het historische materiaal, karakter en aanzicht te behouden. Het plaatsen van zonnepanelen is minder storend op erven dan op gebouwen, op platte daken dan op schuine daken, op onbelangrijke bijgebouwen dan op hoofdgebouwen en op nieuwbouw dan op bestaande gebouwen. Vanuit de waarden geredeneerd, is plaatsing dan ook een optie op een deel van het erf of dak dat minder waardevol of representatief is en waarop de installatie vanuit openbaar gebied niet is te zien. Installaties of panelen zouden op erven ook niet de belangrijke uitzichten moeten doorbreken op of vanuit het gebouw. Vermeden zou moeten worden dat ze op erven de ruimtelijke samenhang verstoren met andere gebouwen of groene elementen. In sommige gevallen is zonne-energie geen optie. Dit is met name het geval bij uitzonderlijke monumenten, daken met een bijzondere vorm, daken met bijzondere of kwetsbare materialen, en bij een bijzonder historisch dakenlandschap. Het gaat hierbij vooral om een kleine groep van monumenten die zich eigenlijk helemaal niet leent voor grote ingrepen.

Ook zonne-energie-installaties zijn voor deze groep een te grote ingreep, ook al zouden ze uit het zicht van het publiek blijven, zijn de fysieke gevolgen gering en zijn alle wijzigingen later goed terug te draaien. Het gaat om monumenten met een architectuur- of cultuurhistorische waarde van uitzonderlijk of groot belang, zoals de Martinikerk in Franeker of de andere specifiek benoemde panden in paragraaf 2.3 t/m 2.5. Ook betreft het buitengewone, nauwelijks gewijzigde voorbeelden van een bepaalde periode, stijl of type gebouw of belangrijke voorbeelden hiervan met enige wijzigingen. Zonne-energie-installaties gaan in beginsel wel samen met monumenten waarvan de architectuur- of cultuurhistorische waarde minder uitzonderlijk of groot is. Hetzelfde geldt voor minder belangrijke voorbeelden van een bepaalde periode, stijl of gebouwtype, zowel nog oorspronkelijk als veranderd. Een gebouw kan niet alleen een belangrijke bijdrage leveren aan het aanzien van de omringende bebouwing vanaf de grond, maar ook aan het ‘landschap’ van daken hoog boven de grond. In steden of dorpen met een waardevol historisch dakenlandschap speelt ook de zichtbaarheid van zonneenergie-installaties vanuit een hoger gezichtspunt.

Installaties dienen dan niet alleen uit het zicht te blijven vanuit openbaar gebied vanaf de grond, maar ook vanaf hogere gezichtspunten zoals publiek toegankelijke (kerk) torens of hoge gebouwen in stads- of dorpskernen, vanaf de dijk in dijkdorpen en vanaf hoge punten in gebieden met grote hoogteverschillen. Het voorgaande speelt ook in de beschreven beschermde gezichten; de kerktorens in Franeker en de dorpen en vanaf de dijk in Oudebildtzijl en de Bildtdijken. Mogelijke uitzonderingen hierop zouden de minder kwetsbare delen kunnen zijn zoals nieuwe aanbouwen, of bijgebouwen van monumenten met minder monumentale waarde of losstaande bijgebouwen en nieuwbouw binnen beschermde gezichten. Daar zouden zonnepanelen ook kunnen worden geplaatst in het zicht van het publiek, of tegen gevels. Belangrijk is dan wel dat de installatie wordt meegenomen in het ontwerp, bijvoorbeeld met een heel dakvlak in minder opvallende stroomproducerende bouwmaterialen. Binnen het historisch dakenlandschap komen ook daken voor die geen rol spelen in het beeld vanuit het hogere gezichtspunt, zoals platte daken in de binnenstad van Franeker. Het is soms mogelijk om hier collectoren of panelen op te plaatsen, zolang het publiek ze vanaf de grond niet kan zien.

De vorm Bij de plaatsing en de plek hangt aangaande de zichtbaarheid ook veel af van aanvullende keuzes en maatregelen, zoals het type systeem, de manier van plaatsing en bevestiging, de plaats binnen het dakvlak of erf, de grootte van het systeem en zijn vorm, kleur en reflectie. Ondanks de snelle ontwikkelingen in de technische en uiterlijke variatie in verschijningsvormen van zonnepanelen zijn deze in veel gevallen duidelijk zichtbaar. Panelen wijken in kleur en textuur vaak af van het onderliggende dakvlak. Panelen worden nogal eens in een grillige vorm op het dak gelegd rondom

29

dakkapellen en dakramen. Ook door de spiegeling van de panelen en contrasterende metalen randen vallen de panelen extra op. Zonnepanelen op daken beïnvloeden het historische bekappingsbeeld. Het beeld wordt onrustiger. Zonnepanelen worden daarom vaak gezien als storend. Innovatieve systemen kunnen een ander beeld opleveren dan het plaatsen van de standaard zonnepanelen. Te denken valt daarbij aan zonnecellen die in de dakpannen zijn opgenomen (zonnepannen). Een ander voorbeeld is het Q-roof: een warmtecollector systeem dat middels een leidingwerk onder de dakpannen warmte kan opvangen. Ook zijn zonnepanelen geïntegreerd in lamellen, glas of in zonwering mogelijk. Op sommige plekken zou een innovatieve oplossing best gezien mogen worden. In die zin en uit een nieuw soort benadering, zou een reversibele ingreep ook een pragmatische optie zijn. 3.3

Gemeentelijke keuze

In deze tijd van energietransitie is een andere benadering nodig. Van in principe uitsluiten in beschermde gezichten en op monumenten naar toestaan waar het acceptabel is. Dit is op 1 juli 2020 door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) als haar nieuwe adviesbeleid neergelegd. Een reversibele ingreep is een pragmatische optie vanuit die nieuwe benadering. Hiervoor zou een herijking van het welstandsbeleid van vele gemeenten nodig zijn. immers, het zijn de gemeenten die een eventuele vergunning moeten afgeven en de RCE is slechts adviseur bij rijksmonumenten en dan ook slechts alleen bij ingrijpende werkzaamheden, functiewijzigingen of complexe zaken (uitgebreide procedure). Gemeenten spelen niet alleen een belangrijke rol in de vergunningverlening bij dit cultureel erfgoed, maar voeren tegelijkertijd een actief beleid op het gebied van energie, milieubesparing en duurzame energieopwekking. Zonne-energie in de historische omgeving is mogelijk, maar niet altijd. Wat betekent dit voor de vergunningverlening? En waarop moet worden gelet ? De acceptatie van panelen als onderdeel van het duurzaamheidsbeleid in de gemeente Waadhoeke zou – als dat nog niet zou zijn geformuleerd – als uitgangspunt kunnen dienen, alsmede het dichter bij elkaar brengen van het duurzaamheidsbeleid voor monumenten en niet-monumenten.

De ruimtelijke kwaliteit zou daarbij leidend moeten zijn voor de gemeente. Bij zonnepanelen is er nu eenmaal een spanningsveld tussen de ambitie om duurzame energie te stimuleren en de ‘opdracht’ om cultuurhistorische waarden te behouden. Daarom zou in algemene zin ingezet kunnen of moeten worden op maatwerk per situatie en het beperken van de zichtbaarheid van zonnepanelen vanuit de openbare ruimte. Elk beschermd dorpsgezicht heeft zoals beschreven kwetsbare en minder kwetsbare delen. Er kan dus onderscheid worden gemaakt. In deze notitie c.q. advies zien hebben we aangegeven welke waarden er in de beschermde gezichten spelen die het plaatsen van zonnepanelen al dan niet via vergunningverlening (on)mogelijk maken. 3.4

Vertaling naar Welstandseisen

De hiervoor benoemde waarderingsuitgangspunten vormen input voor het opstellen van specifieke criteria ten behoeve van de welstandsnota van de gemeente Waadhoeke. Voor dat deel van de opdracht zal door de gemeente Waadhoeke het bureau BügelHajema worden benaderd. Het huidige advies geeft de cultuurhistorische waarden aan waarop de vertaling naar welstandscriteria kan plaatsvinden. Samengevat vormen de volgende waarderingsuitgangspunten de basis:

30

• Zorg dat vanuit een oogpunt van de waarde zichtbaarheid, dat de zonne-energie-installatie, inclusief alle kabels en leidingen, op grondniveau uit het zicht blijft vanaf openbaar gebied, zoals straten, pleinen, parken en grachten. • Plaats vanuit een oogpunt van de cultuurhistorische waarden, geen installaties op cultuurhistorisch belangrijke delen van het perceel en belangrijke monumentale dakvlakken of daken van het gebouw. • Geef de voorkeur aan het erf boven het gebouw, platte daken boven schuine daken en bijgebouwen boven het hoofdgebouw. • Plaats geen zonne-energie-installaties tegen historische gevels. • Plaats geen zonne-energie-installaties op bijzondere monumenten, op bijzondere daken en in een bijzonder dakenlandschap • Mogelijke uitzonderingen: nieuwe aanbouwen of bijgebouwen van monumenten en nieuwbouw binnen beschermde gezichten. • Plaats geen zonne-energie-installaties op uitzonderlijke monumenten met een speciale cultuurhistorische waarde of betekenis. • Plaats geen zonne-energie-installaties op daken met bijzondere vormen, zoals ronde, spitse of veelhoekige daken. • Plaats geen installaties op daken met pannen in een bijzonder of decoratief patroon. • Plaats geen installaties op daken met bijzondere of kwetsbare materialen, zoals leien, riet, zeldzame typen dakpannen en metalen, zoals koper, zink en lood.

• Houd in waardevolle, historische dakenlandschappen zonne-energie-installaties uit het zicht vanuit hogere standpunten, zoals openbaar toegankelijke (kerk)torens (de toren van de Martinikerk in Franeker is niet publiek toegankelijk) , dijken en verhogingen in het terrein. • Mogelijke uitzondering: niet-waardevolle daken binnen het historische dakenlandschap (vaak platte daken).

31

BIJLAGE 2

Gewone kapvormen (basismodellen)

Bijzondere kapvormen

Hieronder prototypes van veel voorkomende kapvormen. Met name het zadel- en schilddak komt veel voor. Soms ook met een deels plat dak.

Opvallende en alzijdig zichtbare daken komen meestal voor als toren of als opbouw bij een gebouw.

1. zadeldak

2. schilddak

1. Torenspits (met insnoering of meervormig). Vaak ook rijksmonument

3. met wolfseind

5. met uilebord

6. mansardekap 2. Opbouwelement

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=waadhoeke&id=5273f848-2377-4246-98da-7dfe494eb78b