CConstaterende datwaadhoeke
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - A&W - Ecologisch onderzoek - Notitie Energielandschap Waadhoeke

Kernsessie 23 november 2023, gemeente waadhoekeBij agendapunt: Notitie analyse onderzoek Energielandschap Waadhoeke6.307 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ecologisch onderzoek energielandschap Waadhoeke

A&W-notitie: 23-030

opdrachtgever projectcode Auteur(s)

Gemeente Waadhoeke 23-030 D.E. Heidinga, M.W. Bokje

status

Definitief

datum

7 juli 2023

autorisatie kwaliteitscontrole uitvoerder

E. van der Heijden M.W. Bokje Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek bv Suderwei 2, 9269 TZ Feanwâlden Matrix II k1.08/1.09, 1098 XH Amsterdam Tel. 0511 474764, info@altwym.nl, www.altwym.nl

A&W-notitie 23-030 – Ecologisch onderzoek energielandschap Waadhoeke

Inhoud 1 2 3

4

5 6

Inleiding Plangebied en plannen Gebiedsbescherming en beoordeling 3.1 Natura 2000-gebieden (Voortoets) 3.2 Natuurnetwerk Nederland 3.3 Overige vormen van gebiedsbescherming 3.4 Conclusie gebiedsbescherming Soortbescherming en beoordeling 4.1 Algemeen 4.2 Vissen 4.3 Amfibieën 4.4 Vogels 4.5 Vleermuizen 4.6 Overige zoogdiersoorten (exclusief vleermuizen) Natuurinclusieve inrichting Conclusie

Referentie Heidinga, D.E. & M.W. Bokje, 2023. Ecologisch onderzoek energielandschap Waadhoeke. A&W notitie 23-030. Altenburg & Wymenga Ecologisch Onderzoek, Veenwouden. © Overname van gegevens uit deze notitie is toegestaan met bronvermelding.

1 2 4 4 5 5 7 8 8 9 9 10 11 12 14 16

A&W-notitie 23-030 – Ecologisch onderzoek energielandschap Waadhoeke

Figuur 1.1: Ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden.

A&W-notitie 23-030 – Ecologisch onderzoek energielandschap Waadhoeke

1

1 Inleiding Gemeente Waadhoeke onderzoekt de mogelijkheden voor de realisatie van een energielandschap. Doel hiervan is om in 2040 met de gemeente energieneutraal te zijn. Het energielandschap moet zonne- en windenergie opwekken en ook functies voor recreatie en biodiversiteit krijgen. Om verrommeling van het landschap te voorkomen wil de gemeente dit concentreren tot één locatie. Op dit moment heeft de gemeente vier deelgebieden op het oog ten zuiden en zuidoosten van Sexbierum om de plannen te realiseren. De gemeente heeft Altenburg & Wymenga gevraagd te onderzoeken hoe dit voornemen zich verhoudt tot de ecologische wet- en regelgeving. Dit betreft o.a. de Wet natuurbescherming (Wnb), de regelgeving omtrent het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en overige gebiedsbescherming. Dit ecologisch onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een quickscan. Dat geeft een overzicht van alle (mogelijk) voorkomende beschermde natuurwaarden binnen en nabij het plangebied en alle vormen van gebieds- en soortbescherming die daarop van toepassing zijn. Er is beoordeeld of het voornemen invloed (kan) hebben op beschermde natuurwaarden en of er daardoor sprake is van een conflict met de wet- en regelgeving. Met aanbevelingen is geadviseerd hoe daarmee kan worden omgegaan. Daarnaast heeft de gemeente gevraagd om advies over mogelijkheden voor een groene inrichting van het terrein.

Enkele suggesties hiervoor zijn opgenomen in hoofdstuk 6. Het onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde natuurwaarden is gebaseerd op twee benaderingen. Als eerste zijn recente bronnen geraadpleegd (verspreidingsatlassen, overzichtswerken en websites) over de aanwezigheid van beschermde gebieden en soorten in en nabij het plangebied. Er is daarbij onder andere gebruik gemaakt van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Daarnaast is op 9 februari 2023 een oriënterend veldonderzoek uitgevoerd. Daarbij is gelet op de (mogelijkheden voor de) aanwezigheid van beschermde en/of kritische soorten en de kans op negatieve effecten hierop als gevolg van het voornemen. Altenburg & Wymenga presenteert in deze notitie de resultaten van een onafhankelijk ecologisch onderzoek. Het onderzoek spreekt zich niet uit over de wenselijkheid van het onderhavige plan of een bepaalde ontwikkeling. Landschappelijke, archeologische of cultuurhistorische waarden komen niet aan de orde. Aan deze ecologische beoordeling kunnen geen rechten worden ontleend. Wijziging wetgeving natuur Per 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. Deze nieuwe wet vervangt de verschillende wetten op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling, waaronder de Wet natuurbescherming.

In deze quickscan is uitgegaan van het beoordelingskader volgens de vigerende wet- en regelgeving, dus nog niet volgens de nieuwe Omgevingswet. Waar relevant, bijvoorbeeld omdat de lijst met vrijgestelde soorten verandert, is een doorkijkje gegeven naar de bescherming onder de Omgevingswet.

2

A&W-notitie 23-030 - Ecologisch onderzoek energielandschap Waadhoeke

2 Plangebied en plannen Het plangebied ligt aan de zuid- en zuidoostkant van de bebouwde kom van Sexbierum in Noordwest Friesland. Het kenmerkt zich grotendeels door uitgestrekt agrarisch landschap wat intensief in gebruik is. Het westelijk deel betreft deels vochtig grasland. De bodem bestaat uit voedselrijke zeeklei. Aan de noordzijde zijn kassencomplexen aanwezig. Aan de westkant wordt het plangebied begrensd door de Opvaart en aan de zuidkant grotendeels door de Roptavaart. Dit deel staat lokaal bekend als de Riedpolder. Even ten zuiden van de Roptavaart ligt nog een deel met agrarische percelen. Aan de oostkant ligt deelgebied Barradeel (genoemd naar de voormalige gemeente Barradeel). Hier liggen akkers en enkele graslanden. Ook staat hier een aantal windturbines. De aanwezige boerderijen en de agrarische percelen zijn al minimaal twee eeuwen in deze contouren terug te vinden op historisch kaartmateriaal (topotijdreis.nl). Er kan vanuit worden gegaan dat het agrarisch gebruik zeer sterk geïntensiveerd is, mede door het gebruik van kunstmest. Het plan is op dit moment nog in de verkenningsfase. Daarbij wordt nu ingezoomd op de vier deelgebieden. Er zullen naar alle waarschijnlijkheid zonnepanelen, windturbines en een bepaalde vorm van recreatie gerealiseerd worden. Het is niet bekend of er watergangen worden gedempt.

Verder wordt in dit rapport opgenomen hoe een natuurinclusieve inrichting kan worden gerealiseerd.

A&W-notitie 23-030 – Ecologisch onderzoek energielandschap Waadhoeke

Foto 1 t/m 6: Impressie van het plangebied (A&W, 2023).

3

4

A&W-notitie 23-030 - Ecologisch onderzoek energielandschap Waadhoeke

3 Gebiedsbescherming en beoordeling In Nederland zijn de meeste beschermde natuurgebieden beschermd volgens de Wet natuurbescherming (de Natura 2000-gebieden) of volgens regels omtrent het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarnaast kunnen natuurgebieden ook zijn beschermd via provinciale regelgeving of het bestemmingsplan.

3.1

Natura 2000-gebieden (Voortoets)

In deze quickscan heeft de beoordeling van effecten op Natura 2000-gebieden de status van een voortoets volgens de Wet natuurbescherming (Wnb). Het gaat daarbij om de vraag of een activiteit (significant) negatieve effecten kan veroorzaken op de aangewezen natuurwaarden van de Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt in Noordwest Friesland (figuur 1.1). Alleen Natura 2000-gebied Waddenzee ligt nabij het plangebied, namelijk op een afstand van ongeveer 3 km. Overige Natura 2000gebieden liggen op aanzienlijk grotere afstand (>25 km), waardoor op voorhand kan worden aangenomen dat het voornemen daarop geen invloed heeft. De bescherming van een Natura 2000-gebied is gericht op de natuurwaarden waarvoor het natuurgebied is aangewezen. Hiervoor zijn zogenoemde instandhoudingsdoelen geformuleerd. Voor de Waddenzee zijn dat een groot aantal habitattypen, habitatrichtlijnsoorten, broedvogels en niet-broedvogels. Gezien de afstand van het plangebied tot aan het Natura 2000-gebied zijn directe fysieke effecten als gevolg van het voornemen op de instandhoudingsdoelen van de Waddenzee uit te sluiten. Het plangebied zou wel gebruikt kunnen worden door niet-broedvogels die in het Waddengebied slapen maar in het agrarisch gebied foerageren. Omdat het plangebied vooral bestaat uit akkerland, zou dit voornamelijk geschikt kunnen zijn voor de Kleine zwaan en Toendrarietgans.

Voor beide soorten geldt echter dat er voldoende alternatieven beschikbaar zijn in de wijde omgeving, waardoor geen sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen. Indien er in het energielandschap windturbines worden geplaatst, dient een slachtofferbepaling te worden uitgevoerd. In deze analyse dienen ook de broedvogels en niet-broedvogels van Natura 2000-gebied Waddenzee te worden betrokken. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met een toename van stikstofdepositie op daarvoor gevoelige waarden in Natura 2000-gebied Waddenzee. Stikstofdepositie Een toename van de stikstofdepositie kan schadelijk zijn voor stikstofgevoelige habitattypen en soorten, vooral als sprake is van een reeds overbelaste situatie. Dan kan voor die activiteit een vergunning in het kader van de Wnb nodig zijn. We adviseren om voor de aanleg- en gebruiksfase van het project de verwachte extra stikstofdepositie te bepalen met behulp van berekening met het programma AERIUS Calculator. Als uit de berekening blijkt dat er een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol N/ha/j optreedt op een stikstofgevoelig habitattype of leefgebied, zijn mogelijk vervolgstappen aan de orde.

A&W-notitie 23-030 – Ecologisch onderzoek energielandschap Waadhoeke

5

Conclusie Het voornemen leidt niet tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000gebied Waddenzee. Wel kan een conflict met de Wnb optreden door een toename in stikstofdepositie. Om die reden adviseren wij om een berekening van de stikstofdepositie te laten uitvoeren. Daarnaast dient een slachtofferbepaling plaats te vinden van doelsoorten broedvogels en niet-broedvogels van Natura 2000-gebied Waddenzee als er windturbines worden geplaatst.

3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, figuur 1.1) en grenst daar ook niet aan. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied (Waddenzee) ligt op enkele kilometers afstand van het plangebied. Vanwege de grote afstand van het plangebied tot het NNN, kan worden aangenomen dat er geen belangrijke extra negatieve invloed ontstaat op NNN-gebieden. De beoogde werkzaamheden veroorzaken daardoor geen conflict met de regelgeving ten aanzien van deze vorm van gebiedsbescherming.

3.3

Overige vormen van gebiedsbescherming

Figuur 1.1 toont dat het plangebied grotendeels samenvalt met ‘Weidevogelkansgebied’. Het beleid en de bescherming van weidevogelgebieden in Friesland is uitgewerkt en vastgelegd in de Nota Weidevogels 2021-2030 en de Verordening Romte 2014 (geconsolideerde versie maart 2021). Het beleidsdoel van de provincie Fryslân is het realiseren van vitale weidevogelpopulaties in Fryslân, waarbij de Grutto als gidssoort fungeert. Ongeveer 22% van de West-Europees gruttopopulatie broedt in Fryslân, wat maakt dat Fryslân een bijzondere verantwoordelijkheid heeft voor het behoud en herstel van de populatie. Daarnaast richt het beleid zich op andere weidevogels zoals Scholekster, Kievit, Tureluur, Wulp, Watersnip, Veldleeuwerik, Graspieper, Slobeend en Zomertaling. De bescherming van leefgebieden van weidevogels is vastgelegd in art. 7.2 van de Verordening Romte: 7.2.2 Een ruimtelijk plan voor landelijk gebied dat betrekking heeft op gronden die gelegen zijn in of grenzen aan gebieden die op de kaart Weidevogelbieden zijn aangewezen als weidevogelkansgebieden of weidevogelparels, voorziet in een regeling waarmee voldoende openheid en rust van die gebieden wordt gehandhaafd, met dien verstande dat de agrarische productiefunctie inclusief de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande agrarische bedrijven zijn toegestaan.

7.2.3 In de plantoelichting bij een ruimtelijk plan voor landelijk gebied dat betrekking heeft op agrarische gronden met bestaande natuurwaarden, wordt aangegeven op welke wijze met deze natuurwaarden in het ruimtelijk plan rekening is gehouden. 7.2.4 Van artikel 7.2.2 kan worden afgeweken voor een noodzakelijke ruimtelijke ingreep van openbaar belang, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. de natuurwaarden worden afgewogen ten opzichte van de ruimtelijke ingreep; b. schade aan natuurwaarden door mitigerende maatregelen wordt zoveel beperkt als fysiekruimtelijk en wat betreft uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling redelijkerwijs mogelijk is; d. indien sprake is van het verloren gaan van gebied groter dan 0,5 ha dat vanwege rust en openheid voor weidevogels geschikt is als bedoeld in artikel 7.2.2, wordt dit financieel

6

A&W-notitie 23-030 - Ecologisch onderzoek energielandschap Waadhoeke

gecompenseerd door storting van een bedrag in een weidevogelfonds, volgens door Gedeputeerde Staten vast te stellen regels. De plantoelichting dient te verantwoorden op welke wijze financiële compensatie is geborgd. Effectbeoordeling De ontwikkeling van een energielandschap met windturbines, zonnepanelen en recreatie is niet verenigbaar met de rust en openheid van het landschap die nodig is voor het kunnen functioneren als weidevogelleefgebied. Daarom is sprake van strijdigheid van het voornemen met art. 7.2.2 van de Verordening Romte. Dit geldt voor deelgebied 1, 3 en 4 en voor een deel van deelgebied 2. Daarnaast moet rekening worden gehouden met verstoring door plaatsing van zonnepanelen en windturbines. Hierbij kan vooralsnog worden uitgegaan van een verstoringsafstand van 200 m, al is niet uitgesloten dat deze verstoringsafstand voor de huidige windturbines groter is (Bruinzeel & Schotman, 2011; Oosterveld, 2023). Omdat de realisatie van het energielandschap bijdraagt aan het doel om de gemeente Waadhoeke energieneutraal te maken in 2040, is sprake van een ruimtelijke ingreep van openbaar belang. Volgens artikel 7.2.4 dient dit te worden afgewogen tegen de aanwezige natuurwaarden. Omdat deze ecologische beoordeling een quickscan is, heeft geen broedvogelinventarisatie plaatsgevonden.

Wel zijn er wat recente gegevens over weidevogels vrij beschikbaar via het Jaarverslag 2022 van de Vogelwacht Franeker e.o. Het gaat hierbij om een selectie van typische weidevogels; mogelijk zijn nog andere soorten weidevogels aanwezig. In tabel 3.1 zijn de gegevens opgenomen. Tabel 3.1 Aantal nesten van een deel van de typische weidevogels in de verschillende deelgebieden in het plangebied in 2022. Op basis van het Jaarverslag van de Vogelwacht Franeker e.o. 2022. *dit deelgebied valt binnen een veel groter rayon. Hierdoor is het aantal nesten in het deelgebied waarschijnlijk lager dan in deze tabel is opgenomen.

Deelgebied 1+4 3* 2*

Grutto 1 (nest) 7 (nesten)

Kievit 43 (nesten) 12 (nesten) 17 (nesten)

Scholekster 12 (nesten) 2 (nesten) 9 (nesten)

Tureluur 9 (nesten) 4 (nesten 1 (nest)

Uit de gegevens blijkt dat het plangebied vooral van belang is voor Kievit en Scholekster. Om te bepalen welke aantallen en soorten weidevogels precies in en nabij het plangebied aanwezig zijn dient een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Daarbij dienen de verstoringsafstanden meegenomen te worden om te bepalen wat de invloed is van de ingreep. De mogelijkheden voor het treffen van mitigerende maatregelen zijn beperkt voor dit voornemen, omdat de inrichting van een energielandschap niet goed te verenigen is met de vereisten van weidevogellandschap. Op basis van de nu beschikbare informatie lijkt deelgebied 2 fysiek ruimtelijk de minst slechte keuze, omdat dit gebied grotendeels buiten de begrenzing van het weidevogelkansgebied valt. Na uitvoering van het nader onderzoek zal een betere afweging kunnen worden gemaakt op basis van de aanwezige natuurwaarden. Doorkijkje naar Omgevingswet Per 1 januari 2024 gaat de Omgevingswet in, en dan wordt ook de Omgevingsverordening van de Provincie Fryslân van kracht. De bescherming van weidevogelkansgebieden is vastgelegd in Afdeling 2.13 Weidevogelkansgebieden en weidevogelparels van de verordening. De regels komen overeen met de huidige regelgeving.

A&W-notitie 23-030 – Ecologisch onderzoek energielandschap Waadhoeke

3.4

7

Conclusie gebiedsbescherming

Wij adviseren een berekening te laten uitvoeren van de stikstofdepositie voor zowel de aanlegals de gebruiksfase om te kunnen bepalen of er effecten kunnen optreden op Natura 2000-gebied Waddenzee. Het plangebied overlapt met weidevogelkansgebied. Er dient daarom een nader onderzoek naar de weidevogelpopulatie gedaan te worden conform de BMP-W methode van SOVON.

8

A&W-notitie 23-030 - Ecologisch onderzoek energielandschap Waadhoeke

4 Soortbescherming en beoordeling Voor de bescherming van soorten is in de Wnb een indeling gemaakt, waardoor drie beschermingscategorieën zijn ontstaan: − in artikel 3.1 Wnb gaat het om soorten van de Europese Vogelrichtlijn, − in artikel 3.5 Wnb gaat het om soorten van de Europese Habitatrichtlijn (en van het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn), − in artikel 3.10 Wnb gaat het om soorten met een bescherming op nationaal niveau. Per provincie is vastgesteld welke van die soorten wel, en welke niet onder een vrijstellingsregeling vallen. Die vrijstelling betreft enkele verbodsbepalingen van de Wnb en kan bijvoorbeeld gelden bij projecten voor ruimtelijke ontwikkeling. Soorten van de Rode lijst hebben geen extra juridische bescherming. Ze staan op die lijst omdat ze in hun voortbestaan worden bedreigd, ongeacht hun beschermingsstatus. Voor alle planten- en diersoorten geldt een zorgplicht. De Wnb verbiedt daarmee het onnodig verstoren, beschadigen en doden van soorten, ongeacht hun beschermingsstatus of positie op de Rode lijst. Een belangrijk onderdeel van de zorgplicht is het tijdig laten uitvoeren van een ecologische beoordeling, zoals een ecologische quickscan. Andere onderdelen van de zorgplicht bestaan uit het treffen van (extra) maatregelen, die zijn bedoeld om negatieve effecten van de voorgenomen activiteit op planten en dieren te mitigeren of voorkomen.

4.1

Algemeen

Het plangebied ligt in een omgeving met intensief agrarisch gebruik. Uitzondering daarop zijn enkele stroken aan de west en zuidwestkant (net buiten het plangebied) die begroeid zijn met bomen en struiken en derhalve ook meer natuurwaarden bevat. Ook de Riedpolder bevat nat grasland wat minder intensief gebruikt is. Binnen het plangebied zijn sloten aanwezig en geen waterpartijen. De Roptavaart loopt aan de zuidkant deels door het plangebied. Mede door de voedselrijke bodem wordt hier geen grote soortenrijkdom verwacht. Door deze omstandigheden kan op voorhand worden geconcludeerd dat binnen het plangebied geen wettelijk beschermde soorten voorkomen die tot de volgende soortgroepen behoren: − planten − ongewervelden − reptielen De redenen die aan deze conclusie ten grondslag liggen, zijn één of meer van de volgende: − Het plangebied ligt niet binnen het verspreidingsgebied van deze soorten. − Het plangebied biedt geen geschikte biotopen voor deze soorten. − Uitstralende effecten van de beoogde werkzaamheden reiken niet dermate ver buiten het plangebied dat daardoor (mogelijk) leefgebied van deze soorten wordt beïnvloed. Voor alle soorten dient wel de zorgplicht in acht te worden genomen. Dit kan door dieren de gelegenheid te geven het werkterrein te verlaten, door in één richting te werken en geen dieren in te sluiten.

A&W-notitie 23-030 – Ecologisch onderzoek energielandschap Waadhoeke

9

Conclusie De beoogde werkzaamheden veroorzaken geen conflict met de Wnb ten aanzien van bovengenoemde soortgroepen, mits de zorgplicht in acht wordt genomen.

4.2

Vissen

Uit de NDFF blijkt dat in de periode 2000-2005 meerdere Grote modderkruipers zijn waargenomen in de omgeving van Tzummarum, op ruim 2 km ten noordoosten van het plangebied. Binnen deelgebieden 1 en 4 heeft in 2005 en 2007 uitgebreid onderzoek plaatsgevonden naar het voorkomen van beschermde vissoorten (Biezenaar, 2007; Brenninkmeijer & Schut, 2006). Hierbij is Grote modderkruiper niet aangetroffen. Wel is op een plek de Alver waargenomen (Rode Lijstsoort) en is de voormalig beschermde Bittervoorn gevangen op drie locaties (Biezenaar, 2007). Op basis van het eerder uitgevoerde onderzoek en het ontbreken van waarnemingen in de NDFF wordt verwacht dat Grote modderkruiper ook niet in deelgebieden 2 en 3 voorkomt. Effecten zijn niet aan de orde, mits de zorgplicht in acht wordt genomen indien er werkzaamheden plaatsvinden aan sloten. Zorgplicht Als sprake is van het dempen van sloten dient dit bij voorkeur buiten de winterrust- en voortplantingsperiode van vissen en amfibieën te worden uitgevoerd. Hiervoor geldt de periode van 1 augustus tot 1 november, waarbij de maanden september en oktober de voorkeur hebben. Als de betreffende sloot in verbinding staat met een andere watergang, dient te worden verzekerd dat de aanwezige vissen hierheen kunnen vluchten.

Indien dat niet mogelijk is, dienen de vissen voor het dempen te worden afgevangen en te worden uitgezet in een geschikte watergang in de omgeving.

4.3

Amfibieën

In en rond het plangebied zijn meerdere sloten en watergangen aanwezig. Het is niet bekend of er als onderdeel van het voornemen sloten worden gedempt. Het plangebied is in principe geschikt voor amfibieën. Het gaat dan om algemene soorten zoals Meerkikker, Bruine kikker, Gewone pad en Kleine watersalamander, waarvoor een vrijstelling geldt in provincie Fryslân. Zwaarder beschermde soorten zoals Heikikker en Poelkikker (art. 3.5 Wnb) of Alpenwatersalamander (art. 3.10) worden niet verwacht in het plangebied, omdat dit buiten het bekende verspreidingsgebied van deze soorten valt. Effecten zijn niet aan de orde. Zorgplicht Als sprake is van het dempen van sloten dient dit bij voorkeur buiten de winterrust- en voortplantingsperiode van vissen en amfibieën te worden uitgevoerd. Hiervoor geldt de periode van 1 augustus tot 1 november, waarbij de maanden september en oktober de voorkeur hebben. Als de betreffende sloot in verbinding staat met een andere watergang, dient te worden verzekerd dat de aanwezige amfibieën hierheen kunnen vluchten. Indien dat niet mogelijk is, dienen de amfibieën voor het dempen te worden afgevangen en te worden uitgezet in een geschikte watergang in de omgeving.

10

4.4

A&W-notitie 23-030 - Ecologisch onderzoek energielandschap Waadhoeke

Vogels

Alle in Nederland voorkomende vogelsoorten zijn beschermd volgens artikel 3.1 Wnb. Verstoring of aantasting van vaste verblijfplaatsen (nesten) en de directe omgeving daarvan is niet toegestaan. Voor de meeste soorten gaat het om de nestplaatsen die tijdens het broedseizoen in gebruik zijn. De Wnb kent geen standaardperiode daarvoor. De meeste Nederlandse vogelsoorten broeden in het broedseizoen, dus tussen half maart en eind juli. Er zijn echter ook soorten die eerder starten en soorten die zelfs in september nog broeden. Het gaat erom of er een broedgeval is dat verstoord kan worden. Voor een aantal soorten geldt een jaarronde bescherming van de nestplaats. Tijdens het veldbezoek bleek dat er zeer beperkt broedgelegenheid aanwezig is voor een aantal broedvogels. Het gaat met name om algemene soorten zoals Wilde eend, Meerkoet en Waterhoen. Er broeden in delen van het plangebied ook weidevogels, waarnaar in Hoofdstuk 3 al nader onderzoek is aanbevolen. Vogels beschermd tijdens de broedperiode Er zijn verschillende mogelijkheden om conflicten met de Wnb ten aanzien van broedende vogels te voorkomen. Zo geldt ten aanzien van de meeste broedvogelsoorten dat de werkzaamheden niet mogen starten binnen het hierboven genoemde broedseizoen.

Het is toegestaan om werkzaamheden reeds voor aanvang van het broedseizoen te starten, zodat broedpogingen in het werkgebied door die verstoring achterwege zullen blijven. Gezien de omvang van het plangebied en de verschillende deelgebieden is het lastig om het volledige gebied broedvogelvrij te kunnen houden. Daarom adviseren we in dit geval de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Er worden mogelijk windturbines geplaatst in het plangebied. Voor de gebruiksfase is daarom relevant dat wordt bepaald wat de effecten zijn op vogels wat betreft het te verwachten aantal aanvaringsslachtoffers. Vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen Buiten het broedseizoen vallen de meeste nestplaatsen niet onder de bescherming van de Wnb. Een aantal vogelsoorten maakt echter gedurende het gehele jaar gebruik van een nestplaats of keert jaarlijks terug op dezelfde plaats. Hun nesten en de functionele leefomgeving daarvan zijn daarom het gehele jaar beschermd. De Wnb bevat een lijst van deze vogelsoorten. Daarnaast hanteren de provincies verschillende lijsten met vogelsoorten die alleen jaarrond beschermd zijn, indien daar ecologisch zwaarwegende redenen voor zijn. Het betreft soorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats of omgeving waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om zich elders te vestigen.

In het plangebied zijn geen mogelijkheden aanwezig voor nesten van dergelijke vogelsoorten. De bomen zijn jong en te laag voor horsten. Bebouwing waarin zich nesten van bijvoorbeeld Huismussen en Gierzwaluwen kunnen bevinden is niet aanwezig. De erven van boerderijen en woningen zijn daarbij buiten beschouwing gelaten. Het is niet uit te sluiten dat het plangebied onderdeel is van het foerageergebied van roofvogels. Uit de ecologische beoordeling uit 2010 (van der Heijden & Greve, 2010) volgt dat het plangebied mogelijk onderdeel vormt van foerageergebied van Buizerd, Havik, Boomvalk, Sperwer, Kerkuil en Ransuil. Op basis van een omgevingscheck is geconcludeerd dat voor deze soorten voldoende alternatieve foerageergebieden in de omgeving beschikbaar zijn. Daarnaast zou de

A&W-notitie 23-030 – Ecologisch onderzoek energielandschap Waadhoeke

11

inrichting van de natuurzones langs de Opvaart en de Roptavaart kunnen leiden tot verbetering van de kwaliteit van het foerageergebied in het plangebied voor Buizerd, Ransuil, Kerkuil en Boomvalk (van der Heijden & Greve, 2010). Ten opzichte van 2010 zijn er geen relevante wijzigingen opgetreden in het potentiële foerageergebied voor deze soorten. De conclusies blijven daarom gehandhaafd. Conclusie vogels Door de beoogde werkzaamheden ontstaat mogelijk een conflict met de Wnb wanneer broedende vogels en hun nesten worden verstoord. We adviseren daarom het broedseizoen te ontzien bij de werkzaamheden. Zoals eerder al beschreven wordt bovendien aanbevolen een onderzoek te doen naar weidevogels conform de BMP-W methode van SOVON. Hiermee kan bepaald worden wat de waarde is van het gebied voor weidevogels. Als er nieuwe windturbines worden geplaatst, dient het aantal te verwachten aanvaringsslachtoffers te worden bepaald. Doorkijkje naar Omgevingswet Onder de Omgevingswet wordt een aangepaste lijst met jaarrond beschermde nesten van de provincie Fryslân van kracht. Hierin zijn ook Grutto en Scholekster opgenomen.

Deze vallen onder categorie 5: nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd, tenzij er sprake is van zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Omdat de lijst nog niet geldt op dit moment, is nog niet duidelijk hoe dit beschermingsregime in de praktijk gaat uitpakken. Het is echter niet ondenkbaar dat dit betekent dat het voornemen vergunningplichtig is onder de Omgevingswet.

4.5

Vleermuizen

Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten zijn beschermd onder artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Hierdoor gelden voor deze soorten striktere beoordelingscriteria bij ontheffingsaanvragen dan bij de meeste andere beschermde zoogdiersoorten. Om deze reden worden de vleermuizen hier in een aparte paragraaf besproken en worden de 'overige zoogdiersoorten' in §4.4 behandeld. Een aantal vleermuissoorten komt ook in de omgeving van het plangebied voor, zoals Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger, Meervleermuis, Ruige dwergvleermuis en Watervleermuis (NDFF, 2023). Mogelijk maakt een deel van deze soorten ook gebruik van het plangebied. Voor vleermuizen zijn drie onderdelen van het leefgebied van belang, namelijk verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes. Deze indeling wordt ook gebruikt bij effectbeoordelingen. Verblijfplaatsen In zowel de zomerperiode als de baltsperiode hebben vleermuizen in Nederland hun verblijfplaatsen voornamelijk in gebouwen en bomen. Tijdens de winter verblijven zij onder andere in gebouwen, bomen, bunkers en kelders. Tijdens het veldbezoek op 9 februari 2023 zijn geen holtes in bomen aangetroffen waarin verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig kunnen zijn. De erven van boerderijen en woningen

12

A&W-notitie 23-030 - Ecologisch onderzoek energielandschap Waadhoeke

zijn buiten beschouwing gelaten in deze beoordeling waardoor niet beoordeeld kan worden of daar verblijfplaatsen in aanwezig zijn. Foerageergebieden Het plangebied is zeer beperkt geschikt als foerageergebied voor (een deel van) de hierboven genoemde soorten. Het gebied is hiervoor te open. Met name de Opvaart en de Roptavaart kunnen wel gebruikt worden als foerageergebied door een aantal soorten vleermuizen, met name Watervleermuis en Meervleermuis. Deze vaarten blijven intact, waardoor van directe effecten geen sprake is. De geschiktheid van deze gebieden kan wel worden aangetast als er verlichting wordt geplaatst in de nabijheid van deze vaarten. Als uitstraling van verlichting naar deze watergangen wordt voorkomen, is er geen sprake van overtreding van de Wnb. De plaatsing van nieuwe windturbines kan leiden tot aanvaringen; dit dient onderzocht te worden. Vliegroutes Vleermuizen vliegen doorgaans langs onverlichte, lijnvormige landschapselementen en mijden open gebied. Zo kunnen (vaste) vliegroutes aanwezig zijn langs bosranden, bomenlanen, watergangen en gebouwen. In het plangebied zijn dergelijke landschapselementen niet aanwezig. Wel kunnen de Opvaart en de Roptavaart geschikt zijn als vliegroute voor Meervleermuis en Watervleermuis.

Uit de kaart ‘Kraamverblijf Meervleermuis’ van provincie Fryslân 1 blijkt dat de Opvaart onderdeel is van een migratieroute voor Meervleermuis. De Roptavaart is onderdeel van een vliegroute voor Meervleermuis. In Sexbierum zijn in het verleden in een kerk kolonies van Meervleermuizen aangetroffen (Kuijper et al., 2006; geciteerd in Biezenaar, 2007). De inrichting van het gebied als energielandschap heeft geen directe effecten op de vliegroutes, omdat de vaarten ongemoeid blijven. Als er echter verlichting wordt geplaatst die op de vliegroutes schijnt, kunnen deze hierdoor ongeschikt raken. Dit dient te worden voorkomen. De plaatsing van windturbines kan leiden tot aanvaringen. Dit kan zowel effecten hebben op de verblijfplaats in de kerk in Sexbierum als op de populatie van Meervleermuis. Ook effecten op verblijfplaatsen en de populatie van Watervleermuis kunnen niet worden uitgesloten. Er is een nader onderzoek nodig op basis waarvan de kans op aanvaringen kan worden berekend. Conclusie vleermuizen Het voornemen kan een conflict met de Wnb ten aanzien van vleermuizen veroorzaken. Hierbij gaat vooral op het risico op aanvaring met nieuwe windturbines. Als er windturbines worden geplaatst, is nader onderzoek nodig en dient ook een slachtofferberekening te worden uitgevoerd.

4.6

Overige zoogdiersoorten (exclusief vleermuizen)

Zoogdiersoorten artikel 3.5 Wnb In het plangebied en omgeving worden geen beschermde zoogdiersoorten van art. 3.5 verwacht, omdat dit vanwege de inrichting en het intensieve agrarische gebruik niet voldoet aan de vereisten van bijvoorbeeld Otter en Bever. Ook ontbreken waarnemingen van deze soorten in het plangebied en omgeving. De beoogde werkzaamheden veroorzaken geen conflict met de Wnb ten aanzien van zoogdiersoorten van deze beschermingscategorie.

1 https://fryslan.maps.arcgis.com/home/webmap/viewer.html?webmap=6f01f5935f574311ab460ed715ab39a4

A&W-notitie 23-030 – Ecologisch onderzoek energielandschap Waadhoeke

13

Zoogdiersoorten artikel 3.10 Wnb In de omgeving van het plangebied leven algemeen voorkomende zoogdiersoorten, zoals Egel en verschillende spitsmuis-, woelmuis- en ware muizensoorten. Daarnaast zijn Haas, Ree en Vos aanwezig in de omgeving (NDFF, 2023). Ook de aanwezigheid van kleine marterachtigen zoals Wezel, Hermelijn en Bunzing kan niet worden uitgesloten. Voor deze soorten kan het plangebied foerageergebied en/of overwinteringsbiotoop bieden dat door de beoogde werkzaamheden kan worden aangetast. Voor Hermelijn zijn aan de randen van het gebied, met name langs het kanaal in het zuiden, kleine ruigtes aanwezig die als voortplantingslocatie kunnen dienen. Op grond van de provinciale vrijstelling veroorzaken de beoogde werkzaamheden ten aanzien van deze soorten geen conflict met de Wnb. Er zijn echter ten aanzien van deze soorten maatregelen nodig in het kader van de zorgplicht (zie hieronder). Zorgplicht De verstoring kan worden beperkt door tijdens de aanlegwerkzaamheden rustig te rijden in het plangebied. Geadviseerd wordt om het terrein voor aanvang van de werkzaamheden te maaien, waardoor het onaantrekkelijker wordt. Hierbij dient van binnen naar buiten te worden gemaaid. Door één richting op te werken wordt ervoor gezorgd dat dieren het gebied kunnen ontvluchten.

Doorkijkje naar Omgevingswet Wanneer de Omgevingswet in werking treedt, komen de vrijstellingen voor kleine marterachtigen te vervallen. Vanwege de openheid van het gebied worden geen verblijfplaatsen van Bunzing en Wezel verwacht in het plangebied. Het plangebied kan wel worden gebruikt als foerageergebied. Voor Hermelijn is aanwezigheid van voortplantingsplaatsen aan de randen van het plangebied niet helemaal uit te sluiten. Het voornemen kan ertoe leiden dat een deel van het foerageergebied van deze soorten wordt aangetast of permanent verloren gaat. Omdat het gaat om omvangrijke deelgebieden, kan niet worden uitgesloten dat dit gevolgen heeft voor de functionaliteit van verblijfplaatsen. Daarnaast kunnen ook directe effecten optreden op verblijfplaatsen van Hermelijn. We adviseren om in overleg met de provincie Fryslân te bepalen of het nodig is om nader onderzoek uit te voeren 2. Effecten kunnen worden verzacht door bij de inrichting van het gebied rekening te houden met deze soorten. Conclusie overige zoogdiersoorten De beoogde werkzaamheden veroorzaken geen conflict met de Wnb ten aanzien van overige zoogdieren. Onder de Omgevingswet dient rekening te worden gehouden met mogelijke effecten op kleine marterachtigen.

2 Nader onderzoek naar kleine marterachtigen bestaat uit onderzoek met behulp van wildcamera’s. De trefkans is echter

laag. Er is daarom wat voor te zeggen om geen onderzoek uit te voeren, maar gewoon aan te nemen dat de soorten aanwezig zijn. Voor de activiteit dient dan vergunning te worden aangevraagd voor de kleine marters en moeten mitigerende en compenserende maatregelen worden getroffen. In overleg met bevoegd gezag kan worden bepaald wat in deze de beste oplossing is.

14

A&W-notitie 23-030 - Ecologisch onderzoek energielandschap Waadhoeke

5 Natuurinclusieve inrichting Er zijn mogelijkheden om het plangebied natuurinclusief in te richten. Van belang om te realiseren is dat de ontwikkeling van een energielandschap in combinatie met recreatie niet past bij het doel om het gebied te laten functioneren als weidevogelgebied. De natuurambities voor het plangebied dienen daarom gericht te worden op andere natuurwaarden. Hierbij is tevens van belang dat rekening wordt gehouden met onbedoeld negatieve effecten. Bijvoorbeeld: de plaatsing van windturbines leidt tot aanvaringsrisico’s: vermeden moet worden dat in het plangebied als gevolg van natuurvriendelijke inrichting grote aantallen (grotere) vogels en vleermuizen worden aangetrokken. Daarnaast is het wenselijk dat de te ontwikkelen natuur past in het landschap en ook aansluit op de omgeving. Hierbij moet ook rekening worden gehouden met het functioneren van weidevogelkansgebieden in de omgeving van het plangebied. Het plangebied bevindt zich in een landschap van het kwelderwallen en kweldervlaktenlandschap. De kwelderwallen zijn de hogere delen van het landschap, waarop de bewoning en ook het kassencomplex ligt. Op deze lichtere gronden is vooral sprake van akkerbouw. De kweldervlakten, waar ook het plangebied deel van uitmaakt, zijn de lagere delen van het landschap. De gronden zijn er zwaarder en vooral in gebruik als grasland.

In de lengterichting van dergelijke vlakten lopen vaarten (restanten van voormalige kreken), met dwars daarop opvaarten naar de dorpen (Brongers et al., 2021). De Roptavaart en de Opvaart zijn daar voorbeelden van. Openheid is hier een van de kernwaarden. Daarnaast is een landschapsbepalend element de Slachtedyk. De bermen van de Slachtedyk worden onderhouden door middel van ecologisch maaibeheer. Ze zijn kruidenrijk en (daardoor) van belang voor insecten. Onder de voorwaarden en beperkingen die gelden voor het plangebied zien wij vooral kansen voor de ontwikkeling van meer bloemrijke vegetaties en voor de realisatie van waterpartijen met rijke oevervegetatie als leefgebied voor amfibieën, insecten en vissen. Om de waarde voor met name insecten, maar bijvoorbeeld ook kleine zoogdieren, te vergroten is het belangrijk om bij te dragen aan de vorming van een kruidenrijk netwerk. Dat betekent dat te ontwikkelen kruidenrijke locaties (percelen, stroken, perceelsranden, slootoevers) bij voorkeur aansluiten op bestaande biodiverse elementen. Voorbeelden daarvan zijn de Slachtedyk, kruidenrijke bermen of soortenrijke slootoevers. Daarbij geldt voor insecten gemiddeld genomen dat een afstand van maximaal 100 m nog overbrugbaar is.

Als het vertrekpunt bestaand grasland is, dan heeft het de voorkeur om via maaien en afvoeren (en uiteraard het achterwege laten van bemesting) de kruidenrijkdom te vergroten. Als dat niet lukt, omdat de bodem te voedselrijk en de vegetatie te dicht is, dan kan overwogen worden om smalle stroken te frezen en in te zaaien. Verwijderen van de voedselrijke bovengrond is de meest vergaande optie. Gebruik voor het inzaaien van gefreesde of afgegraven delen óf maaisel van bloemrijke vegetaties uit de omgeving óf een kruidenrijk zaadmengsel van meerjarige soorten die in de streek thuishoren en die niet behandeld zijn met gifstoffen. Dan is de kans het grootst dat de soorten zich kunnen handhaven, hebben de insecten er de meeste baat bij en krijgen ze geen gifstoffen binnen. Bloemrijke locaties liggen bij voorkeur op de zon. De waterpartijen kunnen worden aangelegd in de vorm van poelen en sloten. Poelen dienen een omvang te hebben van minimaal 20-30 m in doorsnede en een diepte van 0,5 á 1,0 m beneden de laagste grondwaterstand. De sloten en poelen dienen een natuurvriendelijke (geleidelijke flauwe) oever te hebben die doorloopt tot onder water. Dan ontstaat er ruimte is voor een geleidelijke overgang van water- en moerasplanten naar drogere kruidenrijke oevervegetaties. Hierbij wordt aangesloten op de rietvegetaties in de natuurzones die nu langs de Opvaart en

A&W-notitie 23-030 – Ecologisch onderzoek energielandschap Waadhoeke

15

Roptavaart aanwezig zijn. Als overwinteringshabitat voor amfibieën kunnen boomstronken worden neergelegd in de nabijheid van de poelen. Daarnaast kunnen ruigtes en eventueel takkenrillen dienen als verblijfplaats voor kleine marterachtigen. Uiteraard dient bij de locatiekeuze van dergelijke maatregelen wel rekening te worden gehouden met weidevogeldoelstellingen in de omgeving van het plangebied. Voorkomen moet worden dat in weidevogelleefgebied de predatiedruk toeneemt. Daardoor adviseren we ook om terughoudend te zijn met de plaatsing van struweel. In de natuurzone langs de Roptavaart is op twee plekken wat struweel aanwezig. Dit zou ook elders, op deze spaarzame wijze, kunnen worden toegepast. Hiervoor zou meidoorn en Sleedoorn voor kunnen worden gebruikt.

16

A&W-notitie 23-030 - Ecologisch onderzoek energielandschap Waadhoeke

6 Conclusie Samenvattend en op basis van de voorgaande hoofdstukken heeft deze ecologische beoordeling geleid tot onderstaande conclusies. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Wij adviseren een berekening van de stikstofdepositie te laten uitvoeren voor zowel de aanlegals de gebruiksfase. Daarnaast dient bij een slachtofferbepaling voor te plaatsen windturbines ook rekening te worden gehouden met mogelijke effecten op doelsoorten van Natura 2000gebied Waddenzee. Overige vormen van gebiedsbescherming Het plangebied overlapt met weidevogelkansgebied. Er dient daarom een nader onderzoek naar de weidevogelpopulatie gedaan te worden conform de BMP-W methode van SOVON. Soortbescherming Broedvogels De beoogde werkzaamheden veroorzaken een conflict met de Wnb wanneer broedende vogels en hun nesten worden verstoord. In paragraaf 4.4 staan de maatregelen waarmee dit kan worden voorkomen. Voor weidevogels wordt geadviseerd een nader onderzoek te laten uitvoeren (zie Gebiedsbescherming). Bij plaatsing van windturbines dient een analyse plaats te vinden van aanvaringsslachtoffers. Jaarrond beschermde nesten van vogels De beoogde werkzaamheden veroorzaken geen conflict met de Wnb. Vleermuizen Verstoring van foerageergebied en vliegroutes door verlichting dient te worden voorkomen. Bij plaatsing van windturbines dient een analyse plaats te vinden van aanvaringsslachtoffers.

Overige zoogdieren De beoogde werkzaamheden veroorzaken geen conflict met de Wnb. Overige beschermde soorten De beoogde werkzaamheden veroorzaken geen conflict met de Wnb ten aanzien van overige beschermde soorten. Soortbescherming onder de Omgevingswet Onder de Omgevingswet zijn ook de aanwezigheid van categorie 5 soorten Grutto en Scholekster en kleine marterachtigen relevant.

A&W-notitie 23-030 – Ecologisch onderzoek energielandschap Waadhoeke

17

Literatuur Biezenaar, P., 2007. Ecologische beoordeling herinrichtingsplan glastuinbouw Sexbierum. A&Wrapport 999. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Veenwouden BoschSlabbers landschapsarchitecten in samenwerking met Van Hall Larenstein 2023. Het verhaal van Waadhoeke. 3000 jaar leven met het water. Brenninkmeijer, A. & J. Schut, 2006. Resultaten onderzoek beschermde vissoorten zoeklocaties glastuinbouw Noordwest-Fryslân. A&W-rapport 767. Veenwouden Brongers, M., W. Bijkerk, 2019. Biodiversiteitsactieplan gemeente Waadhoeke. Inventarisatie waarden en kansen. A&W-rapport 3301. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden Brongers, M., Feldbrugge, M. & E. Schut, 2021. Biodiversiteitsplan gemeente Noardeast-Fryslân. A&W-rapport 20-300. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden Bruinzeel, L. W., & Schotman, A. G. M., 2011. Onderbouwing verstoringsafstanden weidevogels Fryslân. A&W rapport 1624. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden Oosterveld, E.B., 2023. Evaluatie beleid weidevogelcompensatie Provincie Fryslân. A&Wrapport 22-144, Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden Oosterveld, E.B., A.H.J. Loonstra, R. de Jong, 2020 met medewerking van D. Zoetebier (Sovon), I. van der Zee (BFVW), N. Veenstra (BFVW), E. van der Velde (RUG), J. Hooijmeijer (RUG) en T. Piersma (RUG) . Weidevogeltrends Fryslân en effecten van beleid.

Analyses voor de evaluatie van de weidevogelnota 2014-2020. A&W-rapport 20-224. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden Provincie Fryslân, 2022. Evaluatie weidevogelcompensatie 2014-2022. Concept. Van der Heijden, E. & Greve, M.S.E., 2010. Ecologische beoordeling van uitbreiding glastuinbouw te Sexbierum. A&W-rapport 1519. Vogelwacht Franeker e.o., 2022. Jaarverslag

Websites ● Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF): https://ndff-ecogrid.nl/ ●

Natura2000.nl

●

Verspreidingsatlas.nl

●

https://www.topotijdreis.nl/

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=waadhoeke&id=f3da04fa-5ca1-4544-8765-c0229025f2e8