CConstaterende datwaadhoeke
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1: Zienswijzennota

Gemeenteraad Waadhoeke 3 april 2025, gemeente waadhoekeBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Tzummarum-Hoarnestreek 10-148.503 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Zienswijzennota behorende bij het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waadhoeke (hierna: ‘het college’) tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Tzummarum – Hoarnestreek 10-14’ met IMRO-codering NL.IMRO.1949.BPTzmHoarnest1014-VAS1. 1

Inleiding

1. Het bestemmingsplan ‘Tzummarum – Hoarnestreek 10-14’ ziet op de planologische ontkoppeling van het (co)-mestvergistingsbedrijf en het pluimveebedrijf. Als gevolg van de ontkoppeling ontstaan per saldo geen nadeliger effecten in de beoogde planologische regeling dan in de huidige. 2. Het bestemmingsplan maakt deel uit van een stappenplan waarbij we de situatie voor deze locaties opnieuw vastleggen en dat recht doet aan wat er gebeurd en vergund is. Het doel is om duidelijk juridisch en handhaafbaar kader te stellen. De eerste stap betrof aanvraag van een omgevingsvergunning voor de omschakeling van de productie van elektriciteit naar groen gas. De tweede stap is de totstandkoming van dit bestemmingsplan en de derde stap ziet op het verkrijgen van een omgevingsvergunning milieubelastende activiteit onder de Omgevingswet, ten behoeve van het splitsen van de bedrijfsvoering. Met die omgevingsvergunning worden de milieueffecten diepgaand onderzocht en getoetst aan wet- en regelgeving. Gedurende het proces is hier de splitsing van de vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb-vergunning) bij tussen gekomen. De splitsing van het bestemmingsplan heeft voor de rechten die zijn opgenomen in de Wnb-vergunning gevolgen.

In vervolg op het besluit van 26 november 2024 op het intrekkingsverzoek heeft de provincie op 7 maart 2025 een besluit genomen tot splitsing van de Wnb-vergunning. Gelet hierop is de besluitvorming op het bestemmingsplan voortgezet. 3. Op 8 september 2023 heeft het college ten behoeve van het voorgaande het ontwerpbestemmingsplan ‘Tzummarum – Hoarnestreek 10-14’ met IMRO-codering NL.IMRO.1949.BPTzmHoarnest1014-ONT1 tussen 11 september en 22 oktober 2023 voor eenieder ter inzage gelegd. In totaal zijn er 13 zienswijzen ingediend, waaronder door omwonenden, Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân, Wetterskip Fryslân en Brandweer Fryslân. De zienswijzen zijn tijdig ontvangen en ontvankelijk. Een overzicht van de ingediende zienswijzen is te vinden in bijlage 1 bij deze zienswijzennota.

4. Op verzoek van enkele indieners van zienswijzen hebben op 15 en 16 januari 2025 zienswijzegesprekken plaatsgevonden, waarin zij hun zienswijzen mondeling hebben toegelicht en schriftelijk hebben aangevuld. Daarvan zijn verslagen opgesteld die tevens zijn toegevoegd aan bijlage 1. 5. In de navolgende paragrafen wordt gereageerd op de ingediende zienswijzen. In het overzicht zoals opgenomen in bijlage 1 is per zienswijze-onderdeel aangegeven in welke van de navolgende paragrafen daarop wordt gereageerd. 2

Zienswijzen

6. Een bestemmingsplan kan worden vastgesteld als het in overeenstemming is met de ‘goede ruimtelijke ordening’ en voldoende is onderbouwd dat daarvan sprake is. De gemeenteraad heeft een discretionaire bevoegdheid ten aanzien van de invulling van de ‘goede ruimtelijke ordening’, maar dient daarbij wel binnen de kaders te blijven die nationaal-, provinciaal- en gemeentelijk beleid en eventueel jurisprudentie daaraan hebben gesteld. Geen van de zienswijzen heeft tot de conclusie geleid dat het bestemmingsplan niet in overeenstemming is met de ‘goede ruimtelijke ordening’. Daarentegen is de toelichting van het bestemmingsplan wel op enkele punten aangescherpt of gewijzigd naar aanleiding van de zienswijzen. 7. Kort samengevat is in de zienswijzen het volgende naar voren gebracht: -

-

-

Het vaststellen van het bestemmingsplan is niet (langer) noodzakelijk en wenselijk, omdat: 1) de verkoop mestvergistingsbedrijf aan Shell/ Engie niet langer doorgaat, 2) ten onrechte wordt gesteld dat een mestvergistingsinstallatie een groene- en duurzame bijdrage levert aan de energietransitie en 3) het feit dat een situatie illegaal is, nog niet per definitie inhoudt dat het noodzakelijk en wenselijk is om de illegale situatie te legaliseren. De al verleende vergunningen zien op een pluimveebedrijf met daaraan ondergeschikt een co-mestvergistingsbedrijf. Aangezien de activiteiten van het mestvergistingsbedrijf niet langer ondergeschikt zijn aan het pluimveebedrijf, zijn de al verleende vergunningen niet langer van toepassing en vindt er wel degelijk een uitbreiding van de planologische mogelijkheden plaats. Het bestemmingsplan is in strijd met de Verordening Romte Fryslân, omdat: 1) sprake is van een industrieel bedrijf waar geen ontheffing voor kan worden verleend en 2) de verordening geen ruimte biedt om een gemengd agrarisch bedrijf om te zetten in een niet-grondgebonden bedrijf.

2 van 30

-

-

-

-

Het toestaan van een industriële activiteit in het buitengebied is in strijd met de Omgevingsvisie, speerpunt 8. In het bestemmingsplan is het maatschappelijke draagvlak onvoldoende en onjuist beoordeeld, omdat 1) de tien omwonenden die hebben verklaard geen bezwaar te hebben tegen het plan onvolledig zijn geïnformeerd en 2) ten onrechte de verschillende procedures tegen het mestvergistingsbedrijf niet zijn meegenomen in de beoordeling van het maatschappelijke draagvlak. De maximale capaciteit van de bedrijven moet naar beneden worden geschaald, omdat: 1) een volledige benutting van de capaciteit veroorzaakt een onevenredige inbreuk op het woon- en leefklimaat en 2) de volledige capaciteit wordt niet benut. Het bestemmingsplan veroorzaakt een onevenredige inbreuk op het woon- en leefklimaat van de omwonenden. Meer concreet: o De wegen naar de mestvergister zijn niet ingericht op het aantal verkeersbewegingen en de omvang van de vervoersmiddelen. Dit levert gevaar op voor in de berm spelende kinderen. o De milieueffecten van de mestvergister brengen risico’s voor de gezondheid met zich mee. Ook heeft de vergister psychosociale effecten zoals stress en angst voor incidenten. o Er is sprake van brand- en explosiegevaar. o De vergister heeft een negatieve invloed op de luchtkwaliteit en op de kwetsbare natuur in de omgeving, waaronder het Waddengebied.

o De vergister tast in negatieve zin de kwaliteiten van het buitengebied aan. o Er schijnt een felle lamp aan de achterzijden van het bedrijf op de woningen die aan de achterkant van het bedrijf staan, als de bomen kaal zijn. Het bestemmingsplan is niet economisch uitvoerbaar. Er is ten onrechte geen plan-m.e.r. opgesteld en onvoldoende rekening gehouden met het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Ten onrechte wordt onder de ‘Water’-paragraaf gesteld dat een digitale watertoets is doorlopen. Daarnaast is in de paragraaf ten onrechte niet meegenomen dat op de percelen een hoofdwatergang aanwezig is en op welke wijze daarmee rekening is gehouden. Ook is het bouwvlak op het perceel aan de Hoarnestreek 14 ten onrechte tegen de hoofwatergang getekend. Tot slot volgt uit de toelichting niet dat de toename in verharding door de bouw van stal 12 wordt gecompenseerd.

3 van 30

-

-

3

Ten onrechte is in de toelichting niet opgenomen dat de opkomsttijd van de brandweer overschreden wordt en dat bij eventuele uitbreiding van het mestvergistingsbedrijf rekening moet worden gehouden met het domino-effect tussen de risicobronnen. De bedrijfssplitsing leidt tot waardedaling van de woningen in de omgeving. De vergister dient te worden verplaatst naar een industrie- of bedrijventerrein bij Franeker of Harlingen. De wijziging van het bestemmingsplan moet worden getoetst aan het Besluit kwaliteit leefomgeving. De communicatie vanuit de gemeente richting de indieners van de zienswijzen is onvoldoende geweest. Aanleiding bestemmingsplan en toetsingskader

8. De planologische ontwikkeling hoeft in beginsel niet noodzakelijk of wenselijk te zijn om vastgesteld te kunnen worden. Het instrument bestemmingsplan is zelfs gericht op toelatingsplanologie, hetgeen inhoudt dat eenieder in beginsel zelf mag bepalen wat hij realiseert op zijn eigendom ongeacht of dat noodzakelijk of wenselijk is. Enkel relevant is of het voorgenomen bestemmingsplan niet in strijd is met de ‘goede ruimtelijke ordening’ en of dit voldoende is gemotiveerd. 9. Dat gezegd hebbende kan bijvoorbeeld nationaal, provinciaal en/of gemeentelijk beleid stellen dat een bepaalde ontwikkeling enkel overeenstemt met de ‘goede ruimtelijke ordening’ als de ontwikkeling wenselijk is om een in het beleid genoemde reden. Daarbij moet worden opgemerkt dat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet en aanverwante regelgeving zoals het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bestemmingsplan valt zodoende onder het ‘oude recht’ van voor 1 januari 2024. Toetsing aan het Bkl is zodoende niet aan de orde. 10. In zoverre is het dus ook niet geheel relevant of het bestemmingsplan bijdraagt aan de in de Nationale Omgevingsvisie opgenomen opgave om bijvoorbeeld steden en regio’s sterker en leefbaarder te maken, zolang het bestemmingsplan deze opgave maar niet tegenwerkt.

Aangezien het beoogde bestemmingsplan geen nadeliger ruimtelijke effecten zal hebben dan de huidige planologische regeling, zal deze de in de Nationale Omgevingsvisie opgenomen opgaves dus ook niet tegenwerken. Ten overvloede wordt benadrukt dat in overeenstemming met de Nationale Omgevingsvisie het bestemmingsplan bijdraagt aan de energietransitie. Immers

4 van 30

wordt door het mestvergistingsbedrijf groene energie opgewekt uit mest en deels andere organische reststromen, het resterende digestaat kan worden ingezet als meststof. De zienswijze dat een vergistingsinstallatie niet per definitie bijdraagt aan de energietransitie, delen wij niet. Het alternatief is immers de afvoer/vernietiging/verbranding van mest en organische reststromen, zonder energieopbrengst en met alle bijbehorende negatieve milieueffecten. 11. Daarnaast volgt nergens uit wet-, regelgeving en beleid dat de ontkoppeling van een gekoppeld bedrijfsperceel enkel mag plaatsvinden indien sprake is van een concreet verkoopaanbod. Het niet doorgaan van de verkoop aan Engie/ Shell heeft dus niet tot gevolg dat aldus het bestemmingsplan niet meer kan worden vastgesteld. 12. In de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan is nog uitgegaan van de voornoemde verkoop, waardoor besloten is om de toelichting in paragraaf 1.1 op deze punten aan te passen. Overigens is de initiatiefnemer nog steeds voornemens om het pluimveebedrijf te verkopen en vergemakkelijkt een ontkoppeling van de bedrijven dat proces. 4

Verleende vergunningen

13. Onder het huidige bestemmingsplan wordt een mestvergistingsbedrijf toegestaan, mits het ondergeschikt is aan het agrarische bedrijf. Onder het nieuwe bestemmingsplan wordt een zelfstandig mestvergistingsbedrijf toegestaan. In de zienswijze wordt gesteld dat een mestvergistingsbedrijf dat ondergeschikt is aan het agrarische bedrijf, een wezenlijk andere ruimtelijke uitstraling en ruimtelijk effect heeft dan een zelfstandig mestvergistingsbedrijf. 14. Het klopt dat het mestvergistingsbedrijf niet langer ondergeschikt hoeft te zijn aan het pluimveebedrijf, hetgeen betekent dat de maximale omvang van het mestvergistingsbedrijf niet langer afhankelijk is van de omvang van het pluimveebedrijf. Onder het voorgaande bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Buitengebied 2013’ had de hypothetische situatie kunnen ontstaan dat, hoewel het bestemmingsplan wellicht nog groei van het mestvergistingsbedrijf toestond, deze groei toch kon worden tegengehouden als daardoor niet langer sprake zou zijn van een aan het pluimveebedrijf ondergeschikte activiteit. Echter, ondertussen zijn de op grond van de bouwregels toegestane groeimogelijkheden van het mestvergistingsbedrijf nagenoeg volledig benut en onder het nieuwe

5 van 30

bestemmingsplan worden deze groeimogelijkheden niet verruimd. Zodoende heeft het loslaten van de koppeling tussen de bedrijven niet tot gevolg dat de planologische groeimogelijkheden van het mestvergistingsbedrijf worden verruimd. Sterker nog, de planologische mogelijkheden voor het pluimveebedrijf worden aanzienlijk verkleind. 15. Voor zover gesteld wordt dat in strijd werd en wordt gehandeld met de in het voorgaande bestemmingsplan opgenomen bepaling dat de activiteiten van het mestvergistingsbedrijf ondergeschikt moet zijn aan het pluimveebedrijf en deze strijdigheid door het nieuwe bestemmingsplan wordt gelegaliseerd, is deze stelling onjuist. In 2012 heeft het college van rechtswege een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van drie bouwwerken ten behoeve van het mestvergistingsbedrijf. Die vergunning is onherroepelijk, waardoor vast is komen te staan dat het plaatsen van de bouwwerken niet in strijd is met het bestemmingsplan. Met de omgevingsvergunning van 6 september 2018 is de verwerkingscapaciteit van het bedrijf vergroot naar 100.000 ton per jaar. Ook die omgevingsvergunning is onherroepelijk. Digestaat dat ontstaat in het vergistingsproces, is een toelaatbare meststof, mits het aan de daartoe geldende vereisten voldoet. Hierop ziet de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit (NVWA) toe.

Het is niet aan de gemeente of provincie om te oordelen over de toepassing van digestaat in de landbouw in Nederland. 16. Ten overvloede wordt nog benadrukt dat de planologische ontkoppeling van de bedrijven niet van invloed is op de mogelijkheden die de onherroepelijke omgevingsvergunningen milieu de initiatiefnemer bieden, die op grond van de Wabo zijn verleend. Met de nog aan te vragen omgevingsvergunning milieubelastende activiteit vanwege de splitsing, zal de milieusituatie worden geactualiseerd en tevens binnen de kaders van het nieuwe bestemmingsplan blijven. Voor zover bij de verlening van de onherroepelijke omgevingsvergunningen milieu al ten onrechte zou zijn uitgegaan van één inrichting in plaats van twee, is dat irrelevant voor de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan. 17. Overigens blijft het bouwvlak van zowel het onderdeel mestvergisting als het onderdeel intensieve veehouderij ongewijzigd. Wel zijn de bouwmogelijkheden ter plaatse van de bestemming Bedrijf – Vergistingsbedrijf nauwkeuriger weergegeven. Zo is onder het geldende bestemmingsplan voor de mestvergistingsinstallatie een bebouwd oppervlak van 6.500 m2 toegestaan en daarnaast nog 1.600 m2 per gebouw aan overige bedrijfsgebouwen en overkappingen, zonder maximum. In het

6 van 30

voorliggende bestemmingsplan is ten behoeve van de vergistingsinstallatie 7.820 m2 maximaal aan bebouwing toegestaan, inclusief bedrijfsgebouwen en overkappingen en daarnaast op het perceel buiten de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - vergistingsinstallatie' de bestaande oppervlakte aan gebouwen en overkappingen. De in het geldende bestemmingsplan onbegrensde mogelijkheden binnen het bouwvlak, zijn op deze wijze ingeperkt. Er worden zodoende geen extra bouwmogelijkheden gecreëerd. Voor zover uit artikel 4.2.1 onder f. de conclusie zou kunnen worden getrokken dat buiten het bouwvlak zou mogen worden gebouwd, merken wij op dat hierop een correctie wordt doorgevoerd, waardoor enkel mag worden gebouwd binnen het bouwvlak, voor zover dit buiten de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - vergistingsinstallatie' plaatsvindt. Voor het overige wordt in artikel 4.2.1 onder e. het schema waarin de bouwregels staan aangepast, nu daarin een verspringing zit die maakt dat het schema onduidelijk is. Op grond van het voorgaande is de redactie van artikel 4.2.1 verduidelijkt en aanpast. Artikel 4.2.1 was: 4.2.1 Bouwwerken Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende regels: a.

per bestemmingsvlak mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van het ter plaatse gevestigde bedrijf worden gebouwd, met dien verstande dat bouwwerken ten behoeve van een vergistingsinstallatie uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf vergistingsinstallatie'; b. er zullen geen bouwwerken ten behoeve van de opwekking van windenergie en paardrijbakken worden gebouwd. c. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 1,00 meter bedragen met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevel van de bedrijfswoning en/of bedrijfsgebouwen binnen de bouwvlakken ten hoogste 2,00 m zal bedragen; d. de bouwhoogte van reclamemasten zal ten hoogste 6,00 m bedragen; e. de maatvoering van een bouwwerk anders dan genoemd onder c en d zal ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - vergistingsinstallatie' voldoen aan de eisen die in het volgende bouwschema zijn gesteld: Functie van een Maximale bouwwerk t.b.v. oppervlakte vergistingsinstallatie in m2

Goothoogte Dakhelling Bouwhoogte in m in m in °

7 van 30

Per bouwwerk

Gezamenlijk

Max.

Min. Max. Max.

en 1.710

3.700

6

0

60

14

Overige bouwwerken, 2.000 geen gebouw zijnde

4.120

-

-

-

10*

Gebouwen overkappingen

*Tenzij de bestaande bouwhoogte meer bedraagt, in welk geval de bestaande bouwhoogte als maximum geldt.

f.

de maatvoering van een bouwwerk anders dan genoemd onder c en d zal buiten de ter plaatse aangegeven aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf vergistingsinstallatie' voldoen aan de eisen die in het volgende bouwschema zijn gesteld:

Functie van bouwwerk

een Maximale in m2 Per bouwwerk

Gebouwen overkappingen

en 1.600*

Overige bouwwerken, geen gebouw zijnde

oppervlakte Goothoogte Dakhelling Bouwhoogte in m in ° in m Gezamen- Max. lijk

Min.

Max.

Max.

bestaand

6

15

60

14

-

-

-

-

10

*Tenzij de bestaande oppervlakte meer bedraagt, in welk geval de bestaande oppervlakte als maximum geldt.

Artikel 4.2.1 is als volgt aangepast:

4.2.1

Bouwwerken

Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende regels: a. per bestemmingsvlak mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van het ter plaatse gevestigde bedrijf worden gebouwd; b. de gebouwen en overkappingen zullen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; c. bouwwerken ten behoeve van een vergistingsinstallatie mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf vergistingsinstallatie', met uitzondering van bouwwerken ten behoeve van opslag; d. er zullen geen bouwwerken ten behoeve van de opwekking van windenergie en paardrijbakken worden gebouwd. e. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 1,00 meter bedragen met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen

8 van 30

achter de voorgevel van de bedrijfswoning en/of bedrijfsgebouwen binnen de bouwvlakken ten hoogste 2,00 m zal bedragen; f. de bouwhoogte van reclamemasten zal ten hoogste 6,00 m bedragen; g. de maatvoering van een bouwwerk anders dan genoemd onder e en f zal ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - vergistingsinstallatie' voldoen aan de eisen die in het volgende bouwschema zijn gesteld:

h. de maatvoering van een gebouw of overkapping, almede andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde genoemd onder e en f zal voldoen aan de eisen die in het volgende bouwschema zijn gesteld:

5

Verordening Romte Fryslân en Omgevingsvisie Waadhoeke

18. Volgens de zienswijzen is de ontwikkeling niet in overeenstemming met artikel 1.2.1, eerste lid, aanhef en onder d, van Verordening Romte Fryslân (hierna: ‘de Verordening’), omdat het mestvergistingsbedrijf een industrieel bedrijf is. Daarnaast kan geen gebruik worden gemaakt van de ontheffingsmogelijkheid als opgenomen in artikel 10.1 van de Verordening.

9 van 30

19. Op grond van artikel 1.1.1 van de Verordening mogen in een landelijk gebied in beginsel geen bouw- en gebruiksmogelijkheden worden opgenomen voor een nieuwe stedelijke functie. Vaststaat dat het bestemmingsplan niet in nieuwe bouwmogelijkheden voorziet. Er vindt enkel een wijziging plaats in de gebruiksmogelijkheden. De wijziging houdt in dat het mestvergistingsbedrijf niet langer ondergeschikt hoeft te zijn aan een agrarisch bedrijf en zelfstandig kan functioneren. Daarbij wordt de vergunde verwerkingscapaciteit niet verhoogd. De Provincie Fryslân heeft ten aanzien van de in de Verordening opgenomen begrippen een discretionaire bevoegdheid en kan zodoende tot op zekere hoogte zelf invulling geven aan wat zij aanmerkt als een ‘industrieel bedrijf’. Op 20 april 2023 is in een gesprek met gemeente, vertegenwoordigers van initiatiefnemer en de Provincie Fryslân aangegeven dat voor de ontkoppelde mestvergister gesproken kan worden van een niet-industrieel bedrijf. In de eerste plaats omdat het mestvergistingsbedrijf in relatie tot haar omgeving niet industrieel oogt. Ten tweede is het bedrijf geplaatst op een agrarisch perceel en heeft het een agrarische uitstraling doordat gebruik wordt gemaakt van bouwwerken die oorspronkelijk gerealiseerd zijn voor agrarische doeleinden. Vanuit de historische context is het bedrijf ruimtelijk en functioneel passend in de omgeving.

Op grond van artikel 1.2.1 moet vervolgens worden beoordeeld of het een niet-industriële functie betreft, het gebruik en de bebouwing passend is in de bestaande karakteristiek van de omgeving en er geen beperkingen ontstaan voor agrarische bedrijven in de omgeving. 20. Op grond van artikel 1.2.1 tweede lid onder d. kan deze nieuwe stedelijke functie worden toegestaan als niet-industrieel bedrijf dat ruimtelijk en functioneel passend is in de karakteristiek van de omgeving. De wijziging in de gebruiksmogelijkheden past ook ruimtelijk en functioneel in de karakteristiek van de omgeving. Per slot van rekening staat als gevolg van de onherroepelijk verleende vergunningen en het geldende bestemmingsplan in rechte vast dat de huidige bouwwerken en gebruiksmogelijkheden ruimtelijk en functioneel passend zijn in de karakteristiek van de omgeving, worden de bouwmogelijkheden niet vergroot en wijzigen de gebruiksmogelijkheden nagenoeg niet. Evenmin worden andere agrarische bedrijven beperkt door de verzelfstandiging van de mestvergister. Een ontheffing op grond van artikel 10.1 is in dit geval daarom niet vereist. 21. Het wegbestemmen van de woning op het nieuw te bestemmen bedrijfsperceel waar de vergistingsinstallatie staat, heeft hier niets mee van doen. Door de splitsing van het bedrijf, zou die woning beperkend werken op het pluimveebedrijf.

Om te voorkomen dat die situatie zou ontstaan, is deze woning wegbestemd.

10 van 30

22. Voor zover uiteindelijk (bijvoorbeeld in een juridische procedure) zou worden geoordeeld dat de mestvergister geen stedelijke functie is, staat artikel 1.1.1 van de Verordening niet in de weg aan het bestemmingsplan. Aan artikel 1.2.1 van de Verordening behoeft vervolgens niet te worden getoetst, aangezien daarin een uitzonderingsmogelijkheid wordt geboden voor het toestaan van nieuwe stedelijke functies in het landelijk gebied. Artikel 6.2.1 van de Verordening maakt mogelijk dat mestvergisting bij een agrarisch bedrijf plaats mag vinden. Echter is hier in voorliggende situatie geen sprake van met de verzelfstandiging van de vergistingsinstallatie. In dat geval biedt artikel 6.2.2 van de Verordening ruimte voor het vestigen van een zelfstandige vergistingsinstallatie in het landelijk gebied, nu reeds sprake is van de aanwezigheid daarvan op een voormalig als agrarisch bestemd perceel. De toelichting in paragraaf 3.2 wordt hierop aangepast. 23. Ten onrechte wordt in de zienswijzen gesteld dat de Verordening niet toestaat dat de functieaanduiding van het pluimveebedrijf wordt gewijzigd van ‘bedrijfskavel gemengd agrarisch bedrijf’ naar de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’.

Hoewel de omschrijving van de functieaanduiding wijzigt, blijven de planologische mogelijkheden gelijk en vindt er dus op dat punt geen planologische ontwikkeling plaats die getoetst moet worden aan de Verordening. Doordat er in het nieuwe bestemmingsplan voor het pluimveebedrijf geen planologische mogelijkheden meer zijn op de kavel waar de mestvergister is gesitueerd, wordt de bestemming waaronder intensieve veehouderij is toegestaan zelfs verkleind. 24. Onder het geldende bestemmingsplan is ingevolge artikel 3.1 onder c van de regels bij het Bestemmingsplan Buitengebied 2013 op het perceel aan de Hoarnestreek 10 via een functieaanduiding zowel een grondgebonden als niet-grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan. Aangezien de daardoor geldende bestemming geen onderscheid maakt tussen intensieve- en niet intensieve veehouderij, zijn beide vormen toegestaan. Op grond van artikel 3.1 onder b en c van de regels bij het nieuwe bestemmingsplan Tzummarum – Hoarnestreek 10-14, blijft op het agrarisch bestemde perceel zowel een grondgebonden als niet-grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan, waaronder een intensieve veehouderij. 25. Van strijd met de Omgevingsvisie Waadhoeke, speerpunt 8 is evenmin sprake.

Daarin staat; ‘onze gemeente is een gemeente met hoofdzakelijk grondgebonden landbouw (bij grondgebonden landbouw is het gebruik van de agrarische grond noodzakelijk voor het functioneren van het bedrijf). Dit willen we zo houden. Hierbij

11 van 30

passen geen nieuwe intensieve veehouderijen’. Met dit bestemmingsplan wordt aangesloten bij de vergunde rechten voor de mestvergister en is geen sprake van nieuwe intensieve veehouderij. Integendeel, de pluimveehouderij wordt verkleind, waarmee juist recht wordt gedaan aan speerpunt 8. 6

Maatschappelijk draagvlak

26. De enkele omstandigheid dat voor het bestemmingsplan geen breed gedragen maatschappelijk draagvlak bestaat, betekent niet dat het bestemmingsplan niet overeenstemt met de ‘goede ruimtelijke ordening’. Dat gezegd hebbende, dient wel een gedegen afweging te worden gemaakt van alle betrokken belangen. 27. Uit de twee door initiatiefnemer georganiseerde informatieavonden bleek dat de aanwezigen voornamelijk vrezen dat het bedrijf gaat groeien in capaciteit en omvang. Aangezien het bestemmingsplan enkel ziet op de ontkoppeling van de percelen en dus niet de groeimogelijkheden verruimd, is de voornoemde vrees onterecht. Daarom wordt geconcludeerd dat het belang dat de omwonenden hebben bij het tegenhouden van deze ontkoppeling niet zodanig is dat moet worden afgezien van het vaststellen van het bestemmingsplan. 28. Uit de tegen het mestvergistingsbedrijf gevoerde procedures en ingediende klachten blijkt dat de omwonenden overlast ervaren van het mestvergistingsbedrijf. Voor zover de omwonenden beogen in te brengen dat de planologische mogelijkheden van het mestvergistingsbedrijf juist beperkt moeten worden, kan daaraan niet tegemoetgekomen worden. De initiatiefnemer heeft onherroepelijk de planologische rechten verworven om een mestvergistingsbedrijf met de huidige omvang te voeren. Dergelijke planologische rechten kunnen in beginsel niet van hem worden afgenomen. 29.

Ten overvloede wordt benadrukt dat de maximaal mogelijke capaciteit niet wordt gereguleerd door het geldende bestemmingsplan, maar door de Wabo en de daaruit voortvloeiende onherroepelijke vergunningen. In het beoogde bestemmingsplan is ervoor gekozen om de maximumcapaciteit te beperken tot 100.000 ton. Het precieze gebruik van de vergistingsinstallatie wordt gereguleerd door de nog aan te vragen omgevingsvergunning milieubelastende activiteit op grond van de Omgevingswet. Daarin worden regels opgenomen over de invoer van mest en coproducten, de verhouding daartussen en de effecten daarvan op het milieu.

12 van 30

30. In de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan is onvoldoende gemotiveerd dat uit de verscheidene tegen het mestvergistingsbedrijf gevoerde procedures volgt dat geen of weinig maatschappelijk draagvlak is onder de omwonenden ten aanzien van het mestvergistingsbedrijf, maar dat het ontbreken van dit draagvlak niet kan leiden tot het afzien van het vaststellen van het bestemmingsplan. Per slot van rekening is de vrees dat het bestemmingsplan de groeimogelijkheden verruimt onterecht, heeft de initiatiefnemer de huidige planologische rechten en vergunde bouwmogelijkheden onherroepelijk verworven en is de maximumcapaciteit gereguleerd door de verleende omgevingsvergunningen op grond van de Wabo, zodat geen ruimte bestaat om de omvang en de capaciteit van het mestvergistingsbedrijf planologisch terug te brengen. Eveneens wekt de toelichting ten onrechte de indruk dat tien personen schriftelijk hebben verklaard geen bezwaar te hebben tegen het mestvergistingsbedrijf, terwijl zij hooguit hebben verklaard geen bezwaar te hebben tegen de ontkoppeling mits de groeimogelijkheden ongewijzigd blijven, waarbij verschil van inzicht kan bestaan over de vraag wat onder ‘groeimogelijkheden’ moet worden verstaan. Zodoende wordt de toelichting in paragraaf 6.1 op deze punten aangevuld. 31.

In de periode tussen het indienen van de zienswijzen en de totstandkoming van deze reactienota is op diverse momenten sprake geweest van contact met enkele indieners van de zienswijzen. Het moet wel gezegd worden dat dit contact veelal op initiatief van de indieners tot stand kwam en dat de gemeente achteraf bezien actiever uit zichzelf had kunnen communiceren. Wij vinden het spijtig dat dit door de omwonenden als storend is ervaren en hebben daar begrip voor. 7

Woon- en leefklimaat

32. Er is geen sprake van een ‘goede ruimtelijke ordening’, als het woon- en leefklimaat onevenredig wordt geschaad. Het woon- en leefklimaat wordt onevenredig geschaad als sprake is van bijvoorbeeld onevenredige zicht, licht-, geluid-, geur- en verkeerhinder en de ontwikkeling onevenredige gezondheidsrisico’s veroorzaakt. 33. Vaststaat dat het huidige gebruik niet in strijd is met het geldende bestemmingsplan, zodoende dus in overeenstemming is met de ‘goede ruimtelijke ordening’ en het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt geschaad. Het beoogde bestemmingsplan maakt enkel de ontkoppeling tussen de percelen mogelijk, waardoor dit bestemmingsplan geen nieuwe nadelige gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat van omwonenden. De ontkoppeling heeft naar verwachting

13 van 30

niet tot gevolg dat het toegestane aantal verkeersbewegingen zal toenemen waarbij tevens de verkleining van het pluimveebedrijf in ogenschouw dient te worden genomen. In de nog te verlenen omgevingsvergunning voor de vergister, komen de exacte milieugevolgen aan de orde. Feitelijk zullen de milieueffecten waarschijnlijk wel toenemen, omdat de capaciteit van de mestvergister tot op heden niet volledig is benut. Maar deze feitelijke toename mag niet tot de conclusie leiden dat sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat. Immers, de capaciteits- en groeimogelijkheden nemen vanuit planologisch oogpunt niet toe. Dat de initiatiefnemer de capaciteit momenteel niet volledig benut, zelfs al is de reden daarvoor dat de installatie daarop nog niet voldoende toegerust is, betekent niet dat het recht daartoe niet bestaat of is komen te vervallen. 34. De voorbeelden die de omwonenden noemen van overlast die zij ondervinden, alsmede de risico’s die zij omschrijven op het gebied van gezondheid, verkeersveiligheid en brandveiligheid, zijn allen van toepassing op de reeds bestaande situatie. De mestvergister is immers al aanwezig in de omvang waarin het bestemmingsplan voorziet. Deze klachten zijn ook veelal onderwerp van handhavingsgeschillen.

Daaruit zal blijken of sprake is van overtredingen van de verleende vergunningen en/of andere geldende regelgeving, waartegen moet worden opgetreden. 8

Economische uitvoerbaarheid

35. Ten onrechte stelt een zienswijze dat het bestemmingsplan niet economisch uitvoerbaar zou zijn, omdat de verkoop aan Engie/Shell niet doorgaat. Nogmaals wordt gewezen op het feit dat de percelen en daarmee de bedrijfsonderdelen enkel ontkoppeld worden. Er is geen enkele indicatie dat de ontkoppeling tot gevolg heeft dat de huidige of toekomstige activiteiten op het perceel niet meer economisch uitvoerbaar zijn. De ontkoppeling maakt het enkel mogelijk om de bedrijfsonderdelen los van elkaar te gebruiken. Het feit dat dit de exploitatie door twee verschillende eigenaren mogelijk maakt, vergroot de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Overigens kan de huidige eigenaar de percelen en/of beide bedrijfsonderdelen ook in één geheel verkopen, dan wel zelf blijven exploiteren. 9

Natura 2000 en plan-m.e.r.

14 van 30

36. Op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de Wet natuurbescherming (hierna: ‘Wnb’) kan een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, enkel worden vastgesteld als conform artikel 2.8, eerste lid, Wnb een passende beoordeling is gemaakt van de gevolgen van het bestemmingsplan op het Natura 2000-gebied. Op grond van artikel 2.8, tweede lid, Wnb kan een passende beoordeling achterwege blijven, als het bestemmingsplan: -

een herhaling of voortzetting is van een ander bestemmingsplan; voor dat andere bestemmingsplan al een passende beoordeling is gemaakt, en; een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van dat bestemmingsplan.

37. Vervolgens volgt uit artikel 7.2a van de Wet milieubeheer dat als op grond van artikel 2.8 Wnb een passende beoordeling gemaakt moet worden, ook een milieueffectrapport (plan-m.e.r.) moet worden opgesteld. 38. Door initiatiefnemer is bij de Provincie Fryslân om splitsing gevraagd van zijn Wnbvergunning, passend bij de met het bestemmingsplan beoogde ontkoppeling van het bedrijf. De Wnb-vergunning is op 7 maart 2025 verleend. De bestaande Wnbvergunning is (gedeeltelijk) ingetrokken en uit de aanvraag en vergunning tot splitsing volgt dat totale stikstofuitstoot afneemt, hetgeen veroorzaakt wordt door de verkleining van het pluimveebedrijf. Vanwege deze afname en ook het feit dat geen andere nieuwe belastende activiteiten worden ontwikkeld, wordt geconcludeerd dat geen sprake is van nieuwe gegevens en of inzichten die nopen tot het opstellen van een plan-m.e.r. De toelichting van het bestemmingsplan wordt hierop aangepast, onder paragraaf 4.11. 10

Water

39. Met het doorlopen van de watertoets in combinatie met het aanvullend advies is kan je spreken van een afgeronde watertoets. Daaruit volgt dat er geen belemmeringen zijn voor het vaststellen van het bestemmingsplan. De verharding die benodigd is voor Stal 12, mag door de initiatiefnemer worden aangelegd op basis van een onherroepelijke omgevingsvergunning. Indien in die procedure, dan wel in de voorgaande bestemmingsplanprocedure in het verleden is verzuimd een watertoets te verrichten, kan dat de initiatiefnemer in deze

15 van 30

bestemmingsplanprocedure redelijkerwijs niet worden tegengeworpen. Niettemin heeft de initiatiefnemer aangegeven bereid te zijn zo nodig in watercompensatie te willen voorzien, door de hoofdwatergang met een meter te verbreden. Wij zien daarom geen aanleiding het bestemmingsplan niet vast te stellen. 40. Ten aanzien van de hoofdwatergang wordt gewezen op het feit dat sprake is van een bestaand bedrijfsperceel. Dit perceel is al ingericht met onder andere bebouwing en erfbeplanting, langs deze hoofdwatergang. De aanwezige erfbeplanting maakt onderdeel uit van het landschappelijk inpassingsplan. In de planregels is in artikel 6.1 Voorwaardelijke verplichting, opgenomen dat de gronden en bouwwerken binnen de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Bedrijf - Vergistingsbedrijf' dienen te voldoen aan de uitgangspunten voor de landschappelijke inpassing, zoals opgenomen in bijlage 2 bij de toelichting. Tevens wordt opgemerkt dat de ligging van de bouwvlakken in het nieuwe bestemmingsplan gelijk is aan de bouwvlakken van het huidige bestemmingsplan Buitengebied. Reeds aanwezige bebouwing en/of beplanting binnen de beschermingszone van de hoofdwatergang, is zodoende eerder vergund en toegestaan. Voor nieuwe bebouwing en/of beplanting dient hoe dan ook een watervergunning te worden aangevraagd, ook als dit past in het bestemmingsplan.

Overigens is dit niet ongebruikelijk, zolang het onderhoud aan de hoofdwatergang in ieder geval kan plaatsvinden vanaf de andere oever (Hoarnestreek 10), hetgeen in dit geval mogelijk is en ook is geborgd in het bestemmingsplan. De verbeelding en/of de regels van het bestemmingsplan behoeven zodoende niet te worden aangepast, de toelichting onder paragraaf 4.5 wordt aangepast naar aanleiding van het voorgaande. 11

Brandweer

41. In overeenstemming met de overlegreactie van de Brandweer Fryslân is in de toelichting van het bestemmingsplan opgenomen dat de opgelegde opkomsttijd mogelijk met twee minuten wordt overschreden en dat de gevolgen door een calamiteit aan één van de twee risicobronnen versterkt kunnen worden door de nabijheid van de andere risicobron. Overigens blijkt uit het advies externe veiligheid van de Fumo niet dat hieruit risico’s voor de omwonenden ontstaan. Het bestemmingsplan wordt in de toelichting onder paragraaf 4.9 aangepast. 42. Voor het overige dient het bedrijf vanzelfsprekend nu ook al aan de voor haar geldende brandveiligheidseisen te voldoen, het bestemmingsplan brengt daar geen

16 van 30

verandering in. Mocht het bedrijf daar niet aan voldoen, dan betreft dit een zaak van handhaving. 12

Waardedaling woningen

43. De waardedaling van woningen als gevolg van een planologische wijziging kan worden berekend aan de hand van een vergelijking tussen het voorgaande bestemmingsplan en de planologische wijziging daarvan. Nu slechts sprake is van een ontkoppeling van de mestvergister en een verkleining van het pluimveebedrijf, waardoor de milieueffecten niet of nauwelijks wijzigen, ligt het niet in de lijn der verwachting dat sprake zal zijn van waardedaling die voor vergoeding in de vorm, van planschade in aanmerking komt. Voor zover de indieners van zienswijzen in het kader van de belangenafweging wijzen op dit gevolg, achten wij dit belang niet dermate groot dat het een reden zou moeten zijn om niet tot vaststelling van het bestemmingsplan over te gaan. 44. Mocht eventueel toch sprake zijn van enige planschade, dan is initiatiefnemer op grond van een daartoe gesloten planschadeovereenkomst gehouden die schade vergoeden. 13

Verplaatsing mestvergister

45. Door initiatiefnemer is in 2021 richting de gemeente aangegeven dat bedrijfsverplaatsing financieel niet haalbaar is gelet op de gebouwen en installaties. Het bedrijf heeft nu de beschikking over een perceel van ongeveer 3 hectare, dit terrein is grotendeels verhard. Op dit perceel staan diverse gebouwen en silo’s die ten dienste staan van of onderdeel uitmaken van de vergistingsinstallatie. De bouwwerken worden in beginsel niet gesloopt, hooguit gerenoveerd of gemoderniseerd. Daarnaast heeft het bedrijf een goede en voldoende grote aansluiting voor het afvoeren van de geproduceerde elektriciteit en gas, het is niet meer vanzelfsprekend dat dit op een nieuwe locatie beschikbaar is. 46. Voor deze locatie zijn de vergunningen op orde, het zal veel inspanning kosten om dit op een andere locatie weer voor elkaar te krijgen, met een onzekere uitkomst. Ook gelet op de voortdurend strenger wordende stikstofregelgeving zal het niet eenvoudig zijn om een dergelijk bedrijf te verplaatsen. Tot slot worden de energiesubsidies toegekend op een adres. Voor een nieuwe locatie moeten opnieuw subsidies worden aangevraagd, wat de nodige onzekerheden met zich

17 van 30

brengt. Op het moment dat de huidige locatie wordt ontmanteld, vertegenwoordigt die de waarde van agrarische grond, hetgeen niet in verhouding is met de aanschaf van grond die aangekocht moet worden op een industrieterrein. De waarde van het bedrijf gaat zodoende verder dan alleen de gebouwen en silo’s, die zit ook in de ondergrond, aansluitingen op het net, vergunningen en subsidies. 47. Daarbij komt dat de gemeente en provincie de huidige situatie vergund hebben. Het afdwingen van verplaatsing is zodoende niet mogelijk of slechts tegen zeer hoge kosten, die dan door de overheden moeten worden gedragen. Mede gelet hierop is gekozen voor het aanpassen van het bestemmingsplan. 14

Conclusie en wijzigingen

48. Uit het voorgaande volgt dat geen van de zienswijzen tot de conclusie heeft geleid dat het bestemmingsplan in strijd is met de ‘goede ruimtelijke ordening’. Kort samengevat komt het erop neer dat in de zienswijzen ten onrechte wordt gesteld dat het bestemmingsplan mogelijk maakt dat het mestvergistingsbedrijf kan groeien in omvang en capaciteit. Echter, naar aanleiding van de zienswijzen zijn de bouwregels aangepast, zoals omschreven onder paragraaf 4, nummer 17 van deze zienswijzennota. Verder is de toelichting op enkele punten aangescherpt en aangepast. In het ontwerpbestemmingsplan is bijvoorbeeld nog ten onrechte uitgegaan van de verkoop aan Engie/Shell. Daarnaast is ten onrechte de indruk gewekt dat er breed maatschappelijk draagvlak is voor het mestvergistingsbedrijf. Ook is de paragraaf ‘Water’ en de paragraaf ‘Vormvrije m.e.r.-beoordeling’ aangevuld. Tot slot is de overlegreactie van de Brandweer Fryslân meegenomen in de toelichting. Ambtshalve wijzigingen In aanvulling op de hierboven beschreven wijzigingen is er nog een tweetal ambtshalve wijzigingen in het bestemmingsplan opgenomen. Het gaat om de volgende wijzigingen: 1. Bijlage 4 Stikstofonderzoek en toelichting Voor het stikstofonderzoek wordt gebruik gemaakt van de Aerius Calculator. De Aerius Calculator wordt regelmatig geactualiseerd.

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet een stikstofonderzoek op basis van de meest recente Aerius Calculator zijn opgenomen. Omdat er bij het ontwerpbestemmingsplan gebruik is gemaakt van een inmiddels verouderde Aerius Calculator is het

18 van 30

onderzoek opnieuw uitgevoerd. Dit nieuwe stikstofonderzoek met daarbij de Wnb-vergunning zijn opgenomen in bijlage 4 van de toelichting. 2. Aanpassing definities Vergistingsbedrijf en Vergistingsinstallatie Bij het opwaarderen van biogas naar groengas komt CO2 vrij. De vrijgekomen CO2 kan de lucht ingeblazen worden of opgevangen worden als grondstof. Het opvangen van CO2 wordt ook wel vervloeiing genoemd. De opgevangen CO2 kan worden toegepast in de glastuinbouw of de voedingsmiddelenindustrie. Ter verduidelijking van de begrippen in artikel 1 van de regels is toegevoegd dat de vervloeiing van CO2 onderdeel kan zijn van de installatie.

De begrippen zijn als volgt gewijzigd: Artikel 1.74 en 1.75 waren: 1.74 vergistingsbedrijf: een bedrijf waar mestvergisting en -verwerking al dan niet in combinatie met vergisting en verwerking van organische (bij)producten, de opwaardering van ruw biogas naar groen gas en/of omzetting van ruw biogas in elektriciteit plaatsvindt; 1.75 vergistingsinstallatie: één of meerdere bouwwerken ten behoeve van mestvergisting en -verwerking al dan niet in combinatie met vergisting en verwerking van organische (bij)producten, de opwaardering van ruw biogas naar groen gas en/of omzetting van ruw biogas in elektriciteit; Artikel 1.74 en 1.75 zijn als volgt aangepast: 1.74 vergistingsbedrijf: een bedrijf waar mestvergisting en -verwerking al dan niet in combinatie met vergisting en verwerking van organische (bij)producten, de opwaardering van ruw biogas naar groen gas met inbegrip van de vervloeiing van CO2, en/of omzetting van ruw biogas in elektriciteit plaatsvindt al dan niet in combinatie met opslag; 1.75 vergistingsinstallatie: één of meerdere bouwwerken ten behoeve van mestvergisting en -verwerking al dan niet in combinatie met vergisting en verwerking van organische

19 van 30

(bij)producten, de opwaardering van ruw biogas naar groen gas met inbegrip van de vervloeiing van CO2, en/of omzetting van ruw biogas in elektriciteit;

20 van 30

Bijlage 1: Overzicht zienswijzen Nr. 1.

Indiener(s)

Zienswijze De verkoop van het mestvergistingsbedrijf heeft geen doorgang gevonden, waardoor geen aanleiding meer bestaat om het bedrijfsperceel te splitsen.

Paragraaf 3

De eerder voor de bedrijven verleende vergunningen zijn uitgewerkt, omdat de betreffende vergunningen zijn verleend voor een pluimveebedrijf met daaraan ondergeschikt een mestvergistingsbedrijf en daarvan is niet langer sprake. Per slot van rekening zijn de activiteiten van het mestvergistingsbedrijf niet langer ondergeschikt aan het pluimveebedrijf.

4

Het college heeft ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 1.2.1 van de Verordening Romte Fryslân, omdat in strijd met artikel 1.2.1, lid 2, aanhef en onder d van de Verordening sprake is van een industrieel bedrijf.

5

Het is niet mogelijk om zonder ontheffing van de Provincie Fryslân een gemengd agrarisch bedrijf om te zetten in een niet-grondgebonden veehouderij en een dergelijke ontheffing kan niet rechtmatig worden verleend.

5

De tien omwonenden die na een overleg hebben verklaard geen bezwaar te hebben tegen het bestemmingsplan, hebben deze conclusie niet weloverwogen kunnen trekken omdat de tijdens het overleg gegeven informatie zeer summier en volstrekt onvolledig was.

6

Ten onrechte is de maatschappelijke weerstand tegen het plan niet vermeld. De maatschappelijke weerstand blijkt onder meer uit de meldingen die dagelijks bij de FUMO worden ingediend. Om een goed beeld van de maatschappelijke uitvoerbaarheid te schetsen, moeten alle klachten, procedures en gerechtelijke procedures ten aanzien van het mestvergistingsbedrijf meegenomen worden in de beoordeling.

6

De maximaal mogelijke capaciteit van het pluimveebedrijf en het mestvergistingsbedrijf moet worden afgeschaald naar het deel van de capaciteit dat momenteel benut wordt, zodat de juridische mogelijkheden aansluiten op de werkelijkheid.

6

2.

De verkoop van het mestvergistingsbedrijf heeft geen doorgang gevonden, waardoor geen aanleiding meer bestaat om het bedrijfsperceel te splitsen.

3

Ten onrechte is de maatschappelijke weerstand tegen het plan niet vermeld. Het college heeft bijvoorbeeld geen melding gemaakt van het aantal omwonenden dat na het overleg weigerden aan te geven geen bezwaar te hebben tegen het plan. De maatschappelijke weerstand blijkt daarnaast onder meer uit de meldingen die dagelijks bij de FUMO worden ingediend. Om een goed beeld van de maatschappelijke uitvoerbaarheid te schetsen, moeten alle klachten, procedures en gerechtelijke procedures ten aanzien van het mestvergistingsbedrijf meegenomen worden in de beoordeling.

6

De eerder voor de bedrijven verleende vergunningen zijn uitgewerkt, omdat de betreffende vergunningen zijn verleend voor een pluimveebedrijf met daaraan ondergeschikt een mestvergistingsbedrijf en daarvan is niet langer sprake. Per slot van rekening zijn de activiteiten van het mestvergistingsbedrijf niet langer ondergeschikt aan het pluimveebedrijf. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het mestvergistingsbedrijf een industriële activiteit is en dus niet een agrarische nevenactiviteit.

4

Het college heeft ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 1.2.1 van de Verordening Romte Fryslân, omdat in strijd met artikel 1.2.1, lid 2, aanhef en onder d van de Verordening sprake is van een industrieel bedrijf en het is niet mogelijk om op grond van artikel 10 van de Verordening een ontheffing daarvoor te verlenen, omdat geen sprake is van een ‘historisch gegroeide situatie’ en het gemeentelijk ruimtelijk beleid ook niet onevenredig wordt belemmerd.

5

Het plan kan niet worden vastgesteld gezien de wetenschap dat biogas middels mestvergisting een kortetermijnoplossing is en de nadere inzichten met betrekking tot de hinder, het gevaar, de risico’s voor de gezondheid en de geluidsoverlast dat mestvergisting veroorzaakt.

3 en 7

De wegen naar de mestvergister zijn niet ingericht op het aantal verkeersbewegingen en de omvang van de vervoersmiddelen. Dit levert gevaar op voor in de berm spelende kinderen. De milieueffecten van de mestvergister brengen risico’s voor de gezondheid met zich. Ook heeft de vergister psychosociale effecten zoals stress en angst voor incidenten.

7

22 van 30

Er is sprake van brand- en explosiegevaar. De vergister heeft een negatieve invloed op de luchtkwaliteit en op de kwetsbare natuur in de omgeving, waaronder het Waddengebied. De vergister tast in negatieve zin de kwaliteiten van het buitengebied aan. Er schijnt een felle lamp aan de achterzijden van het bedrijf op de woningen die aan de achterkant van het bedrijf staan, als de bomen kaal zijn.

3. 4.

De bedrijfssplitsing leidt tot waardedaling van de woningen in de omgeving.

12

De vergister dient te worden verplaatst naar een industrie- of bedrijventerrein bij Franeker of Harlingen

13

Zie zienswijze 2. Tijdens de informatiebijeenkomst werd aangegeven dat het plan enkel ziet op het splitsen van twee percelen. In werkelijkheid wordt echter een zelfstandig mestvergistingsbedrijf en een intensief zelfstandig pluimveebedrijf ingericht.

4

De tien omwonenden hebben enkel getekend voor de splitsing van het bedrijf en dus niet voor de realisatie van twee zelfstandige en intensieve bedrijven.

6

Het aantal verkeersbewegingen zal toenemen en daar zijn de wegen niet op berekend.

7

Onevenredige inbreuk op het woon- en leefklimaat door stankoverlast, toename in gezondheidsklachten en potentiële calamiteiten als de volledige capaciteit wordt benut.

7

Het nabijgelegen Natura 2000-gebied staat in de weg aan vaststelling van het bestemmingsplan.

9

De wegen naar de mestvergister zijn niet ingericht op het aantal verkeersbewegingen en de omvang van de vervoersmiddelen. Dit levert gevaar op voor in de berm spelende kinderen.

7

23 van 30

De milieueffecten van de mestvergister brengen risico’s voor de gezondheid met zich. Ook heeft de vergister psychosociale effecten zoals stress en angst voor incidenten. Er is sprake van brand- en explosiegevaar. De vergister heeft een negatieve invloed op de luchtkwaliteit en op de kwetsbare natuur in de omgeving, waaronder het Waddengebied. De vergister tast in negatieve zin de kwaliteiten van het buitengebied aan. Er schijnt een felle lamp aan de achterzijden van het bedrijf op de woningen die aan de achterkant van het bedrijf staan, als de bomen kaal zijn.

5. 6.

De bedrijfssplitsing leidt tot waardedaling van de woningen in de omgeving.

12

De vergister dient te worden verplaatst naar een industrie- of bedrijventerrein bij Franeker of Harlingen

13

Zie zienswijze 2. De verkoop van het mestvergistingsbedrijf heeft geen doorgang gevonden, waardoor geen aanleiding meer bestaat om het bedrijfsperceel te splitsen en de realisatie van een zelfstandig mestvergistingsbedrijf bovendien niet meer economisch uitvoerbaar is.

3 en 8

Dat sprake is van met het bestemmingsplan strijdig gebruik, maakt het nog niet noodzakelijk of wenselijk om deze strijdigheid te legaliseren. Er wordt daarmee ook voorbijgegaan aan de maatschappelijke weerstand tegen de mestvergister.

3

De mestvergister veroorzaakt overlast.

7

De eerder voor de bedrijven verleende vergunningen zijn uitgewerkt, omdat de betreffende vergunningen zijn verleend voor een pluimveebedrijf met daaraan ondergeschikt een mestvergistingsbedrijf en daarvan is niet langer sprake. Per slot van rekening zijn de activiteiten van het mestvergistingsbedrijf niet langer ondergeschikt aan het pluimveebedrijf.

4

24 van 30

7.

De ontkoppeling draagt niet bij aan de in de Nationale Omgevingsvisie opgenomen opgave om steden en regio’s sterker en leefbaarder te maken. Althans, het is onvoldoende onderbouwd dat de ontkoppeling bijdraagt aan de opgave om steden en regio’s sterker en leefbaarder te maken.

3

Het college heeft ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 1.2.1 van de Verordening Romte Fryslân, omdat in strijd met artikel 1.2.1, lid 2, aanhef en onder d van de Verordening sprake is van een industrieel bedrijf en het is niet mogelijk om op grond van artikel 10 van de Verordening een ontheffing daarvoor te verlenen, omdat: a. geen sprake is van een ‘historisch gegroeide situatie’; b. het gemeentelijk ruimtelijk beleid ook niet onevenredig wordt belemmerd; c. het mestvergistingsbedrijf niet zal ogen als een agrarisch bedrijf.

5

Het is niet mogelijk om zonder ontheffing van de Provincie Fryslân een gemengd agrarisch bedrijf om te zetten in een niet-grondgebonden veehouderij en een dergelijke ontheffing kan niet (zonder meer) rechtmatig worden verleend.

5

De tien omwonenden die na een overleg hebben verklaard geen bezwaar te hebben tegen het bestemmingsplan, hebben deze conclusie niet weloverwogen kunnen trekken omdat ten onrechte werd gesteld dat enkel sprake zou zijn van een splitsing en dus niet van de realisatie van twee zelfstandige bedrijven.

6

De verkoop van het mestvergistingsbedrijf heeft geen doorgang gevonden, waardoor geen aanleiding meer bestaat om het bedrijfsperceel te splitsen en de realisatie van een zelfstandig mestvergistingsbedrijf bovendien niet meer economisch uitvoerbaar is.

3

Ten onrechte is de maatschappelijke weerstand tegen het plan niet vermeld. Het college heeft bijvoorbeeld geen melding gemaakt van het aantal omwonenden dat na het overleg weigerden aan te geven geen bezwaar te hebben tegen het plan. De maatschappelijke weerstand blijkt daarnaast onder meer uit de meldingen die dagelijks bij de FUMO worden ingediend. Om een goed beeld van de maatschappelijke uitvoerbaarheid te schetsen, moeten alle klachten, procedures en gerechtelijke procedures ten aanzien van het mestvergistingsbedrijf meegenomen worden in de beoordeling.

6

25 van 30

8.

De eerder voor de bedrijven verleende vergunningen zijn uitgewerkt, omdat de betreffende vergunningen zijn verleend voor een pluimveebedrijf met daaraan ondergeschikt een mestvergistingsbedrijf en daarvan is niet langer sprake. Per slot van rekening zijn de activiteiten van het mestvergistingsbedrijf niet langer ondergeschikt aan het pluimveebedrijf. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het mestvergistingsbedrijf een industriële activiteit is en dus niet een agrarische nevenactiviteit.

4

Het plan kan niet worden vastgesteld gezien de nadere inzichten met betrekking tot de hinder en gevaar van co-mestvergisters.

7

Zie zienswijze 1. Artikel 1.2.1 van de Verordening Romte vindt geen toepassing, omdat geen sprake is van ‘hergebruik, verbouw of vervanging van vrijkomende gebouwen’. Per slot van rekening komt er geen gebouw ‘vrij’.

5

In strijd met artikel 1.2.1 lid 2 letter d van de Verordening Romte is geen sprake van een bedrijf dat naar aard en invloed vergelijkbaar is met in de omgeving vergelijkbare bedrijven. Per slot van rekening wordt door het plan meer toegestaan dan alleen een co-vergisting.

5

Het mestvergistingsbedrijf oogt niet agrarisch, omdat ten aanzien van de gebouwen een bouwhoogte van veertien meter wordt toegestaan en ten aanzien van de overige bouwwerken een hoogte van acht meter.

5

Uit het wegbestemmen van de woning blijkt juist dat de nieuwe stedelijke functie mestvergistingsbedrijf niet ruimtelijk en functioneel passend is in de karakteristiek van de omgeving.

5

Artikel 10 van de Verordening Romte biedt geen mogelijkheid om een ontheffing te verlenen voor afwijkingen van artikel 1.2.1 van de Verordening.

5

26 van 30

9.

De communicatie vanuit de gemeente richting de indieners van de zienswijzen is onvoldoende geweest.

6

De bedrijfssplitsing leidt tot waardedaling van de woningen in de omgeving.

12

Het toestaan van een industriële activiteit in het buitengebied is in strijd met de Omgevingsvisie, speerpunt 8.

5

De vergister dient te worden verplaatst naar een industrie- of bedrijventerrein bij Franeker of Harlingen

13

De wijziging van het bestemmingsplan moet worden getoetst aan het Besluit kwaliteit leefomgeving.

3

De grote koepels van de mestvergistingsinstallatie vormen een grote en zeer onwenselijke verstoring in een landschap met een grote cultuurhistorisch en landschappelijke waarde. De Hoarnestreek is namelijk ontstaan op een kwelderwal met een aaneenrijging van kleine terpen die nog goed zichtbaar zijn. Bovendien kenmerkt het landschap zich door agrarische bebouwing en verspreide woonerven. Een grote mestvergister hoort dan ook niet thuis in landelijk gebied, maar op een industrieterrein.

7

De situatie is niet ‘historisch gegroeid’ maar onder de vlag van agrarische nevenactiviteiten zo gecreëerd.

5

Het woon- en leefklimaat wordt onevenredig aangetast door een toename in stank, geluid, uitstoot van gevaarlijke stoffen, lichtvervuiling en verkeer.

7

27 van 30

10.

11. 12.

Een vergistingsinstallatie levert niet per definitie een groene en duurzame bijdrage aan de energietransitie.

3

Het is onduidelijk wat er mogelijk is op het perceel als het vergistingsbedrijf stopt.

4

Onevenredig veel verkeers-, geluid-, geur- en lichtoverlast als de volle capaciteit van de mestvergistingsinstallatie wordt benut.

7

Het vergistingsbedrijf past niet in de ruimtelijke uitstraling van de omgeving, die zich kenmerkt als het buitengebied en grenst aan een Natura 2000-gebied.

4

Het maatschappelijke draagvlak is onvoldoende beoordeeld.

6

De uitstoot is zorgwekkend.

4

In een sessie met de provincie Fryslân is aangegeven dat digestaat onwenselijk is en moet worden afgevoerd naar Roemenië en andere landen.

4

Het vergistingsbedrijf veroorzaakt gezondheidsproblemen.

7

Er is ten onrechte geen plan-milieueffectrapport (plan-MER) opgesteld. Op grond van de leidraad watertoets moet in de toelichting onder het onderdeel ‘Water’ worden vermeld dat er een hoofwatergang aanwezig is en op welke wijze daarmee in het plan rekening is gehouden. Ten onrechte is ten aanzien van Hoarnestreek 14 het bouwvlak tot de hoofwatergang ingetekend. In verbeelding mogen namelijk geen bouwvlakken in de beschermingszone van de hoofdwatergang komen.

9 10

28 van 30

13.

Ten onrechte is geen watervergunning aangevraagd voor de toename in verharding (ruim 2200 vierkante meter) door de realisatie van stal 12. De toename in verharding moet gecompenseerd worden.

10

Bij een eventuele uitbreiding van het bedrijf moet rekening worden gehouden met de kans op een domino-effect tussen de op het perceel aanwezige windturbine en de mestvergistingsinstallatie.

11

De initiatiefnemer moet op de hoogte worden gesteld van het feit dat de opkomsttijd ongeveer zeventien minuten bedraagt en dus de gestelde normtijd van vijftien minuten overschrijdt,

11

29 van 30

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=waadhoeke&id=e9eb7776-c3f9-4996-8d56-97e90c564561